Alle berichten van Frits de Klerk

Daniël in Münster

Geliefde J. en ik genieten volop van de vrijheid die we met onze coronapas hebben teruggekregen. Niet alleen is alle cultuur weer toegankelijk voor ons in Nederland (en daardoor ook weer mogelijk!), maar ook in de rest van Europa. We hebben ons bezoek aan de stad Münster al twee keer afgezegd de afgelopen twee jaar, maar nu zijn we er dan echt. En ja, de regels zijn hier in Duitsland tien keer zo streng als in Nederland. Een mondkapje is hier niet genoeg; het moet een medisch mondkapje zijn en als je je in een openbare publieke binnenruimte begeeft dien je dat op te zetten. Bij elke poging om ergens in de horeca naar binnen te gaan wordt gevraagd of je ‘geimpft’ bent. Meestal mag je doorlopen als je met veel trots ja-knikt en zeker als je alvast naar je telefoon grijpt om het te bewijzen. Soms wil men dan ook wel even echt een blik op die mooie QR-code werpen. Ik ben zo blij met dat fel oplichtende stipjespatroon met langsfietsende poppetjes! Die code heeft mij m’n vrijheid teruggegeven en duizenden anderen hun werk. Apartheid? Mijn reet!

We gingen naar de kathedraal en daar overkwam ons wat ons overal bij eeuwenoude cultuurmonumenten in Duitse steden overkomt, namelijk beseffen wat voor enorme puinhoop de nazi’s ervan gemaakt hebben. Duitse cultuurmonumenten die vaak uit de twaalfde eeuw of eerder stammen zien eruit alsof ze er nog maar net staan. In zekere zin klopt dat ook want na de oorlog stonden er nog maar weinig stenen op elkaar. Met eindeloos geduld is alles wat mooi was weer in ere hersteld of, als herstellen niet meer mogelijk was, door nieuwe schoonheid vervangen. Hoewel er nog een aantal oude gebrandschilderde ramen overgebleven zijn in deze kathedraal, is het merendeel zo onherstelbaar beschadigd geraakt dat men nieuwe heeft laten maken. Ik moet zeggen dat ik aangenaam getroffen werd door de nieuwe ramen. Ze doen wat kubistisch aan en qua kleurstelling vind ik ze fantastisch. Ze stellen de wederwaardigheden van de profeet Daniël voor. Niet zomaar Daniël maar heel bewust Daniël. De kerk wilde daarmee een parallel trekken naar de nazitijd en de Jodenvervolging. Daniël en drie metgezellen waren na de Babylonische verovering van Israël meegesleept naar het hof van Nebukadnezar. Aanvankelijk mochten ze hun eigen religie en religieuze praktijken houden. Maar later kreeg het hof het daar wel moeilijk mee. Waarom moesten die joden weer iets aparts? Er werd een groot beeld opgericht van de koning en iedereen moest dat beeld aanbidden. Ook de joden. Dat deden ze natuurlijk niet, want zo’n beeld aanbidden is afgoderij. Aldus volgde vervolging en marteling, net als de joden in Europa overkwam in de nazitijd. Verschil is wel dat God Daniël en zijn kornuiten zelfs uit de leeuwenkuil wist te redden, maar – zie het Holocaust namenmonument – de Europese joden nauwelijks. Georg Meistermann ontwierp deze prachtige gebrandschilderde ramen in de oude kathedraal van Münster!

Ging deze gesjeesde historicus als allereerste naar de kathedraal in Münster? Nee, het allereerste ging hij naar het voormalige stadhuis om de Friedensaal te bewonderen; de kamer waar ons geliefde kikkerlandje geboren werd in 1648. Juist ja, bij de vrede van… Münster.

Mannenmaal – Rinske Hillen; slordig

Ik vind het moeilijk om een literair boek serieus te nemen als er slordig omgegaan wordt met de taal. Ook auteurs kunnen foutjes maken, maar dit boek staat er vol mee. Ik weet niet precies hoe het in het literaire wereldje werkt, maar mijn tekst voor het Fre Cohen boek werd onder handen genomen door een redacteur. Anders dan een literair boek moesten in ons boek de tekst van twee verschillende auteurs tot slechts een tekst gemaakt worden. Spel-, stijl- en slordigheidsfoutjes werden er tegelijkertijd uitgehaald. Volgens mij heeft elke auteur bij de uitgeverij ook een redacteur die goed meeleest met wat er geschreven wordt. Die redacteur heeft bij deze roman echt zitten slapen. Het ergert me mateloos al die slordigheden. Dat, terwijl ik het boek inhoudelijk helemaal niet slecht vond. De inhoud heeft me best beziggehouden want er komt nogal wat voorbij: Euthanasie op baby’s, euthanasie op mensen die genoeg van het leven hebben zonder dat er echt ondraaglijk lichamelijke lijden en een uitzichtloze situatie is. Het verlangen naar een groots leven met liefde tot het uiterste tegenover de huis-, tuin- en keukenliefde. De onvoorwaardelijke liefde tussen kind en ouders tegenover de voorwaardelijke liefde tussen man en vrouw. Het is allemaal niet niks. Maar taal is het gereedschap van de schrijver. Met of zonder hulp van een redacteur; de taalbeheersing moet in orde zijn. In deze roman is de taal zeker niet perfect. Verre van dat.

Journaliste Eva vormt samen met echtgenoot kinderarts Wout en zoon Abel een gezin. Eva werkt voor een kunsttijdschrift. De internationaal vermaarde beeldend kunstenaar Ben Roovers biedt het tijdschrift waar Eva voor werkt een interview met hem aan, maar alleen als Eva het afneemt. Toen Eva zeventien was, heeft ze een korte, maar heftige liefdesaffaire met hem gehad. Met veel verwarrende gevoelens gaat Eva het interview afnemen. Daarentegen heeft haar man Wout als kinderarts te maken met ernstig zieke kinderen. Hij worstelt met de behandeling van baby Josefien. Het kindje is geboren met een ziekte waardoor ze nauwelijks huid heeft. Ze lijdt enorme pijn bij alles. Onder narcose wordt ze gebadderd. De ouders van Josefien kunnen het lijden van hun kind niet aanzien en vragen kinderarts Wout om de baby een zachte dood te laten sterven. Dit is bij wet verboden en hij doet het dan ook niet. Hij geeft wel de ouders de suggestie dat dit de beste oplossing zou zijn. Ook in de openbaarheid heeft hij hierover iets gezegd. Sindsdien is er een hetze op gang gekomen tegen hem.

Tussen Ben Roovers en Eva komt de hartstocht weer tot leven. Daarbij bewondert Eva de onverschilligheid van de schilder ten opzichte van het leven en zijn totale focus op het maken van kunst. Eva komt erachter dat Ben aan een erfelijke ziekte lijdt die hem op den duur blind maakt. Het punt waarop hij helemaal niets meer kan zien komt met rasse stappen dichterbij. Hij vertelt dat hij een einde aan zijn leven zal maken als het moment daar is. Ondertussen is het huwelijk van Eva en Wout in een diepe crisis geraakt. Op het moment dat zijn huwelijkscrisis op haar hoogtepunt is en ook de hetze tegen hem als kinderarts het kookpunt bereikt, krijgt Wout een tijdelijke afkoelbaan aangeboden in de luwte verweg, in Berlijn. Voordat hij naar Berlijn reist, gaat hij verhaal halen bij Ben. Maar in plaats van een hanengevecht met fatale afloop ontstaat er iets van een vriendschap tussen de twee in diepe crisis verkerende mannen. Wout zal zorgen dat Ben een zachte dood zal sterven. Aldus geschiedt. Wout keert als vader, minnaar en partner terug naar Eva.

Niet niks, dat verhaal! Ik moet zeggen dat het verhaal absoluut boeit. De roamn vraagt de lezer ook om een moreel standpunt in te nemen. Dat zal ik dan ook hier doen: Een kind dat zo verschrikkelijk lijdt als patiëntje Josefien, waarbij geen kans is op verbetering in haar toestand, verdient een zachte dood. Voor het plegen van euthanasie op de minnaar van zijn vrouw mag arts Wout een flinke tijd achter de tralies. Eigenlijk ligt dit wel erg voor de hand, hoewel Wout er met het verstrekken van een zachte dood aan Ben erg genadig afkomt in deze roman.

Wout is nogal gek op Schopenhauer. In de tijd dat ik alles stuk las over Richard Wagner, kwam ik ook al eens terecht bij deze filosoof. Ook toen kreeg ik het gevoel dat Schopenhauers abstractie nergens overeenkwam met de mijne en legde ik mismoedig artikelen over zijn leer naast mij neer. Vanwege deze roman even een nieuwe poging gewaagd, maar nee, ik begin er niet aan. Ik laat dat graag over aan mensen als Rinske Hillen die filosofie hebben gestudeerd. Ik denk dat het hen verder helpt.

Slordigheid. Ik moet het er toch over hebben. Dat is namelijk datgene dat me erg gestoord heeft in deze roman. Stilistische slordigheden: Op bladzijde 43 van de elektronische versie van het boek. Vanuit het perspectief van Eva wordt verteld over ‘Wout na de seks’: “Daarna had hij zijn rug van haar afgewend, als een vesting, ze was eraan gewend dat hij van haar wegdraaide als hij sliep.” Ik denk dat Wout haar zijn rug had toegekeerd in plaats van afgewend. Zo’n zin leidt af. Andere zin. Eva is bang dat haar taperecorder niet naar wens werkt: “Hoe vaak kwam het niet voor dat ze thuiskwam en flarden uit haar geheugen moest schrapen doordat de tape leeg bleek?” Geen echte, heel erge fouten in deze zin, maar om nou te zeggen dat hij lekker loopt of mooi beeldend is…nou nee. Thuiskomen heeft geen verband met de lege tape; het uitwerken van het interview wel. Ik neem ook aan dat ze geen flarden van het gesprek wilde opdiepen, maar het hele gesprek en dat haar dat nou juist niet lukte en er slechts flarden boven kwamen. Ook dit leidt af van het verhaal. Ook wat rare vergelijkingen die dan ook nog vreemd opgeschreven staan: “Ze stelde zich voor hoe de morgen de rivier in kon zakken, als een vat vervuilde stoffen.” Bedoelt ze hier stoffen die schoon waren maar nu “vervuild” zijn, of “het milieuvervuilende stoffen” of “een vat giftige stoffen”? Het leidt af. Ook veel vergeten kleine woordjes waar ik geen notitie van heb gemaakt. Gewoon slordig.

Vond ik het dan geen goed boek? Nou zover wil ik zeker niet gaan. Als de schrijfster (redacteur?) wat meer aandacht aan de taal had besteed, dan was het een heerlijk boek geweest dat me heel erg geboeid had. De afloop – waarbij alles weer goed komt – had me wat teleurgesteld, maar dat had het leesplezier zeker niet bedorven.

Godinnen van de Art Nouveau – Allard Pierson Museum.

Dacht ik vroeger nog dat een tentoonstelling inrichten niets anders was dan de kunstvoorwerpen zo mooi mogelijk neerzetten en verder niets, nu ik betrokken ben bij de Fré Cohen tentoonstelling, weet ik wel beter. Bij zo’n tentoonstelling komt heel wat kijken. Het gaat natuurlijk wel om de kunstvoorwerpen, maar een ontwerper bepaalt waar ze komen te staan en tegen welke achtergrond. Over elk facet van de tentoonstelling wordt van te voren goed nagedacht om de kunstvoorwerpen en hun betekenis zo goed mogelijk te laten uitkomen. Voor mensen die al langer in het museumwereldje ronddarren, ongetwijfeld een open deur, maar voor mij, als tentoonstelling consument, volkomen nieuw. Ik consumeer tentoonstellingen en ik weet heus wel dat de ene tentoonstelling beter te pruimen is dan de andere. Dat dat vaak ligt aan hoe zo’n tentoonstelling is vorm gegeven…nooit aan gedacht.

Op goed geluk was ik het Allard Piersonmuseum ingelopen. Er is daar een tentoonstelling die ik erg graag wil zien maar plannen, dat is wat betreft musea helemaal niets voor mij; ik loop er graag in als ik er min of meer toevallig langskom. Ik was een beetje de coronaregels tel kwijt; moest je je van te voren aanmelden en een tijdslot bespreken of kon je er nu gewoon op de normale ouderwetse manier in. Tot mijn grote vreugde was alles weer normaal en kon ik zomaar naar binnen. Naar de Godinnen van de art nouveaux. Ik hou erg van Godinnen – hoewel ze van mij best wat dichter bij de grond mogen zijn – en ik hou van de art nouveau. Of Jugendstil, of Art deco. Laat ik er maar eerlijk over zijn; ik kan ze nauwelijks van elkaar onderscheiden. De kunst van rond 1900. Erg romantisch van aard vind ik. Net als de muziek. Neem Gustav Mahler of Richard (niet de walsenkoning) Strauss. Prachtige romantische muziek die je niet romantisch kunt noemen want de romantiek was allang voorbij. Hetzelfde gold voor de beeldende kunst.

Een romantisch beeld van de vrouw. Dat betekent veel ronde vormen. Dat betekent de zichzelf wegcijferende moeder en het onschuldige meisje. Dat beeld wordt ons in deze tentoonstelling veelvuldig getoond. Het schilderij ‘De bruid’ is een typisch voorbeeld van dit romantische beeld. Geschilderd door Wiesje van Blommestein in 1907. Een van het doek oplichtende gedaante. Naakt maar gevangen in een sluier die, weliswaar doorzichtig, haar hele lichaam bedekt. Witte bloemen omkransen de vrouw. Ze heeft borsten, dat wel, maar die lijken meer vooruit te wijzen naar haar toekomstige rol als moeder. Dat haar borsten een rol bij lust spelen, dat zie je hier niet. De vrouw ontdaan van veel van wat ons mens maakt. Wat ons dieren in het dierenrijk maakt. Als je naar het schilderij kijkt, komt er een onweerstaanbaar verlangen naar…een tijd waarin alles nog onschuldig was. Een tijd zonder haast, een tijd zonder lusten, een tijd zonder risico’s, een tijd zonder stress. Maar dat roept bij mij ook wrevel op. Hoezo onschuldig? Maar mijn gevoelens doen niet veel terzake; het is een zeer verdienstelijk schilderij.

Ook dit beeldje van de Belgische beeldhouwer Charles Samuel laat een haast onschuldige jonge vrouw zien. Dat het beeldje gemaakt is van erg schuldig materiaal (ivoor uit de uitgebuite Belgische kolonie Congo), kon de kunstenaar toen nog niet vermoeden. Met haar kapje op haar hoofd zien we hier een nationalistische variatie op het herderinnetjes thema van wat generaties eerder. Het onschuldige boerenmeisje waarvan het zonneklaar is dat ze op het Belgische platteland woont.

De periode in de geschiedenis waarin de Art Nouveaux gemaakt werd, blijkt ook de tijd te zijn dat men de kracht van een beeld van vrouwen in reclame gaat zien. Een bepaald beeld van de vrouw helpt producten verkopen. Weliswaar zijn veel kunstenaars man, maar je kunt moeilijk zeggen dat ze reclamekunst schiepen om mannen te verleiden of om vrouwen te onderdrukken; ze moesten producten verkopen. Producten als cacao, zeg maar huishoudelijke producten, werden in die periode doorgaans door vrouwen gekocht en dus moest de verkoop aan vrouwen gestimuleerd worden. Vrouwen zagen zichzelf kennelijk ook graag als de zich wegcijferende moeder zonder lusten en onschuldig in alles. Leuk om je dat te beseffen.

Als je aan mij vraagt waar ik me echt onplezierig over voel als ik naar het verleden kijk, dan denk ik al snel aan het feit dat vrouwen tot voor kort handelingsonbekwaam werden geacht. Meer nog dan veel andere ellende vanuit het verleden, trekken mijn tenen daarvan krom en stijgt het schaamrood me naar de kaken. Terwijl ik er part nog deel aan had. Maar de helft van de wereldbevolking wegzetten als onverantwoordelijk, niet-rationeel, dom, achterlijk dat hakt er bij mij best in. Dat ophemelen van vrouwen als onschuldige godinnen zoals op deze tentoonstelling getoond wordt, draagt de handelingsonbekwaamheid in zich. Als je verantwoordelijkheid neemt voor je leven, dan betekent dat dat je soms moet kiezen tussen goed en goed en heel soms het kwaad. Het betekent dat je een mening moet hebben over van alles en nog wat. Dat betekent dat je een rol hebt in de voortgang van de geschiedenis. Deze gedachte zie je, gelukkig, ook terug op de tentoonstelling: Die hele eerste feministische golf, waarvan de strijd voor vrouwenkiesrecht onderdeel uitmaakte, kwam ongetwijfeld voort uit het tijdsbeeld en maatschappelijke ordening waarvan de Art Nouveaux een weerslag was. De feministische beweging bijna als reactie op de Art Nouveaux. De propaganda poster hier getoond is zeker Art Nouveaux…maar misschien is het onderwerp wel de Art Nouveaux voorbij…

Echt een erge leuke tentoonstelling!

De dood in Taormina – Arnon Grunberg; Een verrassende afloop

Arnon Grunberg is, wat mij betreft, op dit moment de meest originele schrijver. Vervreemding, absurdisme en onverwachte wendingen zitten in al zijn boeken. Een gevaar dat hierdoor op de loer ligt, is dat de schrijver het absurdisme teveel doorvoert. In deze roman is dat zeker niet het geval; Grunberg rekt de randjes precies voldoende op zonder volledig uit de bocht te schieten. Net voldoende om je blik op de wereld weer eens even lekker te verzetten en alles net weer anders te gaan zien.

Als hoofdpersoon Zelda acht jaar is, gaat haar moeder een wereldreis maken en blijft Zelda alleen met haar vader achter. Moeder komt niet meer terug van haar reis. Het blijkt dat haar moeder haar grote liefde Romy gevonden heeft in Toronto in Canada en niet meer van plan is om terug te keren naar Nederland. Jaarlijks wordt Zelda op het vliegtuig gezet om haar moeder te bezoeken. Haar vader, die in energie handelt, vertrekt samen met zijn dochter naar China om daar te wonen en het verlies van zijn partner en haar moeder te verwerken. Na enkele jaren keren ze weer terug naar Nederland en gaat Zelda bij een jeugdbende. Ze wordt lokeend. Zij lokt mannen naar een bepaalde plek en vervolgens bestelen haar metgezellen de man in kwestie. Haar vader heeft er geen weet van, maar vermoedt wel veel. Zelda moet hem beloven dat ze later dood zal gaan dan hij en die plechtige belofte doet ze. Daarmee komt een eind aan haar leven als lokeend en stapt ze uit de jeugdbende. Zelda gaat al haar wetenswaardigheden bijhouden in een notitieboekje. Op een dag verliest ze het boekje en wordt het gevonden door de operaregisseur Rasmus. Als hij haar d’r boekje teruggeeft, vraagt hij of ze zijn assistent wil worden. Hij wil een opera maken over Aleppo. Een componist en een librettist heeft hij al; haar taak wordt het om de librettist met informatie over Aleppo te voeden. Ondertussen is Rasmus bezig in Zürich aan de opera ‘The death of Klinghoffer’ van John Adams. In die opera speelt de oudere maar beroemde acteur Jona een bescheiden rolletje als spreker.

Jona vraagt Zelda om mee naar zijn moeder te gaan. Zijn moeder praat al jaren niet meer met hem  en hoe hij ook bidt en smeekt, ze doet de deur niet voor hem open. Wellicht dat Zelda, als zijn zogenaamde nieuwe vriendin, zijn moeder kan vermurwen. Maar nee, de moeder van Jona laat zich niet vermurwen als Zelda samen met Jona voor de deur staat. Wat wel ontstaat is ‘iets’ tussen Jona en Zelda.

Jona heeft wel een gezin en een huis, maar daar wil hij niet meer wonen. Hij heeft, volgens eigen zeggen, geen vaste woon- of verblijfplaats. Hij wil zich aan niets en niemand binden en daarom gaat hij van de één naar de ander. Ook woont hij soms een tijd in een hotel, maar hij is nergens thuis en dat wil hij ook niet. Zo woont hij ook een tijdje bij Zelda. Zelda houdt van Jona. Ze trekken veel met elkaar op. Hij koopt een boot waar ze een tijd gaan wonen. Als de opera over Aleppo geschreven en gecomponeerd is, gaat hij onder regie van Rasmus opgevoerd worden. Tijdens de repetities ontmoet Zelda de Zweedse jongen Per die een scenario aan het schrijven is. Ook met hem gaat ze een verhouding aan. Als Zelda met Jona op vakantie naar Taormina op Sicilië gaat, vraagt ze ook Per daarheen te komen. In Taormina hebben ze een ménage à trois.

Aldus het verhaal. Hoewel je gedurende het lezen van de roman steeds vage tekenen tegenkomt van de absurde wending die het verhaal gaat nemen, ben je je er niet van bewust welke kant het uiteindelijk uitgaat. Maar dat moet je ook niet weten want dan gaat de verassing verloren. Die verassing ga ik hier dus ook niet opschrijven.

Nou wil ik natuurlijk niet psychologiseren en wat er niet staat kan je niet lezen, maar herkennen we in Jona niet de schrijver zelf? Vertelt Grunberg niet regelmatig dat hij eigenlijk acteur had willen worden? Is het niet zo dat Grunberg vaak vertelde over de hechte haat-liefde relatie die hij met zijn moeder had. Zijn laatste romans gingen zo ongeveer over de relatie tussen vader/moeder en zoon. Is het niet zo dat nu Grunbergs moeder overleden is, ze haar deur nooit meer voor hem zal (kunnen) openen, zelfs niet als hij zijn nieuwe vriendin (en kleinkind) komt voorstellen. Nee, het staat er niet, maar je kunt het wel denken en verzinnen. Omdat ik op mijn eigen website schrijf, mag ik eigenlijk helemaal alles schrijven. Gewoon omdat het leuk is!

Houdt Zelda zich aan de belofte aan haar vader? Je weet het als je de roman uit hebt!

Een lekkere roman, kortom, waar ik van heb genoten, zoals ik, trouwens, van de meeste romans van Arnon Grunberg genoten heb!

Het holocaustnamenmonument

Ik was eigenlijk tegen het Holocaustmonument. Waarom zo’n buiten alle proporties groot monument? Waarom pas nu zo’n monument. Waarom pas een monument als de nabestaanden van de nabestaanden zijn overleden? En…ik stond er niet alleen in. Mijn bezwaren werden gedeeld door velen en niet alleen door nazi’s en holocaustontkenners. De hooggeleerde Abram de Swaan bijvoorbeeld, wilde niet dat het monument er kwam en ik was het wel met hem eens. Dat schreef ik op en zette het op deze website. Ik heb het stil gehouden voor mijn joodse ma. Zij was er juist erg enthousiast over. Vanuit de zielloze getallen naar tastbare namen, dat is wat zij graag wilde. Ik had mijn bedenkingen.

Maar ik ging sindsdien intensief aan de gang met het verleden. Ik verdiepte me in het werk van Fré Cohen en ik verdiepte me in haar leven en in haar dood. Heus ik had ook toen al heel veel gelezen en gehoord over wat er destijds met ons joden is gebeurd, maar toch wilde het niet landen. Ja, rationeel wel, maar niet gevoelsmatig. Ik heb twee keer de negen uur durende film van Claude Lanzmann ‘Shoah’ gezien. Ik heb dagenlang met mijn overlevende omaatje gesproken en haar helemaal uitgehoord over haar hel in Polen en ik vond het verschrikkelijk maar mijn gevoel wilde er niet aan. Ondanks dat ik van al die verhalen akelig werd, wilde mijn gevoel niet voelen wat het betekende om bijvoorbeeld je kind af te staan zodat het een grotere kans van overleven heeft. Kennelijk was ik pas toen ik me zo verdiepte in het lot van Fré Cohen emotioneel rijp om volledig te kunnen doorvoelen wat men destijds meegemaakt heeft. Dat veranderde veel. Sindsdien ben ik voor het namenmonument. Ik heb een draai gemaakt. Ik mag dat want ik ben geen politicus.

Gisteren was ik bij het namenmonument. Net als tientallen anderen had ik namen en geboortedata op een lijstje gezet. Het is best zoeken waar je familie staat. Het zijn zo verschrikkelijk veel namen. Helemaal logisch zit het niet in elkaar, maar dat hoeft ook niet; op zoek naar mijn eigen vermoorde voorouders zie ik  graag de namen van zoveel anderen. Niet alleen de namen, ook hun geboortedatum en de leeftijd waarop ze omgebracht werden. 13 jaar, 37 jaar, 85 jaar, 64 jaar, 3 jaar; de omvang van de misdaad is met geen pen te beschrijven. Ik fotografeerde mijn vier overgrootouders (allemaal zo rond mijn leeftijd vermoord) en mijn grootvader (gedood toen hij zo oud was als mijn jongste zoon).

Niet de namen van alle slachtoffers vind je terug op het monument. Mijn omaatje bijvoorbeeld niet. Je kunt moeilijk zeggen dat ze geen slachtoffer was van de nazi’s; haar kregen ze niet dood. Fré Cohen vind je ook niet op een van de stenen. Weliswaar overleefde ze de oorlog niet, maar ze werd niet door de nazi’s vermoord omdat ze de hand aan zichzelf sloeg. Haar vriend Joseph Gompers stierf in Tröbitz in vrijheid, hoewel hij van zijn vrijheid, verzwakt als hij was, weinig meegekregen zal hebben. Hem heb ik wel gevonden.

Steek de buis in het werkstation

Handleidingen zijn helemaal geen makkie om te schrijven. Echt heel moeilijk, zeker als iedereen het moet snappen. Krijg je iets van de overheid, dan zou dat wel in orde moeten zijn, zou je denken. Helemaal als het om een gevoelige covid-19 test gaat.

Afgelopen zaterdagavond kon je deze jongen – in bezit van een coronapas – vinden in de propvolle Amsterdamse Stadsschouwburg. Niks geen anderhalve meter, niks geen vermijden van drukte; de zaal was gewoon helemaal vol en in de pauze en na afloop liepen we hutjemutje door de smalle gangetjes. Gewoon helemaal zoals vroeger. Niet helemaal, want er was geen garderobe omdat de mevrouw van de garderobe was ingezet bij het controleren van de coronapas. Maar niet getreurd, het was lekker weer dus nog geen winterjassen. Het leek alsof er van geen pandemie sprake was. Heerlijk. Even wennen, dat wel, maar heerlijk! Ik had graag nog wat mensen een hand gegeven, maar ja, wie kende ik er. Ja, geliefde J, maar eerlijk gezegd gaan onze intimiteiten op een doordeweekse dag al veel verder dan het geven van een hand.

Ik had het gevoel dat ik wat snotterig was op de zondag na de drukte. Geen paniek, want een stuifmeelkorreltje heeft al groot effect op mijn snotdoorstroming. Maar vanochtend…Nogal snotterig en ook een beetje keelpijn. Het zou toch niet…Het kan toch niet waar zijn dat ik de eerste keer dat ik weer lekker naar het theater ga een verschrikkelijke ziekte oploop? Snotneus…keelpijn…dat vraagt om een zelftest en die heeft de overheid gratis verstrekt. Stokje in je neus en ronddraaien en vervolgens in de vloeistof. Maar hoe vaak ronddraaien. Beter is het om de stapjes in de handleiding precies te volgen. Stap 1 volgens de handleiding: ‘Steek de buis in het werkstation. Verwijder de folie van de buis.’ Duidelijk, lijkt me. Wat is het werkstation en wat is de buis? Kijk bij alle meegeleverde onderdelen van de testset en je zal het vinden: ‘Meegeleverde onderdelen: Testappara(a)t(en), Steriel(e) wattenstaafje(s), Extractiebuisje(s) met buffervloeistof en druppeldopje(s), gebruiksaanwijzing, procedurekaart.’ Geen buis en ook geen werkstation… Nog een keer lezen, nog een keer kijken, maar echt, ze zitten er niet bij. Na veel heen en weer redeneren tot de conclusie gekomen dat het werkstation het doosje is, waar de test inzat. Daar moet je een voorgeperforeerd rondje eruit drukken en dat zou je met het extractiebuisje kunnen doen. Ik denk dat dat het was. Zou iedereen dat begrijpen? Iedereen in Nederland? Denk het niet.

Nee, ik blijk geen coronaslachtoffer van al te vroeg toneelplezier in een te volle schouwburg. Tenminste…als ik de test goed heb uitgevoerd.   

De Dokter; een heerlijk toneelstuk in een volle Stadsschouwburg!

De dokter, geregisseerd en bewerkt door Robert Icke, door ITA. Gezien op 18-09-2021 in de Amsterdamse Stadsschouwburg

Ik sta ambivalent tegenover de coronapas. Ik weet niet. Zoonlief is er zo fel tegen dat hij er de straat voor opgaat. Ik zit meer in een spagaat van enerzijds anderzijds. Het is een moeilijk probleem en gisterenavond profiteerde ik er stilletjes van dat ik de pas heb. Hoewel onmogelijk onwennig zat ik op de gewone ouderwetse manier in de volle Amsterdamse Stadsschouwburg. Links van me, in de stoel naast me ‘een ander’. Een mens dat ik nooit eerder gezien had en wellicht nooit meer zal zien. Naast geliefde J. aan mijn rechterkant ook een totaal onbekende. Verder mensen in mijn nek en mensen vlak voor me (lange mensen waar ik omheen moest kijken). In het begin was deze situatie totaal onwennig voor me maar toen we eenmaal een tijdje zo met z’n allen hadden zitten genieten van datgene wat er zich op het toneel afspeelde, voelde het weer helemaal als vanouds. Zoals het hoorde. Maar om daar in de schouwburg te mogen zitten, heb ik me natuurlijk wel laten vaccineren en heb ik mensen die dat niet willen, uitgesloten. Geldt hier dat het leven nou eenmaal onrechtvaardig is? Of is het helemaal niet onrechtvaardig en zijn de antivaxxers onrechtvaardig door ons voor hun dure onnodige ziekenhuisopname te laten betalen en daarmee tegen te houden dat alle maatregelen opgeheven kunnen worden. Ik weet het niet. Twijfel.

Hoe dan ook, gisteren zaten we in de Stadsschouwburg en zagen de voorstelling ‘De dokter’. Een zeer actueel toneelstuk. Niet in de laatste plaats omdat de vraag gesteld werd of medici en de volksgezondheid het bij veel levensvragen het voor het zeggen moeten hebben. Hoe actueel kan je het hebben? Maar het toneelstuk was veel breder dan dat; het ging bijna over alles wat op dit moment in onze maatschappij speelt. ‘De Dokter’ is de door Robert Icke naar onze tijd toe herschreven toneelstuk ‘Professor Bernhardi’ van Arthur Schnitzler uit 1912. In het Wenen van 1912, waar de oorspronkelijke auteur het toneelstuk situeerde, speelde andere dingen dan die vandaag spelen, uiteraard, maar relicten van wat toen speelde zitten nog steeds in het toneelstuk en dat schuurt heel soms een beetje…ik kom daar later nog op terug.

De mannelijke professor Benardi is in ‘De Dokter’ de vrouwelijke arts dr. Ruth Wolff. Ruth Wolff is oprichter en directeur van het ziekenhuis dat zich vooral bezighoudt met dementie. Maar nu is er een veertienjarig meisje binnengebracht met bloedvergiftiging. Ze heeft het opgelopen door een bij haarzelf uitgevoerde abortus. Dr. Wolff heeft de hele nacht gevochten voor haar leven maar beseft dat ze de strijd gaat verliezen; het meisje gaat overlijden. De ouders zijn onderweg maar hebben alvast de priester gestuurd om het meisje de laatste sacramenten toe te dienen. Dr. Wolff weigert de priester toe te laten tot haar patiënt, want ze heeft niet van het meisje gehoord dat ze daar prijs op zou stellen. Bovendien zou de schok die de priester mogelijk teweegbrengt met zijn binnenkomst, het meisje d’r dood kunnen bespoedigen. Daarmee is een conflict a la Antigone geboren: Volg je de wetten of de goden? Dr. Wolff kiest voor de wet, maar de goden gaan haar opbreken. De verschillende rollen worden duidelijk: Vrouwelijk, atheïstisch en gelovend in de wetenschap, joods met een witte huidskleur, tegenover de religieuze zwarte man die gelooft in de vergevingsgezindheid van de goden. Ook de dokters van het ziekenhuis komen tegenover elkaar te staan omdat ze het naderende onheil boven het van zoveel partijen afhankelijke ziekenhuis zien hangen of omdat ze het oprecht niet eens zijn met de lijn die dr. Wolff volgt. In de sociale media ontspoort het conflict.

Ondertussen worden we meegenomen in het persoonlijke leven van dr. Wolff. D’r partner zorgt voor troost onder de spanningen. Het wordt niet helemaal duidelijk of de partner in droombeelden verschijnt en al overleden is, of dat ze nog leeft en pas later overleden is. Feit is wel dat haar partner dement wordt en zelfmoord pleegt. Verder is er nog het meisje dat in een jongenslichaam geboren werd en een soort toevlucht gezocht heeft bij de hoofdpersoon.

Het hoogtepunt komt tijdens de rechtstreekse uitzending van het programma ‘Dispuut’. Een aantal deskundigen mogen dr. Ruth Wolff direct bevragen over wat er in het ziekenhuis is voorgevallen en haar beslissingen op dat moment. Hoewel het in het begin nog wel lukt om een weerwoord te hebben en haar gelijk te bewijzen aan de hand van het zuiver medisch handelen, wordt ze later in de mangel genomen en wordt de hetze onhoudbaar. Ze zit tegenover de woke mens die haar beschuldigt van racisme omdat de priester zwart was. De pro-life beweging beschuldigt haar onterecht van het uitvoeren van de mislukte abortus. Vervolgens wordt ze geconfronteerd met een abortus die ze als jong meisje zelf heeft ondergaan. Er wordt gehakt van haar gemaakt. Eén en ander eindigt met een tuchtzaak die ze verliest. Ze wordt uit haar eigen ziekenhuis gezet en voor tien jaar uit haar beroep gezet. Voor haar lijkt er geen andere uitweg dan het pad van haar partner te volgen…

Het conflict in het toneelstuk verschuift naar de strijd tussen ‘het onbepaalde midden’ en de ‘identiteitsbewuste vleugels’. Kleuren- en genderblind tegenover woke. Dit conflict wordt door de regisseur versterkt door acteurs een andere rol te geven dan op het oog meteen duidelijk is. Zo kruipt een vrouw in de rol van man, kruipt een witte man in de huid van een zwarte man, is een zwarte vrouw een witte vrouw, is een transgender duidelijk geen transgender, en een vrouw een transgender etc. Alleen dr. Ruth Wolff en haar partner lijken precies te spelen wat ze zijn. Daar heb ik kritiek op, want voor een toneelbezoeker valt het niet mee om in dat vluchtige moment dat je in het theater zit te ontdekken wie wie is en al helemaal niet als alles ook nog niet is wat het lijkt. Het wordt de toeschouwer niet makkelijk gemaakt in een toch al vrij complex toneelstuk.

Relicten uit het verleden, ik sprak er al over, zaten er ook in. De hoofdpersoon is een joodse directeur/dokter in een ziekenhuis waar ze joden zou voortrekken omdat die tot haar identiteitsgroep zouden behoren. Daar knelt het een beetje na de holocaust; van die joodse identiteitsgroep is niet zoveel over. In 1912 toen het oorspronkelijke toneelstuk geschreven werd, was er een omvangrijke joodse gemeenschap in de Europese hoofdsteden…maar waar heb je dat nu nog? Ik merkte dat ik het niet fijn vond als het jodendom erbij betrokken werd.

Maar al met al heb ik genoten. Niet alleen van het feit dat ‘we weer mogen’, maar vooral van het toneelstuk. Het is heerlijk om het spel van hoofdrolspeelster Janni Goslinga te zien; ze speelt dat de vonken ervan afspringen; in één woord: Geweldig! De meeste spelers deden het fantastisch. Eén puntje van kritiek: In één van de laatste scenes komt de priester terug en tijdens die scene was het wel heel moeilijk om te volgen wat er gezegd werd. Té zacht. Heel erg zalvend…maar dat had best wat harder gemogen. Ook fijn om weer eens in deze vorm intellectueel uitgedaagd te worden.

Kortom, ‘De Dokter’ is een aanrader. Ja, het blijft wel toneel waar men aan emoties graag een schepje toevoegt: ‘Boos, woedend, razend, toneel.’ Ik heb vaak moeite om mijn lachen te houden als men op het toneel zo verschrikkelijk uit hun plaat gaat. Maar zo is het nou eenmaal…denk ik. En er zijn, aan de andere kant ook heel veel momenten waar de emoties verstild naar je toekomen en waar je echt door geraakt wordt…niet alleen verstild, je wordt door veel geraakt, zeker als je wel eens een hetze van dichtbij hebt meegemaakt.

Marie Kessels – Levenshonger: Tsja, waar gaat het over?

Het wordt zo langzamerhand een afgezaagd verhaal: Ik heb weer een roman dichtgeslagen terwijl ik al ruim over de helft was. Ook deze keer was het een opluchting. Een roman waar ik met moeite een lijn in kon ontdekken, om vervolgens de gevonden draad weer kwijt te raken. Ik geef het niet graag op, maar als het zoveel moeite kost om je koppie erbij te houden en het desalniettemin niet lukt, dan word ik er erg chagrijnig van. Ik ging deze roman er de schuld van geven dat ik nog niet aan de nieuwe Grunberg kon beginnen. Bovendien zag ik dat de longlist voor de boekenbonliteratuurprijs bekend was gemaakt en dat daar ook boeken tussen stonden die ik graag wil lezen. Een nieuwe roman van Esther Gerritsen, bijvoorbeeld. En dat boek van Marie Kessels schoot maar niet op. Lees je een bladzijde dan vraag je je af: Wie is dat nou weer? Was ik dat personage al eerder tegengekomen? Wat deed’ie toen? Wat is de relatie met de hoofdpersoon? Waar gaat de roman überhaupt over? En toen kwam geliefde J. tussenbeide. ‘Je leest voor je plezier en nergens anders voor’. En: ‘Als je er geen plezier meer in hebt, dan sla je het boek dicht!’ Oké, maar zo makkelijk gaat dat niet; deze jongen is een doorzetter! Bovendien heb ik het boek gekocht; heb ik er geld aan uitgegeven. Er is ook nog eens een auteur! Ze heeft hoogstwaarschijnlijk tijden aan de roman gewerkt. Ze heeft de woorden zorgvuldig afgewogen (overigens kwam ik wel wat hele rare zinnen tegen…) en het beste van haar gegeven. Dat zou je moeten eren. Maar toch, ik heb de strijd verloren…het is triest…

Vanuit het perspectief van Elzbieta krijgen we een inkijkje in het leven van de Poolse arbeidsmigranten in Nederland. Of niet. Krijgen we via Elzbieta inzicht in het leven van een intelligente artistieke Poolse jonge vrouw die toevallig in een slachterij is komen te werken en in Nederland mensen leert kennen? Of gaat het over een vrouw die de levensverhalen van verschillende mensen optekent waarbij de samenhang tussen de personen en de hoofdpersoon eigenlijk niet belangrijk is? Ik weet het niet en ik krijg er ook geen hoogte van. Feit is in ieder geval dat de hoofdpersoon Elzbieta, een jonge Poolse vrouw, in Nederland in een varkensslachterij werkt. Verder is eigenlijk alles vaag en alles blijft vaag.

Ineens is er een dakloze man die glazenier blijkt te zijn. Hij had meer aandacht voor de artistieke- dan voor de zakelijke kant van het maken van gebrandschilderde ramen. Een heel verhaal. Maar…wat heeft het te maken met Elzbieta die in de varkensslachterij werkt? Ze woont samen met activiste (?) Bo. Die ook op de slachterij werkt en aantekeningen maakt over de arbeidsomstandigheden, geloof ik. Ze heeft een psychisch labiele vriend waar ze zich samen een stuk in de kraag drinkt…denk ik.

Wellicht lees ik niet zorgvuldig genoeg, of heb ik stukken niet begrepen terwijl ik me niet afvroeg wat de betekenis was en heb ik daardoor weer de rest niet begrepen, kortom, het kan aan mezelf liggen, maar deze roman is helemaal niks voor mij. Ik hoop dat anderen hem erg mooi vinden zodat het werk van de schrijfster niet voor niets is geweest.

Els Florijn – Het meisje dat verdween; het is het net niet

Er is iets met deze roman. Op de één of andere manier is hij niet helemaal eerlijk. Niet dat de schrijfster een leugenaar is, dat bedoel ik niet. Het heeft iets van…nee, het is het net niet. Moeilijk te omschrijven. Misschien moet ik toch een poging wagen. De roman is losjes gebaseerd op de dingen die een familie van vlees en bloed in het echt heeft meegemaakt tijdens de tweede wereldoorlog. Als je op zo’n manier een roman schrijft, brengt dat allerhande problemen met zich mee. Je gaat je als lezer afvragen wat precies ‘echt’ gebeurd is en wat de schrijver verzonnen heeft. Zuig je iets geheel en al uit je duim dan heb je alle mogelijkheden om uit te leggen waarom mensen doen zoals ze doen in de roman. Beschrijf je dingen die mensen in het echt hebben meegemaakt en gedaan, dan is het de taak van de schrijver om de gedachtegang van de personages erbij te verzinnen. Zit er dan onvoldoende causaliteit tussen verzonnen gedachten en wat ze ooit ‘in het echt’ hebben gedaan, dan rammelt het. Die oorzakelijkheid moet helemaal kloppen, anders gaat de geloofwaardigheid van de roman verloren. In de details mis ik mensen die volledig als mensen handelen en rammelt het een beetje. De roman ontroert en is erg boeiend maar laat het je toch met een leeg gevoel achter. Ik denk dat dat het is.

Aan de roman gaat veel vooraf: Op 4 mei 2008 werd de documentaire ‘De andere familie Frank’ uitgezonden. Die andere familie Frank was een joods gezin (en dus niet de familie Frank van Anne) dat voor de oorlog floreerde in het Betuwse plaatsje Ochten. De vader in het gezin was een verwoed filmamateur en bleek veel van het ‘gewone’ leven te hebben vastgelegd. In Ochten had hij een grote modezaak die bijzonder goed draaide. Hij was een gezien figuur in het verenigingsleven van het stadje en een sponsor van alles en nog wat. In het naburige plaatsje Lienden woonde de neef van de filmende man uit Ochten. In de documentaire wordt ook het verhaal van deze familie uit de doeken gedaan omdat de dochtertjes van beide families regelmatig bij elkaar over de vloer kwamen en ze dan gefilmd werden. Om deze, nog weer, andere familie Frank in Lienden gaat het in de roman van Els Florijn. Waar de Ochtense familie bewust niet onderdook met hun dochtertjes en dus getroffen werd door het noodlot van de Europese joden en vermoord werd, wist het grootste deel van de Liendense tak te overleven door onder te duiken. Daarbij werd het jongste dochtertje, verschrikkelijk onbedoeld, opgeofferd. Hoewel de schrijfster uitdrukkelijk stelt dat ze alles verzonnen heeft, wijst ze de lezer op de aflevering van ‘Andere tijden’, en schrijft ze een verantwoording achter in het boek. Het probleem van wat ‘echt’ is en wat verzonnen, wordt daarmee nog eens extra benadrukt en bij de lezer neergelegd. Bovendien gaat de lezer zich daardoor afvragen waarom de schrijfster in haar roman ingrepen doet op het ‘echte’ verhaal. Niet eenvoudig allemaal.

Het romanverhaal: Als de in  Lienden wonende joodse familie een oproep krijgt om naar een werkkamp te gaan, besluiten ze onder te duiken. Het gezin bestaat op dat moment uit vader en moeder plus de aangenomen puberdochter Lotte en hun eigen peuter dochtertje Ditte. De boer waarmee de vader een onderduikdeal heeft gesloten, vindt het peutertje te gevaarlijk als onderduikster. Met het idee dat men zo’n peutertje toch niets zal aandoen en in het vertrouwen dat het dienstmeisje – dat al een sterke band met Ditte heeft – voor het kind zal gaan zorgen zolang de onderduik duurt, laat de familie de jongste achter in haar bedje, terwijl de familie in de nacht vertrekt naar hun onderduikadres. Hoewel het dienstmeisje graag voor Ditte wil zorgen, lijkt het of de moeder van het dienstmeisje het kind niet in huis wil hebben. De burgemeester met de plaatselijke politieagent, komen het kind halen en brengen het naar de ‘schouwburg’ ergens in een stad. Vandaar wordt het kind, onder de hoede van een toevallige andere moeder, naar een vernietigingskamp gebracht en vermoord. Ondertussen wordt het andere deel van de familie uit de onderduik-boerderij gezet omdat het geld om de boer te betalen op is. Na een barre en bange voettocht weten ze een betrouwbare onderduik te krijgen in een pastorie. Daar krijgt het gezin te horen dat Ditte al na een paar dagen in verkeerde handen gevallen is. De familie moet dat, onder benarde omstandigheden zien te verwerken. Als de oorlog afgelopen is valt het gezin door schuldgevoelens en verwijten snel uit elkaar.

Beurtelings wordt het verhaal vertelt vanuit het perspectief van de twee zusjes Ditte en Lotte.

Ik moet zeggen dat ik de roman, met wat enge gevoelens, in één ruk heb uitgelezen. Op veel plaatsen ontroerde de roman me ook. Het is werkelijk heel boeiend. Ook heel tragisch. Maar desalniettemin laat het je ook achter met een beetje raar, onecht, gevoel. De karakters zijn aan de platte kant en soms klopt het verband tussen wat mensen denken en wat ze doen niet helemaal. Niet dat je kunt zeggen het ‘klopt niet’, maar soms heb je het gevoel dat er wat zand tussen de regels gestrooid is. Net niet.

Willem Frederik Hermans – Herinneringen van een engelbewaarder; De wolk van niet weten.

Herlezen is eigenlijk niets voor mij. Ik doe het maar heel zelden.  Ik heb een vrij goed geheugen., vind ik, dus waarom zou ik ook. Inderdaad heb ik best een goed geheugen, maar lang niet zo goed als ik vaak placht te denken. Laat ik eigenlijk maar eerlijk zijn; een roman moet wel heel veel indruk maken wil ik me er na een jaar nog iets van herinneren. Vandaar dat ik best content ben met al die recensies op deze site. Op de een of andere manier is het best jammer, vind ik, om al die moeite die auteurs gestopt hebben in hun boeken,  in de lezer weg te zien drijven als een takje in een rivier. In mijn Fré Cohen onderzoek kwam ik te schrijven over de Duitse inval op 10 mei 1940. Dat het een dramatische bladzijde is in onze vaderlandse geschiedenis, behoeft geen betoog, maar hoe geef je precies de wanhoop die de mensen toen moeten hebben gevoeld weer? Hoe maak je het voor de lezer invoelbaar. We hadden daar binnen ons clubje wat discussie over. Inhoudelijk waren we het wel eens, maar hoe schrijf je het precies op… toen herinnerde ik me een roman die ik zo’n veertig jaar geleden gelezen had. Een roman die kennelijk een overweldigende indruk op me gemaakt heeft want ik herinnerde me iets van de inhoud en de sfeer. ‘Herinneringen van een engelbewaarder ‘ van Willem  Frederik Hermans.  Dus ging ik op zoek naar deze roman. Als e-book uiteraard. Maar helaas, niet te krijgen. Nooit als e-book uitgegeven. Wel al zijn andere boeken zijn in dat formaat verkrijgbaar, maar deze niet. Hermans beschouwde deze roman als een van zijn beste, maar daar waren kennelijk maar weinig lezers het mee eens. Gelukkig vond ik het boek, tweedehands bij de uit haar as herrezen De Slegte. Dat de roman destijds zoveel indruk maakte, vind ik niet zo gek, want ook na herlezing blijkt de roman een parel. Een sombere parel, weliswaar, maar ook een fantastische.

Op 9 mei 1940 brengt officier van justitie  Bert Alberegt zijn uit Duitsland gevluchte joodse liefje, waarmee hij een aantal maanden heeft samengewoond, naar de boot in Hoek van Holland. Zij wil een nieuw leven, zonder dreiging voor vervolging beginnen in Amerika en vaart daarvoor eerst naar Engeland. Alberegt wil niet met haar mee, omdat hij dan zijn comfortabele leven als officier van justitie moet achterlaten. Vanaf Hoek van Holland heeft hij verschrikkelijke haast om terug te rijden, want een rechtszitting wacht op hem. Om zijn weg te verkorten neemt hij een kortere weg over een stille eenrichtingsverkeer weg maar rijdt hem vanaf de verkeerde kant in.  Halverwege de weg botst hij op een meisje dat op slag dood is. In zijn haast gooit hij het dode kind in.de struiken en rijdt snel door. Hij is op tijd voor de rechtszaak tegen journalist Van Dam. De journalist is aangeklaagd vanwege het beledigen van een bevriend staatshoofd…Adolf Hitler,  dus. Alberegt vindt dat de journalist veroordeeld moet worden maar haast buiten zichzelf om eist hij ontslag van  rechtsvervolging.  Dit alles blijkt de opmaat naar een vlucht naar Engeland die er nooit zou komen. Wil hij bij nader inzien toch verder samen met zijn joodse liefje en haar achterna reizen? Wil hij vluchten en daarmee de misdaad van het doodrijden van het meisje verhullen? Wil hij vluchten voor de Duitsers nu hij als officier van justitie een man heeft vrijgesproken van het beledigen van Hitler? In ieder geval dat laatste niet, want dat gebruikt hij vooral als argument om te ‘mogen’ vluchten.

Belangrijk in zijn leven is zijn beste vriend Erik. Erik is een zeer geslaagde uitgever die het middelpunt lijkt te vormen in een netwerk dat vluchtelingen uit Duitsland helpt. Alberegt is via hem ook in contact gekomen met zijn Duits-joodse liefje Sysy. Erik is getrouwd met Mimi en dat is Alberegts vroegere verloofde. Erik heeft er ook voor gezorgd dat het oudere echtpaar Leikowits in Nederland onderdak kreeg. Ze kregen wel de zorgen over het meisje Ottla Lindenbaum wiens ouders gevangen zitten in een concentratiekamp. Ottla Lindenbaum is het meisje dat Alberegt doodrijdt. Via vriend Erik, die naarstig op zoek is naar Ottla, blijft Alberegt geconfronteerd worden met zijn misdaad. Erik is in vele opzichten de betere Alberegt. Erik is het wel gelukt om met Mimi iets op te bouwen. Erik is een jonge vrouwen verslinder zonder dat Mimi er last van lijkt te hebben. Erik is rijk. Erik zorgt voor joodse mensen terwijl Erik ze doodrijdt. Of joodse mensen heel veel zorgen bezorgt (Leikowits) of profiteert van haar situatie (Sysy). Niet alles volledig bewust of expres, maar hij doet het desondanks wel.

Broer Rense is kunstenaar en Alberegt vindt de kunst die Rense maakt helemaal niets. Het zijn effen gekleurde schilderijen. Alberegt krijgt van zijn collega te horen dat in een neergeschoten Duits vliegtuig een lijst personen is gevonden die de Duitsers willen arresteren zodra ze Nederland bezet hebben. Op die lijst zou broer Rense staan. Door hem te waarschuwen hoopt Alberegt dat zijn broer, wellicht samen met hem, zal vluchten, maar ook Rense weigert…en dat heeft gevolgen.

Willem Frederik Hermans heeft een behoorlijke stempel op de literatuurtheorie gedrukt. In één van zijn vele essays vertelt hij hoe een klassieke roman in elkaar moet zitten. Alles wat in de roman voorkomt moet op één of andere manier een functie hebben. Hij introduceerde het begrip ‘witte pater’. Als ik me niet vergis kwamen er tijdens de opnamen van de film ‘Als twee druppels water’ naar de roman ‘De donkere kamer van Damocles’ per ongeluk witte paters in beeld die geen enkele functie in het verhaal hadden. Een ‘witte pater’ is een stijlfout, volgens Hermans. In de romans van Hermans zouden geen witte paters moeten zitten. Dat is dus een uitdaging. Ik vond wel wat dingen waarvan ik me afvroeg waarom het erin zat. Laten we zeggen geen witte paters maar dat ik zaken heb gevonden waarvan ik de functie niet gevonden of begrepen heb. Neem bijvoorbeeld dit: Alberegt rijdt het meisje Ottla dood terwijl ze een brief wil posten. Alberegt neemt de brief mee en leest hem. Hij is opgesteld in het Tsjechisch en ondertekend met ‘Veverka’. Eekhoorn betekent dat. Ik begrijp de functie van eekhoorn niet. Klaarblijkelijk is het wel belangrijk want het komt regelmatig terug in de roman. Nee, geen witte pater, ik zou dat niet zo durven benoemen bij een auteur als Willem Frederik Hermans.

Ik denk dat ik deze roman één van zijn sterkste vind. Jammer dat hij nog niet elektronisch is uitgebracht!

PS Oke, die naam Alberegt. Beetje flauw een Officier van justitie de naam Al berecht te geven. Sysy is ook zo’n naam. Geen idee of dat nog betekenis heeft in de roman. Er blijven nog aardig wat raadsels over.