Alle berichten van Frits de Klerk

Niet eens met de jury

‘The day after’, dus. Gisteren werd de Libris literatuurprijs 2021 bekend gemaakt. Ik zat er naast. Niet Marieke Lucas Rijneveld bleek de winnaar maar Jeroen Brouwers. Bij mij eindigde zijn roman op de voorlaatste plaats. Zo zie je maar; professionals en ik, amateur, zijn het kennelijk niet vaak met elkaar eens. Gisteren werd er een interview met Jeroen Brouwers uitgezonden dat enkele dagen voor de bekendmaking van de prijs werd gemaakt; Brouwers is wars van publiek optreden en hecht hoegenaamd geen waarde aan prijzen. In zekere zin zien we hier een overeenkomst tussen schrijver en zijn hoofdpersonage client Busken. Ik heb het interview maar gedeeltelijk kunnen horen omdat ik het geluid uitzette. Niet omdat het interview oninteressant was, maar omdat ik het er erg benauwd van kreeg; Jeroen Brouwers heeft een ventiel in zijn keel gekregen en dat samen met een uitermate zware, rochelende ademhaling maakte het volgen van het interview uitermate zwaar. Vandaar, dus.

De roman van Jeroen Brouwers vond ik een goede roman. Op de shortlist stonden dit jaar eigenlijk geen zwakke of slechte werken. In tegenstelling tot voorgaande jaren, was de kwaliteit van het geheel bijzonder hoog. Maar waarom eindigde Brouwers bij mij op de één na onderste plaats? Ik denk dat ik aspecten laat meewegen die de jury juist links laat liggen.  Ik laat bijvoorbeeld ‘leesplezier’ meewegen. De roman ‘Client E. Busken’ gaf mij bijzonder weinig leesplezier. Ik vond het geen ‘lekker’ boek om te lezen. ‘Leesplezier’ is buitengewoon subjectief want wat ik wel pruim, zal een ander niet pruimen. Dat is gewoon zo. Je zou heel precies in kaart moeten brengen wat nou een boek ‘lekker’ maakt en wat niet. Tenminste als je ‘lekker’ professioneel zou willen laten gelden als criterium. Ik mag ALLES WAT IK WIL meenemen bij de beoordeling van een roman. Tijdens het lezen van de roman van Jeroen Brouwers voelde ik me opgesloten in een hoofd van een oude dementerende negatieveling. Als ik het al niet was, dan werd ik er haast somber van; niets en niemand deugt; de wereld is een tranendal en we wachten op het verlossende einde… om te verdwijnen in het…NIETS. Ik werd daar niet vrolijk van.  

Stel, ik laat mijn subjectieve oordeel buiten beschouwing. Zou de roman van Jeroen Brouwers dan bij mij gewonnen hebben? Nee, want er staan nóg sterkere boeken op de shortlist, vind ik. Ook dan blijf ik de roman van Marieke Lucas Rijneveld bovenaan zetten. Alleen al het vernieuwende van de vorm; nog nooit zoiets onder ogen gehad. Het poëtische taalgebruik, het platteland, het geloof, het schurende, de nachtmerries… eigenlijk elk facet draagt vernieuwing en originaliteit in zich. Daarnaast dus ook nog een ‘lekker’ boek dat je met plezier leest. De roman van Jeroen Brouwers is veel traditioneler van opzet; we hebben wel eens meer in het hoofd van een dementerende gezeten. ‘Hersenschimmen’ van Bernlef bijvoorbeeld. Een veel positievere roman dan ‘Client E. Busken’. Ook het boek van Gerda Blees vond ik nieuwe wegen zoeken in het vertellen van een verhaal en ook haar roman was ook nog eens fijn om te lezen.

Al met al ben ik het minder met de jury eens dan vorig jaar.

Rutger Bregman – Wat maakt een verzetsheld?; té oppervlakkig

Ik heb me inderdaad altijd afgevraagd wat iemand tot held maakt. Dat komt omdat ik op een dag ontdekte dat ik zelf helemaal geen held ben terwijl ik dacht dat ik het wel was. Dat fantaseerde ik dus, dat heldendom van mij. Maar ik bleek in voorkomende situaties eerst aan het redden van mijn vege lijf te denken en pas daarna aan het redden van anderen. Dat was geen denken overigens, dat was instinct. Ik reageerde zonder na te denken. Niet door de aanval te kiezen en het gevaar uit te schakelen, maar door hard weg te lopen. Ik viel mezelf verschrikkelijk tegen want ik had gedacht dat ik heel anders zou reageren. Meer heroïsch, meer rationeel. Maar nee, in paniek maakte ik dat ik wegkwam.

Geliefde J. is nog geen bewezen held bij acuut gevaar, maar heeft wel de neiging om extreem wereldverbeteraar te zijn. Het brandende vliegtuig verlaten waarbij ik desnoods over de hoofden van anderen loop om maar zo snel mogelijk bij de uitgang te komen, zit er bij geliefde J. niet in, bedacht ik. Mijn geliefde J. helpt eerst de anderen om daarna zelf in de vlammen om te komen. Die gedachte passeerde me. Meer niet. Nog nooit een brandend vliegtuig hoeven te verlaten, godzijdank.

Over de vraag wat een held is gaat het boekje ‘Wat maakt een verzetsheld’ van Rutger Bregman. Hij doet dat aan de hand van verzetsheld Arnold Douwes. Arnold Douwes was iemand die niet spoorde in vredestijd, maar in oorlogstijd kon uitgroeien tot held van het verzet doordat hij specifieke eigenschappen bezat die juist nuttig zijn onder extreme omstandigheden. Dat is wat Rutger Bregman beweert. Vraag is echter of we na het lezen van het boekje meer weten over het fenomeen ‘held’ en of we kunnen voorspellen wie opstaat en wie – zoals ik – de benen neemt. Nee, ik denk het niet. Het boekje beslaat maar een paar bladzijden en is meer een ietsje uitgebreid artikel dan een boek. In zo’n kort bestek kan je dit vrij complexe onderwerp niet diepgravend behandelen, denk ik. Bregman begint het boekje met Samuel Oliner die onderzoek deed naar het verschijnsel verzetsheld. Hij kwam tot de conclusie dat er geen significante eigenschappen zijn; Iedereen kan een held zijn of, zoals ik, iemand die de pleiterik maakt.

Bregman ziet wel, dat er één aspekt in dat onderzoek ontbreekt, terwijl dat juist cruciaal lijkt te zijn. Wonderwel sluit dit gegeven nogal goed aan bij de inhoud van Bregmans bestseller ‘De meeste mensen deugen’. Als je mensen expliciet vraagt om te helpen, dan zijn velen daartoe bereid. Heb je één keer geholpen, dan help je doorgaans meerdere keren. Dus, vragen om een heldhaftige daad te doen, helpt wel.

Het voorbeeld Arnold Douwes is wel een leuk voorbeeld, maar illustreert niet veel. Bregman somt wel wat eigenschappen op die je veel terugziet bij helden, maar of dat het nou is… Zo waren er heel veel mensen in het verzet lid van de communistische partij en de gereformeerde kerk; mensen met een strikte levensopvatting dus. Veel mensen die in verzet kwamen hadden een sterk rechtvaardigheidsgevoel en waren opgevoed met het idee dat je je eigen geweten moest volgen en dat je zelf moest leren nadenken. Arnold Douwes was buiten de oorlog onmogelijk vanwege zijn rechtlijnigheid, zijn rechtvaardigheidsgevoel en drammerigheid. Vraag is of Douwes exemplarisch is voor de verzetsheld. Ik denk het eerlijk gezegd niet. Neem bijvoorbeeld Jacoba van Tongeren, niet rechtlijnig, niet gereformeerd en geen communiste maar wel een groot gevoel voor rechtvaardigheid; zij bleek ook een grote held en redde honderden mensen.

Een aspect wat in het boekje helemaal niet voorkomt is de relatie tussen in verzet komen en de mate waarin je bedreigd wordt of niets te verliezen hebt. Er zaten verschrikkelijk veel joodse mensen in het verzet; een aspect waar überhaupt weinig aandacht voor is.

Ik vind dat Rutger Bregman wel ietsje meer ruimte had mogen nemen om meer aspecten onder de loep te nemen en het wat meer uit te diepen; het verlangen naar helden en verhalen over helden, verzonnen of echt, we horen ze dagelijks. We willen die verhalen horen, we willen helden zijn. De held is een té belangrijk onderwerp om zo af te doen als Bregman nu doet; ik vind dit boekje eigenlijk te oppervlakkig.

Elma Drayer – Witte schuld; analyse van identiteit denken en antiracisme

Als blanke, sorry witte, heteroseksuele, best goed verdienende, redelijk hoogopgeleide (maar niet boze) man ben ik al een behoorlijke tijd de pispaal van de antiracistische beweging. Zonder dat ik me er kennelijk van bewust ben, stel ik groepen mensen met een gekleurd velletje achter en profiteer ik klaarblijkelijk optimaal van de voordelen die mijn lichte huid biedt. Zo werden mijn betrekkelijk hoge opleidingsniveau, mijn inkomen, mijn baan en mijn huis me zo in mijn schoot geworpen. Ja ja, ik ben maar een bofferd. Dat uiteraard in tegenstelling tot al die lui met een minder lichte huidskleur… Natuurlijk komt racisme voor en moeten we dat bestrijden, maar racisme is niet specifiek voor Nederland. Ook niet voor West-Europa, heel Europa, Afrika of…laten we zeggen…de wereld. Racisme is overal waar mensen zijn omdat mensen zich graag verdelen in wij en zij. Wat betreft racisme, en dat durf ik zonder blikken of blozen te beweren, brengen we het er hier in Nederland best goed af. Maar toch wordt het debat in ons kikkerlandje op hoge toon gevoerd. Elma Drayer, wiens columns ik in de Volkskrant eigenlijk nooit oversla, schreef het boekje Witte Schuld over dit onderwerp. ‘Witte Schuld’ is ongetwijfeld een knipoog naar het boek ‘Witte Onschuld’ van Gloria Wekker. Over dit gedrocht van onze professor heb ik het al vaak gehad hier op mijn website. Niet alleen daarom heb ik het boekje van Elma Drayer gelezen; ik was ook erg benieuwd hoe ze haar mening over dit onderwerp onderbouwt en systematiseert

Ze bespreekt een aantal onderwerpen die samen een goed beeld geven van de controverse op dit moment rond identiteits denken en de antiracismebeweging. Ze begint met een hoofdstuk ‘Het kereltje’. Het kereltje is Zwarte Piet. Met dit figuur werd de discussie landelijk op scherp gezet. Mensen in Nederland vinden al jaren dat Zwarte Piet onlosmakelijk verbonden is aan het Sinterklaasfeest. Al draagt Zwarte Piet een zwarte krulletjespruik, is zijn gezicht zwart gemaakt, heeft hij dikke lippen en praat hij met een vet Surinaams accent, de intentie was nooit racistisch. Daarentegen werd het wel door een groep mensen als racistisch ervaren. De stelling Zwarte Piet = Racisme samen met demonstraties die het voor kinderen ineens niet meer veilig maakte bij intochten van Sinterklaas, zorgden voor heel veel onrust en wederzijds onbegrip.

Vervolgens stelt ze in het hoofdstuk ‘Onwelgevallige opvattingen’ de cancel-cultuur ter discussie. Hoe, vooral aan universiteiten, het onmogelijk wordt gemaakt om een mening te verkondigen tegen het identiteits denken in. Al snel wordt iemand weggezet als racistisch of islamofoob. In het hoofdstuk ‘Taalzuiveringen’ zegt het begrip ‘niet-Zwarte mensen van kleur’ om vermeend gediscrimineerde mensen aan te duiden uit islamitische landen, haast al voldoende over hoe doorgeschoten de voorstellen zijn om taal te veranderen. Ook het woord ‘slaaf’ dat op zichzelf al drama genoeg herbergt krijgt een make-over en wordt het spuuglelijke ‘tot slaaf gemaakte’. Desalniettemin laat ze ook  zien dat taal er wel degelijk toe doet.

Een hoofdstuk dat mij diep geraakt heeft is ‘De zogenaamd zielige witte Jood’. Waar je zou verwachten dat mensen die zich op dit moment gediscrimineerd en racistisch bejegend voelen zich in zouden zetten en solidair zouden verklaren met de joden die zo verschrikkelijk geleden hebben onder rassenwaan, is hier helemaal geen sprake van. Integendeel. Het leed wat de joden is aangedaan tijdens de tweede wereldoorlog wordt zonder meer weggestreept tegen het leed dat de zwarte wereldbevolking is aangedaan tijdens de trans-Atlantische slavernij. Bovendien worden joden die de oorlog overleefden gezien als ‘witte’ mensen die erop uit zijn om ‘zwarte’ Palestijnen te onderdrukken. Nederlandse joden worden vereenzelvigd met de staat Israël. Kortom, het antisemitisme bloeit en groeit binnen een beweging waar je het tegenovergesteld verwacht.

In ‘Het giffabriekje’ gaat Drayer dieper in op het omgekeerd racisme; mensen met een kleurtje die een positie verwerven in de maatschappij en dan worden weggezet als mensen die aan de leiband lopen van het witte establishment. Dat witte establishment kan het eigenlijk nooit goed doen en daarom worden getinte mensen gezien en behandeld als verraders. Het meest duidelijk kwam dat naar voren in de tweede kamer waar de fractie van Denk filmpjes opnamen en verspreiden van hun islamitische collega’s die in hun ogen, anti-islamitische of anti-Turkse maatregelen ondersteunden. De gevolgen waren voor de getroffen kamerleden enorm.

Al met al een goede analyse van identiteits denken en antiracisme. In mijn ogen zijn veel facetten van het identiteits denken en de denkbeelden van de antiracisme beweging puur racistisch van aard. Of Elma Drayer deze conclusie ook trekt uit haar analyse, weet ik niet.

Een mooie bijdrage aan de discussie, vind ik.

Snuffelen in geheime notulen

Ben ik te volgzaam? Ben ik te gevoelig voor autoriteit? Laat ik dan even dit vooraf zeggen: De kindertoeslagaffaire is een schandvlek op het blazoen van dit land. Schuldig is…helaas iedereen; De regering, het parlement, de rechterlijke macht maar ook wij, de inwoners van dit ‘gave’ land. ‘Wij’ hebben gekozen voor zero-tolerance en niet bedacht wat dat precies betekent, maar zo is het wel in de uitvoering terecht gekomen en aldus werd je fraudeur als je een spelfout had gemaakt.

Gisterenavond zijn de uiterst geheime notulen van een ministerraad – waarin gesproken werd over de toeslagenaffaire – , bij hoge uitzondering, openbaar gemaakt. Voor deze ene keer kunnen we lezen wat zich volkomen onbespied wanende ministers en staatssecretarissen zeggen en wellicht daaruit afleiden wat ze over bepaalde zaken en personen denken. Als de regering ook tijdens haar overleg in de kaart gekeken kan worden, gaan ze zich dan anders gedragen? Je moet vrezen van wel. Je kunt je afvragen of dat allemaal een bijdrage levert aan het goed besturen van het land.

Heb ik de notulen volledig gelezen? Nou nee, daar heb ik geen puf voor. Ik doe het met de samenvatting die een uitermate kritische NOS heeft gemaakt. De meest ‘brisante’ citaten uit die notulen worden er uitgelicht en als ik eerlijk ben,  zie ik er eigenlijk helemaal niets verkeerds in staan. Wat de ministers te melden hebben, verwachtte ik ook. Ik zie eigenlijk dat twee poten van de trias politica goed werken; de uitvoerende- en de wetgevende macht. De wetgevende macht controleert of de door hen gemaakte wetten goed uitgevoerd worden. Dat er tussen dat uitvoeren en controleren spanningen zitten, haal je de koekoek. Er is een voortdurende strijd. Men probeert elkaar te overtuigen; men klaagt over de tegenstander; dat is maar goed ook, lijkt me. Zonder twijfel wordt er vanuit de tweede kamer op dezelfde manier naar de regering gekeken.

Waar het in dit geval om ging, was of de kamer doelbewust was misleidt door informatie achter te houden. De regering heeft de plicht om de kamer volledig te informeren. Maar…wat is precies volledig en in hoeverre moet je rekening houden met andere verplichtingen en hoe moet je al die verplichtingen wegen? Dat is een vraag die hier aan de orde is. Beleid wordt uitgevoerd door ambtenaren. De minister of staatssecretaris is politiek verantwoordelijk voor het werk dat ambtenaren uitvoeren. Ambtenaren kunnen zich, anders dan een minister, niet in het openbaar verantwoorden, sterker nog, het wordt niet van hen verwacht. Degene die politiek aan het roer staat, moet voorkomen dat de ambtenaar, als werknemer van de regering, onder vuur komt te liggen. Zelfs als een ambtenaar een fout heeft gemaakt, is het niet de bedoeling dat die ambtenaar als persoon onderwerp van gesprek wordt. De discussie die Menno Snel voerde, was of er stukken naar buiten moesten worden gebracht waaruit bleek dat met naam en toenaam genoemde ambtenaren eventuele fouten hadden gemaakt. Ik zie wel de spanning tussen enerzijds en anderzijds, maar de discussie wordt in alle openheid gevoerd en het is niet zo dat de leden die het wel openbaar willen maken de minderheid vormen. Zie hier de dilemma’s en de interessante discussie!!!

Hoewel niet te voorspellen is wat deze openbaarmaking tot gevolg heeft, toch wel een leuk inkijkje. ‘Schande’ roepende politici hebben allemaal boter op hun hoofd…ja ook Lilianne Ploumen, van mijn partij.

Lale Gül verstoten; Karbonkel Sophie Verhappen is een prutser!

Nee, niet uitgelezen, maar toch hier een verslagje. Zelfs een mening over het boek. Dat terwijl je nog niet eens de helft hebt gelezen! Als je een oordeel over een boek geeft, dan moet je het op z’n minst gelezen hebben. Ben ik het helemaal mee eens. Toch ga ik dit boek, van deze schrijfster niet verder lezen en ga ik er toch wat over schrijven. Allereerst wil ik de uitgeverij feliciteren: Uitgeverij Prometheus heeft een geweldig commercieel succes geboekt. De uitgever heeft een fijne neus voor waar financiële winst te halen is. Een absoluut staaltje VOC-mentaliteit, zullen we maar zeggen. Dat ze daarbij over lijken gaan, en er hier slachtoffers vallen, tsja, collateral damage zullen we maar zeggen.

Hoewel dit een heel ander boek is, moet ik erg denken aan ‘Het Debuut’ van Hester Albach. Destijds, halverwege de jaren zeventig was de schrijfster in dezelfde puberale levensfase als ik. Het boek beschrijft heel ‘openhartig’ de relatie die ze heeft als minderjarig meisje met een volwassen man. Ook dat romannetje had een vrij hoge schandaalwaarde en veroorzaakte aldus een run op de boekhandel. Helemaal toen het boekje vervolgens ook nog verfilmd werd. De schrijfster zelf bekwam dit helemaal niet goed. Ze kreeg buitensporig veel aandacht van de verkeerden met hele andere bedoelingen dan haar eigen literaire aspiraties. Later keek ze met zeer gemengde gevoelens terug op deze periode en op haar uitgegeven debuut. Het verschil met Lale Gül is wel dat ‘Ik wil Leven’ ook nog eens politiek misbruikt wordt en de schrijfster uitgestoten is door haar eigen omgeving. Bovendien voelt een smaldeel van de Nederlandse bevolking zich kennelijk zo geschoffeerd dat de schrijfster voor haar leven moet vrezen en daarom al een tijd ondergedoken zit. Ik vraag me af of uitgeverij Prometheus niet een hele kwalijke rol gespeeld heeft. Ik denk van wel.

Dan het boek…ja, wat zal ik daarvan zeggen. Ik vermoed talent bij Lale Gúl hoewel dat uit het boek nergens blijkt. Het is erg slecht geschreven. Het zijn meer ontboezemingen dan een lekker lopend verhaal. Het zijn de ontboezemingen van een puber die zich van haar ouders losmaakt. Niets meer, niets minder. Dat losmaken gaat van au, dat is wel duidelijk. Om de noodzakelijkheid van de scheiding duidelijk te maken en te verantwoorden, schuwt ze geen enkel middel. Dat recht heb je als je op die leeftijd bent. Natuurlijk mag je al je verdriet voor jezelf opschrijven en het uitschreeuwen op papier. Geen haan die er naar kraait. Maar zo’n schreeuwerig document prijsgeven aan de openbaarheid, daar moet je tegen beschermd worden door volwassenen. Jij als verdrietige en opstandige puber kunt in die fase van je leven niet de inschatting maken wat openbaarmaking tot gevolg heeft. Professionele volwassenen heb je nodig die je beschermen tegen jezelf. Professionals die tegen je zeggen dat je onmiskenbaar talent hebt, maar dat je om echt waardevol te kunnen schrijven afstand tot het onderwerp moet nemen.

Waarschijnlijk doordat de schrijfster geen enkele afstand heeft tot haar onderwerp en er eigenlijk nauwelijks een redactieslag geweest lijkt te zijn op de tekst, zijn haar woorden ronduit beledigend. Niet zozeer vanwege het aan de kaak stellen van een streng religieus milieu of een beklemmende Turkse gemeenschap, maar ze zet haar ouders zwaar te kakken. Dat voelt helemaal niet goed. Als ik me inleef in haar ouders dan zou ik me zo verschrikkelijk te kijk vinden staan. Ik zou, denk ik, niet weten hoe verder te leven als ik zo in mijn blote kont gezet zou zijn door mijn eigen dochter. Als ik het verhaal lees, dan hebben haar ouders niet veel fout gedaan; vanuit een bijna onmogelijke positie hebben ze hun kinderen naar eer en geweten opgevoed en alle kansen van de wereld geboden. Laten we eerlijk zijn, als jij als ouder er echt van overtuigd bent dat de wereld plat is en je zeker weet dat als je te ver doorloopt, je van de aarde af valt, dan heb je als ouder de opdracht om je kinderen te behoeden voor de val en de plicht om te voorkomen dat ze te ver doorlopen. Mag je het feit dat je ouders geloven dat de wereld plat is dan niet aan de kaak stellen? Natuurlijk wel! Maar daar moet je een vorm voor zoeken en een vorm vind je door afstand te creëren tussen jou en het onderwerp. Velen hebben dat gedaan en met wat voor succes! Dat we hier in Nederland vrijelijk de gereformeerde en de katholieke goden en geboden mogen lasteren en we dat ook met veel genoegen doen, is zonder twijfel een verdienste van het fantastische werk van onder anderen Jan Wolkers, Gerard Reve, Hugo Claus, Maarten ’t Hart en heel recent Marieke Lucas Rijneveld.

Dan, het dramatische Nederlands. Ik denk dat ik er niet te veel over ga zeggen. Als iemand het aan haar ‘anus zal oxideren’, iets ‘non-existent’ is dat haar oma ‘een kurk in d’r reet heeft’ over haar moeder spreekt als ‘potentaat karbonkel’ die haar inziens ‘de duvel zelve’ is…sjonge, als je dat publiceren wil, wat moet je dan verschrikkelijk tegen jezelf beschermd worden.

Het resultaat van het prutswerk van uitgeverij Prometheus is dat Lale Gül verstoten is door haar ouders (wat ze niet gewild heeft, zo vertelde ze) verstoten is door de Turkse gemeenschap en zwaar bedreigd wordt. Dat Geert Wilders haar voor eigen electoraal gewin gebruikt heeft, zorgde ervoor dat ze als eenling tegenover de volledige Nederlandse islamitische gemeenschap kwam te staan. Gelukkig noemt Lale Gül de prutser in haar dankwoord bij naam: Sophie Verhappen. Ik zou gewild hebben dat Lale Gül haar niet was tegengekomen; wat een amateur! Schande! Karbonkel Sophie Verhappen is een prutser!

En de winnaar is:…

Ik heb de boeken op de shortlist van de Libris literatuurprijs 2021 allemaal gelezen en dat betekent dat ik kleur moet bekennen; wie heeft er verloren en wie heeft de Frits’ Libris Literatuurprijs 2021 gewonnen. Dit jaar kan ik geen boeken laten afvallen omdat ik ze slecht vind, het zijn allemaal goed geschreven romans. Dat was vorig jaar en het jaar daarvoor…en het jaar dáárvoor, wel anders. Ik vond zelfs een keer het winnende boek van de ‘echte’ prijs, een buitengewoon slecht boek. Verder herinner ik me De Muidhond waarvan ik echt niet kon bedenken waarom hij op de shortlist stond. Vorig jaar, ook al zo’n misser. Dat verhaal van die twee moeders en de verwekking van hun kind; een regelrecht mislukte roman. Maar goed, laten we ons beperken tot de boeken die dit jaar op het lijstje stonden. Geen slechte boeken, dus, wel boeken die me niet aanspraken; dat is net zo goed een criterium, vind ik.

6.

Op de laagste plaats eindigt bij mij De Onbevlekte van Erwin Mortier. Ik had erg veel moeite om de perspectieven uit elkaar te houden en daardoor wilde het verhaal gewoon niet vlotten. Ook een weinig boeiende plot. Het taalgebruik van de schrijver is zeer bloemrijk…misschien soms een ietsje teveel.

5.

Op de vijfde plaats staat Client E. Busken van Jeroen Brouwers. Hartstikke knap om de ontwikkeling van de wereld op een dag te beschrijven vanuit een geketend, oud en ziek persoon. Maar wat verschrikkelijk negatief allemaal. Ook hier is de plot vrij dun, maar op zich zegt dat natuurlijk niet zo veel.

4.

De vierde plaats is voor Simone Atangana Bekono en haar roman Confrontaties. De hoofdpersoon maakt een mooie ontwikkeling door. Een goed geschreven roman maar hier en daar vind ik de karaktertekening niet helemaal je dat. Een gymnasiaste, ook al heeft ze een donker gekleurd huidje, verwacht je niet zo snel in jeugddetentie. Ik was al blij dat het niet weer zo’n frontale aanval op de witte hetero man was en dat het racisme er bovenop lag.

3.

Op de derde plaats Wij zijn Licht van Gerda Blees. Echt een heel boeiend boek om te lezen en erg origineel qua vorm met een hele reeks perspectieven van waaruit het verhaal verteld wordt. Ik heb de roman met heel veel plezier gelezen en hoop nog veel van deze auteur te lezen.

2.

Op de tweede plaats zet ik De Saamhorigheidsgroep van Merijn de Boer. Echt een fantastische roman die ik in één ruk heb uitgelezen. Ook in deze roman vind ik de karaktertekening niet helemaal geloofwaardig maar dat mag het leesplezier niet drukken.

1.

En…de winnaar is, de roman van het lijstje dat overblijft…Mijn Lieve Gunsteling van Marieke Lucas Rijneveld. In alle opzichten een fantastische roman. Origineel op bijna alle vlakken, vernieuwend, schrijnend maar toch net zo goed weer troostend. Hoewel er op de shortlist echt veel goede boeken staan, overklast deze roman ze allemaal.

Zo, dat was het weer voor dit jaar! Ik ben dus meteen in een leegte gestort, want wat zal ik nu eens gaan lezen. Lale Gül heb ik gekocht…en de eerste paar bladzijden gelezen, maar jongens, wat zakte mijn broek af. Wat een gezwets. Uitdrukkingen als: het zal haar aan d’r anus oxideren en oma heeft een kurk in d’r reet. Dan heb je het dus meteen bij mij verbruid. Wie weet doe ik nog een poginkje om het boek te lezen…

Erwin Mortier – De onbevlekte; Ik verdwaalde…

Ik geef het toe, voor ik een recensie schrijf over een bepaald boek, lees ik een stuk of wat andere recensies; ik wil niet dom overkomen…Stel dat ik een boek helemaal verkeerd begrepen heb… Ook over ‘De onbevlekte’ Van Erwin Mortier heb ik er een aantal gelezen. Wat vind ik van het boek en vind ik dat de recensies kloppen met mijn ervaring met het boek? Tsja, en dan kom ik nu best in de problemen want zo enthousiast als de meeste recensies zijn over het boek, dat ben ik niet. Ik zie heus wel de kracht, maar om nou te zeggen dat dit de roman is waar ik al jaren op wacht…nou nee. Ik kan er niet echt warm voor lopen. Dit verschil tussen de stroom uiterst positieve recensies van professionele lezers en mijn minder enthousiasme terwijl ik een pret-lezer ben, brengt mij op de vraag wat goede literatuur is, wat een lekker boek voor mij is en waarom ik graag lees; Waarom ‘Turks Fruit’ een hoogtepunt in de Nederlandse literatuur is maar bijvoorbeeld ‘Bonuskind’ Van Saskia Noort niet terwijl beiden heerlijk zijn om te lezen. Op deze vraag weet ik gewoon het antwoord niet. Ik durf het niet te zeggen. Intuïtie, misschien. Ik weet wat een hoogtepunt in de literatuur is en wat niet. Ik weet ook wat literatuur is en wat niet. Vaak heb ik er gelijk in, omdat mensen die ervoor doorgeleerd hebben, hetzelfde zeggen. Maar, wat vind ik dan een lekker boek en wat zorgt ervoor dat ik een fijne leeservaring heb? Ontsnapping aan mijn werkelijkheid en de uitdaging om andermans werkelijkheid en gedachtewereld te doorgronden. Taal en verhaalstructuur zijn daarbij de vervoermiddelen. Laat ik het zo maar samenvatten.

Hoe zit dit alles bij de roman ‘De onbevlekte’ van Erwin Mortier? Om te ontsnappen aan mijn eigen werkelijkheid heb ik het nodig dat ik gedurende het verhaal weet in wiens hoofd ik zit. Dat is bij Erwin Mortiers roman vaak een raadsel. Bekijk ik de wereld door de ogen van Andrea, de zuster van Marcel de SS’er, of de Marcel die vernoemd is naar Marcel de SS’er en gelijk lijkt te vallen met de schrijver? Dan zijn er nog een stuk of wat brieven geschreven door de foute Marcel. Als je na bladzijden verwarring tot de conclusie moet komen dat je nog in het verkeerde vertellershoofd zit, dan frustreert dat mijn leeslust. Dat is me diverse keren overkomen. Eigenlijk heb ik hele stukken van de roman zitten lezen zonder dat ik begreep door wiens ogen ik keek. Echt heel vervelend. Misschien had ik het moeten kunnen weten als ik heel veel preciezer had gelezen, maar dat deed ik dus niet. Het kan dus zijn dat ik deze roman lager waardeer doordat ik het verdomde om hem goed te lezen…het zij zo!

Marcel werd tijdens de oorlog lid van de Vlaamse SS. Hij trok ten strijde tegen de Bolsjewieken en kwam om aan het oostfront. Marcel heeft een zus Andrea die haar moeder eigenlijk Maria had willen noemen; de onbevlekte. Andrea kreeg een hele sleep kinderen en een van de jongens – de schrijver(..?) – werd vernoemd naar de foute broer. Het verhaal wordt verteld met het Vlaamse platteland als achtergrond. In het laatste deel van de roman zijn de brieven afgedrukt die foute Marcel aan zijn familie schreef vanuit zijn nazistische legerkorps. Met uiteindelijk dus ook zijn overlijdensbericht. Het houterige taalgebruik in de brieven, die daardoor authentiek overkomen, staat in contrast met het poëtische taalgebruik in de andere delen van de roman. Dat taalgebruik is wel heel bijzonder en heel erg bloemrijk. Misschien wel te bloemrijk waardoor de koers van de roman wat uit het zicht raakt.

Al met al, niet mijn favoriete roman. Ik heb niet veel leesplezier gehad en voor mij is dat een ding dat zwaar meetelt. Heus, mooi taalgebruik, maar omdat taal en vertelstructuur de vehikels zijn van de roman, maar de roman me laat verdwalen, kan ik niet enthousiast worden. Omdat deze roman op de shortlist van de Libris literatuurprijs staat en ik alle boeken heb gelezen en beoordeeld, ga ik het tegen de andere boeken van de shortlist aanleggen…en dan scoort hij niet hoog. Ik verdwaal niet graag.

Jeroen Brouwers – Client E. Busken; een moeilijk boek.

Ik heb het uit! Dat was een zware bevalling. Viel niet mee, dat boek van Jeroen Brouwers. Is het dan een slecht geschreven, oninteressante roman? Nee, zeker niet. Het is geen boek dat lekker weg leest. Voor mij was het lezen van deze roman een worsteling. Je zit in het hoofd van een hoogbejaarde, dementerende, ontevreden en invalide man gevangen wiens enige pleziertje het roken van sigaretten is. Maar ook het zelfstandig roken van een sigaret is hem niet meer gegeven. Als lezer zit je in dat hoofd en de wereld van dat hoofd is erg klein; je wordt er een beetje claustrofobisch van. Natuurlijk is het verschrikkelijk knap om vanuit het enge perspectief van deze persoon een roman te schrijven, maar jongens, dat leest echt niet lekker. Helemaal omdat we weinig te weten komen over de persoon, tenminste weinig betrouwbaars. Want wie is hij, wie was hij en wie zijn de personen om hem heen?

Wat we van de hoofdpersoon te weten komen, is best verwarrend. Hij zit vast gegord in een rolstoel. Zijn behoefte doet hij in een luier (hoewel hij een fluitje bij zich heeft waar hij op moet blazen als hij moet poepen…wat hij dus niet doet). Of hij kan praten, dat krijgen we niet te horen. Wel dat hij niet wil praten. Voor sommigen in de buitenwereld lijkt het alsof er niets tot hem doordringt. Anderen weten zijn oogopslag of bewegingen wel te interpreteren als communicatie. Hoofdpersoon Busken kan zijn lichaam niet stilhouden. Het schudt en beweegt alle kanten uit. Hij ziet zichzelf als uitzonderlijk en bijzonder om iets dat hij in het verleden bereikt of gepresteerd zou hebben. Het is eigenlijk voor de lezer niet mogelijk om te bepalen wat hierin waar is of verzonnen…een roman is trouwens natuurlijk altijd verzonnen. Schrijven, wat dan ook, lijkt wel bij het verleden van Busken te horen; daar komt hij het meest op terug. Hij koestert zijn papier en potloden en geeft de indruk dat hij nog dagelijks schrijft. Dat wordt wel weer tegengesproken door het feit dat hij onwillekeurige bewegingen maakt met zijn handen; probeer daar maar eens mee te schrijven. Maar naast schrijver, ziet hij zichzelf ook als groot en wereldberoemd dirigent, hoogleraar in de filosofie, kernfysicus… en ga zo maar door. Zijn eigen grootheid plaatst hij tegenover de miezerigheid, onbenulligheid en bovenal dommigheid van de personen die zich rondom hem bewegen. Een roman vanuit het perspectief van deze verzuurde, oude dementerende man is niet echt leuk om te lezen. Misschien niet eens zo onrealistisch; het ‘leven’ heb ik wel eens vergeleken zien worden met het koken van bouillon; naarmate hij langer opstaat, wordt de bouillon steeds geconcentreerder; worden de eigenschappen steeds duidelijker en dan vooral de slechte. In het geval van de heer E. Busken in deze roman, zijn die eigenschappen helemaal niet fraai.

Het verhaal speelt zich af op een zomerse dag in een inrichting. Of het alleen een inrichting is voor dementerende bejaarden, wordt niet helemaal duidelijk. Sommigen lijken toch goed te functioneren. Mieneke Kalckbrander bijvoorbeeld. Wie ze is? Ja, wie zal het zeggen. Ze heeft ‘iets’ met hem. Tot grote ergernis van Busken is ze voortdurend in zijn buurt. Ze geeft hem koosnaampjes. Op zeker moment vroeg ik me af of ze zijn echtgenoot is. Daar is echter te weinig bewijs voor, lijkt me. Verder zijn er nog Richard. Door sommigen uitgesproken als Risjaar en door anderen als Ritsjert. Hij lijkt de baas te zijn in de instelling. Daarnaast is er nog een vrouwelijke psychiater die net zo goed psycholoog kan zijn. Ook dat wordt niet helemaal duidelijk. Ze draagt haar bril boven op haar hoofd. De behandelaars weten dat Busken zo zuur is dat hij niet meer praat terwijl hij dat wel zou kunnen. Verder is er een zekere Herman, die hem van sigaretten voorziet, maar die volgens de verteller, al heel lang niet meer langskomt. Ook zou Busken een dochter hebben hoewel hij haar naam zich niet kan herinneren. Hij vermoedt dat ze geëmigreerd is, maar zeker weet hij het niet…of heeft hij helemaal geen dochter?

Er blijken wel standvastige herinneringen te zijn. Zo citeert Busken de eerste strofen uit het gedicht Im Abentrot van Von Eichendorff. Dat gedicht is niet zozeer bekend vanuit de poëzie maar wel door de muziek die Richard Strauss (hier Richard dus niet als Risjaar of Ritsjert uitgesproken, maar op zijn Duits) erbij heeft gecomponeerd en het daardoor terecht kwam in Vier Letzte Lieder.

Toen Richard Strauss deze muziek componeerde was hij op ongeveer dezelfde leeftijd gekomen als Jeroen Brouwers toen hij deze roman schreef. De Vier Letzte Lieder worden algemeen gezien als de zwanenzang van Strauss. Is ‘Client E. Busken’ de zwanenzang van Jeroen Brouwers?

Al met al…een moeilijk boek. Zeker geen slecht boek, maar zeker geen boek waar je ‘lekker’ doorheen leest. Voor mij was het een worsteling. Ook omdat het zo verschrikkelijk negatief qua toon is. Op dit moment kan ik dat moeilijk gebruiken. Gaat zeker niet voor de eerste of tweede prijs van mijn Librisliteratuurprijs 2021 lijstje.

Door bijwerkingen heen worstelen

Zo, de spuit zit erin! AstraZeneca. Hoewel volgens lieden die het weten kunnen, de kans dat je sterft aan de bijwerkingen van het vaccin vergelijkbaar is met geraakt worden door de bliksem, was het toch even slikken. Ik ga bijvoorbeeld niet buiten lopen als het onweert en dat reduceert de kans om geraakt te worden nogal terwijl ik voor de vaccinatie vrijwillig mijn schouder ontblootte. Ik heb  besloten om er niet bij stil te staan; daarvoor wil ik te graag uit deze crisis en mijn oude leven terugkrijgen. Voor mij straks als ik het concertgebouw binnen wil geen sneltest want ik kan mijn vaccinatiebewijs laten zien. En die bijwerkingen, zo redeneerde ik, zullen vast wel meevallen. Zullen wel meevallen. Meevallen… Dit jaar had ik toch ook de griepprik gehaald (voor het eerst van mijn leven); geen centje pijn. In 2018 heb ik me laten vaccineren voor allerhande tropenkolder ziektes…niets van gevoeld of gemerkt…wat kan mij dus gebeuren?

Nou, dat AstraZeneca vaccin zette mijn lichaam uitzonderlijk zwaar aan het werk. Kennelijk is het nogal wat om antistoffen te ontwikkelen tegen het Covid-19 virus. Gisteren aan het begin van de avond voelde ik me een beetje…ach wat zal ik zeggen…lamlendig. Ik vroeg geliefde J. of ze er niet voor voelde om een maaltijd van elders aan te laten rukken. Maar geliefde J. is bezorgmaaltijden gaan haten dus moest ik wel aan de bak. Ging niet van harte, moet ik zeggen. Dat plekje waar de spuit mijn lichaam was binnengedrongen voelde wat gevoelig; dat was alles, dacht ik. Maar toen ik klaar was met de maaltijd bereiden begon ik het onverklaarbaar koud te krijgen. Om een lang verhaal kort te maken: Klappertandend van de koorts stapte ik gisteren mijn vriesbed in. Zelfs een warme kruik en een slaap t-shirt  – wat ik dus nooit aan heb – konden het klapperen van mijn tanden niet stoppen. Na een zeer onrustige nacht werd ik al vroeg wakker. De koorts was weg maar daarvoor in de plaats een zware hoofdpijn. Je moet er wel wat voor over hebben om immuun te raken…dat heb ik wel door.

Maar stel je toch eens voor…Doordat ik me heb laten vaccineren kunnen we straks weer gewoon naar een winkel. Gewoon even kijken of ze datgene hebben wat je niet echt nodig hebt en als ze dat niet hebben, misschien loop je dat wel tegen iets anders aan wat je zomaar spontaan koopt…of niet en dan loop je de winkel weer uit. Of naar een museum. Dat ik zomaar mijn fietstochtje kan eindigen in een museum en met open mond kan kijken naar de schoonheid van de wereld. Of het concertgebouw; concerten; genieten van echte muziek. Muziek die klinkt waar het gemaakt wordt zonder tussenkomst van elektronica. Of naar de opera of lekker naast elkaar zitten kijken naar een toneelstuk. Lekker uit eten met een zoon of geliefde J. Ja, dat wordt allemaal straks weer mogelijk. Dat kan allemaal straks weer doordat ik me door wat bijwerkingen heen heb geworsteld…

Stagnatie!

Ik had me zo voorgenomen om in rap tempo de shortlist voor de Librisliteratuurprijs te lezen en het leek erg gladjes te gaan. Ik had er zelfs wel kans op dat ik het hele lijstje gelezen had, voordat de uitreiking van de prijs zou plaatsvinden. Dat ik dus voor mezelf een oordeel kan vellen voordat de ‘echte’ prijswinnaar bekend wordt gemaakt. Maar helaas, ik heb stagnatie. Dat komt door mijn vergaande somberheid. Dat combineert slecht met de roman van Jeroen Brouwers. Ik lees tegen de klippen op, maar dat boek is zo zwart, dat het mijn ziel nog meer verduistert dan hij al was. Ik ben halverwege het boek, maar kan maar een paar bladzijden lezen per keer. Het is een roman zo vergeven van de negativiteit dat ik het het liefste had dichtgeslagen. Maar dat kan ik niet doen want ik ben semiprofessioneel aan het lezen; ik heb mezelf het doel gesteld om, net als de afgelopen paar jaar, de shortlist van begin tot eind te lezen om vervolgens mijn oordeel over de boeken naast de uitslag van de officiële jury te leggen. En dat ga ik ook zeker doen. Maar die ‘Client E. Busken’…, dat valt echt niet mee. Dat terwijl het een relatief dun boekje is. Goed geschreven, ik kan niet anders zeggen, maar zo negatief; alleen maar observaties en elke observatie is negatief. De hoofdpersoon lijkt zo snel als maar mogelijk weg te willen van de wereld.

Op dit moment zou ik ook wel van de wereld af willen; in ieder geval van mijn werk. Het gaat niet goed. Een chronisch zwaar hoofd, een pijnlijk gespannen nek- en schouderspier en sombere en negatieve gedachten. Die gedachten kan ik maar moeilijk corrigeren. Dat ik bijvoorbeeld niets kan; dat ik de schaamte van mijn team ben; dat ik alles te langzaam doen en veel te veel fouten maak. Dat ik alles moet vragen en dat ik de antwoorden nauwelijks onthouden kan. Dat een antwoord op mijn vragen soms uren op zich laten wachten omdat iedereen genoeg van mij en mijn gevraag heeft. Dat ik voortdurend moet zoeken naar woorden om mij goed in het Engels uit te drukken en dat ik het daarom vaak maar laat zitten. Dat ik moet programmeren in een omgeving waar men zich niet aan de basisregels heeft gehouden en dat ik dus stomme oplossingen moet zoeken en vinden waarvan ik weet dat ze instabiel en foutgevoelig zijn. Dat ik eigenlijk helemaal niets anders meer doe dan programmeren. Programmeren heb ik in verband met T-shape weer zo’n beetje opgepakt; maar in dit team blijft er niets anders meer over… Ik ben een brok negativiteit; heb me ziekgemeld en weet niet meer hoe nu verder. Hoe kan het dat van de twaalf beoordelingen die ik tijdens mijn carrière hier in dit bedrijf heb gekregen er drie excellent waren en de anderen gewoon goed? Ik kan me nauwelijks herinneren dat ik ooit goed heb gefunctioneerd. Mijn herinneringen moeten verduisterd zijn… Ik functioneer nu helemaal niet meer en kan alleen maar hopen dat de laatste vier jaar van mijn werkende leven snel om zijn. Pensionering redt mij!

Terug naar die roman van Jeroen Brouwers. Hij heeft een slecht effect op mijn geestesgesteldheid. Nog even doorzetten. Als het echt niet gaat, dan sla ik het tijdelijk dicht en neem ik de roman van Mortier ter hand…Stagnatie; misschien moet ik er allemaal niet zo zwaar aan tillen…ik wou dat ik dat kon!