Categoriearchief: Beeldende kunst

Blogs over beeldende kunst

Willem van de Velde & Zoon – Scheepvaartmuseum Amsterdam

Gezien op 5 februari 2022

Voor zeventiende-eeuwse schilderijen zal je mij niet snel in het Scheepvaartmuseum vinden. Maar deze keer wel dus. Het museum heeft een overzichtstentoonstelling gemaakt over vader en zoon Van de Velde. Twee mannen die zich helemaal toegelegd hebben op het tekenen en schilderen van boten. Vol in actie op de mooiste schilderijen, rustig in de buurt van het land, op hun leukste schilderijen. Hoewel schilderijen misschien niet helemaal de lading dekt; vader Van de Velde maakte ook veel penschilderijen. In het Rijksmuseum hangen daarvan twee fraaie exemplaren die ik al eerder had bekeken. Het zijn een soort pentekeningen op doek meestal met een zeeslag als onderwerp. Tekeningen met een enorm detailniveau. In het scheepvaartmuseum is een afdeling ingericht voor vader en een afdeling voor zoon ingericht en een verdieping lager hangen twee tapijten met daarop een door Van de Velde ontworpen verbeelding van een zeeslag.

Om bij de laatste afdeling te beginnen; ik heb altijd heel veel respect voor wandtapijten en de kunst van het weven, maar van deze tapijten was ik niet kapot; ik heb wel eens mooiere tapijten gezien. De schepen, en daar gaat het toch om bij deze tapijten, waren nauwelijks herkenbaar geweven. Ik vond de tapijten afbreuk doen aan de schilderijen die een verdieping hoger hingen. Maar anderen, en dan vooral de curators, dachten daar duidelijk anders over. Met nogal wat bombarie werd je de zalen binnengehaald. Een ware deceptie voor mij. Gelukkig gold dat absoluut niet voor de schilderijen en tekeningen die een verdieping hoger hingen.

Wat mij als eerste opviel: Opportunisme was de heren niet vreemd. Vanuit een patriottisch en moreel standpunt hebben de heren nog wel wat uit te leggen, zou ik zo zeggen. Wat ik constateerde was dat zolang het de zeventiende-eeuwse Republiek voor de wind ging de heren schat hemeltje rijk werden van de zeekapiteins en admiraals die op doek hun heldendaden weerspiegeld wilden zien zodat het thuisfront zonder het gegil van de gewonde en de verdrinkende mannen kon genieten van de grootsheid van paps daden. Maar toen kwam het jaar 1672…het rampjaar. Het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos. Voor deze schilderende meesters viel er ineens in ons kikkerlandje niet veel meer te verdienen. De heren Van de Velde zagen dat het van een ander walletje beter eten was. Toen de overgebleven uiteengereten stukken vlees van de lichamen van de gebroeders De Witt nog lillend aan de lynchpaal hingen, stapten ze op de boot richting de vijand aan de andere kant van het kanaal alwaar ze hun kunsten succesvol aanboden aan de vijandelijke koning aldaar. Wij hoeven daar nu niet meer over te oordelen maar in de tentoonstelling wordt over deze opmerkelijke keus van de kunstenaars gezwegen. Het wordt in de tentoonstelling gebracht als niet meer dan een fait accompli. Dat verbaasde me wel een beetje, eerlijk gezegd.

Waar vader meestal koos voor de pen om zijn doeken te vullen, koos zoon Van de Velde doorgaans olieverf. De hoge kwaliteit van hun doeken wordt pas echt zichtbaar als ze naast doeken van anderen hangen. Zo hangen er twee doeken van de slag bij Ter Heijde: Eén door vader Van de Velde en een ander door een wat onbekendere Engelse zeeslagenschilder. Het schilderij van de laatste is een plaatje. Plat en doods terwijl de kanonnen in het schilderij van Van de Velde bulderen, de kruitdamp het zicht op de vijand vertroebeld en de wanhopige mannen in de woelige zee zich vastklampen aan de mast van hun gezonken schip. Het schilderij leeft; er is oorlog gaande vol avontuur, gevaar, heldenmoed, ellende en doodsangst. Maar hoewel alle schilderijen van vader en zoon van een enorme kwaliteit zijn, vind ik vooral de schilderijen waarbij er redelijke rust heerst op de schepen en de zeelieden gewoon hun ding doen het meest interessant. Tijdens een oorlog is men toch vooral bezig met het vernietigen van de vijand en zelf overleven. Een relatief smal deel van het menselijk bestaan; sensationeel, maar het leert je de zeventiende-eeuwse mens niet kennen. Ik leer ze zo graag kennen…

Nederlandse schepen voor de kust bij eb en badende mannen

Het schilderij ‘Nederlandse schepen voor de kust bij eb en badende mannen’ laat ons wel iets zien van het gewone leven in de zeventiende eeuw. Op de achtergrond zien we grote koopvaardij- en oorlogsschepen voor anker. Op de voorgrond een kleiner schip. De was hangt te drogen terwijl de mannen lekker in het water aan het badderen zijn. Zo te zien hebben ze plezier met elkaar. Wat ontbreekt…zwembroeken. De mannen zijn lekker in hun blootje aan het stoeien in de zee. Kom daar in onze preutse tijd maar eens om. Het moet wel een warme dag zijn, daarom des te verbazingwekkender dat de mensen die wel kleren aanhebben zo dik aangekleed lijken. Neem de man met de mand op zijn rug op de voorgrond. Benen en armen zijn bedenkt en op zijn hoofd een muts; geen zonnehoed, maar een muts. Toch een beetje vreemd want kijk je naar alle anderen met kleren aan hun lijf, dan ziet het er helemaal niet zomers uit.

Ik ben blij dat we weer naar tentoonstellingen en musea kunnen. Weliswaar met nagenoeg nutteloos mondkapje op, maar toch. Deze tentoonstelling was heerlijk om mee te beginnen; het is zo genieten van schoonheid; zelfs als dat voor een groot deel bestaat uit oorlog en geweld. Maar ook kruitdampen en woeste golven kunnen zo verschrikkelijk mooi zijn!

Vergeet mij niet – tentoonstelling in het Rijksmuseum

Bezocht op 17 december 2021

Sinds de tentoonstelling over Fré Cohen die op 1 november officieel geopend werd (maar afgelopen zondag zomaar weer gesloten werd), weet ik dat het inrichten van een tentoonstelling meer is dan wat kunstwerken aan de muur hangen. Een tentoonstelling wordt ontworpen. Over van alles en nog wat wordt nagedacht zodat jij als bezoeker zoveel mogelijk kunt genieten en het onderwerp van de tentoonstelling zoveel mogelijk tot haar recht komt. Is het zo dat in een begeleidend boek een soort van wetenschappelijke onderbouwing wordt gegeven over het onderwerp, de tentoonstelling zelf moet de bezoeker verbazen en moet de toeschouwer een nieuw perspectief bieden of van schoonheid laten genieten. Met alle nieuwverworven kennis stapte ik afgelopen vrijdag het Rijksmuseum in om de tentoonstelling ‘Vergeet mij niet’ te bekijken. Ik wist toen nog niet dat het zo’n beetje mijn laatste kans was voordat nieuwe coronadreigingen de lust-for-life afroomden en alle culturele instellingen en alle winkels en restaurants, en café’s hun deuren moesten sluiten…het is niet anders (al huilt mijn hart).

De tentoonstelling heb ik aan de hand van de tour gedaan. Met behulp van de app op mijn telefoon werd ik van zaal naar zaal geleid waar een selectie van de werken die er hingen werd besproken. Zeker niet alle werken die in de zalen hingen. Mijn idee was om later terug te komen en de schilderijen die ik nog niet gezien had op een later tijdstip te bekijken. Van dat laatste is het dus helaas niet meer gekomen… nou ja, laat ik er maar niet meer over uitweiden, het is al treurig genoeg.

De ontwerpers van de tentoonstelling hadden duidelijk voor ruimte gekozen. Niet voor zo veel mogelijk werken, maar voor een aantal zeer bijzondere en die dan in een optimale ruimte. Door het grote aantal zalen, was het aantal te bewonderen schilderijen toch nog enorm. Elke zaal had een thema dat de grondslag vormde voor de reden waarom men het portret had laten maken: Ambitie, vroomheid of liefde, dat soort thema’s. Alle portretten stamden uit de renaissance; de menselijke zelf werd na de donkere middeleeuwen weer als individu geboren. De meeste portretten stamden uit de late vijftiende en de vroege zestiende eeuw.

Portretten van Giuliano en Francesco Giamberti da Sangallo, Piero di Cosimo, 1482 – 1485

Een dubbelportret dat me al tijden fascineert en doorgaans tot de vaste collectie behoort zijn de portretten van Guiliano en Francesco Giamberti da Sangallo geschilderd door Piero di Cosimo. Een portret nog uit de vijftiende eeuw. Nu tentoongesteld op de zaal ‘Ambitie’. Binnen de tentoonstelling bijzonder omdat met behulp van attributen op het schilderij aangegeven wordt wat de heren voor een beroep uitoefenden. Bij de zoon instrumenten waarmee je ruimte kunt tekenen om aan te geven dat hij architect was en bij de vader een blad muziekpapier om aan te geven dat hij componist was. Maar dat fascineerde me allemaal niet. Wat mij verbaasde was de uiterlijke afstotelijkheid van pa Giamberti da Sangallo. Eindelijk werd uitgelegd waarom de man zo lelijk was; hij leefde niet meer toen hij geschilderd werd. Zijn portret was heel precies geschilderd naar het dodenmasker dat van hem gemaakt was. Dat de oren van de arme man dubbelgeklapt hadden gezeten door de doek waarmee zijn gezicht was afgedekt, deerde de schilder niet. Juist die oren…

Anton Fugger door Hans Maler (1480/88-1526/29) 1525

Een ander schilderij bracht mij weer terug naar de laatste vakantie toen alles nog goed was. Onze reis in 2019 naar Italië. Gedreven door de hitte waren we vanuit Ravenna naar Augsburg gereden. Daar bezochten we de Fuggerei; een vroeg 17e eeuws sociaal woningbouwproject gefinancierd door de zeer kapitaalkrachtige bankiersfamilie Fugger. Een vroege voorouder, maar desalniettemin al steenrijk had zich laten portretteren. Met trotse baard en dure kleding en een zeer arrogante oogopslag lijkt hij absoluut niet de sociaal bewogen ambities van zijn nazaten uit te stralen. Maar een portret is maar een momentopname, wie weet hoe hij dacht over een eerlijke verdeling van de welvaart in zijn dagen…

Al met al een verschrikkelijk leuke, interessante en mooie tentoonstelling. Een aanrader. En nu maar hopen dat Nederland weer zo snel uit de museale lockdown komt zodat ik de schilderijen die ik heb overgeslagen alsnog kan bekijken en degene die het nog niet bezocht hebben een kans te geven. Gezien de dalende besmettingscijfers hoop ik zo verschrikkelijk…maar ja, niet essentieel die kunst en cultuur en natuurlijk, je verhongert niet als je niet naar schilderijen kunt kijken, maar je verschraalt wel.

Links meisje wil seks met reaguurders

Ik heb in de loop van mijn leven in meer of mindere mate aan venustrafobie geleden. Deze fobie was op z’n hevigst toen hij eigenlijk het minst welkom was. In de tijd dat ik op een leeftijd was waarop de woorden tieten en kut me al opwonden voordat er een meisje of vrouw aan vast en omheen zat. Dat was ook juist de leeftijd waarop veel meisjes uitvonden wat voor impact ze konden hebben op mannen…op mij. Neem bijvoorbeeld Annabel Visser uit 5 VWO in 1977. Een meid met een vurige vulva, zullen we maar zeggen. Ze maakte jongens gek van onvervuld verlangen. Ze gaf de indruk dat ze een erotische veelvraat was. Die indruk was niet gewóón opwindend, maar heel erg opwindend. Als ik een beetje moeite deed, dan…etc. Er zal veel loos zaad gevloeid zijn om haar. Op Internet kwam ik de Annabel Visser tegen van 2021. Ik zag haar verschijning op youtube en herkende haar meteen. Jini van Rooijen heet ze en omdat ze haar brandende vagijn verpakt als kunstobject heeft ze zowaar een artiestennaam: Jini Jane. Ze schijnt tweede of derde jaars filosofiestudente te zijn en heeft zich aangesloten bij een clubje kunstenaars vol opgeblazen pretenties. Hoewel…in één van de filmpjes wordt haar mening gevraagd over kunst en dan zegt ze dat ze er eigenlijk geen verstand van heeft. (na enig zoeken vond ik dat ze nog maar een paar jaartjes geleden in de redactie zat van de schoolkrant van het Rotterdams Montessorilyceum. Ze interviewde een leraar: “Wat is je lievelingskleur?” Kortom, ook toen al was ze messcherp!)

Psychologen zullen vast menen dat ik hier mijn venustrafobie probeer te beteugelen en misschien hebben ze daar ook wel gelijk in.

Wat ik begreep is dat onze Jini d’r clitoris in klinkende munt wilde omzetten door een pornokanaal te beginnen. Hiervoor maakte ze een advertentieclip om mannen te lokken om te acteren als pik op poten. Maar ondanks dat ze haar billen hoerig omhooghoudt, klaar om elke penetratie warm te ontvangen, reageerden er weinigen. Jini is wel geil, maar niet bijzonder. Kleine tietjes, bolle ogen, een te lange rug, een vormeloos kontje, hoge haarinplant. Niet echt lelijk maar ook nou niet iemand van…nou ja…je weet wel, mannen gingen niet voor haar in de rij staan. Een beetje een ouwelijk gezicht waarin je haar verdere leven in een kleurloze Vinex wijk aan ziet komen.

Pornokanaal geen succes, dus dan maar wat anders bedacht: Links meisje wil geneukt worden door Geenstijl reaguurders om de kloof tussen links en rechts te overbruggen. Daar sloeg een deel van de media wel op aan. Maar desalniettemin kwamen er maar weinig rechtse rakkers op Jini’s geile annonce af ondanks aandacht in de media.  Met zulke vrouwen kan het best fout met je aflopen waarna hoon en vernedering op de loer liggen, moet menig rechtse rakker gedacht hebben. En terecht. Slechts één rechtse vermeende penisatleet wilde de uitdaging aannemen: Sid Lukkassen. Iemand die – spijtig genoeg voor hemzelf – in de spiegel iemand anders ziet dan wij. Hij ziet een niet te versmaden Adonis terwijl wij een wat vadsige autist zien. En ja, Jini kleedde hem uit en hoon en vernedering werd zijn loon. En Jini? Jini noemde het een kunstproject.

Jini van Rooijen en Sid Lukkassen
Jini van Rooijen en Sid Lukkassen

Moraal: Soms jammer dat ik aan venustrafobie lijdt, maar godzijdank behoedt het mij voor een afgang als die van Sid Lukkassen. Qua seks is het met mij helemaal goed gekomen, trouwens.

Daniël in Münster

Geliefde J. en ik genieten volop van de vrijheid die we met onze coronapas hebben teruggekregen. Niet alleen is alle cultuur weer toegankelijk voor ons in Nederland (en daardoor ook weer mogelijk!), maar ook in de rest van Europa. We hebben ons bezoek aan de stad Münster al twee keer afgezegd de afgelopen twee jaar, maar nu zijn we er dan echt. En ja, de regels zijn hier in Duitsland tien keer zo streng als in Nederland. Een mondkapje is hier niet genoeg; het moet een medisch mondkapje zijn en als je je in een openbare publieke binnenruimte begeeft dien je dat op te zetten. Bij elke poging om ergens in de horeca naar binnen te gaan wordt gevraagd of je ‘geimpft’ bent. Meestal mag je doorlopen als je met veel trots ja-knikt en zeker als je alvast naar je telefoon grijpt om het te bewijzen. Soms wil men dan ook wel even echt een blik op die mooie QR-code werpen. Ik ben zo blij met dat fel oplichtende stipjespatroon met langsfietsende poppetjes! Die code heeft mij m’n vrijheid teruggegeven en duizenden anderen hun werk. Apartheid? Mijn reet!

We gingen naar de kathedraal en daar overkwam ons wat ons overal bij eeuwenoude cultuurmonumenten in Duitse steden overkomt, namelijk beseffen wat voor enorme puinhoop de nazi’s ervan gemaakt hebben. Duitse cultuurmonumenten die vaak uit de twaalfde eeuw of eerder stammen zien eruit alsof ze er nog maar net staan. In zekere zin klopt dat ook want na de oorlog stonden er nog maar weinig stenen op elkaar. Met eindeloos geduld is alles wat mooi was weer in ere hersteld of, als herstellen niet meer mogelijk was, door nieuwe schoonheid vervangen. Hoewel er nog een aantal oude gebrandschilderde ramen overgebleven zijn in deze kathedraal, is het merendeel zo onherstelbaar beschadigd geraakt dat men nieuwe heeft laten maken. Ik moet zeggen dat ik aangenaam getroffen werd door de nieuwe ramen. Ze doen wat kubistisch aan en qua kleurstelling vind ik ze fantastisch. Ze stellen de wederwaardigheden van de profeet Daniël voor. Niet zomaar Daniël maar heel bewust Daniël. De kerk wilde daarmee een parallel trekken naar de nazitijd en de Jodenvervolging. Daniël en drie metgezellen waren na de Babylonische verovering van Israël meegesleept naar het hof van Nebukadnezar. Aanvankelijk mochten ze hun eigen religie en religieuze praktijken houden. Maar later kreeg het hof het daar wel moeilijk mee. Waarom moesten die joden weer iets aparts? Er werd een groot beeld opgericht van de koning en iedereen moest dat beeld aanbidden. Ook de joden. Dat deden ze natuurlijk niet, want zo’n beeld aanbidden is afgoderij. Aldus volgde vervolging en marteling, net als de joden in Europa overkwam in de nazitijd. Verschil is wel dat God Daniël en zijn kornuiten zelfs uit de leeuwenkuil wist te redden, maar – zie het Holocaust namenmonument – de Europese joden nauwelijks. Georg Meistermann ontwierp deze prachtige gebrandschilderde ramen in de oude kathedraal van Münster!

Ging deze gesjeesde historicus als allereerste naar de kathedraal in Münster? Nee, het allereerste ging hij naar het voormalige stadhuis om de Friedensaal te bewonderen; de kamer waar ons geliefde kikkerlandje geboren werd in 1648. Juist ja, bij de vrede van… Münster.

Godinnen van de Art Nouveau – Allard Pierson Museum.

Dacht ik vroeger nog dat een tentoonstelling inrichten niets anders was dan de kunstvoorwerpen zo mooi mogelijk neerzetten en verder niets, nu ik betrokken ben bij de Fré Cohen tentoonstelling, weet ik wel beter. Bij zo’n tentoonstelling komt heel wat kijken. Het gaat natuurlijk wel om de kunstvoorwerpen, maar een ontwerper bepaalt waar ze komen te staan en tegen welke achtergrond. Over elk facet van de tentoonstelling wordt van te voren goed nagedacht om de kunstvoorwerpen en hun betekenis zo goed mogelijk te laten uitkomen. Voor mensen die al langer in het museumwereldje ronddarren, ongetwijfeld een open deur, maar voor mij, als tentoonstelling consument, volkomen nieuw. Ik consumeer tentoonstellingen en ik weet heus wel dat de ene tentoonstelling beter te pruimen is dan de andere. Dat dat vaak ligt aan hoe zo’n tentoonstelling is vorm gegeven…nooit aan gedacht.

Op goed geluk was ik het Allard Piersonmuseum ingelopen. Er is daar een tentoonstelling die ik erg graag wil zien maar plannen, dat is wat betreft musea helemaal niets voor mij; ik loop er graag in als ik er min of meer toevallig langskom. Ik was een beetje de coronaregels tel kwijt; moest je je van te voren aanmelden en een tijdslot bespreken of kon je er nu gewoon op de normale ouderwetse manier in. Tot mijn grote vreugde was alles weer normaal en kon ik zomaar naar binnen. Naar de Godinnen van de art nouveaux. Ik hou erg van Godinnen – hoewel ze van mij best wat dichter bij de grond mogen zijn – en ik hou van de art nouveau. Of Jugendstil, of Art deco. Laat ik er maar eerlijk over zijn; ik kan ze nauwelijks van elkaar onderscheiden. De kunst van rond 1900. Erg romantisch van aard vind ik. Net als de muziek. Neem Gustav Mahler of Richard (niet de walsenkoning) Strauss. Prachtige romantische muziek die je niet romantisch kunt noemen want de romantiek was allang voorbij. Hetzelfde gold voor de beeldende kunst.

Een romantisch beeld van de vrouw. Dat betekent veel ronde vormen. Dat betekent de zichzelf wegcijferende moeder en het onschuldige meisje. Dat beeld wordt ons in deze tentoonstelling veelvuldig getoond. Het schilderij ‘De bruid’ is een typisch voorbeeld van dit romantische beeld. Geschilderd door Wiesje van Blommestein in 1907. Een van het doek oplichtende gedaante. Naakt maar gevangen in een sluier die, weliswaar doorzichtig, haar hele lichaam bedekt. Witte bloemen omkransen de vrouw. Ze heeft borsten, dat wel, maar die lijken meer vooruit te wijzen naar haar toekomstige rol als moeder. Dat haar borsten een rol bij lust spelen, dat zie je hier niet. De vrouw ontdaan van veel van wat ons mens maakt. Wat ons dieren in het dierenrijk maakt. Als je naar het schilderij kijkt, komt er een onweerstaanbaar verlangen naar…een tijd waarin alles nog onschuldig was. Een tijd zonder haast, een tijd zonder lusten, een tijd zonder risico’s, een tijd zonder stress. Maar dat roept bij mij ook wrevel op. Hoezo onschuldig? Maar mijn gevoelens doen niet veel terzake; het is een zeer verdienstelijk schilderij.

Ook dit beeldje van de Belgische beeldhouwer Charles Samuel laat een haast onschuldige jonge vrouw zien. Dat het beeldje gemaakt is van erg schuldig materiaal (ivoor uit de uitgebuite Belgische kolonie Congo), kon de kunstenaar toen nog niet vermoeden. Met haar kapje op haar hoofd zien we hier een nationalistische variatie op het herderinnetjes thema van wat generaties eerder. Het onschuldige boerenmeisje waarvan het zonneklaar is dat ze op het Belgische platteland woont.

De periode in de geschiedenis waarin de Art Nouveaux gemaakt werd, blijkt ook de tijd te zijn dat men de kracht van een beeld van vrouwen in reclame gaat zien. Een bepaald beeld van de vrouw helpt producten verkopen. Weliswaar zijn veel kunstenaars man, maar je kunt moeilijk zeggen dat ze reclamekunst schiepen om mannen te verleiden of om vrouwen te onderdrukken; ze moesten producten verkopen. Producten als cacao, zeg maar huishoudelijke producten, werden in die periode doorgaans door vrouwen gekocht en dus moest de verkoop aan vrouwen gestimuleerd worden. Vrouwen zagen zichzelf kennelijk ook graag als de zich wegcijferende moeder zonder lusten en onschuldig in alles. Leuk om je dat te beseffen.

Als je aan mij vraagt waar ik me echt onplezierig over voel als ik naar het verleden kijk, dan denk ik al snel aan het feit dat vrouwen tot voor kort handelingsonbekwaam werden geacht. Meer nog dan veel andere ellende vanuit het verleden, trekken mijn tenen daarvan krom en stijgt het schaamrood me naar de kaken. Terwijl ik er part nog deel aan had. Maar de helft van de wereldbevolking wegzetten als onverantwoordelijk, niet-rationeel, dom, achterlijk dat hakt er bij mij best in. Dat ophemelen van vrouwen als onschuldige godinnen zoals op deze tentoonstelling getoond wordt, draagt de handelingsonbekwaamheid in zich. Als je verantwoordelijkheid neemt voor je leven, dan betekent dat dat je soms moet kiezen tussen goed en goed en heel soms het kwaad. Het betekent dat je een mening moet hebben over van alles en nog wat. Dat betekent dat je een rol hebt in de voortgang van de geschiedenis. Deze gedachte zie je, gelukkig, ook terug op de tentoonstelling: Die hele eerste feministische golf, waarvan de strijd voor vrouwenkiesrecht onderdeel uitmaakte, kwam ongetwijfeld voort uit het tijdsbeeld en maatschappelijke ordening waarvan de Art Nouveaux een weerslag was. De feministische beweging bijna als reactie op de Art Nouveaux. De propaganda poster hier getoond is zeker Art Nouveaux…maar misschien is het onderwerp wel de Art Nouveaux voorbij…

Echt een erge leuke tentoonstelling!

Jaloerse Kaïn

Op de laatste dag in Frankrijk, wilden we naar het Musee des Beaux Arts hier in Valenciennes. Alleen al met de website van het museum had Ik al behoorlijk wat voorpret want…Een fantastisch doek van Joachim Beuckelaer van een 16e eeuwse groentekoopvrouw bij haar stal met een enorme verscheidenheid aan groente en fruit. Kijken of we alle gewassen thuis konden brengen. Verder het schilderij ‘Saint Jacques et le magicien Hermogène’ van Jérôme Bosch geboren te Bois-le-Duc en nog veel meer. Dus wij op onze fietsen richting het museum. Maar helaas, sinds het Rijksmuseum een renovatie van meer dan tien jaar onderging, lijkt er een renovatie epidemie door Europese musea te waren. Het museum had haar poorten voor onbepaalde tijd gesloten. Een imposant museum, trouwens, voor zo’n klein stadje.

Dus fietsten we verder naar een bijzonder parkje; nummer twee op het lijstje bezienswaardigheden van Tripadvisor. Een oud park met heel veel zeer oude bomen. Erg smaakvol ingericht. Veel bloemen in veel kleuren. Echt een lust voor de zintuigen. Dat vonden de inwoners van Valenciennes ook; bijna alle bankjes waren bezet. Vaak met ontluikende liefde op de zittingen. We zaten er prima. Het verving het museum niet, maar toch fijn.

Kaïn die ‘iets’ mist.

In het parkje ook wat beelden. We kwamen het beeld ‘Cain jaloux’ tegen van Paul Theunissen. Je zou met zo’n naam denken aan een Nederlandse beeldhouwer of toch minstens een Vlaming. Maar nee, de man is geboren in een dorpje Anzin in de buurt van Valenciennes en heeft naar verluidt zijn hele leven in Frankrijk gewoond. De jaloezie van Kaïn. Het beeld is in 1904 gemaakt en is zelfs voor die tijd al wel wat belegen qua vorm. Het lijkt een beetje te passen bij de prerafaelieten. Beetje romantisch, beetje een knappe vrouw met grote borsten. Misschien ook niet. Maar doet er eigenlijk niet toe. We zien een pronte knappe vrouw, grotendeels naakt met een baby op schoot. Daarnaast een klein jongetje die de baby afwijst. Het zou de jaloerse Kaïn moeten zijn. Maar, bij nader inzien…is dat jochie dat daar staat wel een jongetje? Waar is zijn pielemosie? Juist ja, iemand is langsgekomen met een hamer en heeft het jongetje met een klap gecastreerd. Kennelijk was er ook weer iemand jaloers op Kaïn, omdat hij zo’n mooi pikkie had.

Klopt dit beeld met het bijbelverhaal? Nee. Kaïn wordt pas jaloers op Abel als God een duit in het zakje doet. Wie? God dus. God maakt het leven van Kaïn tot een hel. Kaïn en Abel offeren aan God. Het offer van Abel wordt door God aanvaard, het offer van Kaïn – om volstrekt duistere redenen – niet. God is niet alleen de bron van alles, maar ook de schuld van alles. Had hij die hele boom met appelen gewoon weggelaten uit de hof van Eden, dan hadden Kaïn en Abel niet met barenspijn ter wereld hoeven komen en als God ook het offer van Kaïn had aanvaard, dan was er geen broedermoord gepleegd. Treurig hoe een zo machtig iemand omgaat met ons, onmachtige mensen!

De heiligen van Reims

Hier in Reims hebben twee verschrikkelijk belangrijke heiligen rondgelopen, vindt ‘de kerk’. De belangrijkste is Saint Remi. Niet omdat hij nou zulke spectaculaire dingen heeft gedaan. Hij heeft, voor zover ik kan nagaan weinig wonderen verricht, maar voor de geschiedenis van Reims en meteen ook heel Frankrijk, is zijn belang enorm. De man heeft Clovis, koning van de Franken en daarmee de eerste koning van Frankrijk gedoopt. Op de kathedraal staat Clovis afgebeeld in iets dat best een beetje lijkt op een wastobbe, maar wat in werkelijkheid natuurlijk een doopfont is. Voor Saint Remi is een aparte basiliek gebouwd met klooster, waar zijn lichaam bewaard wordt in een gouden kist. Gisteren heb ik de gouden kist bewonderd. Door Saint Remi werd het Franse koningschap door God gegeven en kon het absolutisme welig tieren tot dat men er genoeg van kreeg en toen rolde de koppen.

Die andere verschrikkelijk belangrijke heilige van Reims is Saint Nicasius. De man wordt doorgaans afgebeeld met zijn afgehakte hoofd in zijn handen. Wat is er aandoenlijker dan een man die zijn eigen hoofd in zijn handen heeft en haast doet of er niets aan de hand is? De heilige is de stichter van het christelijke Reims. Op de kathedraal komt zijn verhaal op diverse manieren terug. Op z’n compleetst staat hij als groot beeld aan de noordelijke poort van de kathedraal. De heilige houdt zijn hoofd in zijn handen terwijl twee engeltjes boven de vrijgekomen plek van zijn lichaam iets onduidelijks vasthouden (een kroon?). Ook de engeltjes missen wel wat onderdelen maar dat heeft te maken met de tand des tijds.

Het leven van Saint Nacasius speelde zich af in de periode toen het romeinse rijk wankelde. Hordes uit alle windstreken vielen het rijk binnen. Reims was een romeinse stad. Het zou niet lang meer duren voor het West-Romeinse rijk definitief ineenstortte, maar dat wist men toen nog niet. De Vandalen, afkomstig uit Oost-Europa uit de streek waar we nu Polen situeren, was een van de volken die vanuit het oosten het romeinse rijk binnenviel. De Vandalen hielden er rare gewoonten en ideeën over gastvrijheid op na: Waar ze als gasten kwamen vermoordde ze de mannen meteen, de vrouwen verkrachtte ze eerst en vermoordde ze daarna. Vervolgens pakten ze wat ze konden gebruiken en staken de rest in de fik. Ze deden hun naam eer aan. Een spoor van verwoesting achterlatend, trokken ze door Europa. Nadat ze Rome even ‘aangedaan’ hadden, klopten ze ook aan de poort van Reims. (nou ja, kloppen…). Het plaatselijke hoofd van de net gestichte kerk, de op dat moment nog niet heilige pater Niceaise redde de kerkgemeenschap door zichzelf op te offeren. Hij ging naar de bruten toe. Meteen hieven de Vandalen hun bijlen want des paters kop wilden ze zien rollen. Niet onder de indruk van de bloeddorstig dreigende barbaren, reclameerde de pater psalm 118. Juist halverwege vers 26 viel zijn hoofd. De eerste helft van het vers werd gezegd door het hoofd nog aan de romp, en het tweede deel door het hoofd zonder romp. Door deze opoffering werd de kerkgemeenschap gered…en werd pater Niceaise de Sint Nicasius wiens beeld nu aan de noordelijke poort van de kathedraal in Reims staat. Ik geloof dat een enkele vandaal zich na de onthoofding meteen bekeerde tot het christendom… Omdat er volgens Christenen altijd vergeving is, kom je nu waarschijnlijk, ook een barbaarse vandaal tegen in de hemel.

Het stedelijk museum…van Laon.

We zijn een paar dagen in Laon. In de middeleeuwen was Laon een stad van aanzien. Een stad met een universiteit waar geleerden van naam lesgaven. Pierre Abelardus, een van de grootste geesten uit de hoge middeleeuwen, heeft in deze stad zijn opleiding gehad, kan je nagaan. Een stad waar ze de op dat moment mooiste en grootste kathedraal bouwden. Een kathedraal die het voorbeeld werd voor Chartres en Parijs. In die stad zijn we dus. Maar sinds de middeleeuwen is Laon niet meer gegroeid. Omdat de andere steden wel groeiden, krijgen we nu de indruk dat Laon een enorme kathedraal is, met een onooglijk stadje er omheen. Naast de kathedraal is er eigenlijk weinig te beleven in Laon. Op het kaartje van de VVV zagen we dat er ook een tempelierskapel was. Daar aangekomen bleek de kapel in volledige restauratie en dus gesloten te zijn. In het naastgelegen gebouwtje is het gemeentemuseum gevestigd.

De collectie bleek een ratjetoe. Van alles en nog wat; uit alle eeuwen en uit alle windstreken. Op zich wel vreemd want als de stad in de middeleeuwen zo’n voorname stad was, dan moeten daarvan toch objecten zijn die je in dit museum kunt laten zien? Juist de ‘afdeling’ middeleeuwen was uitermate pover.

Toch wel een paar aardige dingen. In de collectie een schilderijtje van Isaak van Ostade, het broertje van Adriaen, dat zeker de moeite waard is. Met het blote oog is er nauwelijks iets op te herkennen. Het schilderij is vies en verdient een schoonmaakbeurt. De titel: ‘De onderbroken lunch’ (Le dejeuner interrompu). Het schilderij is grotendeels zwart waarop met wat moeite wat figuurtjes te herkennen zijn. Toen ik de camera van mijn telefoon op het schilderijtje richtte; leek de camera dwars door de vuiligheid heen te kunnen kijken en daardoor ontwaarde we een grappig bedoeld huiselijk tafereeltje. Twee kinderen houden hun neus dicht terwijl een vrouw de baby verschoond. Op een tafeltje een bord pap. Een man kijkt lachend naar de kinderen. Ik geef toe dat ik geen mooie foto maakte, maar je ziet in ieder geval iets.

Het tweede schilderij dat de moeite waard was, is een zeventiende eeuws portret van een onbekende oudere vrouw gemaakt door een onbekende schilder. Die anonimiteit is gek, want het is absoluut een mooi schilderij; de vrouw staat er levensecht op. Ze lijkt begijn of non en zou je zo bestraffend kunnen toespreken. Volgens het bijschrift zou de kunstenaar een Franse schilder zijn. Maar ja, wie dan?

Beeldenstorm

De rijkdom van de kerk was helemaal uit de hand gelopen. In de kerk kon je je weg naar het paradijs kopen met aflaten. Met het geld dat verdiend werd met aflaten, werden grotere kerken gebouwd en paleizen voor de corrupte kerkvorsten. Om het volk dom te houden, werd de mis in het latijn, en niet in de volkstaal opgevoerd en bestonden bijbels alleen in het latijn. Daardoor was het voor het volk onmogelijk om zelf te lezen wat God’s wil was. Het volk werd dom gehouden. Maarten Luther was de leider van de opstand tegen de kerk. Die opstand breidde zich als een olievlek uit. Ook tot in de Nederlanden. Men vertaalde de bijbel in het Nederlands en daardoor kon het volk lezen dat God verbood om gesneden beelden (afgoden) te aanbidden. Niettemin stonden de kerken vol met die beelden. Revolutie! Vermorzel het oude en maak plaats voor het nieuwe! Trek de beelden om! Mij werd op de lagere school verteld hoe rechtvaardig de beeldenstorm wel niet was. Op een seculiere lagere school in het vooruitstrevende Amsterdam! En we smulden ervan als kinderen; weg met die volgevreten paapsen! En dat terwijl het geloof geen enkele rol in ons leven speelde. Wij zagen de beeldenstorm als een heldendaad van verzet tegen de macht.

Laten we eerlijk zijn, dat heroïsche protestante geloof van ons, dat werd voor het overgrote deel ingegeven door uitbuitende adel. Die adel was uit op de bezittingen en dus de macht van de kerk. Door de kerk te slopen viel al dat land toe aan de ‘bekeerde’ adel en de onderdanen van die adel diende zich eveneens te bekeren. Wrede straffen voor ongehoorzaamheid aan de adel waren aan de orde van de dag. De kerken en de beelden en de schilderijen waren het mooiste dat de mensen konden maken en getuigden van de liefde van het volk voor datgene wat hen van boven bestierde. Met heel veel talent, geduld en passie werden de kerken de mooiste plaatsen op aarde; een afspiegeling van de hemel. In de hemel heersen liefde en rechtvaardigheid en rechtvaardigheid was voor hen op aarde niet te vinden. Maar de jongeren werden opgezweept om samen met betaalde bendes alle beelden neer te halen. Wat zullen veel heel gewone mensen geleden hebben onder deze vernielzucht!

Hier in Laon kwamen we dezelfde vernielzucht tegen. In Frankrijk heet de revolutie niet reformatie en beeldenstorm, maar de Franse revolutie. Gelukkig heeft de vernielzucht van die revolutie van ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’ niet elke kerk evenveel getroffen, maar de vernieling is aanzienlijk. Het noorden van Frankrijk staat vol met middeleeuwse volkse passie, want zo kan je die gigantische gotische kathedralen wel noemen. Ook hier in Frankrijk werden beelden naar beneden gehaald, eeuwenoude kerken ineens gebruikt als paardenstal of torens neergehaald die door massa’s arme drommels met veel liefde waren gebouwd. Gelukkig werd in Laon de kathedraal niet neergehaald. Gelukkig niet. Maar het interieur…wat is daar veel vernield! Nauwelijks zijn er nog gebrandschilderde ramen terwijl dat er vast heel veel zullen zijn geweest. Ook nauwelijks beelden in de kerk. Als getuige van al die vernielzucht lieten ze een beeldengroepje hangen. Het maakt me zo treurig…

Saint Ache en Sint Acheul

Vakantie in Frankrijk. Nog nooit is dat zo ingewikkeld geweest. Nou ja, heeft het zo ingewikkeld geleken. Een verplichte QR-code als bewijs van volledige vaccinatie plus een verklaring op erewoord dat je geen covid symptomen vertoond. Niet dat ik iets daarvan ooit aan iemand heb moeten laten zien, maar het feit dat je ‘iets’ bij je moet hebben om naar Frankrijk te rijden maakt alles al anders dan anders. Nog steeds weten we niet wanneer het allemaal gaat eindigen. Tijdens de pestepidemie in het verleden wist men niets beters te doen dan bidden. Iedereen die niet sterk genoeg was ging dood en de sterken bleven over en konden hun leven weer oppakken. Veel mensen van nu willen, geloof ik, opnieuw zoiets als men in het verleden deed: Met z’n allen gaan bidden en hopen dat een hogere macht – zeg de natuur – ervoor zorgt dat op den duur het sterven aan covid op houdt; dat we ons leven nu niet moeten beperken. De zwakkeren zullen het niet allemaal overleven; een verlies dat we moeten nemen… Gelukkig zijn er niet veel mensen die er zo over denken!

Hoe dan ook, we zitten in Frankrijk op de camping vlakbij het provinciestadje Amiens. Het stadje heeft alle kenmerken van een provinciestad met een glorieus verleden. Ik weet dat niet zeker want ik heb de geschiedenis van Amiens niet bestudeerd, maar gezien de omvang en de schoonheid van de kathedraal, moet het wel een belangrijk stadje zijn geweest. Geliefde J. en ik duiken steevast in elke Franse stad van enige omvang op de eerste dag dat we er zijn, de kerk in. Al helemaal als de kerk een kathedraal is. Enige voorwaarde die wij stellen; hij moet oud zijn. Heel erg oud. In Amiens kom je aan je trekken wat dat betreft. Gebouwd in de dertiende eeuw in een rijtje gotische kathedralen van ongekende schoonheid aan de meer noordelijke kant van Frankrijk.

Wat trekt mij nou zo verschrikkelijk aan in die eeuwenoude kathedralen? De naïviteit, denk ik. Mensen stonden in onze ogen nog zo puur en onbedorven in het leven. In hun gedachtenleven, moet ik zeggen. Het wereldse leven werd niet anders dan nu, bepaald door de zucht naar macht en rijkdom en ging gepaard met geweld en uitbuiting. Maar dat gedachteleven, zo kinderlijk naïef. Als je doodgaat wordt je ziel gewogen. Als het goede zwaarder weegt dan het kwaad dat je verricht hebt tijdens je leven, dan mag je in mooie gewaden het hemelrijk binnenstappen anders wacht je de eeuwige kwelling. Een erg grappige uiting van naïviteit vormen twee beelden bij de linker ingang van de kathedraal. De heiligen zijn onthoofd voor het geloof en als beeld weer opgestaan. Dat heeft er kennelijk niet voor gezorgd dat hun hoofd weer op de juiste plaats kwam. Zou dat niet een enorme kwelling zijn als je met je hoofd onder je arm het eeuwige hemelse leven instapt? De ongelukkigen zijn de heilige Ache en Acheul. Over hun levens heb ik slechts een Franse site gevonden en het gaat wel even duren voor ik de tekst volledig ontcijferd heb…