Tagarchief: Fre Cohen

Het holocaustnamenmonument

Ik was eigenlijk tegen het Holocaustmonument. Waarom zo’n buiten alle proporties groot monument? Waarom pas nu zo’n monument. Waarom pas een monument als de nabestaanden van de nabestaanden zijn overleden? En…ik stond er niet alleen in. Mijn bezwaren werden gedeeld door velen en niet alleen door nazi’s en holocaustontkenners. De hooggeleerde Abram de Swaan bijvoorbeeld, wilde niet dat het monument er kwam en ik was het wel met hem eens. Dat schreef ik op en zette het op deze website. Ik heb het stil gehouden voor mijn joodse ma. Zij was er juist erg enthousiast over. Vanuit de zielloze getallen naar tastbare namen, dat is wat zij graag wilde. Ik had mijn bedenkingen.

Maar ik ging sindsdien intensief aan de gang met het verleden. Ik verdiepte me in het werk van Fré Cohen en ik verdiepte me in haar leven en in haar dood. Heus ik had ook toen al heel veel gelezen en gehoord over wat er destijds met ons joden is gebeurd, maar toch wilde het niet landen. Ja, rationeel wel, maar niet gevoelsmatig. Ik heb twee keer de negen uur durende film van Claude Lanzmann ‘Shoah’ gezien. Ik heb dagenlang met mijn overlevende omaatje gesproken en haar helemaal uitgehoord over haar hel in Polen en ik vond het verschrikkelijk maar mijn gevoel wilde er niet aan. Ondanks dat ik van al die verhalen akelig werd, wilde mijn gevoel niet voelen wat het betekende om bijvoorbeeld je kind af te staan zodat het een grotere kans van overleven heeft. Kennelijk was ik pas toen ik me zo verdiepte in het lot van Fré Cohen emotioneel rijp om volledig te kunnen doorvoelen wat men destijds meegemaakt heeft. Dat veranderde veel. Sindsdien ben ik voor het namenmonument. Ik heb een draai gemaakt. Ik mag dat want ik ben geen politicus.

Gisteren was ik bij het namenmonument. Net als tientallen anderen had ik namen en geboortedata op een lijstje gezet. Het is best zoeken waar je familie staat. Het zijn zo verschrikkelijk veel namen. Helemaal logisch zit het niet in elkaar, maar dat hoeft ook niet; op zoek naar mijn eigen vermoorde voorouders zie ik  graag de namen van zoveel anderen. Niet alleen de namen, ook hun geboortedatum en de leeftijd waarop ze omgebracht werden. 13 jaar, 37 jaar, 85 jaar, 64 jaar, 3 jaar; de omvang van de misdaad is met geen pen te beschrijven. Ik fotografeerde mijn vier overgrootouders (allemaal zo rond mijn leeftijd vermoord) en mijn grootvader (gedood toen hij zo oud was als mijn jongste zoon).

Niet de namen van alle slachtoffers vind je terug op het monument. Mijn omaatje bijvoorbeeld niet. Je kunt moeilijk zeggen dat ze geen slachtoffer was van de nazi’s; haar kregen ze niet dood. Fré Cohen vind je ook niet op een van de stenen. Weliswaar overleefde ze de oorlog niet, maar ze werd niet door de nazi’s vermoord omdat ze de hand aan zichzelf sloeg. Haar vriend Joseph Gompers stierf in Tröbitz in vrijheid, hoewel hij van zijn vrijheid, verzwakt als hij was, weinig meegekregen zal hebben. Hem heb ik wel gevonden.

Borne en Hengelo

Als je iets geleerd hebt als je boven de zestig bent is het wel dat de natuur een datum helemaal niets zegt; je viert je verjaardag of nieuwjaar en niets verandert. De epidemie, de natuur dus, gaat gewoon door zonder zich van wat voor datum dan ook iets aan te trekken. Tijd is slechts een afspraak tussen mensen. Een van de mythes om onze mensenmaatschappijen te laten draaien zoals wij dat willen. Willen? Nou ja, hoe dan ook,  vandaag is het nieuwe jaar begonnen en kan alleen maar beter worden dan het oude. In het nieuwe jaar gaat in september – als alles mee zit (en waarom ook niet) – onze tentoonstelling over Fré Cohen geopend worden. Vanwege de pandemie blijft de huidige Taut-tentoonstelling wat langer open en is ‘onze’ tentoonstelling wat naar achteren geschoven. Naar het Coronavrije tijdperk, mag ik hopen.

Geliefde J. en ik hebben een appartementje gehuurd in het oosten van het land. Het mooiste en wijdste uitzicht dat we ooit gehad hebben. Was er niet net een nieuwe weg aangelegd, dan was het hier ook nog heel stil geweest. Het is de streek waar Fré Cohen in 1942 haar laatste periode heeft geleefd. Gedwongen door de omstandigheden moet ik wel zeggen, want anders was ze ongetwijfeld gewoon in Amsterdam blijven wonen, in haar atelier op de Karel du Jardinstraat. Lees je de verhalen over die periode in haar leven dat ze in het oosten van het land woonde, dan lijkt het een beetje alsof de rust van het landschap in haar gevaren was. Het leven kabbelde voort. Ze deed klusjes in het huishouden – hoewel dat niet direct haar sterkste kant was – en tekende veel. Onder anderen een mooi portret van Minie, de dochter van het gezin waarbij Fré Cohen ondergedoken zat.

Omdat J. en ik in de buurt waren, zijn we op zoek gegaan naar de bewuste boerderij. Aan de Deldersedwarsweg in Borne.  Die weg heeft een andere naam gekregen: De leemweg. Nummer 2 zou het huis zijn. Toen we over de Leemweg liepen hadden we heus niet gedacht dat we hetzelfde zouden zien als Fre Cohen toen ze in september 1942 haar onderduikadres in het vizier kreeg, maar wat wij ervaarden was, denk ik, het tegenovergestelde. De Deldenseweg – waar Fre Cohen d’r straat dus een dwarsweg van was geweest – bleek een vrij drukke provinciale autoweg. De voormalige dwarsweg – nu Leemweg – lag er lawaaierig, verloren en verwilderd bij. Op nummer 2 een huis waarvan het ongeloofwaardig was dat het er al in 1942 had gestaan. Het leek verwaarloosd. Geliefde J. en ik stonden stil op de plek waar Fré Cohen haar laatste teug vrije lucht naar binnen moet hebben gezogen, maar wij konden haar ons niet voor de geest halen. Op deze plek was niets hetzelfde gebleven als in de zomer van 1943.

We reden door naar Hengelo, waar Fre Cohen begraven lag. Een mooi ommuurd kerkhofje heel erg in de buurt waar zoonlief J. een tijdlang, betrekkelijk ongelukkig in een luxeappartement, gewoond had. We konden door de spijlen van de toegangspoort de graven zien. Het zag er vredig uit. Wat konden we er meer over zeggen… Fre Cohen is dood en begraven, maar in november 2021 wordt er een tentoonstelling geopend van haar werk in museum Het Schip. Haar werk houden we in leven!

De Arbeiders Jeugd Centrale en oma

Het schijnt dat oma koppig bleef zitten toen de Internationale gezongen werd. Ik zie haar voor me. Net weer met mijn kleine meisjesmoeder herenigd en dan samen op de Paasheuvel op de natuurlijke tribune van het openluchttheater. Iedereen gaat staan aan het eind van de bijeenkomst om samen hét lied te brullen omdat er een nieuwe tijd is aangebroken. Mijn meisjesmoeder wilde ook gaan staan, maar oma pakte haar hand en trok haar weer op haar plaats. Met samengeknepen lippen moet mijn oma hebben gedacht aan de laatste jaren voor de oorlog toen de AJC nog haar leven was en haar leven nog heel was. Maar alles was weg en niemand had genoeg voor haar kunnen doen en iemand moest de schuld krijgen en dat werd de AJC. Als je zoveel liefde wordt afgenomen door een oorlog die speciaal voor jou extra wreed uitpakt, dan heb je het recht om schuldigen aan te wijzen, zelfs als dat niet helemaal terecht is. Haar AJC-vrienden hebben haar uiteindelijk wel geholpen, maar de organisatie niet, want die bestond na 1940 even niet meer. Via haar AJC-vrienden heeft ze een tijd verstopt gezeten en is haar kind, mijn moeder, bij onderduikouders terechtgekomen. Maar zijzelf werd verraden en naar Polen gebracht om daar hetzelfde lot te ondergaan als de liefde van haar leven – de vader van mijn moeder – en haar ouders en haar broer en diens volledige gezin. Maar het liep ietsje anders; ze kwam terug en ze gaf onder anderen de AJC de schuld van haar ellende.

Ik ben op zoek naar Fré Cohen. Haar leven loopt in zekere zin parallel aan het leven van mijn grootouders. Ze deelden dezelfde idealen, ze waren joods, waren jong voor de oorlog en vonden een soort van einde in de tweede wereldoorlog. Natuurlijk waren er ook grote verschillen: Mijn grootouders waren lieve mensen die hun steentje aan de maatschappij probeerden bij te dragen terwijl Fré Cohen een groot kunstenaar bleek waarover men nog jaren zou spreken. Mijn grootouders wilden nauwelijks wat met het jodendom te maken hebben omdat het internationaal socialisme alle arbeiders van alle volkeren – en dus ook het Joodse – ging verbroederen. Fré Cohen ging allengs toch meer de zionistische kant op; oma had Auschwitz nodig om diezelfde richting op te gaan.

Het AJC monument op de Paasheuvel in Vierhouten

Op de Paasheuvel staat een monument waarop alle namen worden genoemd van AJC-ers die slachtoffer zijn geworden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Fré Cohen staat daar uiteraard op. Zij was de vormgeefster van de AJC. De broer van mijn aangetrouwde – maar desalniettemin helemaal echte – opa staat er wel op: Jacques. Maar helaas konden we de naam van mijn biologische – dus ook echte – opa niet op het monument vinden. Ik wilde zo graag dat de namen van mijn opa en Fré Cohen op hetzelfde monument verenigd waren. Maar nee dus. Ik vroeg het mijn moeder en ze vertelde over de boosheid van oma op de AJC vlak na de oorlog. Ze heeft waarschijnlijk geen enkele moeite gedaan om Hijman’s naam op het monument te krijgen en, hoewel mijn beide grootouders tot aan de opheffing in 1940 zeer actieve leden waren, werd hij door de AJC vergeten. Voor mijn moeder is dat erg pijnlijk en voor mij erg jammer, maar het is nu eenmaal zo.

Ondergang

De ondergang is op dit moment niet ver weg, bij mij. Niet mijn eigen ondergang. Nee, godzijdank niet. De ondergang als gevoel. Ik verdiep me in het leven en werk van de joodse kunstenaar Fre Cohen en dat brengt je vanzelf naar ondergangsgevoelens. De vrouw pleegde zelfmoord toen ze in 1943 werd gearresteerd. Ze voorvoelde kennelijk precies welk onheil eraan kwam. Achteraf gezien nam ze met haar eigen gekozen dood, denk ik, de minst slechte beslissing en voorkwam ze heel veel ellende en een even zekere aanstaande dood. Ik verdiepte me gisteren in de laatste jaren van haar leven. Ze werkte toen als docent aan de W.A. van Leer-school. Een joodse middelbare kunstnijverheidsschool. Die school bleek ietsje meer connectie met mij te hebben dan ik in eerste instantie dacht. Mijn te vroeg gestorven en – ik mis hem nog steeds – zeer geliefde opa, speelde zonder dat hij het wist een sleutelrol. Zijn broer Leo was, toen 23 jaar oud, een collega van Fre Cohen. Mijn opa’s oorlogsverhaal las ik in ‘Overleven een kunst’ van Ies Jacobs. Samen met Ies vluchtte mijn opa en dook hij onder op het Friese platteland. Ies Jabobs was leerling op de Joodse kunstnijverheidsschool en dus leerling van Fre Cohen en Leo. Mijn opa’s oorlogsverhaal kwam ik puur toevallig op het spoor want er zelf over vertellen deed hij niet. Ik liep in voormalig kamp Westerbork aan tegen het boek van Ies Jacobs en terwijl ik het doorbladerde zag ik tot mijn verbazing foto’s van mijn toen nog zo jonge opa. Al die geschiedenissen hebben een prominente ondergangscomponent. En omdat ik me gisteren naast alle ellende die ik las, ook nog wel wilde ontspannen en dus ging netflixen zette ik pardoes de film Sobibor op. Tsja, wat er allemaal niet onbewust en bewust op je afkomt op een sombere, bewolkte miezerige zondag. Je zou haast blij zijn dat het weekend weer voorbij is…

Maar ik overleefde het weekend en las vanochtend de krant met daarin een artikel van historicus Willem Melching. Gelooft het of niet; het gaat over de vernietiging van het Europese jodendom. Met name over Auschwitz. Hij stelt zichzelf de vraag of de moord op zoveel joden van tevoren bedacht was of dat er een vaag idee was dat per ongeluk eindigde in de genocide. Ik vraag me af in hoeverre er historisch bewijs is voor de dingen die hij beweert. De historicus schrijft over de gevoelens en de redeneertrant van mensen van toen. Beetje vaag. Hij beweert dat de Duitse leiders van toen de joden weg wilde hebben uit West-Europa en ze wilden verhuizen naar Siberië…heel ver weg in ieder geval. Maar omdat operatie Barbarossa minder gunstig en snel verliep dan gepland en Siberië een brug te ver was, maar ze aan de andere kant wel van de joden af wilden, vatte men het plan op om de joden dan maar te vernietigen. De vernietiging van de joden was dus, volgens Willem Melching, niet van tevoren uitgedacht, maar toevallig tot stand gekomen. Ik heb daar wat bedenkingen bij. Was de stap naar massale moord niet al veel eerder ingezet? Hadden ze destijds niet al geoefend op geestelijk gehandicapten? Kampcommandant Niemann van Sobibor had daar een rol in gespeeld. Maar goed, de redenering van Melching past beter in het beeld dat Rutger Bregman in zijn boek ‘De meeste mensen deugen’ schetst van de natuur van de mens; in beginsel was er niet de pure slechtheid die we er nu aan verbinden, maar was er echt het plan om de joden te verplaatsen. Alleen waarnaartoe? De plek waar de joden konden verblijven kon nog niet bereikt worden. Vermoorden was dan een goede tussenoplossing. Maar wacht eens even…mensen naar Siberië verplaatsen…is dat niet hetzelfde als genocide? Doet je dat niet een beetje denken aan het verplaatsen van de Armeniërs naar de woestijn en ze daar zonder iets achterlaten?

De ondergang. Laten we hopen dat de werkdag van vandaag me op andere gedachten brengt.