De Lehman trilogie; een joods complot?

Gezien op 11 november 2022 in het ITA (de Amsterdamse Stadsschouwburg, dus)

Als de slechtheid van de mens gekoppeld wordt aan het hebben van een joodse achtergrond, dan krimpt mijn hart samen en kruipt er ongeloof en angst in mijn botten. Wordt zo’n koppeling gemaakt door mij sympathieke mensen of organisaties dan zoek ik naar de ontkenning van de koppeling en hoop ik met heel mijn wezen dat ik die ontkenning vind want wat moet ik als ik die ontkenning niet vind? Dan blijf ik verder zoeken of hoop ik en houd ik me voor, dat ik ‘iets’ gemist heb. Ondertussen nestelt een gevoel van onbehagen zich in mijn  brein en dat wil er maar moeilijk uit. Zo loop ik inmiddels al een tijdje te dralen om verslag te doen van mijn bezoek aan de Stadsschouwburg die tegenwoordig ITA heet. ‘De Lehman trilogie’ heet het toneelstuk en het gaat over de opkomst en ondergang van zakenbank Lehman Brothers. In dat toneelstuk wordt er best sterk de nadruk gelegd op het feit dat de broertjes Lehman die de grondleggers van de bank zijn, vrome joodse jongens waren die vanuit Duitsland naar Amerika emigreerden om het daar te gaan maken. Van generatie op generatie verrijken ze zich over de ruggen van anderen en bouwen ze een financieel imperium op, dat uiteindelijk in 2008 failliet gaat en zo’n beetje de grote bankencrisis en de daaropvolgende wereldwijde recessie veroorzaakt. Joodse mannen, die puissant rijk worden in het bankwezen en die uiteindelijk een wereldwijde financiële crisis veroorzaken…komt dat niet heel erg bij de verhalen die verteld werden in de jaren dertig van de vorige eeuw over die eerdere grote crash en de familie Rothschild. Een wereldwijd complot van een paar rijke joden. ITA pas op! Laat weten dat het niet persé over joden gaat maar over nietsontziende geldzucht. Laat ik het ITA niet van antisemitisme beschuldigen…

Het toneelverhaal begint in de negentiende eeuw als Hayum Lehman als arme Duits-joodse migrant aankomt in New York en zijn naam laat veramerikaniseren tot Henry Lehman. Spoedig volgen twee broers en samen beginnen ze een stoffenwinkeltje in New York. Ze ontwikkelen een nieuwe manier van handeldrijven als ze katoen opkopen bij slaven drijvende katoenboeren en die katoen weer doorverkopen aan slaven drijvende katoenweverijen; de tussenhandel. Ze weten een groot deel van de handel in handen te krijgen en een fortuin te maken. Bovendien ontdekken ze de zelfde manier van handeldrijven ook kan voor andere producten: IJzer, suiker, olie, wapens etc. Met het aantal producten dat ze als tussenhandelaren verhandelen groeit het vermogen en het bedrijf van de Lehmannen waarbij het maken van winst centraal staat en waarvoor ze de moraal hebben uitgezet. Dat de katoen verbouwd werd met slavenarbeid, boeide ze niet en dat er met de wapens die ze doorverkochten, mensen vermoord werden boeide hun evenmin; winst, daar ging het om. Het bedrijf gaat van de ene generatie over naar de volgende generatie Lehman en handel in producten gaat over in de handel in producten op papier naar papieren producten en uiteindelijk naar handel in alles waarmee winst valt te behalen. De grote beurscrash van 1932 maakt voor korte tijd een einde aan de handel. Maar dat is uiteindelijk niet veel meer als een dipje. Daarna gaan ze ongeveer op dezelfde voet verder waarbij na de eeuwwisseling in 2000 de handel in slechte hypotheekpakketten de ondergang inluidde van het zakenbank imperium. Dat de bank toen al tijden niet meer in handen was van de joodse broertjes Lehman of hun nazaten krijgen we nauwelijks te horen, maar de boel zakt met een grote plof in elkaar en daar eindigt het verhaal.

De trend in onze huidige maatschappij dat het geslacht van iemand minder belangrijk is dan het belang dat we er aan gaven tot dusver, wordt ook gevolgd op het toneel. Vrouwen spelen mannen en mannen spelen vrouwen. Wat ik ervan vind? Ik vind het fijn dat ik een man ben en ik zou het ook fijn hebben gevonden als ik vrouw ben. Man of vrouw, het maakt een belangrijk deel uit van de persoon die ik ben. Dat is me voor een heel klein deel aangepraat, maar voor het overgrote deel is dat gewoon zoals het is. Als mannen vrouwen spelen en andersom en als ze dan maniertjes overnemen van het geslacht dat ze niet zijn, dan voelt dat als gekunsteld; van mij hoeft het niet. Het brengt je een beetje in verwarring en laat je nadenken over je eigen sekse? Het kan. Aan de andere kant heb ik het al vaker gezien en is het nieuwe of het  vernieuwende er inmiddels wel al af. Dat neemt niet weg dat ik naar prachtig acteerwerk heb gekeken. Het was absoluut genieten. Hoewel Gijs Scholten van Aschat er bovenuit stak, zakte er niemand door het ijs. Ondanks de gigantische lappen tekst en relatief weinig actie, bleef het boeiend wat er op het toneel gebeurde. Ik heb op zich een leuke, lange avond gehad.

Alleen die sluimerende complottheorie…joden die over de rug van iedereen rijk worden en die schuldig zijn aan een wereldwijde financiële crisis (terwijl de broers/familie Lehman ten tijde van de crisis al niets meer met het bedrijf te maken hadden)…ik blijf er moeite mee houden. Ook omdat ik niet gemerkt heb dat dat beeld gecorrigeerd werd tijdens de voorstelling. Of…ik heb iets gemist, natuurlijk.

Leïla Slimani – In de tuin van het beest; een aparte roman.

Ik heb tegenwoordig een abonnement op Vrij Nederland. Niet dat ik nu elke week een nummer in de bus krijg, maar het is een abonnement waarmee ik lukraak alle artikelen die ik op de Vrij Nederland website vind, mag lezen. Een mooi abonnement dat er voor zorgt dat ik me niet schuldig voel over weggegooid geld als ik een nummer weer eens niet aangeraakt heb. Het abonnement heeft ook nadelen; je realiseert je niet altijd dat het al een oud artikel betreft, want ja, alle artikelen zet Vrij Nederland op haar pagina. Zo stuitte ik op een artikel met de titel ‘Dit is de schrijfster naar wie heel Frankrijk luistert’ van Pieter van den Blink. Naar vandaag bleek, een best belegen artikel want het is ruim anderhalf jaar oud en gepubliceerd op 31 januari 2021. En, laat ik eerlijk wezen, door de foto van een knappe jonge vrouw met weelderige krullenbos, was ik meteen geïnteresseerd. Het artikel ging over de Franse schrijfster Leïla Slimani. Ze zou op dit moment zo invloedrijk zijn dat Macron haar gevraagd heeft om minister te worden in zijn kabinet. Dat weigerde ze omdat ze haar pen trouw wilde blijven. Desalniettemin werd ze een soort raadsvrouw van de president… Stel ik was president van Frankrijk…zou ik dan niet zo’n knappe jonge vrouw in mijn buurt willen… Nee! Slimani heeft meer in haar mars dan alleen maar een knap smoeltje!

Leïla Slimani

Ik kocht en las van de schrijfster haar debuutroman ‘In de tuin van het beest’. Op grond van deze roman zou ik, in mijn rol van Franse president, haar niet meteen vragen als minister, maar het is een niet onaardige roman, moet ik zeggen. Hij laat je, als man, wat in verwarring achter. Misschien ook wel als vrouw. De roman heeft een mooi open einde waar je als lezer alle kanten mee uit kunt. Het boek is moralistisch zonder dat je begrijpt wat die moraal precies is. Dat wekt verwarring. Je wilt als lezer graag weten welk standpunt de schrijver inneemt ten opzichte van de hoofdpersoon van de roman. Of…is ze eigenlijk de hoofdpersoon zelf? Heeft ze zichzelf beschreven? Behalve dat de hoofdpersoon, net als de auteur van half Noord-Afrikaanse en half Franse afkomst is, weet ik het niet. Schrijfster en hoofdpersoon dragen in ieder geval niet dezelfde naam en dat is al heel wat in dit schrijverstijdperk. De roman speelt zich af tijdens de Arabische lente in 2010.

Journaliste Adèle is getrouwd met chirurg Richard en heeft een peuterzoontje Lucien. De relatie tussen Adèle en Richard is steriel maar erg liefdevol. Ze kan zich geen leven voorstellen en wil ook geen leven zonder Richard maar ze heeft helemaal niets met zijn lichaam. Hij heeft een kind bij haar verwekt en hoopt dat nog een keer te doen, meer houdt hun seksuele relatie niet in. Adèle heeft echter zeer sterke verlangens naar seks. Niet met haar partner maar met bijna willekeurige mannen die ze toevallig tegen het lijf loopt. Ze verlangt dan geen drie-gangen-seks maar is alleen geïnteresseerd in de hoofdschotel. Ze wil ‘genomen’ worden en geen poespas voor- of achteraf. Beschrijvingen doen me soms bijna aan verkrachting denken. Niet alleen mannen op straat verleidt ze, maar ook de vrienden van haar partner en de partners van haar vriendinnen. Ondertussen houdt ze haar wilde leven voor Richard verborgen en leidt aldus een dubbelleven. Dat gaat natuurlijk op een bepaald moment fout. Juist op het moment dat Richard net een ongeluk heeft gehad en volledig afhankelijk is van de zorgen van Adèle ontdekt hij de ‘andere’ kan van Adèle. Ze smeekt om vergiffenis en wordt in genade aangenomen. Ze verhuizen wel van Parijs naar het platteland en daar lijkt ze te midden van ‘alles wat groeit en bloeit en ons altijd weer boeit’ te kalmeren van haar driften. Ze lijkt zelfs wel gelukkig met haar hardwerkende chirurgenman en opgroeiende peuter. Dan overlijdt haar vader en gaat ze alleen terug naar Parijs voor de begrafenis…

Wat er daarna gebeurt blijft raadselachtig en laat de auteur open. Je mag het zelf bepalen. Ik weet het dus niet. Dan sla je het boek dicht wat het laatste lettertje heeft haar weg naar je hersenpan gevonden en blijf je achter met vragen. Waarom heeft de schrijfster dit boek geschreven? Wat wil de schrijfster precies vertellen? Heeft de schrijfster een moralistische bedoeling met deze roman? Bevrijding van de vrouwelijke seksualiteit, zou je kunnen denken. Maar dat geloof ik niet. Adèle lijkt niet echt gelukkig met haar leven vol verleiden. De mannen die ze tegenkomt worden beschreven als dom, lelijk, gewelddadig of hypocriet. Zo kon ze bij één amper zijn piemel vinden onder zijn dikke buik. Alleen partner Richard wordt als een prettig mens en man beschreven. Wil de auteur een moralistische boodschap uitdragen vraag je je dan af. Moeten vrouwen vrij zijn om hun eigen (seksuele) weg te kiezen of moeten ze juist in het keurslijf van het monogame huwelijk geperst worden? Nadat het dubbelleven van Adèle uitkomt perst ze zichzelf in dit keurslijf en voor de neutrale pretlezer, die ik ben, lijkt ze veel gelukkiger dan voorheen. Maar ik als lezer vindt het, met mijn referentiekader van vrijheid blijheid, niet geloofwaardig. Het open einde laat je ook van alles vermoeden… Een aparte roman!

De Eerste van Mahler en een heel mooi lied van die ander…

Gezien en gehoord in het Concertgebouw van Amsterdam op 29 oktober 2022

De toegift gisterenavond zo vlak voor de pauze was het ideale bruggetje tussen het religieuze Gloria met al haar onverwachte harmonieën, melodieën en spanning van Francis Poulenc en Gustav Mahlers eerste symfonie. Richard Strauss gezongen door de Amerikaanse sopraan Erin Morley. Je kunt mij dag en nacht wakker maken voor de orkestliederen van Richard Strauss. Ik denk dat ik ze allemaal wel van noot tot noot ken. De levens van Strauss en Mahler kruisten elkaar. Ze kenden elkaar en hun beider echtgenoten hadden de pest aan elkaar. Alma Mahler, de absolute schoonheid waar veel kunstenaars voor in katzwijm vielen, maar een betrekkelijk ongelukkig huwelijk had met Gustav Mahler. Haar werd verboden om naam te maken als componist terwijl ze wel degelijk potentie had. Pauline Strauss de beroemde sopraan waarvoor – zo zou je denken – haar echtgenoot al die prachtige liederen geschreven heeft…en opera’s waarbij doorgaans een sopraan (Pauline?) de hoofdrol zong. Richard Strauss zette de mooiste gedichten op muziek. ‘Morgen’ is een wonderschoon gedicht van John Henry Mackay die de van liefde vervulde stilte beschrijft bij zonsopgang. Is dat zo? Nee, het is mijn interpretatie. Maar over de stilte gaat het zeker en dat moet voor Richard Strauss de ideale stimulans zijn geweest om het op muziek te zetten en in de muziek verstilling te bereiken. Dat lijkt met elkaar in tegenspraak., maar luister er maar eens naar; het is muzikale stilte! Het lied wordt begeleid door viool en harp. Maar dan ga je verder fantaseren…stilte en Pauline Strauss…dat is, volgens Alma Mahler compleet in tegenspraak met elkaar. Dat mens hield nooit haar mond en zocht met iedereen ruzie. Vooral met haar man. Volgens Alma zat de arme Richard Strauss geweldig onder de plak van zijn bazige echtgenoot Pauline. Maar toch heeft hij het lied hoogstwaarschijnlijk voor haar gecomponeerd en heeft zij het waarschijnlijk de eerste keer gezongen… Gisterenavond in het Concertgebouw werd het lied ons dus als toegift geschonken. Dirigent Viotti spon het lied tot het maximum uit. Wat mij betreft net iets te langzaam en daardoor best stroperig, maar dit tempo kon ook. Liefde, stilte zonsopgang…alleen voor dit lied had ik het concert al niet willen missen!

Richard Strauss en Gustav Mahler kenden elkaar en kenden ook elkaars werk. Ik weet dat ze best kritiek hadden maar elkaars composities ook erg waardeerden. Met deze twee componisten stappen we de moderniteit in. In beider werk kom je soms al een vleugje atonaliteit tegen maar toch bleven ze in zekere zin op het traditionele pad. Strauss keerde zelfs op dat traditionele pad terug; want, neem het hier vlak voor besproken lied; dat is wat betreft de muziek, traditioneler dan Brahms. Van de twee componisten bleef Strauss het traditioneelst en dat werd hem – alweer volgens Alma Mahler – stevig ingepeperd door zijn vrouw Pauline.

Als zo rond de jaarwisseling het programma van het Nederlands Philharmonisch Orkest voor het volgende seizoen uitkomt, dan ga ik meteen op zoek naar Mahler. Van deze grote componist wordt elk jaar wel een symfonie uitgevoerd en die zet ik als eerste op mijn lijstje. Het maakt niet uit welke symfonie, deze jongen wil in de zaal zitten als ze Gustav Mahler uitvoeren. Gelukkig gaan ze zelden boven de zesde symfonie want de symfonieën boven de zes ken ik niet. ‘Leer ze dan kennen’ zou je denken, maar dat is bij de latere symfonieën van Mahler niet zo makkelijk. Elke symfonie van deze componist is een avontuur waar je instapt en waarvoor je in toenemende mate moeite moet doen om bij de les te blijven. Lukt je dat dan heb je een absoluut geweldige avond. Van alle Mahler symfonieën zijn de eerste en de vierde wat mij betreft de meest toegankelijke. Gisteren dus de eerste. Pas vanaf mijn twintigste ben ik de muziek van Mahler gaan waarderen, maar toen was het ook meteen helemaal raak. De eerste en de vierde symfonie heb ik helemaal grijsgedraaid (wat toen nog kon), daarna één voor één de andere symfonieën. Van de eerste symfonie vond ik vooral het derde deel erg bijzonder: Vader Jacob in mineur. De onvolprezen Leonard Bernstein heeft tijdenlang op de televisie programma’s gemaakt over muziek. Door hem heb ik de klezmerklanken leren herkennen in het eerste deel maar ook andere klankkleuren die rechtstreeks uit de joodse traditie komen. De eerste van Mahler was gisterenavond een genot om naar te mogen luisteren.

Voor de pauze dus het Gloria van Francis Poulenc. Zoals het meeste werk van Poulenc vrijwel onbekend bij mij. De muzikale ontwikkeling tussen Frankrijk en de rest van Europa is zo verschillend. Terwijl Poulenc in dezelfde tijd leefde als Strauss en Mahler, is zijn muziek zo anders dan van die twee. Ik heb er te weinig naar geluisterd en dat is waarschijnlijk de reden dat ik er wel heel weinig raad mee weet. Ik kan niet zeggen of ik het mooi of niet mooi vond. De jurk van de zangeres en voor zover ik kon zien, ook de zangeres waren oogverblindend en – heus dat begrijp ik ook wel – dat zegt niet zo heel veel over de muziek. Het koor van de Nationale Opera klonk bijzonder professioneel.

En dan toch nog even over Lorenzo Viotti. Het is echt een bekwaam dirigent en hij zal vast uitgroeien tot een hele grote. Waar ik echter helemaal niet aan kan wennen is dat de dirigent, nadat hij op de bok geklommen is, een verhaaltje gaat houden over waar hij trots op is in het orkest en hoe de muziek straks gaat klinken. Dat hij ook nog eventjes voor zingt wat de thema’s straks zijn. Ik weet het niet. Als de dirigent de trap af loopt onderweg naar het podium, dan concentreer ik me op de muziek die komen gaat; dat dirigenten praatje verstoort dat enorm. Misschien ben ik daar uniek in en bindt juist dat praatje veel jonge muziekliefhebbers aan de muziek die het Nedpho op het podium brengt. Misschien is het dat en moet ik er niet zo vaak over zeuren.

Ik heb weer eens een heerlijke avond in het concertgebouw gehad.

Pieter Waterdrinker – Biecht aan mijn vrouw; leest lekker weg

Achteraf zullen we pas weten hoe belangrijk de coronapandemie is. Gelukkig lijkt hij nu goeddeels voorbij al ga ik morgen de zoveelste vaccinatie halen. Het was een ongewone tijd met misschien wel desastreuze gevolgen. Er gaan verhalen dat de inval in Oekraïne en de oorlog, een gevolg zijn van de angst voor het virus van Vladimir Poetin. Lijkt mij, eerlijk gezegd wat ver gezocht. Dat de pandemie met zijn lockdowns gevolgen heeft, is wel duidelijk. In de laatste twee romans die ik gelezen heb, zijn de theaters, de horeca en de winkels goeddeels gesloten en spreken we elkaar vanachter een mondkapje. Wat genieten we ervan dat alles weer open is en we elkaars gezicht volledig en onbekommerd kunnen zien. Deze nieuwe roman van Pieter Waterdrinker is de tweede die ik van hem lees. Ik was diep onder de indruk van ’De rat van Amsterdam’. Vlot en boeiende geschreven en het speelt in kringen die ik niet goed ken; steenrijke mensen die onder het mom van ‘goed doen’ de boel aan alle kanten oplichten om steenrijk te worden. Eigenlijk is dat het enige doel in hun leven; rijk worden. Het maakt hun niets uit op wat voor manier dat gebeurd.

Ook in de nieuwe roman van Waterdrinker speelt een man die ‘rijk worden’ als levensdoel heeft een belangrijke rol. In deze roman wordt de hoofdpersoon, als in zijn vorige roman, meegesleept met die persoon ook al beseft hij dat het niet goed is. Alles keert uiteindelijk voor de hoofdpersoon weer ten goede. In ‘Biecht aan mijn vrouw’ is een wat verwarrende disclaimer opgenomen: Aan de ene kant spreekt hij over een ‘kleine autobiografische roman’ terwijl hij dat autobiografische meteen in de volgende zin ontkracht: “Overeenkomsten tussen personen, situaties en locaties binnen het boek met personen, situaties en locaties buiten het boek berusten op louter toeval.” In dezelfde verantwoording schrijft hij dat hij in de ‘Schrijversresidentie’ verbleven heeft in het najaar van 2020…en ook dat komt met de romanwerkelijkheid overeen. De ‘ik’ in de roman heet Pieter Waterdrinker en hij is getrouwd met Julia. Ik denk dat we het beste deze roman als een fictieve roman kunnen beschouwen met een autobiografisch decor.

Hoofdpersoon Pieter Waterdrinker verblijft in de schrijversresidentie op het Spui. Hij woont in Rusland samen met zijn Russische vrouw Julia. Op het moment dat het verhaal begint, verblijft Julia in Frankrijk om vakantie te vieren terwijl de hoofdpersoon dus in Amsterdam is omdat hij een paar lezingen gaat geven. Maar, de lockdown wordt ingesteld en op één na worden alle lezingen afgezegd. Aan de overkant op het Spui ziet hij alle middenstand gesloten  worden. Als hij op een dag weer terugkomt in zijn appartement, blijkt dat de knappe jonge Jeva Harms binnen is. Zij heeft samengewoond met de vorige tijdelijke bewoner van de schrijversresidentie – de rapdichter Winston Wow – en ze heeft nog een reservesleutel van het appartement. Ze is door de opkomende pandemie verstoken van inkomsten en omdat de relatie met de dichter beëindigd is, en ze uit haar eigen appartement gezet is, vraagt ze of ze even tijdelijk bij de hoofdpersoon mag logeren. Dat staat hij toe. Maar iedere keer als zijn vrouw Julia video belt, mag ze zich niet laten zien. In het Bungehuis, waar Waterdrinker nog gestudeerd heeft (en ik trouwens ook) is nu een exclusief hotel annex club gekomen. De hoofdpersoon heeft daar een afspraak met zijn uitgever om over zijn volgende roman te spreken. Daar komt hij zijn jeugdvriend Otto Brons tegen. Ze zaten samen op de middelbare school. Otto vertelde de hoofdpersoon destijds dat hij uit is op slechts één ding: Rijk worden. Dat is hem gelukt. Otto dringt zich in het leven van de hoofdpersoon omdat hij een geheim met hem wil delen… Schrijver Pieter Waterdrinker, de hoofdpersoon in de roman, dus, herinnert zich zijn hopeloze eenzijdige verliefdheid op Vivian Wertheim op de middelbare school.

De romans van Pieter Waterdrinker lezen heerlijk weg. Je wordt zijn wereld binnengetrokken. In deze roman wel een buitensporige worsteling met alcohol. Het neemt haast A. F. Th.van der Heijden-trekjes aan. Heeft hij niet zoiets als een kater dan gaat het wel langzaam richting dronkenschap. Hoewel het weinig scheelt, belazert hij zijn vrouw… laat maar zitten. Ik vond het een lekkere roman om te lezen!

Don Carlo in Osnabrück; leuk!

Gezien op 16 oktober in het Theater van Osnabrück.
Hier in Osnabrück loop ik tegen een dilemma aan. Een dilemma over het Nederlandse cultuurbeleid. Waarom Osnabrück en waarom cultuurbeleid in Nederland? We gingen gisteren naar de Osnabrückse opera. Don Carlo. Een opera die ruim drie uur duurt, een groot orkest nodig heeft, een enorm koor en een vijftiental solisten. Dat even afgezien van regisseurs, dirigenten, decorbouwers, kaartjesverkopers enzovoort. De kaartjes kostte ons 55 euro per persoon en dat waren de allerduurste kaartjes die we konden krijgen. De zaal was redelijk gevuld, ergo, we hebben op kosten van de Duitse belastingbetaler een leuke avond gehad in Osnabrück. Elke provincieplaats heeft hier in Duitsland haar eigen operahuis en overal zijn de toegangskaarten niet onbetaalbaar. Duitsland is wat zuiniger op haar culturele sector dan Nederland, want in datzelfde Osnabrückse theater wordt ook op professioneel niveau toneel gebracht door de plaatselijke toneelgroep en professionele concerten gegeven door het plaatselijke professionele (opera)orkest en ballet opgevoerd door een professionele troupe. In Nederland is de koek die aan cultuur wordt uitgegeven erg klein. Moet Nederland meer het Duitse voorbeeld volgen en veel scheutiger zijn met cultuuruitgaven? Zie daar het dilemma! Cultuur is voor iedereen, maar aan de andere kant maakt er maar een heel select publiek gebruik van. Vaak het publiek dat eigenlijk de dure kaartjes best betalen kan. Aan de andere kant…nou ja, een dilemma dus.

Viel er te genieten van die zwaar gesubsidieerde Don Carlo in het theater van Osnabrück? Jazeker! Al met al was het een leuke voorstelling. Ik moet toegeven dat de bedoelingen van de regisseur me niet altijd even duidelijk werd, en wat betreft de fraaie muziek had ik misschien wat andere keuzes gemaakt, maar over het algemeen heb ik een leuke middag gehad. In het programmaboekje zie je wel wat Duits chauvinisme doorschemeren. Misschien ook wel terecht want Verdi nam een toneelstuk van Schiller als uitgangspunt en zowel in Verdi’s opera als in het toneelstuk van Schiller gaat het over het streven naar vrijheid ten opzichte van de tirannie. In deze opera wordt Filips II opgevoerd als de tiran, maar die wordt door de grootinquisiteur tot tirannieke hoogte opgezweept. Daartegenover staat zoon Don Carlo die het voor de naar vrijheid strevende Vlamingen(!) opneemt. Daartussendoor speelt ook nog eens de liefde. Elisabeth van Valois was als kind beloofd aan Don Carlo, maar daar kwam zijn vader Filips en ging er met het jonge blaadje vandoor. Elisabetta had daar zelf uiteraard geen stem in, want haar liefde voor Carlo bleef ongebroken overeind. En Carlo…die was kennelijk al op jonge leeftijd helemaal hoteldebotel op de jonge Française.

Filips II (Erik Rousi) was uitermate goed gecast; een enorme kerel die makkelijk de trekken van een tiran kreeg. Dat liet hem ook heel mooi instorten want dat doen tirannen nu eenmaal (dus: pas op Poetin!). De rol van Don Carlo werd gezongen door een absolute heldentenor. Helaas was voor hem de zaal wat te klein; de man had te veel volume. Met gemak zong hij het volledig koor en orkest naar huis. Dat lijkt misschien mooi, maar dat is het niet omdat het in muziek om harmonie gaat, en die was met deze tenor niet of nauwelijks te vinden. Dat mooie duet van de twee vrienden die vertellen hoe ze samen voor de vrijheid zullen strijden, werd een solo voor Don Carlo en een playbackende Rodrigo; Don Carlo (James Edgar Knight) had zoveel volume dat Rodrigo(Dmitry Lavrov) niet meer te horen was. Mijn buurvrouw op leeftijd, drukte ook voortdurend haar oren dicht als Don Carlo aanzette… Jammer van dat mooie duet. Ook gelukkig misschien, want dat duet heeft de neiging om zich in je oren en hoofd te nestelen en probeer het er dan nog maar eens uit te krijgen! Elisabetta (Susann Vent-Wunderlich) was misschien ietsje te oud om nog geloofwaardig over te komen als jong blaadje; maar dat heb je nou eenmaal met opera; ze zong haar partij prima.

Ik geloof niet dat ik ooit iets over de belichting heb gezegd, maar nu dus dan maar voor het eerst: Die was soms heel raar. Het toneel werd vaak keihard van onderen uitgelicht. Gevolg waren grote, dubbele slagschaduwen tegen de achterwand. Dat kan misschien soms functioneel zijn, maar dat kon ik er nu niet in ontdekken. Het zag er gewoon vreemd uit.

Het koor juicht tiran Filips II toe. De regisseur geeft de koorleden het uiterlijk van extreemrechts. Veel rechtse kretologie. ‘Eigen volk eerst’ van dat soort dingen. De regisseur had even moeten komen kijken wat voor kreten sommige boeren op hun trekkers schreven. Daar vielen de leuzen van het operakoor bij in het niet. Maar ook de bisonman zien we en daarmee ook weer wat verwarring bij me; Trump was wel ondemocratisch en lapte alle regels aan zijn laars, maar hij ontpopte zich nog niet als dictator zoals Filips II was. Het blijft ook moeilijk; niet alle slechts van rechts kan je over een kam scheren.

Felix Nussbaum.

In ‘ons’ museum gaan we een tentoonstelling maken over uitgeverij de Telg. Een kleine uitgeverij die zijn oorsprong vindt in het verzet tijdens de oorlog en na de oorlog nog een paar jaar heeft bestaan. Aldus doe ik onderzoek naar een van de meest donkere periodes van mijn familiegeschiedenis want wat familie was betrokken bij De Telg. De combinatie joods en socialist was, in de jaren ’30 volkomen logisch binnen onze familie, maar erg ongezond tijdens de tweede wereldoorlog. Nou ja, ongezond… Veel familieleden overleefden het niet. Mensen die in die ellendige tijd in de kracht van hun leven waren en zich konden verstoppen of die sterk genoeg waren voor de ontberingen konden overleven, die redde het. De rest stierf een akelige dood. Op de een of andere manier ondervinden we in toenemende mate weerstand om over deze verschrikkelijke geschiedenis te praten. Jodenvervolging mag je nog maar nauwelijks als racistisch fenomeen benoemen terwijl de holocaust racisme in optima forma was. Racisme met de extreemste uitwassen vindt plaats tussen groepen mensen die niet van elkaar te onderscheiden zijn. In het verleden tussen Europese joden en andere Europeanen. Er ‘joods’ uitzien, waar joden en niet-joden het vaak over hebben, bestaat niet. Als je weet dat iemand joods is, dan ziet hij er joods uit, niet andersom. Mensen in klederdracht, met baard en hoge hoed, die zijn makkelijk herkenbaar, maar die willen ook graag als jood herkenbaar zijn. De meeste mensen wilden dat niet; de meeste mensen met een joodse achtergrond wilden alleen maar deel uitmaken van de samenleving waarbinnen ze functioneerden. Zo ook Felix Nussbaum.

Voor een korte vakantie zijn we neergestreken in het stadje Osnabrück. In een tijd dat ik me toch al constant bezighoudt met Jodenvervolging in de tweede wereldoorlog, is de stad Osnabrück verbonden met de schilder Felix Nussbaum die hier een eigen museum heeft. We bezochten gisteren het Nussbaumhaus. Er zijn weinig kunstenaars die het vluchtelingenbestaan zo intens geschilderd hebben als Felix Nussbaum. Zijn vluchtelingenbestaan gaat nog net ietsje verder, want terwijl tegenwoordig vluchtelingen een veilige haven vinden, vond hij nergens een plek waar het veilig was. Toen de nazi’s de macht overnamen in Duitsland, zat hij in Italië. Dus kon hij, omdat hij van joodse komaf was, niet meer naar huis terug. Hij vestigde zich in Oostende. Toen de nazi’s ook een aanval op België deden, werd Nussbaum als Duitser geïnterneerd in een Belgisch concentratiekamp. Na zijn vrijlating werd hij bedreigd en achtervolgd door de Duitse nazibezetter en verstopt ergens in Brussel wist hij het tot laat in 1944 te redden. Toen werden hij en zijn vrouw alsnog gepakt en met het laatste transport naar Auschwitz vervoerd en aldaar vermoord. Een dramatisch leven dat hij op grandioze wijze in zijn werk uitte. Wat zou hij ervoor over gehad hebben om niet vervolgd in Osnabrück met zijn geliefde zijn tijd door te brengen? We weten het niet. Hem werd weinig tijd gegund.

Zelfportret met Jodenpas in het Felix Nussbaumhuis in Osnabrück.

Ik weet het, dit is zijn beroemdste schilderij. Dat is het niet voor niets want het vat alles samen. Het is een ommuurd zelfportret. Boven de muur zie je nog net dat het buiten beter is. In het museum is dit schilderij zelfs voor blinden te zien. Naast het schilderij staat de beschrijving ook in braille en het schilderij in reliëf. Voor de zienden hoef ik er verder niets aan toe te voegen…

Ilja Leonard Pfeiffer – Monterosso mon amour; een heerlijk boek!

Ach, alleen al bij de gedachten aan die prachtige film ‘Dood in Venetië’ zwelt de muziek van Gustav Mahler in je hoofd aan. Vooral dat Adagietto; het deel dat werkelijk iedereen inmiddels kent, maar toch, als je het in het concertgebouw hoort je wereld doet veranderen. De kleuren worden helderder, het kanongebulder verstomt, de zon gaat schijnen…alles wordt mooier op de klanken van de muziek die golft en zwelt en zich dan weer terugtrekt. Hoe wreed is de terugkeer op aarde als de laatste klanken geklonken hebben of, in het geval van de film, het licht langzaam aangaat tijdens de aftiteling? Al die gedachten komen bij je op als hoofdpersoon Carmen haar man achterlaat voor een korte vakantie en slechts één boek in haar rolkoffertje heeft: ‘Dood in Venetië’ van Thomas Mann. Ze gaat een schijnbaar onzinnige belofte inlossen na zoveel jaar; terugkeren naar de plek waar ze destijds haar eerste vakantieliefde beleefde en bij hem terugkomen. Dat alles in de novelle ‘Monterosso mon amour’ van Ilja Leonard Pfeiffer dat ik maanden geleden kreeg als boekenweekgeschenk maar dat ik nu pas kon lezen. Wat een heerlijke novelle! En ja, een beetje van dat gevoel van het Adagietto of die fantastische film overspoelt je ook tijdens het lezen van dit boek!

Als vrouw van een diplomaat wiens ambities groter waren dan zijn carrière heeft Carmen op plekken over de hele wereld gewoond en aldaar ontdekt dat de sherry en de tennisbanen en de mensen waar ze mee omging overal hetzelfde zijn. Ze wonen nu in het stadje L… en de pensionado diplomaat wil niet veel meer. Op vakantie gaan ze nooit meer want hij heeft al zoveel gereisd en hij zit nu liever thuis. Carmen is vrijwilligster in de bibliotheek en organiseert culturele evenementen. Ze nodigt (jaja) de schrijver Ilja Leonard Pfeiffer uit voor een literair evenement in de bibliotheek. Ze heeft een – eenzijdige – speciale band met deze schrijver want ze hebben in dezelfde klas van de lagere school gezeten en hij heeft over haar geschreven want hij schreef dat hij verliefd was op het mooiste meisje van de klas, en dat was dus Carmen. Pfeiffer beschrijft zelfs de straat waar ze toen, als meisje woonde; ze weet dus zeker dat dat stukje in die roman over haar ging. De schrijver herkent haar niet na zoveel jaar als hij voor zijn lezing in de bibliotheek is, en zij houdt haar mond erover. Zijn verhaal gaat over het massatoerisme in Italië. Dat brengt haar herinnering op gang over haar eerste liefde die ze in Monterosso tijdens de vakantie met haar ouders als meisje beleefde. Ze deed de belofte aan haar geliefde om terug te komen. Ze beseft wel dat het allemaal onzin is na zoveel jaar, maar ze wil er graag weer eens op uit en aldus boekt ze een vliegreis naar Italië en een kamer in een Bed & Breakfast in de Italiaanse badplaats.

Het gaat, met de vakantie uiteraard helemaal anders lopen dan ze van te voren heeft bedacht. Bovendien, als je ‘Dood in Venetië’ van Thomas Mann als enige roman in je koffertje  hebt in een literair verhaal, dan zou je kunnen vermoeden dat een epidemie een rol gaat spelen. Al helemaal als de corona pandemie nog zo vers in het geheugen ligt en eigenlijk ook nog niet eens helemaal voorbij is. Oke, geen cholera gelukkig waaraan de componist in Visconti’s film zwetend en met doorgelopen schmink ten onder gaat, maar toch.

Al met al een heel leuk boek om te lezen; ik heb ervan genoten. De ontmoetingen met schrijver Ilja Leonard Pfeifer in de roman geven de schrijver de mogelijkheid om ironisch naar zichzelf te kijken en dat doet hij, zo te lezen, met heel veel plezier!

De Frits’ Libris literatuurprijs 2022!

Waarom lees ik me door zo’n shortlist heen? Wil ik het zo graag beter doen dan de officiele jury? Nee, zo is het niet begonnen. Enkele jaren geleden ontdekte ik dat ik wat betreft lezen in kringetjes ronddraaide. Ik las alles van de schrijvers die ik al kende maar zelden iets van een auteur die nieuw voor me was. Ongewenst, vond ik en dus bedacht ik een manier om in aanraking te komen met auteurs buiten het mij bekende kringetje. Ik bedacht dat als ik te rade ging bij beroepslezers in jury’s van literaire prijzen dat ik dan vast terecht kwam bij nieuwe verassende auteurs. Wat dat betreft heb ik helemaal gelijk gekregen; een heleboel fantastische auteurs had ik nooit leren kennen als ik mijn eigen kringetje niet op deze manier doorbroken had. Aan de andere kant – en dat verbaasd me steeds weer – las ik ook boeken waar niet doorheen te komen was. Ook van auteurs die hun gereedschap, de taal, nauwelijks beheerste; hoe kwamen die op zo’n shortlist van beroepslezers? Geen idee, dus. Op mijn eigen website wilde ik eigenlijk alleen maar positieve recensies schrijven door alleen maar te schrijven over wat ik leuk vind aan kunst en dus literatuur. Dat lukt niet als je andermans lijstje gaat beoordelen. Dat is kortom het nadeel van het lezen van andermans shortlist. Zo zij het!

Ik heb gewacht, nog even gewikt en gewogen, maar eens moet het er toch van komen. Wie heeft er gewonnen? Wie heeft er het mooiste boek geschreven in 2021 en wie wint de Frits’ Libris literatuurprijs 2022?

Dit jaar stonden de volgende romans op de shortlist Libris Literatuurprijs 2022:

Nico Dros – Willem die Madoc maakte. Een historische roman die zich in de middeleeuwen afspeelt rond het verhaal van Reynaert de Vos.

Marieke Heitman – Wormmaan. Een roman die onderzoekt hoe maakbaar het leven op aarde is

Auke Hulst – De Mitsukoshi Troostbaby company. Een roman over de vanzelfsprekende liefde voor je kind en de moeizame liefde voor een partner tegen een science fiction achtergrond.

Deniz Kuypers – De atlas van overal. Het verhaal van zijn Turkse vader die naar Nederland emigreerde gespiegeld door zijn eigen emigratieverhaal naar de Verenigde Staten.

Renée van Marissing – onze kinderen. Het verhaal over haar drankzuchtige vader tegen de achtergrond van haar aanstaande moederschap.

Lisa Weeda – Alexandra. Het verhaal van een familie in de eindeloos bevochten Donbas in Oekraïne.

Voor de eerste prijs twijfel ik tussen ‘De Mitsukoshi Troostbaby Company’ van Auke Hulst en ‘Willem die Madoc maakte’ van Nico Dros. Twee fantastische romans waar ik enorm van genoten heb. De roman van Nico Dros had ik gelezen ver voordat de shortlist bekend werd, daardoor is de inhoud wat weggezakt. Mijn recensie heeft wel weer wat naar boven gehaald, maar toch niet alles. Ik kan me wel het gevoel herinneren toen ik het boek las; dat was geweldig. In de roman van Auke Hulst leefde ik nog niet zo heel lang geleden en de leeservaring is nog erg dicht bij me. Moeilijk hoor! Dan maar eerst nog een klein woordje over de andere vier romans; die waren het allemaal helemaal niet. Ik ga dan ook  niet vertellen welke roman ik beter vond dan de andere. Was ik het eens met de jury? Dat is al wel duidelijk: Nee! De roman die gewonnen heeft volgens de officiele jury vond ik wel aardig, ‘Wormmaan’, maar het is niet zo dat ik meteen naar de boekwinkel loop als er een nieuwe roman uitkomt van Mariken Heitman. Als ik nou eens heel eerlijk ben en helemaal geen concessies doe aan mijn gevoel, dan heb ik dit jaar twee winnaars. Alfabetisch:

  • 1) Willem die Madoc maakte – Nico Dros
  • 1) De Mitsukoshi Troostbaby Company – Auke Hulst

Ik laat het maar zo, denk ik; dit jaar twee winnaars

Deniz Kuypers – De atlas van overal; best wel saai

Eindelijk! Eindelijk heb ik ‘De atlas van overal’ van Deniz Kuypers uit. Deze roman was de laatste van de romans die ik gelezen heb omdat hij op de shortlist stond van de Libris Literatuurprijs 2022 en dus kan ik nu een oordeel hebben over die boeken, maar ook over het werk van de jury want…komt mijn keuze voor het beste boek van deze shortlist overeen met de keuze van de jury? Daarover later meer. Eerst over ‘De atlas van overal’. Een erg dik boek, vond ik. Objectief gezien misschien niet zo dik, maar ja, ik moest het lezen. Eerlijk gezegd vond ik het erg moeilijk om doorheen te komen en was het niet zo dat ik ‘beroepshalve’ las en een missie had, dan had ik deze roman al lang weggelegd. Nee, dit boek is niet direct mijn favoriet voor de hoofdprijs, zullen we maar zeggen.

De hoofdpersoon stelt zich voor als zoon van een Turkse geëmigreerde vader en een Nederlandse moeder. Hijzelf is, net als zijn vader ook een emigrant. Hij woont met zijn twee kinderen en vrouw Elly in Amerika. Het contact tussen de hoofdpersoon en zijn Turkse vader is miniem. Als de roman begint, hebben ze elkaar jaren niet gezien of gesproken. Hij vertelt over zijn jeugd en de slechte relatie die hij en zijn zus hadden met hun vader. De man was ruw en hardvochtig en gewelddadig. Ook hun moeder kreeg ervan langs op z’n tijd. Geen jeugd, zo beschrijft de hoofdpersoon, waar hij met plezier op terugkrijgt. De hoofdpersoon en zijn gezin zijn in Nederland en zullen de confrontatie aangaan met de vader. De hoofdpersoon doet een poging om zijn vader te begrijpen door het leven dat hij leidde, voordat hij naar Nederland emigreerde, te reconstrueren.

Zijn vader groeide op in een klein boerendorpje in Turkije. Een straatarm gezin dat leefde van de opbrengst van een kleine hazelnootplantage en wat geiten. Zijn vader wil meer uit het leven halen dan wat het dorpje hem te bieden heeft. Met veel moeite lukt het hem om leraar te worden. Dat levert onvoldoende op om van te leven, maar hij is er wel gelukkig onder. Hij schrijft gedichten en verhalen en wordt verliefd op een stadse vrouw. Maar dan slaat het noodlot toe; de slager in het dorp waar hij vandaan komt beweert dat hij beloofd heeft om met zijn dochter Sedar te trouwen en belofte maakt schuld. Hij laat de stadse vrouw voor wat ze is en trouwt met de slagersdochter waar hij eigenlijk weinig warme gevoelens voor heeft. Zijn schoonvader blijkt een bruut. In een poging om zijn schoonvader te vermoorden, doodt hij per ongeluk iemand anders en belandt hij in de gevangenis. Als hij vrij komt mag hij, vanwege zijn strafblad, geen leraar meer zijn. Aldus migreert hij naar Nederland alwaar hij de moeder van de hoofdpersoon ontmoet. Intussen heeft Sedar een hele sleep kinderen van hem. Sindsdien leidt de man een dubbelleven, in Turkije en in Nederland. In Nederland krijgt hij een zoon (onze hoofdpersoon) en een dochter.

Aan de andere kant het verhaal van de hoofdpersoon die min of meer eenzelfde soort migratieverhaal heeft. Tijdens zijn studie krijgt hij de mogelijkheid om uitgewisseld te worden. Daardoor studeert hij een tijd in de Verenigde Staten maar blijft hij daar hangen. Gevolg is dat hij zich (ook?) nergens echt helemaal thuis voelt. Hij vraagt zich af of er overeenkomsten zijn tussen hoe zijn migratievader hem opvoedde en hij nu zelf zijn kinderen opvoedt.

Geëmigreerde Turkse vader en geëmigreerde zoon ontmoeten elkaar uiteindelijk en pas dan blijkt hoeveel de vader van zijn zoon gehouden heeft. Ze komen echter nooit meer tot elkaar.

Ik moet zeggen dat de manier waarop Deniz Kuypers de roman schrijft afwijkend is van wat je meestal leest. Hij maakt er haast een documentaire van. Steeds vraagt hij aan moeder en zus hoe bepaalde dingen in elkaar zaten en wat er toen gebeurde. Dat maakt het verhaal wel geloofwaardiger. Aan de andere kant wordt het er ook wel saai van. Deniz Kuypers geeft de pretlezer die ik ben, niet veel plezier. Je kunt nooit echt lekker in het verhaal verdwijnen en dat is nou juist zo leuk aan lezen. Je wilt je graag identificeren met de personages in het boek, maar in deze roman is dat moeilijk. Vader moet als jonge leraar erg verliefd geweest zijn en enorm veel dromen over de toekomst hebben gehad, maar Kuypers neemt ons daarin niet mee. Het maakte de roman voor mij erg langdradig. Deze roman gooit helaas niet erge hoge ogen…

Slachthuis vijf – Rotterdams Toneel; ‘Zo gaat dat’; Geweldig!

Gezien op 3 september 2022 in de Amsterdamse Stadsschouwburg.

Eén van de gasten van het programma Zomergasten van een aantal jaren geleden, vond ‘Slachthuis vijf’ van Kurt Vonnegut het beste anti-oorlogsboek dat ooit was geschreven. Welke gast in welk jaar het precies was, weet ik niet meer, maar die opmerking maakte zo’n indruk op me dat ik het boek meteen kocht. Ik weet nog dat ik het boek in één keer uitgelezen heb en diep onder de indruk was. Als je me nu vraagt waar het boek over gaat, kan ik me er nauwelijks iets van herinneren. Ik herinner me vaak dat ik het boek gelezen heb en dat het over het bombardement in februari 1945 op Dresden gaat, maar verder niets. Met dat bombardement was ik dit jaar natuurlijk al bezig geweest toen ik de stad bezocht. Voor februari 1945 moet de stad nog mooier zijn geweest dan dat hij nu is. De barokke gebouwen staan er alsof ze er altijd gestaan hebben. Maar dat is dus niet zo; steen voor steen is de stad gereconstrueerd. Dat bombardement heeft absoluut plaatsgevonden en mag gerust gerekend worden tot één van de oorlogsmisdaden in die onafzienbare reeks die tijden de tweede wereldoorlog zijn gepleegd. Voor deze oorlogsmisdaad mag wat mij betreft het Neurenbergproces heropend worden. Van dat boek van Vonnegut herinnerde ik me dus niets. Dat heeft ook een voordeel, want ik kon het toneelstuk dat naar aanleiding van de roman gemaakt is als een onbeschreven blad bekijken met als enige kennis: Krijgsgevangen genomen soldaat, zit gevangen in het abattoir, bombardement op Dresden.

Als onze culturele seizoen opener ‘Slachthuis vijf’ van het Rotterdams Toneel maatgevend is voor het komende seizoen, dan staat ons nog heel veel moois te wachten! Toen wij gisteren de Amsterdamse Stadsschouwburg (heet tegenwoordig helaas ITA) verlieten, waren we diep onder de indruk. Ook waren we wel wat van de kaart door alle hallucinerende beelden die we voorgeschoteld hadden gekregen. En overdonderd door het fantastische spel van Bram Suijker. Ik had nog nooit van de man gehoord…hoe kan dat, heb ik onder een steen geleefd, dan? De man speelde de sterren van de hemel. Hannah Hoekstra – toch even winnaar van grote toneelprijzen – en Jip van den Dool waren niet meer dan aangevers voor Bram Suijker.

Tijdens de eerste scene zien we de hoofdpersoon uit de hemel neerdalen. Hij vertelt dat er geen tijdsverloop is; dat alles tegelijkertijd plaatsvindt maar dat wij de gebeurtenissen in een volgorde zetten. Er zitten, volgens de hoofdpersoon, aan gebeurtenissen geen begin, geen midden, geen eind, geen moraal, geen spanning, geen moraal, geen oorzaak en geen gevolg. Het enige dat je over een gebeurtenis kunt zeggen is: ‘Zo gaat dat’. Terwijl de gebeurtenissen in het leven van de hoofdpersoon in schijnbaar willekeurige volgorde voorbijschieten, horen we hem het zinnetje ‘Zo gaat dat’ eindeloos zeggen. Dan is hij weer net verliefd op zijn vrouw, het volgende moment is hij samen met zoon en dochter terwijl zijn vrouw overleden is, dan is hij weer ontvoerd door Aliens en wordt hij samen met een filmster tentoongesteld, dan vertelt hij weer hoe hij krijgsgevangene wordt gemaakt in de oorlog en hoe de reis was van het front naar Dresden. Hij popt op naast zijn zoon in Vietnam die toch weer niet zijn zoon blijkt te zijn. Eigenlijk zien we op het toneel één grote hallucinatie die uiteindelijk culmineert in de doffe dreunen van het bombardement van Dresden. Geheel toevallig zit de hoofdpersoon in de schuilkelder onder slachthuis vijf waar hij gevangen wordt gehouden en waar hij gedwongen moet werken. Die schuilkelder blijkt veilig.

Hoe krijg je zoveel hallucinerend geweld geloofwaardig op het toneel en hoe laat je een onmogelijke lange monoloog met af en toe een kleine toevoeging door een ander, niet heel erg saai worden? Door de toeschouwer visueel bezig te houden en door geweldig spel van acteurs! Met schijnbaar eenvoudige middelen wordt een hallucinerend toneelbeeld geschapen dat je vanaf het begin in haar greep houdt. Zelden heb ik de rookmachine zo functioneel perfect gebruikt zien worden. Dat lijkt misschien het noemen niet waard, maar toch. Wat echt heel erg indrukwekkend was, was een gigantische opblaasbaby die langzaam van een prop verandert in een baby en daarna weer langzaam leegloopt.

Wij hebben een fantastische avond gehad! Een absolute aanrader! Ik hoop Bram Suijker nog vaak te zien!

Blog van Frits de Klerk