Categoriearchief: columns

Anjet Daanje – Het lied van ooievaar en dromedaris; een meesterwerk!

Ik weet eigenlijk niet waar ik moet beginnen. Sinds ik de roman ‘Het lied van ooievaar en dromedaris’ van Anjet Daanje uit heb, ben ik maar recensies gaan lezen. Het is zo’n geweldig boek, maar tegelijkertijd zo complex en toch leest het zo makkelijk weg dat ik er eigenlijk geen woorden voor heb. Ik weet zeker dat het één van de allerbeste boeken is die ik ooit gelezen heb en ik ben bang dat ik nooit meer zo’n leeservaring zal krijgen. Tegelijkertijd…vertel het maar eens na, waar gaat het boek over? Eigenlijk lees ik nooit recensies als ik een boek uit heb; ik wil graag mijn eigen mening vormen en geven, maar in dit geval was ik gewoon heel erg benieuwd wat al die recensenten ervan maakten. Superlatieven in overvloed. Vooral in de recensie die in het NRC verscheen kunnen haast geen woorden gevonden worden om te beschrijven hoe goed de roman is. Nou, die woorden kan ik dus ook niet vinden. Deze roman bestaat eigenlijk uit elf volledige romans die los van elkaar stuk voor stuk fantastisch zijn. In dit geval zitten er verbindende en structurerende elementen in die het geheel opkrikken naar meer dan fantastisch. Een meesterwerk, zou ik haast zeggen. Maar wat koop je daarvoor? Het zegt helemaal niets hoe ik het noem. Dompel jezelf onder in de wondere wereld van Anjet Daanje, zou ik zeggen. Geliefde J. zwemt inmiddels ook rond in die Anjet-Daanje-wereld en is er vrijwel niet uit te krijgen; elke pagina van de slordige 700 is boeiend; heeft een onpeilbare diepgang en is…geweldig. Ik zag op YouTube een interview met de schrijfster. Op de vraag waar haar romans over gaan gaf ze een antwoord waar de Neerlandicus niet helemaal blij mee was omdat wat zij vertelde eigenlijk wel voor 80% van alle romans en verhalen gold namelijk wat er zich in het hoofd van de hoofdrolspelers afspeelt. De neerlandicus wilde het specifieker, het thema van haar romans… Daanje vertrok haar gezicht in een grimas van niet begrijpen. Ik denk dat ze daar eerlijk in was. Haar roman gaat over zo verschrikkelijk veel!

Ik heb de roman(s) gelezen en ik kan ook maar moeilijk vinden waar deze roman in de kern over gaat. De verhalen zijn zo verschillend en je hebt erna weer zoveel gelezen dat ze niet goed blijven hangen, het lijkt alsof ze naar een diepere laag van je denkraam zakken. Aan de andere kant is de leeservaring werkelijk geweldig. Centraal staat het verhaal van de zussen Drayden die in het begin van de negentiende eeuw in het dorpje Bridge Fowling in Yorkshire leefden. Het aantal kinderen van Pastoor Drayden is al danig geslonken en ook de moeder van het gezin is inmiddels overleden. Slechts drie zussen zijn over: Helen, de jongste, Eliza May en Millicent. Maar dan wordt ook Helen ziek en sterft. Helen en Eliza May hebben een haast symbiotische band met elkaar en Eliza May lijkt gek van verdriet over het verlies. Millicent en ook Eliza May publiceren ieder een roman. Millicent schrijft de roman ‘Weduwe’ onder het pseudoniem Madison Drew en Eliza May Drayden schrijft de roman ‘Haeger Mass’ onder het pseudoniem Emery Drew. Niet veel later dan nadat ze hun roman gepubliceerd hebben, overlijden ook de twee laatste zussen. Inmiddels worden hun boeken onder hun eigen naam gedrukt en zijn de romans zo’n succes dat het plaatsje Bridge Fowling overlopen wordt door bewonderaars die de plaats willen bezoeken waar ze geleefd hebben en bovendien willen ze hun graven bezoeken. Dat deze twee zussen verschrikkelijk veel lijken op de zussen Brontë is evident. Maar Daanje speelt er ook weer mee; de Brontë’s worden zelf ook genoemd.

Volgens mij wordt in het laatste hoofdstuk het meest duidelijk wat de hoofdpersonen in alle verhalen het meest bezig houdt: Wat is het wezen van tijd en plaats. Hoofdrollen in het laatste verhaal zijn klokkenmaker Ties en briljant natuurkundige Heleen en het speelt zich af in het noorden van ons land. Ties houdt zich bezig met datgene wat traditioneel te maken heeft met het verloop van de tijd op een bepaalde plek op de aarde. Een klok geeft de tijd weer op een bepaalde plek op de aarde en daardoor zijn ze onverbrekelijk verbonden met elkaar. Heleen daarentegen bestudeert de kwantummechanica. Op het niveau van de subatomaire kwantummechanica bestaat er geen verleden of toekomst en kan iets daar zijn maar tegelijkertijd ook ergens anders. In de kwantummechanische theorie worden de begrippen tijd en plaats op z’n kop gezet. Ties en Heleen beredeneren dat als er niets meer gebeurt, er ook geen tijd meer is. Prompt valt Heleen van een trappetje en raakt in coma en zet ze als het ware voor haarzelf en in zekere zin ook voor Ties, de tijd stil.

Tijd en plaats op z’n kop. Als je dood bent, kan je dan ook ergens anders doorleven? Een verhaal speelt in Amerika. Een boot met emigranten is rond het moment dat Eliza May Drayden begraven werd, vertrokken naar Amerika. Uit die boot stapt uit het niets een vrouw, even oud als Eliza May, in het leven op een ander continent. Ze speelt prachtig piano (wat Eliza May ook kon) en dat bekoort een man enorm. Stilletjes luistert hij naar haar als ze speelt. Zij weet het. Op een gegeven moment wil ze pas spelen als ze zeker weet dat hij het hoort. Hij wordt verliefd op haar en trouwt met haar. Vanaf dat moment speelt ze geen piano meer. Ze gaan beiden schrijven en dan blijkt hoe groot het schrijftalent van de vrouw is…Is het soms toch Eliza May Drayden…in Bridge Fowling blijkt het graf van Eliza May leeg…

Een vrouw die niet kan geloven dat een man verliefd op haar wordt en op hetzelfde moment onweerstaanbaar naar zijn liefde verlangt. Het speelt in het hiervoor beschreven verhaal een rol, maar ook in het verhaal van de Emery’s waar de eerste Emery (inderdaad het pseudoniem waaronder Eliza May Drayden haar roman publiceerde…toeval? Niets is toeval!) die iets van het getal 7 lijkt te overleven (lees zelf maar hoe of wat met het getal 7) verliefd wordt op het meisje met de hazenlip die ervan overtuigd is dat ze nooit zal trouwen en ze alleen maar mag verlangen. Maar ook Heleen, de briljante natuurkundige denkt alleen te kunnen en mogen verlangen naar liefde, en ook…ja nog veel meer vrouwen in de roman. Ook de symbiotische band tussen de zussen Helen en Eliza May Drayden wordt in verschillende verhalen in de roman gespiegeld. Op z’n mooist wellicht in het verhaal  van de tweeling Janet en Penny. Met het doel om later mensen op te lichten in seances waarin zogenaamd met de doden wordt gesproken, wordt er maar één van de tweelingzusjes aangegeven bij de burgerlijke stand. Eén van de twee bestaat de andere niet. Eén is eigenlijk twee.

De originaliteit en de ideeënrijkdom is zo groot dat ik eindeloos door kan gaan. Daarom stop ik maar. Lezen die roman! Een voorlopig hoogtepunt in de Nederlandse literatuur!!!

Een monument voor mijn opa

De koude harde, natte wind striemde in mijn gezicht. Achter mij een eenzaam huis. Voor mij eindeloze landerijen. Tachtig jaar geleden lag het nog veel verder weg van de bewoonde wereld dan nu. Een godvergeten plek ergens in Drenthe. Kremboong. Een gekke naam. Geen idee wat het betekent. Het is de naam van de weg waar het kamp aan lag. Het was de naam van het dwangarbeiderskamp voor joden dat hier was gevestigd tijdens de eerste jaren van de oorlog. Ik was gisteren bij het herinneringsmonument. Het herinneringsmonument bestaat uit een grote zwerfkei met plaquette. Ik lees op de plaquette dat het monument in 2009 werd onthuld in het bijzijn van overlevende Ies Jacobs die destijds samen met ‘een vriend’ had weten te ontsnappen uit het kamp. ‘Een vriend’. Sem Schatz was die vriend. Mijn opa. Het voelt alsof zijn naam keihard vergeten moest worden. Het voelt verkeerd. Aan Ies Jacobs lag het niet; hij noemt mijn opa bij zijn naam. Op YouTube en in zijn boek. Hier staat het zo kaal. ‘Een vriend’ kan bijna iedereen zijn terwijl die vriend iemand was waar ik diep mee verbonden was. Mijn buitengewoon heel erg slimme en bovendien erg geliefde opa. Mijn opa waarmee ik geen stringetje DNA verwantschap had, maar toch heel erg mijn opa was. Bij de onthulling van het monument in 2009 was hij al 20 jaar dood.

Monument voor kamp Kremboong in Tiendeveen
Monument voor kamp Kremboong in Tiendeveen

Door zijn veel te vroege dood heb ik hem nooit naar zijn oorlogsverleden kunnen vragen. Dat verleden moet voor hem altijd dichtbij zijn geweest. Dat besef je pas als je zelf al wat langer op de aardbol rondloopt. De ervaringen die je tussen je twintigste en je dertigste op doet blijven dichtbij. Zeker als die ervaringen zo heftig en zo levensbedreigend waren en helemaal als daarbij je ouders en je broer iets fataals overkomt. Hij moet er dagelijks aan gedacht hebben en nooit heeft hij er een woord over gerept. Wel over de leuke kanten van zijn onderduik in Friesland. ‘Bûter, brea en griene tsiis, wa’t dat net sizze kin is gjin oprjochte Fries’. Voor zover ik weet sprak hij het zinnetje accentloos uit.

Het verhaal over Kremboong en zijn ontsnapping heb ik een paar jaar geleden gelezen in het boek ‘Overleven een kunst’ van Ies Jacobs. Ik kwam het boek tegen tijdens een vorige vakantie in Drenthe toen we kamp Westerbork bezochten. In de winkel van het herinneringscentrum bladerde ik door wat boeken en ineens stuitte ik op een foto van mijn moeder als klein meisje. Op dat moment viel pas het ‘Ies Jacobs’ kwartje. Wat jammer dat mijn opa zijn verhaal nooit aan mij heeft kunnen vertellen! Kamp Kremboong was een verschrikkelijk oord waar joodse mannen ‘werd geleerd’ wat werken was… Een voorportaal voor wat hen te wachten stond. Als je naar een concentratiekamp ging, was de kans op overleven niet groot. Dat men massaal meteen bij aankomst vermoord zouden worden wist niemand, maar dat overleven moeilijk was, wist men wel. Kremboong fungeerde voor mijn opa als waarschuwing en die heeft hij ter harte genomen. Het Kremboong-monument zie ik als een monument voor mijn opa.

Hildo Krop in Steenwijk

De Vrijheidslaan en het Victorieplein ken ik vanaf dat ik heel klein was. Op het Victorieplein zat mijn kleuterschooltje. Juf Snikkenburg was mijn juf. Een naam die ik ongetwijfeld zou zijn vergeten als het niet zo’n aparte naam was. Als kleutertje was ik helemaal verliefd op de juf. Ze is een van de weinigen die ik nog helemaal voor mijn geestesoog kan halen. Als ik nu naar dat beeld kijk, dan zie ik een typisch eind jaren vijftig begin jaren zestig gezicht voor me. Vooral de vlinderbril en het opgestoken haar. Ik liep zelf naar school. Vanaf de Goudriaanstraat over de Weesperzijde, de Berlagebrug over naar de Vrijheidslaan. Langs de Vrijheidslaan naar het Victorieplein met de Wolkenkrabber; volgens mijn pa het hoogste gebouw van Amsterdam. Ik moest tig keer oversteken en omdat dat, ook toen al, een riskante bezigheid was, vroeg ik aan een groot mens of die mij wilde helpen. Gewillig staken de volwassenen een hand naar mij uit om mij veilig, met handjes vast, naar de overkant te brengen. Zo ging dat toen.

Voor de Wolkenkrabber op het Victorieplein was een grasveldje. Een leeg grasveldje. Een nutteloos grasveldje want je kon er niet op spelen. Het grasveldje ligt op het punt waar Rooseveltlaan en Churchilllaan samen komen, twee drukke wegen.

Toen ik naar de Berlageschool ging, in een zijstraat van de Vrijheidslaan, werd er op dat nutteloze grasveldje op het Victorieplein een beeld geplaatst. Hoewel mijn ouders best te spreken waren over het beeld, vond ik het wanstaltig. Ik ben het pas later gaan waarderen, zoals ik al het Amsterdamse beeldhouwwerk van Hildo Krop pas later ben gaan waarderen. Ik moest inwendig lachen om Jan Wolkers in Turks Fruit toen hij zich beklaagde dat er geen emplooi meer was voor een beeldhouwer als hij omdat de hele stad volgeplempt was met beelden van socialistische kabouters. Dat sloeg duidelijk op het werk van Hildo Krop.

We zijn in Drenthe neergestreken om het nieuwe jaar op gang te laten komen. In de buurt van Steenwijk. Dat is de geboorteplaats van Hildo Krop. Er is dan ook een museum voor deze illustere kunstenaar. Gisteren waren we er. Het Hildo Kropmuseum is gesitueerd in de kelder van Villa Rams Woerthe. Zowel de villa als het Hildo Kropmuseum worden, voor zover ik begreep, geheel gerund door enthousiaste vrijwilligers en dat maakt een bezoekje meer dan leuk! In de kelder van de villa kwam ik dit model tegen van het Berlage beeld op het Victorieplein en nu, een kleine zestig jaar later, vind ik het zo’n mooi beeld en kan ik me haast niet meer indenken dat ik het eerst zo wanstaltig vond!

Wreedheden

Ik kan de oorlog in Oekraïne haast voelen, en dus volg ik er alles over; ik maak me kwaad over het bestoken van burgerdoelen en verheug me op terreinwinst van de Oekraïners. En uiteraard, en heel misschien ook wel uit gebrek aan alle informatie, zijn de Russen de slechteriken. De strijd van de Oekraïners zie ik als gerechtvaardigd. Voor zover mijn nieuwsbronnen het me vertellen, worden wreedheden vooral door de Russen in Oekraïne gepleegd. Wreedheden horen bij oorlog als zout op een eitje. Je vraagt je af of wreedheden ooit als positief gezien konden worden.

Lucas Cranach de jongere – Elias und die Baalpriester (1545)

In Dresden vonden we in de ‘Gemäldegalerie alte Meister’ een zaaltje vol schilderijen van vader en zoon Cranach; dé schilders van de dertigjarige godsdienstoorlog in Duitsland. De schilderijen die zij maakten zijn soms ogenschijnlijk bijbelse taferelen á la Rembrandt, maar in werkelijkheid politieke statements die getuigen van de godsdienstoorlogen. Geweld en wreedheden kenmerken de godsdienstoorlogen en zeker de dertigjarige oorlog die in Duitsland hele streken ontvolkten. Dit schilderij van Cranach laat zien hoe zijn kring zich opstelde tegenover het geweld dat gepleegd werd. Het tafereel is gebaseerd op een bijbelverhaal in het boek Koningen: Onder invloed van zijn vrouw heeft koning Ahab gekozen voor de god Baäl. Aan profeet Elia de taak om Ahab weer op het rechte pad te krijgen; geloven in een andere God; Elia’s god; de bijbelse god. Aldus daagt hij de Baäl priesters uit om aan te tonen dat hun Baäl machtiger is dan Elia’s god. Voor dat doel wordt een stier in stukken op een offertafel gelegd. Lukt het de priesters om hun god ertoe te bewegen de offergave aan te steken en aldus het offer tot zich te nemen? Ze bidden en schreeuwen maar niets gebeurd er. Dan is het de beurt aan Elia en de bijbelse god. Om de bewijslast nog even wat scherper te stellen laat hij de stukken stier met water overgieten. Na wat rituelen en gebeden steekt god de stukken vlees in brand en neemt Hij de offergaven tot zich. ‘En Elia zeide tot hen: Grijpt de profeten van Baal, dat niemand van hen ontkome. En zij grepen ze; en Elia voerde hen af naar de beek Kison, en slachtte hen aldaar.’ (aldus de online-bijbel…) En…God zag dat het goed was…denk ik…want in het verhaal vertegenwoordigd Elia het geluid van de rechtvaardigen.

Tijdens die vervloekte godsdienstoorlogen waarin vader en zoon Cranach terecht waren gekomen was er net zo goed een strijd om wie de ware god was. In de ogen van de Cranachs was dat zeker niet de Rooms Katholieke god; hun aanhangers moesten vernietigd worden. Op het schilderij zijn we getuige van dit verheffende werk waarvan we nu ongetwijfeld zeggen dat het een misdaad tegen de menselijkheid is maar toen, analoog aan het bijbelverhaal, gerechtvaardigd en positief. Wat zien we: De (katholieke?) priesters staan in een lange rij te wachten op hun beurt. De eerste rechtvaardige kleedt degene die aan de beurt is, uit. De tweede onthoofdt hem, de derde sleept het leeglopende onthoofde lijk naar de vierde rechtvaardige. Deze hakt het ontzielde lijf in stukken zodat de vijfde rechtvaardige de stukken lichaam wat makkelijker in de rivier kan dumpen.

Je zou denken: Wat fijn dat er nu oorlogsrecht bestaat. Wat fijn dat dit soort excessen nu helemaal niet meer gezien zouden kunnen worden als rechtvaardig. Gelukkig dat we de Verenigde Naties hebben om geschillen op te lossen. Maar helaas, het haalt allemaal niets uit; de wreedheden worden anders begaan maar het effect is hetzelfde. We vinden het niet meer fijn om dit soort taferelen te schilderen en voelen ons schuldig over de dood en ellende van de tegenpartij… Is dat zo? Zaten we niet juist lekker te smullen van YouTube-filmpjes vanuit drones gefilmd waaruit granaten geworpen worden op doodsbange Russische jongens die er net zo goed niet voor gekozen hebben om illegaal in een vreemd land te vechten?

De Lehman trilogie; een joods complot?

Gezien op 11 november 2022 in het ITA (de Amsterdamse Stadsschouwburg, dus)

Als de slechtheid van de mens gekoppeld wordt aan het hebben van een joodse achtergrond, dan krimpt mijn hart samen en kruipt er ongeloof en angst in mijn botten. Wordt zo’n koppeling gemaakt door mij sympathieke mensen of organisaties dan zoek ik naar de ontkenning van de koppeling en hoop ik met heel mijn wezen dat ik die ontkenning vind want wat moet ik als ik die ontkenning niet vind? Dan blijf ik verder zoeken of hoop ik en houd ik me voor, dat ik ‘iets’ gemist heb. Ondertussen nestelt een gevoel van onbehagen zich in mijn  brein en dat wil er maar moeilijk uit. Zo loop ik inmiddels al een tijdje te dralen om verslag te doen van mijn bezoek aan de Stadsschouwburg die tegenwoordig ITA heet. ‘De Lehman trilogie’ heet het toneelstuk en het gaat over de opkomst en ondergang van zakenbank Lehman Brothers. In dat toneelstuk wordt er best sterk de nadruk gelegd op het feit dat de broertjes Lehman die de grondleggers van de bank zijn, vrome joodse jongens waren die vanuit Duitsland naar Amerika emigreerden om het daar te gaan maken. Van generatie op generatie verrijken ze zich over de ruggen van anderen en bouwen ze een financieel imperium op, dat uiteindelijk in 2008 failliet gaat en zo’n beetje de grote bankencrisis en de daaropvolgende wereldwijde recessie veroorzaakt. Joodse mannen, die puissant rijk worden in het bankwezen en die uiteindelijk een wereldwijde financiële crisis veroorzaken…komt dat niet heel erg bij de verhalen die verteld werden in de jaren dertig van de vorige eeuw over die eerdere grote crash en de familie Rothschild. Een wereldwijd complot van een paar rijke joden. ITA pas op! Laat weten dat het niet persé over joden gaat maar over nietsontziende geldzucht. Laat ik het ITA niet van antisemitisme beschuldigen…

Het toneelverhaal begint in de negentiende eeuw als Hayum Lehman als arme Duits-joodse migrant aankomt in New York en zijn naam laat veramerikaniseren tot Henry Lehman. Spoedig volgen twee broers en samen beginnen ze een stoffenwinkeltje in New York. Ze ontwikkelen een nieuwe manier van handeldrijven als ze katoen opkopen bij slaven drijvende katoenboeren en die katoen weer doorverkopen aan slaven drijvende katoenweverijen; de tussenhandel. Ze weten een groot deel van de handel in handen te krijgen en een fortuin te maken. Bovendien ontdekken ze de zelfde manier van handeldrijven ook kan voor andere producten: IJzer, suiker, olie, wapens etc. Met het aantal producten dat ze als tussenhandelaren verhandelen groeit het vermogen en het bedrijf van de Lehmannen waarbij het maken van winst centraal staat en waarvoor ze de moraal hebben uitgezet. Dat de katoen verbouwd werd met slavenarbeid, boeide ze niet en dat er met de wapens die ze doorverkochten, mensen vermoord werden boeide hun evenmin; winst, daar ging het om. Het bedrijf gaat van de ene generatie over naar de volgende generatie Lehman en handel in producten gaat over in de handel in producten op papier naar papieren producten en uiteindelijk naar handel in alles waarmee winst valt te behalen. De grote beurscrash van 1932 maakt voor korte tijd een einde aan de handel. Maar dat is uiteindelijk niet veel meer als een dipje. Daarna gaan ze ongeveer op dezelfde voet verder waarbij na de eeuwwisseling in 2000 de handel in slechte hypotheekpakketten de ondergang inluidde van het zakenbank imperium. Dat de bank toen al tijden niet meer in handen was van de joodse broertjes Lehman of hun nazaten krijgen we nauwelijks te horen, maar de boel zakt met een grote plof in elkaar en daar eindigt het verhaal.

De trend in onze huidige maatschappij dat het geslacht van iemand minder belangrijk is dan het belang dat we er aan gaven tot dusver, wordt ook gevolgd op het toneel. Vrouwen spelen mannen en mannen spelen vrouwen. Wat ik ervan vind? Ik vind het fijn dat ik een man ben en ik zou het ook fijn hebben gevonden als ik vrouw ben. Man of vrouw, het maakt een belangrijk deel uit van de persoon die ik ben. Dat is me voor een heel klein deel aangepraat, maar voor het overgrote deel is dat gewoon zoals het is. Als mannen vrouwen spelen en andersom en als ze dan maniertjes overnemen van het geslacht dat ze niet zijn, dan voelt dat als gekunsteld; van mij hoeft het niet. Het brengt je een beetje in verwarring en laat je nadenken over je eigen sekse? Het kan. Aan de andere kant heb ik het al vaker gezien en is het nieuwe of het  vernieuwende er inmiddels wel al af. Dat neemt niet weg dat ik naar prachtig acteerwerk heb gekeken. Het was absoluut genieten. Hoewel Gijs Scholten van Aschat er bovenuit stak, zakte er niemand door het ijs. Ondanks de gigantische lappen tekst en relatief weinig actie, bleef het boeiend wat er op het toneel gebeurde. Ik heb op zich een leuke, lange avond gehad.

Alleen die sluimerende complottheorie…joden die over de rug van iedereen rijk worden en die schuldig zijn aan een wereldwijde financiële crisis (terwijl de broers/familie Lehman ten tijde van de crisis al niets meer met het bedrijf te maken hadden)…ik blijf er moeite mee houden. Ook omdat ik niet gemerkt heb dat dat beeld gecorrigeerd werd tijdens de voorstelling. Of…ik heb iets gemist, natuurlijk.

De Eerste van Mahler en een heel mooi lied van die ander…

Gezien en gehoord in het Concertgebouw van Amsterdam op 29 oktober 2022

De toegift gisterenavond zo vlak voor de pauze was het ideale bruggetje tussen het religieuze Gloria met al haar onverwachte harmonieën, melodieën en spanning van Francis Poulenc en Gustav Mahlers eerste symfonie. Richard Strauss gezongen door de Amerikaanse sopraan Erin Morley. Je kunt mij dag en nacht wakker maken voor de orkestliederen van Richard Strauss. Ik denk dat ik ze allemaal wel van noot tot noot ken. De levens van Strauss en Mahler kruisten elkaar. Ze kenden elkaar en hun beider echtgenoten hadden de pest aan elkaar. Alma Mahler, de absolute schoonheid waar veel kunstenaars voor in katzwijm vielen, maar een betrekkelijk ongelukkig huwelijk had met Gustav Mahler. Haar werd verboden om naam te maken als componist terwijl ze wel degelijk potentie had. Pauline Strauss de beroemde sopraan waarvoor – zo zou je denken – haar echtgenoot al die prachtige liederen geschreven heeft…en opera’s waarbij doorgaans een sopraan (Pauline?) de hoofdrol zong. Richard Strauss zette de mooiste gedichten op muziek. ‘Morgen’ is een wonderschoon gedicht van John Henry Mackay die de van liefde vervulde stilte beschrijft bij zonsopgang. Is dat zo? Nee, het is mijn interpretatie. Maar over de stilte gaat het zeker en dat moet voor Richard Strauss de ideale stimulans zijn geweest om het op muziek te zetten en in de muziek verstilling te bereiken. Dat lijkt met elkaar in tegenspraak., maar luister er maar eens naar; het is muzikale stilte! Het lied wordt begeleid door viool en harp. Maar dan ga je verder fantaseren…stilte en Pauline Strauss…dat is, volgens Alma Mahler compleet in tegenspraak met elkaar. Dat mens hield nooit haar mond en zocht met iedereen ruzie. Vooral met haar man. Volgens Alma zat de arme Richard Strauss geweldig onder de plak van zijn bazige echtgenoot Pauline. Maar toch heeft hij het lied hoogstwaarschijnlijk voor haar gecomponeerd en heeft zij het waarschijnlijk de eerste keer gezongen… Gisterenavond in het Concertgebouw werd het lied ons dus als toegift geschonken. Dirigent Viotti spon het lied tot het maximum uit. Wat mij betreft net iets te langzaam en daardoor best stroperig, maar dit tempo kon ook. Liefde, stilte zonsopgang…alleen voor dit lied had ik het concert al niet willen missen!

Richard Strauss en Gustav Mahler kenden elkaar en kenden ook elkaars werk. Ik weet dat ze best kritiek hadden maar elkaars composities ook erg waardeerden. Met deze twee componisten stappen we de moderniteit in. In beider werk kom je soms al een vleugje atonaliteit tegen maar toch bleven ze in zekere zin op het traditionele pad. Strauss keerde zelfs op dat traditionele pad terug; want, neem het hier vlak voor besproken lied; dat is wat betreft de muziek, traditioneler dan Brahms. Van de twee componisten bleef Strauss het traditioneelst en dat werd hem – alweer volgens Alma Mahler – stevig ingepeperd door zijn vrouw Pauline.

Als zo rond de jaarwisseling het programma van het Nederlands Philharmonisch Orkest voor het volgende seizoen uitkomt, dan ga ik meteen op zoek naar Mahler. Van deze grote componist wordt elk jaar wel een symfonie uitgevoerd en die zet ik als eerste op mijn lijstje. Het maakt niet uit welke symfonie, deze jongen wil in de zaal zitten als ze Gustav Mahler uitvoeren. Gelukkig gaan ze zelden boven de zesde symfonie want de symfonieën boven de zes ken ik niet. ‘Leer ze dan kennen’ zou je denken, maar dat is bij de latere symfonieën van Mahler niet zo makkelijk. Elke symfonie van deze componist is een avontuur waar je instapt en waarvoor je in toenemende mate moeite moet doen om bij de les te blijven. Lukt je dat dan heb je een absoluut geweldige avond. Van alle Mahler symfonieën zijn de eerste en de vierde wat mij betreft de meest toegankelijke. Gisteren dus de eerste. Pas vanaf mijn twintigste ben ik de muziek van Mahler gaan waarderen, maar toen was het ook meteen helemaal raak. De eerste en de vierde symfonie heb ik helemaal grijsgedraaid (wat toen nog kon), daarna één voor één de andere symfonieën. Van de eerste symfonie vond ik vooral het derde deel erg bijzonder: Vader Jacob in mineur. De onvolprezen Leonard Bernstein heeft tijdenlang op de televisie programma’s gemaakt over muziek. Door hem heb ik de klezmerklanken leren herkennen in het eerste deel maar ook andere klankkleuren die rechtstreeks uit de joodse traditie komen. De eerste van Mahler was gisterenavond een genot om naar te mogen luisteren.

Voor de pauze dus het Gloria van Francis Poulenc. Zoals het meeste werk van Poulenc vrijwel onbekend bij mij. De muzikale ontwikkeling tussen Frankrijk en de rest van Europa is zo verschillend. Terwijl Poulenc in dezelfde tijd leefde als Strauss en Mahler, is zijn muziek zo anders dan van die twee. Ik heb er te weinig naar geluisterd en dat is waarschijnlijk de reden dat ik er wel heel weinig raad mee weet. Ik kan niet zeggen of ik het mooi of niet mooi vond. De jurk van de zangeres en voor zover ik kon zien, ook de zangeres waren oogverblindend en – heus dat begrijp ik ook wel – dat zegt niet zo heel veel over de muziek. Het koor van de Nationale Opera klonk bijzonder professioneel.

En dan toch nog even over Lorenzo Viotti. Het is echt een bekwaam dirigent en hij zal vast uitgroeien tot een hele grote. Waar ik echter helemaal niet aan kan wennen is dat de dirigent, nadat hij op de bok geklommen is, een verhaaltje gaat houden over waar hij trots op is in het orkest en hoe de muziek straks gaat klinken. Dat hij ook nog eventjes voor zingt wat de thema’s straks zijn. Ik weet het niet. Als de dirigent de trap af loopt onderweg naar het podium, dan concentreer ik me op de muziek die komen gaat; dat dirigenten praatje verstoort dat enorm. Misschien ben ik daar uniek in en bindt juist dat praatje veel jonge muziekliefhebbers aan de muziek die het Nedpho op het podium brengt. Misschien is het dat en moet ik er niet zo vaak over zeuren.

Ik heb weer eens een heerlijke avond in het concertgebouw gehad.

Pieter Waterdrinker – Biecht aan mijn vrouw; leest lekker weg

Achteraf zullen we pas weten hoe belangrijk de coronapandemie is. Gelukkig lijkt hij nu goeddeels voorbij al ga ik morgen de zoveelste vaccinatie halen. Het was een ongewone tijd met misschien wel desastreuze gevolgen. Er gaan verhalen dat de inval in Oekraïne en de oorlog, een gevolg zijn van de angst voor het virus van Vladimir Poetin. Lijkt mij, eerlijk gezegd wat ver gezocht. Dat de pandemie met zijn lockdowns gevolgen heeft, is wel duidelijk. In de laatste twee romans die ik gelezen heb, zijn de theaters, de horeca en de winkels goeddeels gesloten en spreken we elkaar vanachter een mondkapje. Wat genieten we ervan dat alles weer open is en we elkaars gezicht volledig en onbekommerd kunnen zien. Deze nieuwe roman van Pieter Waterdrinker is de tweede die ik van hem lees. Ik was diep onder de indruk van ’De rat van Amsterdam’. Vlot en boeiende geschreven en het speelt in kringen die ik niet goed ken; steenrijke mensen die onder het mom van ‘goed doen’ de boel aan alle kanten oplichten om steenrijk te worden. Eigenlijk is dat het enige doel in hun leven; rijk worden. Het maakt hun niets uit op wat voor manier dat gebeurd.

Ook in de nieuwe roman van Waterdrinker speelt een man die ‘rijk worden’ als levensdoel heeft een belangrijke rol. In deze roman wordt de hoofdpersoon, als in zijn vorige roman, meegesleept met die persoon ook al beseft hij dat het niet goed is. Alles keert uiteindelijk voor de hoofdpersoon weer ten goede. In ‘Biecht aan mijn vrouw’ is een wat verwarrende disclaimer opgenomen: Aan de ene kant spreekt hij over een ‘kleine autobiografische roman’ terwijl hij dat autobiografische meteen in de volgende zin ontkracht: “Overeenkomsten tussen personen, situaties en locaties binnen het boek met personen, situaties en locaties buiten het boek berusten op louter toeval.” In dezelfde verantwoording schrijft hij dat hij in de ‘Schrijversresidentie’ verbleven heeft in het najaar van 2020…en ook dat komt met de romanwerkelijkheid overeen. De ‘ik’ in de roman heet Pieter Waterdrinker en hij is getrouwd met Julia. Ik denk dat we het beste deze roman als een fictieve roman kunnen beschouwen met een autobiografisch decor.

Hoofdpersoon Pieter Waterdrinker verblijft in de schrijversresidentie op het Spui. Hij woont in Rusland samen met zijn Russische vrouw Julia. Op het moment dat het verhaal begint, verblijft Julia in Frankrijk om vakantie te vieren terwijl de hoofdpersoon dus in Amsterdam is omdat hij een paar lezingen gaat geven. Maar, de lockdown wordt ingesteld en op één na worden alle lezingen afgezegd. Aan de overkant op het Spui ziet hij alle middenstand gesloten  worden. Als hij op een dag weer terugkomt in zijn appartement, blijkt dat de knappe jonge Jeva Harms binnen is. Zij heeft samengewoond met de vorige tijdelijke bewoner van de schrijversresidentie – de rapdichter Winston Wow – en ze heeft nog een reservesleutel van het appartement. Ze is door de opkomende pandemie verstoken van inkomsten en omdat de relatie met de dichter beëindigd is, en ze uit haar eigen appartement gezet is, vraagt ze of ze even tijdelijk bij de hoofdpersoon mag logeren. Dat staat hij toe. Maar iedere keer als zijn vrouw Julia video belt, mag ze zich niet laten zien. In het Bungehuis, waar Waterdrinker nog gestudeerd heeft (en ik trouwens ook) is nu een exclusief hotel annex club gekomen. De hoofdpersoon heeft daar een afspraak met zijn uitgever om over zijn volgende roman te spreken. Daar komt hij zijn jeugdvriend Otto Brons tegen. Ze zaten samen op de middelbare school. Otto vertelde de hoofdpersoon destijds dat hij uit is op slechts één ding: Rijk worden. Dat is hem gelukt. Otto dringt zich in het leven van de hoofdpersoon omdat hij een geheim met hem wil delen… Schrijver Pieter Waterdrinker, de hoofdpersoon in de roman, dus, herinnert zich zijn hopeloze eenzijdige verliefdheid op Vivian Wertheim op de middelbare school.

De romans van Pieter Waterdrinker lezen heerlijk weg. Je wordt zijn wereld binnengetrokken. In deze roman wel een buitensporige worsteling met alcohol. Het neemt haast A. F. Th.van der Heijden-trekjes aan. Heeft hij niet zoiets als een kater dan gaat het wel langzaam richting dronkenschap. Hoewel het weinig scheelt, belazert hij zijn vrouw… laat maar zitten. Ik vond het een lekkere roman om te lezen!

Don Carlo in Osnabrück; leuk!

Gezien op 16 oktober in het Theater van Osnabrück.
Hier in Osnabrück loop ik tegen een dilemma aan. Een dilemma over het Nederlandse cultuurbeleid. Waarom Osnabrück en waarom cultuurbeleid in Nederland? We gingen gisteren naar de Osnabrückse opera. Don Carlo. Een opera die ruim drie uur duurt, een groot orkest nodig heeft, een enorm koor en een vijftiental solisten. Dat even afgezien van regisseurs, dirigenten, decorbouwers, kaartjesverkopers enzovoort. De kaartjes kostte ons 55 euro per persoon en dat waren de allerduurste kaartjes die we konden krijgen. De zaal was redelijk gevuld, ergo, we hebben op kosten van de Duitse belastingbetaler een leuke avond gehad in Osnabrück. Elke provincieplaats heeft hier in Duitsland haar eigen operahuis en overal zijn de toegangskaarten niet onbetaalbaar. Duitsland is wat zuiniger op haar culturele sector dan Nederland, want in datzelfde Osnabrückse theater wordt ook op professioneel niveau toneel gebracht door de plaatselijke toneelgroep en professionele concerten gegeven door het plaatselijke professionele (opera)orkest en ballet opgevoerd door een professionele troupe. In Nederland is de koek die aan cultuur wordt uitgegeven erg klein. Moet Nederland meer het Duitse voorbeeld volgen en veel scheutiger zijn met cultuuruitgaven? Zie daar het dilemma! Cultuur is voor iedereen, maar aan de andere kant maakt er maar een heel select publiek gebruik van. Vaak het publiek dat eigenlijk de dure kaartjes best betalen kan. Aan de andere kant…nou ja, een dilemma dus.

Viel er te genieten van die zwaar gesubsidieerde Don Carlo in het theater van Osnabrück? Jazeker! Al met al was het een leuke voorstelling. Ik moet toegeven dat de bedoelingen van de regisseur me niet altijd even duidelijk werd, en wat betreft de fraaie muziek had ik misschien wat andere keuzes gemaakt, maar over het algemeen heb ik een leuke middag gehad. In het programmaboekje zie je wel wat Duits chauvinisme doorschemeren. Misschien ook wel terecht want Verdi nam een toneelstuk van Schiller als uitgangspunt en zowel in Verdi’s opera als in het toneelstuk van Schiller gaat het over het streven naar vrijheid ten opzichte van de tirannie. In deze opera wordt Filips II opgevoerd als de tiran, maar die wordt door de grootinquisiteur tot tirannieke hoogte opgezweept. Daartegenover staat zoon Don Carlo die het voor de naar vrijheid strevende Vlamingen(!) opneemt. Daartussendoor speelt ook nog eens de liefde. Elisabeth van Valois was als kind beloofd aan Don Carlo, maar daar kwam zijn vader Filips en ging er met het jonge blaadje vandoor. Elisabetta had daar zelf uiteraard geen stem in, want haar liefde voor Carlo bleef ongebroken overeind. En Carlo…die was kennelijk al op jonge leeftijd helemaal hoteldebotel op de jonge Française.

Filips II (Erik Rousi) was uitermate goed gecast; een enorme kerel die makkelijk de trekken van een tiran kreeg. Dat liet hem ook heel mooi instorten want dat doen tirannen nu eenmaal (dus: pas op Poetin!). De rol van Don Carlo werd gezongen door een absolute heldentenor. Helaas was voor hem de zaal wat te klein; de man had te veel volume. Met gemak zong hij het volledig koor en orkest naar huis. Dat lijkt misschien mooi, maar dat is het niet omdat het in muziek om harmonie gaat, en die was met deze tenor niet of nauwelijks te vinden. Dat mooie duet van de twee vrienden die vertellen hoe ze samen voor de vrijheid zullen strijden, werd een solo voor Don Carlo en een playbackende Rodrigo; Don Carlo (James Edgar Knight) had zoveel volume dat Rodrigo(Dmitry Lavrov) niet meer te horen was. Mijn buurvrouw op leeftijd, drukte ook voortdurend haar oren dicht als Don Carlo aanzette… Jammer van dat mooie duet. Ook gelukkig misschien, want dat duet heeft de neiging om zich in je oren en hoofd te nestelen en probeer het er dan nog maar eens uit te krijgen! Elisabetta (Susann Vent-Wunderlich) was misschien ietsje te oud om nog geloofwaardig over te komen als jong blaadje; maar dat heb je nou eenmaal met opera; ze zong haar partij prima.

Ik geloof niet dat ik ooit iets over de belichting heb gezegd, maar nu dus dan maar voor het eerst: Die was soms heel raar. Het toneel werd vaak keihard van onderen uitgelicht. Gevolg waren grote, dubbele slagschaduwen tegen de achterwand. Dat kan misschien soms functioneel zijn, maar dat kon ik er nu niet in ontdekken. Het zag er gewoon vreemd uit.

Het koor juicht tiran Filips II toe. De regisseur geeft de koorleden het uiterlijk van extreemrechts. Veel rechtse kretologie. ‘Eigen volk eerst’ van dat soort dingen. De regisseur had even moeten komen kijken wat voor kreten sommige boeren op hun trekkers schreven. Daar vielen de leuzen van het operakoor bij in het niet. Maar ook de bisonman zien we en daarmee ook weer wat verwarring bij me; Trump was wel ondemocratisch en lapte alle regels aan zijn laars, maar hij ontpopte zich nog niet als dictator zoals Filips II was. Het blijft ook moeilijk; niet alle slechts van rechts kan je over een kam scheren.

Felix Nussbaum.

In ‘ons’ museum gaan we een tentoonstelling maken over uitgeverij de Telg. Een kleine uitgeverij die zijn oorsprong vindt in het verzet tijdens de oorlog en na de oorlog nog een paar jaar heeft bestaan. Aldus doe ik onderzoek naar een van de meest donkere periodes van mijn familiegeschiedenis want wat familie was betrokken bij De Telg. De combinatie joods en socialist was, in de jaren ’30 volkomen logisch binnen onze familie, maar erg ongezond tijdens de tweede wereldoorlog. Nou ja, ongezond… Veel familieleden overleefden het niet. Mensen die in die ellendige tijd in de kracht van hun leven waren en zich konden verstoppen of die sterk genoeg waren voor de ontberingen konden overleven, die redde het. De rest stierf een akelige dood. Op de een of andere manier ondervinden we in toenemende mate weerstand om over deze verschrikkelijke geschiedenis te praten. Jodenvervolging mag je nog maar nauwelijks als racistisch fenomeen benoemen terwijl de holocaust racisme in optima forma was. Racisme met de extreemste uitwassen vindt plaats tussen groepen mensen die niet van elkaar te onderscheiden zijn. In het verleden tussen Europese joden en andere Europeanen. Er ‘joods’ uitzien, waar joden en niet-joden het vaak over hebben, bestaat niet. Als je weet dat iemand joods is, dan ziet hij er joods uit, niet andersom. Mensen in klederdracht, met baard en hoge hoed, die zijn makkelijk herkenbaar, maar die willen ook graag als jood herkenbaar zijn. De meeste mensen wilden dat niet; de meeste mensen met een joodse achtergrond wilden alleen maar deel uitmaken van de samenleving waarbinnen ze functioneerden. Zo ook Felix Nussbaum.

Voor een korte vakantie zijn we neergestreken in het stadje Osnabrück. In een tijd dat ik me toch al constant bezighoudt met Jodenvervolging in de tweede wereldoorlog, is de stad Osnabrück verbonden met de schilder Felix Nussbaum die hier een eigen museum heeft. We bezochten gisteren het Nussbaumhaus. Er zijn weinig kunstenaars die het vluchtelingenbestaan zo intens geschilderd hebben als Felix Nussbaum. Zijn vluchtelingenbestaan gaat nog net ietsje verder, want terwijl tegenwoordig vluchtelingen een veilige haven vinden, vond hij nergens een plek waar het veilig was. Toen de nazi’s de macht overnamen in Duitsland, zat hij in Italië. Dus kon hij, omdat hij van joodse komaf was, niet meer naar huis terug. Hij vestigde zich in Oostende. Toen de nazi’s ook een aanval op België deden, werd Nussbaum als Duitser geïnterneerd in een Belgisch concentratiekamp. Na zijn vrijlating werd hij bedreigd en achtervolgd door de Duitse nazibezetter en verstopt ergens in Brussel wist hij het tot laat in 1944 te redden. Toen werden hij en zijn vrouw alsnog gepakt en met het laatste transport naar Auschwitz vervoerd en aldaar vermoord. Een dramatisch leven dat hij op grandioze wijze in zijn werk uitte. Wat zou hij ervoor over gehad hebben om niet vervolgd in Osnabrück met zijn geliefde zijn tijd door te brengen? We weten het niet. Hem werd weinig tijd gegund.

Zelfportret met Jodenpas in het Felix Nussbaumhuis in Osnabrück.

Ik weet het, dit is zijn beroemdste schilderij. Dat is het niet voor niets want het vat alles samen. Het is een ommuurd zelfportret. Boven de muur zie je nog net dat het buiten beter is. In het museum is dit schilderij zelfs voor blinden te zien. Naast het schilderij staat de beschrijving ook in braille en het schilderij in reliëf. Voor de zienden hoef ik er verder niets aan toe te voegen…

Ilja Leonard Pfeiffer – Monterosso mon amour; een heerlijk boek!

Ach, alleen al bij de gedachten aan die prachtige film ‘Dood in Venetië’ zwelt de muziek van Gustav Mahler in je hoofd aan. Vooral dat Adagietto; het deel dat werkelijk iedereen inmiddels kent, maar toch, als je het in het concertgebouw hoort je wereld doet veranderen. De kleuren worden helderder, het kanongebulder verstomt, de zon gaat schijnen…alles wordt mooier op de klanken van de muziek die golft en zwelt en zich dan weer terugtrekt. Hoe wreed is de terugkeer op aarde als de laatste klanken geklonken hebben of, in het geval van de film, het licht langzaam aangaat tijdens de aftiteling? Al die gedachten komen bij je op als hoofdpersoon Carmen haar man achterlaat voor een korte vakantie en slechts één boek in haar rolkoffertje heeft: ‘Dood in Venetië’ van Thomas Mann. Ze gaat een schijnbaar onzinnige belofte inlossen na zoveel jaar; terugkeren naar de plek waar ze destijds haar eerste vakantieliefde beleefde en bij hem terugkomen. Dat alles in de novelle ‘Monterosso mon amour’ van Ilja Leonard Pfeiffer dat ik maanden geleden kreeg als boekenweekgeschenk maar dat ik nu pas kon lezen. Wat een heerlijke novelle! En ja, een beetje van dat gevoel van het Adagietto of die fantastische film overspoelt je ook tijdens het lezen van dit boek!

Als vrouw van een diplomaat wiens ambities groter waren dan zijn carrière heeft Carmen op plekken over de hele wereld gewoond en aldaar ontdekt dat de sherry en de tennisbanen en de mensen waar ze mee omging overal hetzelfde zijn. Ze wonen nu in het stadje L… en de pensionado diplomaat wil niet veel meer. Op vakantie gaan ze nooit meer want hij heeft al zoveel gereisd en hij zit nu liever thuis. Carmen is vrijwilligster in de bibliotheek en organiseert culturele evenementen. Ze nodigt (jaja) de schrijver Ilja Leonard Pfeiffer uit voor een literair evenement in de bibliotheek. Ze heeft een – eenzijdige – speciale band met deze schrijver want ze hebben in dezelfde klas van de lagere school gezeten en hij heeft over haar geschreven want hij schreef dat hij verliefd was op het mooiste meisje van de klas, en dat was dus Carmen. Pfeiffer beschrijft zelfs de straat waar ze toen, als meisje woonde; ze weet dus zeker dat dat stukje in die roman over haar ging. De schrijver herkent haar niet na zoveel jaar als hij voor zijn lezing in de bibliotheek is, en zij houdt haar mond erover. Zijn verhaal gaat over het massatoerisme in Italië. Dat brengt haar herinnering op gang over haar eerste liefde die ze in Monterosso tijdens de vakantie met haar ouders als meisje beleefde. Ze deed de belofte aan haar geliefde om terug te komen. Ze beseft wel dat het allemaal onzin is na zoveel jaar, maar ze wil er graag weer eens op uit en aldus boekt ze een vliegreis naar Italië en een kamer in een Bed & Breakfast in de Italiaanse badplaats.

Het gaat, met de vakantie uiteraard helemaal anders lopen dan ze van te voren heeft bedacht. Bovendien, als je ‘Dood in Venetië’ van Thomas Mann als enige roman in je koffertje  hebt in een literair verhaal, dan zou je kunnen vermoeden dat een epidemie een rol gaat spelen. Al helemaal als de corona pandemie nog zo vers in het geheugen ligt en eigenlijk ook nog niet eens helemaal voorbij is. Oke, geen cholera gelukkig waaraan de componist in Visconti’s film zwetend en met doorgelopen schmink ten onder gaat, maar toch.

Al met al een heel leuk boek om te lezen; ik heb ervan genoten. De ontmoetingen met schrijver Ilja Leonard Pfeifer in de roman geven de schrijver de mogelijkheid om ironisch naar zichzelf te kijken en dat doet hij, zo te lezen, met heel veel plezier!