Merijn de Boer – De Saamhorigheidsgroep; een heerlijk boek!

Het woord ‘pageturner’ staat mij verschrikkelijk tegen, maar verzin daar maar eens een goed nederlands woord voor. Deze roman is er zo één, dus. Boeiend en spannend tot het eind. De strijd om de Frits’ Librisliteratuurprijs 2021 gaat voorlopig om de tweede plaats; de eerste plaats is bij mij nauwelijks bereikbaar. Deze roman gooit hoge ogen. Ik moet zeggen dat de keuze voor de boeken op de shortlist mij enorm heeft verrast; tot nog toe geen enkele roman die er negatief uitspringt. Dat is wel eens anders geweest. Wat deze linkse jongen wel even kwijt moet is dat ik de roman ‘De saamhorigheidsgroep’ ook wel weer een voorbeeld vind van linkse mensen plagen en in de zeik nemen. Dat vind ik op de één of andere manier niet erg fijn, maar oké, laat ik niet moeilijk doen. Misschien ben ik ook wel wat gevoelig geworden op dit punt; de ‘linkse kerk’ (wat klinkt dat verschrikkelijk k…) heeft nogal wat te verduren gekregen de laatste jaren en dat terwijl het, wat mij betreft, zonneklaar is dat er ingrijpende maatregelen moeten worden getroffen die in een verdacht ‘links’ daglicht staan. Gelukkig – maar uitermate ongelukkig voor links – hebben veel rechtsere partijen deze items overgenomen van links. Zelfs de overgang naar een duurzame samenleving is in handen gegeven aan VVD-prominenten… Maar laten we terugkeren naar het boek waar het hier om gaat!

In het eerste deel van de roman, de proloog die zich in 2018 in New York afspeelt, leren we ambassadeur Bernhard  Wekman,  permanent vertegenwoordiger  bij de Verenigde Naties kennen. Hij bereidt zich voor op een ontmoeting met Bronno die hij meer dan dertig jaar geleden heeft leren kennen als het meest dominante lid van de saamhorigheidsgroep. Destijds maakte Bernhard deel van uit van deze groep. Hij beseft dat hij sinds dat ene jaar dat hij lid was, nooit meer zo gelukkig is geweest als toen. Tijdens de ontmoeting wil Bronno, namens de saamhorigheidsgroep, dat hij Tibet erkent in de VN namens Nederland. Als Bernhard vertelt dat dit echt niet mogelijk is, druipt Bronno zwaar teleurgesteld af.

Het tweede deel van de roman – het leeuwendeel van de roman – speelt zich in 1982 en 1983 af in Haarlem en Amsterdam. Bernhard schermt samen met Felix. Felix introduceert Bernhard bij de Saamhorigheidsgroep. Dat blijkt een groep zeer idealistische mensen te zijn die zich inzetten voor al het onrecht in de wereld. Daarvoor staat ze tien procent van hun inkomen af en van dat geld worden projectjes gefinancierd. Hier hebben ze regelmatig vergaderingen over. Bernhard, die over enkele maanden zijn eerste post in Angola krijgt, voelt zich een vreemde eend in de bijt, maar vindt de leden zo enthousiast in hun streven naar een betere wereld dat hij zich toch thuis voelt in de groep. De saamhorigheidsgroep is echter veel meer dan een clubje dat goede doelen nastreeft; het is ook een soort gezelligheidsclub. Iedereen stemt minstens PvdA, maar hun actiebereidheid is vele mate groter. Liza en Tristan zijn ook lid van de groep. Zodra Liza haar stem laat horen, is Bernhard zodanig verkocht door het timbre dat hij lid wordt. Hij heeft sindsdien een oogje op Liza.

Verloskundige Liza heeft haar man, kunstenaar Tristan, op de middelbare school leren kennen. Sindsdien zijn ze samen. Ze hebben een grote kinderwens maar het zaad van Tristan blijkt niet vruchtbaar. Omdat Liza heeft opgemerkt dat Bernhard, die niets afweet van Tristans onvruchtbaarheid, zijn ogen niet van haar kan afhouden, bedenken ze het plan om Bernhard te verleiden. Zonder dat hij het weet zal hij haar dan zwanger maken. Omdat hij binnenkort naar Angola vertrekt, zal hij nooit van haar zwangerschap weten. Dat plan loopt anders dan verwacht want Bernhard wordt smoorverliefd op Liza. Zoveel liefde heeft ze lang niet gevoeld en daar bezwijkt haar huwelijkse trouw dan ook onder. Bernhard en Liza beginnen een heftige, stiekeme, onstuimige verhouding. Bernhard laat de uitzending naar Angola aan zich voorbij gaan. Hoewel hij wellicht een vermoeden van de relatie heeft, maar het niet echt ontdekt heeft, raakt Tristan  helemaal bezeten van het idee dat hij zijn vrouw Liza tegen haar wil heeft uitgeleverd aan Bernhard. Hij kan er nauwelijks mee leven als Liza zwanger blijkt. Bernhard daarentegen is ervan overtuigd dat Tristan haar zwanger heeft gemaakt en zeker niet hijzelf; hij kan zich niet voorstellen dat hij daartoe in staat zou zijn. Als het kind geboren is, heeft Bernhard het gevoel dat hij het gezin van Liza en Tristan met de kleine in de weg staat. Hij voelt dat ook zijn verliefdheid over is. Hij aanvaardt een post in Jeruzalem en maakt het uit met Liza.

Het derde deel speelt zich in 1984 af in Jeruzalem. Tristan, die de inzinking nabij is, gaat naar Jeruzalem om ‘iets’ te doen. Hij hoopt Bernhard te vinden en dan ‘iets’ te doen om zijn haatdragende gevoelens weg te poetsen.

Het laatste deel speelt zich in Haarlem af in 2019 en is een epiloog.

Van de eerste tot de laatste letter een spannend boek. Het leest heerlijk weg. Is goed geschreven. Je blijft er nog even mee in je hoofd zitten. Maar toch…er zitten volgens mij wat rafelrandjes aan de roman. De roman gaat over een buitenstaander die lid wordt van een groep. Van die lijn wijkt de auteur diverse keren af om wat uitstapjes te maken naar de andere leden van de groep. In mijn ogen werkt hij dat te weinig uit zodat er wat losse floddertjes ontstaan. Ja, het heeft met de saamhorigheidsgroep te maken, maar wat precies met de grote lijn van het verhaal. Niet dat het erg stoort, maar zo’n groep van namen is moeilijk te onthouden en zeker als het verhaaltje kort en relatief oppervlakkig blijft. Moeilijk bij te benen wie wie is in zo’n geval. Vooral die lossere zijlijntjes kosten heel wat hersenoefeningen. Een ander ding vind ik de karaktertekening van Bernhard. Hij wordt door de auteur neergezet als een goedaardige, zachte man die zich makkelijk laat meeslepen. Hij probeert zich voortdurend aan de groep aan te passen. Zo parkeert hij zijn auto een eind uit de buurt, zodat het lijkt alsof hij geen auto (want not done in de groep) heeft. Dat karakter klopt volgens mij niet met het karakter van een permanent vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties namens Nederland; dat moet een zeer standvastig, slagvaardig persoon zijn. Ik vind het een zwakte in de roman.

Bernhard is iemand met een laag libido, wordt verteld, maar dat libido wordt in het saamhorigheidsjaar door Liza naar grote hoogte gestuwd. Zodra hij het uitmaakt met Liza, zakt zijn libido naar het vroegere niveau. Grappig is dat de schrijver Bernhard een favoriete filmscene toedicht uit de film ‘Shame’. Dat is een film over een seksverslaafde man en dus een extreem libido. Hoe dan ook; het is een heerlijk boek om te lezen!

Simone Antangana Bekono – Confrontaties; geen frontale aanval

De roman Confrontaties van Simone Atangana Bekono werd aangekondigd als een boek over racisme. Daar heb je tegenwoordig bij mij al de poppen mee aan het dansen. Ik word meteen opstandig. Dat komt ongetwijfeld doordat ik een blanke, lekker verdienende, redelijk hoogopgeleide, heteroseksuele man ben en als zodanig – ondanks de ‘white privilege’ – de pispaal van de natie. Degene aan wie ze constant uitleggen dat al het kwaad in de wereld zonder meer op mijn conto geschoven kan worden. Dan kan ik zwak roepen dat ik, als halve jood, toch ook best zielig en gediscrimineerd ben…maar nee, dat helpt geen zier. Ik ben de grote, kwaadaardige, witte, bewust of onbewust racistische man en al het onrecht dat de medemens met een kleurig huidje overkomt, dat is mijn en onze schuld. En als mij hetzelfde onrecht overkomt dan heb ik gewoon pech…of zoiets.

Gelukkig ontstijgt de roman ‘Confrontaties’ de denkbeelden van Gloria Wekker en aanstelster Anousha Nzume, de roman is prima te lezen en stelt niet bij voorbaat de schuldigen vast; zoals in de meeste goede romans wordt het interpreteren van gedrag aan de lezer overgelaten. Daarom geef ik mijn zo kort mogelijke interpretatie van de plot meteen hier prijs: Het gaat over een meisje dat in een jeugdgevangenis vastzit omdat ze een jongen zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Dat is per ongeluk gebeurd toen twee pestkoppen haar gewelddadig pestte en zij zich verdedigde. Dat de pestkoppen haar huidskleur gebruikten om haar te kwetsen; het had in een ander geval net zo goed rood haar, schele ogen, grote of juist kleine tieten, klein hoofdje of grote voeten kunnen zijn. Aldus werd de boze witte man in mij weer rustig…

Natuurlijk komen er wel wat thema’s langs die vraagtekens zetten achter onze verhouding met de rest van de wereld, maar dat lijkt me alleen maar goed; we moeten onszelf steeds vragen blijven stellen. Hoofdpersoon Salomé Atabong zit opgesloten in een jeugdinrichting die ze zelf de naam de ‘Donut’ heeft gegeven. Het is een gebouw waar je alleen maar rechtsaf kunt, volgens de verteller. Een rond gebouw rond een binnenplaats. Het gebouw is verdeeld in compartimenten. Eentje voor meisjes, de rest voor ontspoorde jongens. Therapie krijgt ze van …Frits (heeft echt niets met mij te maken!). Frits herkent ze van een programma op de televisie waarin een gezin veertien dagen gaat wonen bij een ‘primitieve’ stam in Afrika. De hoofdpersoon wiens vader uit Kameroen komt, heeft moeite met dit gegeven omdat het programma de betreffende Afrikanen te kakken zet. Therapeut Frits blijkt het ook niet eens te zijn geweest met hoe ze geportretteerd werden door het programma. Hij heeft veel door Afrika gereisd en is juist heel geïnteresseerd in Afrika. Gaandeweg de roman bouwen Salomé en Frits een goede therapeutische band op en krijgt ze inzicht in haar positie en gevoelens tussen twee culturen in: Aan de ene kant de Afrikaanse, van haar vader en aan de andere kant de Nederlandse (Zeeuwse) kant van haar moeder.

Veel aandacht wordt besteed aan het haar van Salomé. Haar vader knipt haar haar in een ronde afro. Dat is volgens de verteller het enige dat hij kan. Als je de verschillende haardrachten beschouwd, zou je denken dat haar vader haar rond en gewillig knipt. Aan de andere kant koopt haar vader ook een boksbal voor d’r waarmee ze kan trainen om de pestkoppen de baas te zijn. Als ze tijdens een vakantie hun familie bezoeken in Kameroen, ‘doet’ de zus van haar vader – tante Céleste – haar haar. Ze maakt vlechten die min of meer als de slangen van Medusa uit haar hoofd komen. De wraakgodin. En je zou kunnen denken dat de hoofdpersoon in de jeugdgevangenis is gekomen vanwege een wraakactie. Maar dat is dus niet zo; ze verdedigde zichzelf; dat is wezenlijk iets anders. In de jeugdgevangenis gaat vriendin Marissa haar haar doen; kleine staartjes…begreep ik. De vergelijking met Medusa komt vaak terug en dat vind ik moeilijk omdat ik toch niet helemaal begrijp waarom. Überhaupt wordt er veel verwezen naar de Griekse verhalen. De hoofdpersoon presenteert zichzelf ook als een absolute boekenwurm. Ze wordt op de lagere school absoluut niet te laag ingeschat, want ze krijgt een gymnasium advies. Op deze school gaat het uiteindelijk faliekant mis. Dat ligt onder anderen aan pesten. Ze kan zichzelf ook erg moeilijk beheersen, leren we.

De roman bevat erg veel verwijzingen naar de verhalen uit de klassieke oudheid. Parallellen met het verhaal zijn er doorgaans wel. Het valt mij op dat de auteur met haast losse streken taal de gemoedstoestand van de hoofdpersoon schildert. Soms werkt dat heel sterk. Doordat het vaak losse associaties of herinneringen of gespreksflarden is het aan de andere kant soms moeilijk te volgen; waar zitten we precies? Wat doet de hoofdpersoon? In welke herinnering? En waar? Het maakt het soms wat ondoorgrondelijk.

De roman is zeker goed geschreven. De sfeer is goed getekend en ook de emoties komen vaak goed uit de verf. Toch is het niet mijn meest favoriete roman uit de shortlist van de libris literatuurprijs. Maar om mijn favoriete roman uit dit lijstje voorbij te streven heb je echt wel wat nodig! De roman is in ieder geval geen frontale aanval op deze witte oudere man, en dat voelt als een opluchting!

Gerda Blees – Wij zijn licht; erg boeiend

Wat onderscheid ons mensen van dieren? De vrije wil..? Blind volgen dieren hun instincten. Ze eten als ze honger hebben, ze neuken als ze geil zijn, ze maken dat ze wegkomen als ze gevaar vermoeden, ze slapen als ze moe zijn, ze moorden als ze roofdieren zijn, ze zwemmen als ze eendjes en ze kwispelen als ze hondjes zijn. Dieren kunnen niet anders dan doen wat de natuur hun gegeven heeft. Voor de mens ligt dat anders. Mensen kunnen zich verzetten tegen alles wat de natuur hen oplegt. Dat gaat niet zomaar; daar moet je strijd voor leveren want datgene wat de natuur ons ingeeft, ervaren we als de weg van de minste weerstand en voelt comfortabel maar die weg waarderen we niet erg. Doorgaans overwinnen onze helden de instincten die moeder natuur ons gaf. Onze helden staan pal als er gevaar dreigt; de lafaards volgen hun instinct en maken dat ze weg komen. Onze priesters weigeren een seksleven en kiezen voor een leven in een sobere gemeenschap met weinig liefde terwijl  de meesten onder ons zich comfortabel laten onderdompelen in de geneugte van een liefdevol gezin waarbij seks tussen de partners onderdeel is van het dagelijkse leven en de warmte en liefde bevestigd. Soms gaat de vrije wil en het overwinnen van onze instincten te ver. Dan verandert de held in een fanaticus of ligt de hypocriet op de loer. Neem de schandalen rond kindermisbruik in internaten geleid door paters. Stiekeme seks met weerlozen; hypocriet en algemeen veroordeeld. Je leven opofferen in de Jihad door jezelf als levende bom te gebruiken…Of, het aardse voedsel niet meer tot je nemen en de honger weerstaan omdat ‘liefde’, ‘licht’ en ‘muziek’ zuiverder voedsel zijn en je dichter bij de vrijheid en het geluk brengt…

In de roman van Gerda Blees ‘Wij zijn licht’ komen we de woongroep ‘Klank en Liefde’ tegen op het moment dat de oudste onder hen, Elisabeth, overlijdt aan ondervoeding. Haar zus Melodie, die de groep leidt, vindt dat ze op een waardige en juiste manier is weggegleden en hoewel de andere leden van de groep, Petrus en Muriël, wat bedenkingen hebben over de manier waarop, is hun tegenstem te zwak om door de anderen gehoord te worden. De woongroep wil afzien van aards voedsel en slechts leven van het licht, de liefde voor elkaar en de klanken van muziek. De opgetrommelde huisarts kan de natuurlijke dood van Elisabeth niet vaststellen en samen met de schouwarts bepalen ze dat ondervoeding de doodsoorzaak is. De medebewoners van Elisabeth worden door de politie naar het bureau gebracht voor verhoor en in politiecellen opgesloten. De politie moet echter constateren dat de woongroepleden wellicht moeten hebben vermoed dat de overledene medische hulp nodig had, en dat ze verzuimd hebben om die in te schakelen, maar voor een veroordeling is het allemaal te dun. Dus worden de leden weer vrijgelaten. Maar in de politiecel zijn de bewoners, en dan vooral Muriël, gaan nadenken. Muriël besluit de woongroep te verlaten…of toch net niet? De schrijfster laat dat aan onze fantasie over.

Het verhaal wordt in kleine hoofdstukjes verteld vanuit verschillende perspectieven. Die perspectieven zijn soms personen, maar meestal niet. Zelfstandige naamwoorden die een rol spelen in het leven van ons mensen. Het overlijden van Elisabeth wordt zodoende verteld door de nacht. Het verhoor van Petrus wordt verteld vanuit het perspectief van de geur van een sinaasappel die aan de handen van één van de verhorende agente zit en de neus van Petrus binnendringt; een katalysator van herinneringen en gevoelens. De thuiskomst van de woongroep wordt beschreven vanuit het perspectief van de slowjuicer; het apparaat dat er uiteindelijk voor zorgt dat de op groentesap levende woongroep min of meer in leven blijft. Maar ook ‘het verhaal’ doet haar woordje, ‘het licht’, ‘de buren’, ‘de weerstand’ enzovoort, vertellen het verhaal. Uiteindelijk gaat het verhaal over de vrijheid van de mens om te kiezen voor een ander leven dan het leven dat ons van nature gegeven heeft. Het verkent de grenzen van wat kan en ook niet kan. Wat ‘zorg’ voor de medemens betekent maar ook hoe kokerdenken en een tunnelvisie het overneemt van het gezonde verstand. In die zin is het een rijke roman.

De roman is uitermate origineel van opzet met al die perspectieven. De psychologische tekening van de verschillende leden van de woongroep is erg goed getroffen. De politieagente die – toeval of niet – ook Elisabeth heet en zelf worstelt met haar zichzelf uithongerende puber, komt mooi uit de verf. Maar ondanks al deze positieve punten, is het boek geen ‘lekker’ boek. Het leest niet vlotjes weg. Je blijft als het ware, even ver op afstand van de personages als de perspectieven die de auteur kiest. Het boek komt vrij moeizaam tot leven. Een knappe prestatie, maar het blijft toch een beetje aan de droge kant, maar zeker erg boeiend.

Het voedsel voor ‘Gutmenschen’ zoals ik

Wat een hoop dingen betreft ben ik best dubbel. Daar wijst zoon R. me regelmatig op. Hij heeft zich – modieus als hij is – diametraal ten opzichte van zijn ouders bekeerd tot de rechtse kerk. Geliefde J. en ik, zijn ouders dus, zijn kinderen van de hippiegeneratie. Nee, net niet zelf hippie geweest. Nee, onze ouders wilden ‘peace en love’. Dat hebben ze goed aan ons doorgegeven. Wij wilden dat ook. En heus, ik heb me voldoende afgezet tegen mijn ouders, maar dat afzetten gold gewoon niet de politiek; wat dat betreft stonden onze neuzen in dezelfde richting. Zoon R. heeft het vooral gezocht in de politiek, en al sust geliefde J. dat het hem alleen om rechtvaardigheid gaat en dat onze rechtse voormannen onevenredig hard worden aangepakt in de door links gedomineerde media, hij vindt onze keuzes maar niets. Vaak ook hypocriet en dat heeft vaak te maken dat schrijver dezes ook graag van het leven wil genieten en van het leven genieten dat uit zich in grote mate in ETEN. Ik geef het meteen toe: Ik ben een lekkere etert. Ik hou er wel van; lust er wel pap van. Daarom is het ook zo treurig dat ik suikerziekte heb gekregen, want dat beperkt me flink.

Links…ETEN…dat gaat natuurlijk al snel om vlees en melkproducten. Iemand die het goed met het milieu voor heeft – lees: al die linkse gutmenschen zoals J. en ik – zouden geen vlees en geen melkproducten moeten gebruiken. Niet omdat het dierenleed veroorzaakt maar omdat het onze ecologische voetafdruk zo enorm verhoogd. Eten we zelf de bonen in plaats van dat we ze aan het vee voeren dan slinkt onze voetafdruk spectaculair. Een kilo vlees kost een veelvoud aan plantaardig voer.

Hoewel ik veel gelezen heb en al veel uitgeprobeerd, is een veganistisch dieet niets voor mij. Natuurlijk is het een dooddoener dat je maar een keer leeft en dat je alles uit het leven moet halen, maar een heel klein beetje waar is het wel. Dieren maken elkaar dood om elkaar op te eten en ik ben ook zo’n dier. Ik heb natuurlijk een keuze…Oke, hou er maar over op; ik ben hypocriet wat eten betreft en ik hou erg van vlees.

Ondertussen probeer ik met al mijn ondeugden en inconsequenties een zo goed mogelijk leven te leiden. Zo is het bijvoorbeeld een probleem dat ons voedsel doorgaans een reis rond de wereld maakt voordat het op ons bord belandt. Sinds alweer een tijdje bestel ik de groente bij de buurderij. Een nieuw initiatief waar lokale boeren zorgen voor het voedsel van ons stedelingen. Het voedsel dat je besteld is op maximaal 25 kilometer van waar je woont geproduceerd. Echt een goed initiatief. Doorgaans is de groente kakelvers. Nadeel is dat je het niet allemaal zo mooi schoongewassen krijgt zoals het in de supermarkt ligt. En het aanbod is, zo tegen het einde van de winter, wel een beetje karig geworden. En voor het vlees? Dat bestel ik bij de biologische slager. Geen diervriendelijk vlees, want diervriendelijk slachten bestaat niet. Wel vlees van dieren die wat prettiger hebben geleefd…Hoop ik. Ik betaal er graag wat meer voor; ik koop graag wat schuld af.

Librisliteratuurprijs 2021

Gisterenavond werd de shortlist voor de Librisliteratuurprijs 2021 bekend gemaakt. Altijd weer spannend want sinds jaren lees ik hartstochtelijk mee. Ondanks mijn kritiek. Deze keer heb ik ook de overgang van longlist naar shortlist gevolgd. Wat me opvalt aan deze shortlist is dat het wat mij betreft van te voren al vaststaat wie de winnaar wordt. Tenminste, het zou me hogelijk verbazen als er een nog vernieuwender, nog boeiender, nog spannender roman in het lijstje zou kunnen staan dan ‘Mijn lieve gunsteling’ van Marieke Lucas Rijneveld. Ik kan het me haast niet voorstellen. Omdat de roman ‘Bezette gebieden’ van Arnon Grunberg achterbleef in de longlist, schept dat verwachtingen voor de boeken die op de shortlist staan. Ik heb zo verschrikkelijk genoten van ‘Bezette gebieden’. De originaliteit, de diepgang en het absurde. Vreemd dat dat boek niet op de shortlist staat. Jammer ook, want dat boek had ik al gelezen en dat zou mij wat tijd besparen. Ook had ik al van de longlist ‘Ik ben er niet’ van Lize Spit en ‘Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar’ van Cindy Hoetmer gelezen. Wat betreft het librisliteratuurprijs-lezersavontuur slechte keuzes van mij , maar wel leuke boeken om te lezen

Van alle zes boeken die nu op de shortlist staan, heb ik er slechts één gelezen; de roman van Marieke Lucas Rijneveld. Vijf boeken nog te gaan! Dat wordt dus even doorlezen. Ik betwijfel of mijn uitslag eerder komt dan de uitslag van de officiële jury; zoveel tijd kan ik helaas niet aan lezen besteden.

De lijsttrekker van ‘mijn’ partij is juryvoorzitter. Zou dat invloed hebben? Moet ik vooral letten op romans waarin gedramd wordt voor meer vrouwen op hoge posities? (Ja, ik heb de sympathie voor mijn partij behoorlijk verloren. Hoewel ik nog steeds lid ben, vind ik dat geen enkele PvdA minister uit het vorige sloop kabinet nog een tweede kans verdiend; ze hebben massaal gefaald. Ik denk zelfs dat ik deze keer niet op ‘mijn’ partij ga stemmen. Juryvoorzitter van de librisliteratuurprijs 2021 en tevens lijsttrekker van de PvdA Ploumen was minister in het vorige sloop-kabinet. Rutte moet na tien jaar slopen weg, maar wie er voor in de plaats moet komen…geen idee. Dit even terzijde.)

De boeken op de shortlist heb ik – op het boek van Rijneveld na, want dat had ik al – gekocht in de webshop van ‘onze’ kleine boekhandel in de Haarlemmerstraat. Opvallend is, en dat viel me op bij het ‘opbergen’ van mijn e-boeken in mijn virtuele bibliotheek, dat er maar liefst vier auteurs tussen staan wiens naam met een ‘B’ begint.

De lijst…nu nog even alfabetisch op auteursachternaam:

  • Simone Antangana Bekono – Confrontaties
  • Gerda Blees – Wij zijn licht
  • Marijn de Boer – De saamhorigheidsgroep
  • Jeroen Brouwers – Cliënt E. Busken
  • Erwin Mortier – De onbevlekte
  • Marieke Lucas Rijneveld – Mijn lieve gunsteling

Van bovenstaande auteurs ken ik naast Marieke Lucas Rijneveld alleen Erwin Mortier. Van de rest had ik nooit gehoord, laat staan iets gelezen. Dat wordt dus een spannend leesavontuur!

De Wildeborch

Geliefde J. en ik zijn op de Wildeborchseweg in Vorden geland. De Wildeborchseweg is de Wildeborch en de Wildeborch is A.C.W. Staring en Staring is het verhaal van Jaromir dat mijn liefje voor een deel, met pretoogjes, kan reciteren:

Gisteren fietsten we de driehonderd meter naar kasteel De Wildenborch. Als je zo dichtbij een korte-vakantieadres hebt, dan kan je dat toch niet overslaan… Staring bewoonde het kasteel rond 1800. De romantiek. Een periode waarin de Nederlandse kunsten niet echt bloeiden. Hoewel…het lijkt dat er toch steeds meer aandacht voor komt met mooie tentoonstellingen in bijvoorbeeld het Teylersmuseum. Staring leefde ook in de tijd dat het ‘gewone’ volk arm was. Straatarm. De fantastische tentoonstelling in het Amsterdamse stadsarchief over de vondelingen, getuigt van die bittere armoede. Honderden kinderen werden in pure wanhoop te vondeling gelegd. Rond 1800, de tijd van A.C.W. Staring. Bij ons in Amsterdam is de dichter betrekkelijk in de vergetelheid geraakt, maar hier in Lochem en Vorden nog best aanwezig in straatnamen en beelden. En dus De Wildeborch. Het kasteel waar de Staringen eeuwen hebben gewoond, want de familie Staring was niet onbemiddeld. En nog steeds woont er een Staring. Jennine Staring. Tijdens ons bezoek aan het kasteeltje maakte J. nog een praatje met d’r.

De Wildenborch gezien vanuit de binnentuin

Staring was zoals gebruikelijk in die tijd, veel meer dan dichter alleen. Botanicus, landbouwkundige,  politicus, filantroop en vast nog veel meer. Ons bezoek aan het kasteeltje viel samen met ‘sneeuwklokjes dag’, en voor die gelegenheid was de kasteeltuin opengesteld. Dus gingen wij op zoek naar de sporen van de Jaromir dichter. Hij moet de man zijn geweest die de eerste sneeuwklokjes-bolletjes in de grond heeft gestopt en de eerste winter-akonietjes moet hebben geplant, want wat stonden er veel. De tuin is absoluut gigantisch en met heel veel smaak aangelegd, destijds. Wit van de sneeuwklokjes en geel van de akonietjes. Een lust voor het oog. Na de diepe vrieskou van anderhalve week geleden lijkt het begin van de lente uit de grond geëxplodeerd. Staring zou verschillende exotische bomen hebben geplant. Wat ik me tijdens de wandeling alleen kon herinneren was dat het onder anderen om een hele speciale cipres ging. We zagen een boel speciale cipressen, of in ieder geval bomen met naaldachtige bladeren. Soms heel dik, dus heel oud. Maar of dat nou die ene speciale cipres was die de dichter geplant heeft…geen idee. Aan het eind van onze wandeling had de huidige hovenier wat voorbeelden van prachtig hout, geoogst op de Wildenborch, tentoongesteld waaronder een plank…cipressenhout. Wellicht waren we te laat en lag de door de dichter geplante boom hier als gestorven hout op de tafel. Wie weet.

Cindy Hoetmer – Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar.

Ik denk op het ogenblik veel na over rouw. Na het overlijden van schoonzus M. waar liefje J. erg veel moeite mee heeft, natuurlijk, maar ook ik heb er last van. Nauwelijks met het overlijden van M. – hoewel ik erg met J. mee leef, maar wel met alles dat we dit jaar kwijtgeraakt zijn; ons vrije leven en de cultuur. Elke dag mis ik het zo verschrikkelijk terwijl ik het gevoel heb dat ik niet mag klagen. Rouw zie ik ook terug in de autobiografische schetsen, al of niet fictief, bij ‘Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar van Cindy Hoetmer. Ze presenteert zichzelf als ‘voormalig’ schrijver. Dat voelt behoorlijk pijnlijk; als iemand die ‘het’ niet gehaald heeft. En inderdaad; ik had nog nooit van d’r gehoord terwijl ze jaren geleden een paar romans heeft gepubliceerd… Ik vrees dat er zo velen rondlopen, helaas, mensen die veelbelovend waren maar toch niet datgene bereikt hebben wat ze graag hadden gewild; het leven is nou eenmaal onrechtvaardig. In het boekje loopt een vrouw rond die rouwt om datgene wat ze had willen bereiken, maar helaas…niet gehaald heeft.

Als liefhebber van romans had ik in het begin wel moeite om dit boekje te lezen. Het duurt namelijk wel even voordat je doorkrijgt wat er aan de hand is. In schijnbaar losse vegen schildert Cindy Hoetmer het leven van een vrouw die de vijftig is gepasseerd en die worstelend om gezond te blijven toch uiteindelijk steeds in de kroeg beland. Een vrouw waar, volgens eigen zeggen, geen man meer in geïnteresseerd is. Uitgerangeerd is. Op literaire avonden vol succesvollere auteurs rondhangt om uiteindelijk beschonken alleen in bed te belanden. Tijdens die avonden in de kroeg en literaire avonden wordt ze links en rechts afgezeken en beledigd en eigenlijk geeft ze iedereen nog gelijk ook; wie is ze nou helemaal? Een mislukte schrijver die haar geld verdiend met achterlijke baantjes. Het zit haar gewoon niet mee…

De schetsmatige gebeurtenissen die Cindy Hoetmer beschrijft, lijken in het begin onsamenhangende anekdotes. Vaak grappig. Je zoekt diepgang en dat lijkt compleet te ontbreken. Nou moet ik wel zeggen dat ik knap allergisch ben voor drank- en dronkenman verhalen. Daarom heb ik na zo’n bladzijde of veertig overwogen om het boekje dicht te slaan en nooit meer verder te lezen, maar ik ben toch verder gegaan en heb daar uiteindelijk geen spijt van. Het toont de allerminst oppervlakkige worsteling van een ouder wordende vrouw met het leven, nadat ze heeft moeten inzien dat de doelen die ze voor zichzelf had, onhaalbaar zijn gebleken. Ze wilde het leven van een succesvol schrijver, maar dat is niet gelukt. Ze wilde, net als haar ouders, oud worden in een liefdevolle relatie, ook niet gelukt. Wat overbleef was een, in haar eigen ogen, cynische, oudere, mislukte, aan de drank geraakte vrouw. In hoeverre de Cindy Hoetmer als schrijver van het boekje samenvalt met de hoofdpersoon met dezelfde naam, weet ik niet en zou me eigenlijk niet moeten interesseren. Maar dat doe ik toch… Leuk is dat de hoofdpersoon zo’n beetje door de buurt zwalkt waar ik woon. Het decor ken ik, om het zo maar te zeggen. Ik heb een paar keer verschrikkelijk moeten lachen om situaties die ze beschreef.

Achteraf vind ik het boekje meer geslaagd dan toen ik het nog aan het lezen was. Overigens, op de omslag een plaatje van een luiaard; dat dekt niet echt de lading; de hoofdpersoon is niet lui. Ik vind de hoofdpersoon ook geen treuzelaar, meer een worstelaar

DOORGAAN!

Ik ben op het punt gekomen dat ik in mijn fantasie de leden van het OMT, de virologen en de epidemiologen, met pek en veren besmeur en ze het land uitzet. In mijn fantasie, dus. Niet in het echt. In het echt blijf ik beleefd en zouden ze stuk voor stuk mijn vriend of vriendin kunnen zijn (behalve Jaap van Dissel; net even een té grote gelijkhebberd, denk ik). Dat OMT met al haar deskundigen staat voor mij symbool voor de ellende waarin we nu zitten. Terwijl ik natuurlijk dat virus de schuld moet geven in plaats van de mensen die aangeven hoe we het virus moeten bestrijden. Gisteren werd de avondklok door de rechter afgeschaft en meteen weer door een andere rechter ingesteld. Dat bleek een zware dobber voor mijn brein. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik even het gevoel had van ‘een nieuwe lente, een nieuw geluid’ toen ik las dat de avondklok was geschrapt. Niet dat ik vaak na negenen buiten kom, maar het gevoel… Dat vreselijke beklemmende gevoel dat je nergens heen kunt en nergens heen mag. Gisteren viel dat dus voor een paar uur van me af en ik kan het niet ontkennen…daarna hoopte ik met heel mijn hart dat de rechter de avondklok zou blijven verbieden. Maar nee, dus.

Een domper. Een zware domper op mijn toch al donkere gemoed. Hoewel ik altijd best positief ben, ervaar ik de overheid nu als een te kloppen tegenstander die oneigenlijke middelen in de strijd gooit en ik er helemaal geen verweer tegen heb. Ze komen nu met een avondklok spoedwet voor het geval ze de juridische strijd over de huidige maatregel mochten verliezen. Die avondklok is er en blijft er. En dat doet wat met me… Echt waar. Ik ben geen aansteller. Op de één of andere manier is het idee dat de avondklok afgeschaft wordt een lichtpuntje geworden, voor mij. Dat lichtpuntje lijkt nu gedoofd.

Er zijn een paar duizend mensen doodgegaan en velen zijn doodziek geworden. Mensen zijn werkeloos geraakt of dreigen failliet te gaan. Geen inkomsten meer, maar nog wel uitgaven. Wat loop ik toch te zeuren met mijn best wel redelijke inkomen dat gewoon blijft binnenkomen. Alles kan ik kopen wat ik wil. Dan nog zeuren, ook. Kom op zeg!

Oké, laten we ons weer opheffen en doorgaan. DOORGAAN. (En ophouden met zeuren; de vaccinatie komt er aan… en als iedereen ingeënt is…)

Lize Spit – Ik ben er niet; best boeiend

Op 2 februari 2018 stond er een interview in de Volkskrant met Marieke Lucas Rijneveld. Daarin schrijft Sara Berkeljon: ‘Maar vooral moest ze onverbiddelijk leren zijn, ten opzichte van zichzelf, maar ook ten opzichte van haar ouders en het geloof. “Dat advies kwam van Lize Spit (de Vlaamse schrijfster van Het smelt, red.), een goede vriendin van mij. Ik heb het toen heel groot op de muur geschreven, boven mijn bureau: ONVERBIDDELIJK. Tijdens het schrijven keek ik naar dat woord en het hielp.”’ Haar advies om ‘onverbiddelijk’ te zijn, illustreert Lize Spit in de roman ‘Ik ben er niet’, zo lijkt het. Onverbiddelijk zijn voor jezelf en de mensen van wie je houdt, is zonder meer de opgave die auteurs hebben; je kunt niet om jezelf en hen heen. Auteurs zullen vaak het gevoel hebben dat ze verraad plegen want zij die om hen heen leven hebben er niet om gevraagd om in een roman een rol te spelen; dat moet best heftig zijn. Zelfs als je jezelf niet als hoofdpersoon gebruikt in een roman, dan nog heb je het altijd over de mensen die je liefhebt, of, in ieder geval over je naasten. Is het romanpersonage boos op haar vader, dan is er maar één persoon aan wie de schrijver zijn of haar gevoelens kan ontlenen, dat is de fysieke vader van de auteur. Schrijf je als auteur iets over jezelf ten opzichte van een ander, dan komt die ander altijd in de buurt van een persoon in het kringetje rond de auteur. Veel emoties en gebeurtenissen  daar kan je van denken, ach wat maakt het uit. Maar intieme dingen maken natuurlijk wel degelijk uit. Dingen als liefde en seks, om maar een dwarsstraat te noemen. Lees je een roman, dan duik je, zonder dat schrijver of lezer dat wil, in het leven van de schrijver zelf en vorm je een mening over het leven van de auteur.  Als je schrijft pleeg je zonder meer verraad aan je geliefden. De roman van Lize Spit maakt dit expliciet.

Als de roman begint is de ik-figuur Leo net afgestudeerd als scenarioschrijver aan de filmacademie. Zomaar werk krijgt ze niet in haar vak en daarom gaat ze werken bij bedrijf Buik&Boek als verkoopster. De winkel is gespecialiseerd in kleding voor zwangere vrouwen en verkocht in beginsel ook boeken. Dat laatste lijkt in de loop de tijd vervaagd te zijn. In de winkel sluit ze een hechte vriendschap met Lotte. Ook zij zit niet helemaal op haar plek want ze is opgeleid tot actrice. Buik&Boek staat haast model voor de maatschappij waar het voor beginnende kunstenaars erg zoeken is naar werk in de richting waarvoor je ooit gekozen hebt en waar je talenten liggen. Leo woont samen met Simon Spruyt. Hij is een grafisch ontwerper in dienst van het bedrijf TOL. Hij wordt alom gewaardeerd. Wat de verteller wel opmerkt is dat Simon vaak plannen maakt over zijn toekomst die moeilijk uitvoerbaar zijn en die vaak sterven in schoonheid.

Simon laat een tattoo zetten en dat lijkt een breuk in te leiden met alles wat hij tot dan toe dacht en deed. Hij neemt ontslag omdat hij een eigen bedrijf in tattoo-ontwerpen wil starten. Het luidt een enorme gedragsverandering in die uiteindelijk in een psychose eindigt. Nadat Simon weer uit de psychiatrische kliniek komt is er weinig van de oude persoon over. Ondertussen lukt het Leo om in de Libelle een column te krijgen waarin ze in het geheim, onder pseudoniem, het ziekteproces van haar vriend en haar gevoelens daarover beschrijft. De ontluistering van haar psychotische vriend exposeert ze aan de rest van de wereld. Weliswaar onder pseudoniem, maar toch. Ze moet ‘onverbiddelijk’ zijn om het verhaal te schrijven…

Zoals ik al zei komen de personages in een roman nooit volledig los van de auteur en haar omgeving. Vorm je een oordeel over een romanpersonage over hoe hij of zij zich gedragen ten opzichte van de ander, dan houdt dat het gevaar in dat de lezer eigenlijk een oordeel over de auteur zelf geeft. Dat is niet zo. De lezer kan alleen maar uitgaan van wat er in het boek staat, en dat staat voor de lezer los van de auteur. Desalniettemin valt mij wel de wederzijdse afhankelijkheid op van Leo en Simon. Gek genoeg had ik een ander verwachtingspatroon en vind ik de beschreven liefde tussen die twee opvallend tam. Ik zie meer een wisselende ouder-kind relatie dan een gelijkwaardige vurige liefde liefdesrelatie. Ook de beschreven seks past meer in een ‘zorgen-voor-elkaar’ relatie dan een vurige liefde. Het stel voelt onder het lezen nimmer gelijkwaardig; vuur is er niet. Je zou het haast gezapig kunnen noemen. Dat er iets volledig uit de hand loopt, geeft de roman leven.

Leo vertelt dat ze tijdens haar studie leerde wat suspense was; verschil in informatie tussen de held en het publiek. Het publiek weet ietsje meer dan de hoofdpersoon. De roman lijkt gestructureerd met dit stijltype. Twee lijnen lopen door elkaar waarbij de ene lijn wat betreft spanning gevoed wordt door de andere lijn. Eigenlijk is dit dezelfde kunstgreep als die Lize Spit toepaste in haar vorige roman ‘Het smelt’. Op zich werkt het, moet ik zeggen; de laatste vijftig bladzijden waren daardoor buitengewoon spannend.

Als ik een oordeel moet geven over de hele roman, dan zeg ik: Hij was oké. Niet hemeltergend fantastisch, maar goed te lezen en best boeiend.

Adrenaline giert door ’s jongens aderen…

Het is koud buiten. Eigenlijk heb ik geen zin meer om naar buiten te gaan als het al donker is. Als ik begin met werken is het net licht geworden en als ik stop met werken is de zon al onder. Ik zou minstens een rondje moeten fietsen. Maar ik doe het niet. Dat is verschrikkelijk slecht voor me want dat betekent dat ik helemaal geen lichaamsbeweging meer heb. Maar het kan me niet schelen. Voor de vorm controleer ik dagelijks mijn glucosewaarden. Dankzij een sloot insuline hou ik de boel op pijl. Bijna alle pogingen om met een streng dieet de boel op orde te houden daar binnen in mijn lichaam, heb ik opgegeven. Geen zin in. De lol in mijn leven is eigenlijk wel voor een heel groot deel verdwenen. Het is somberheid troef. En ik geef het de regering te doen. We zitten in een serieuze crisis en welke maatregel kan je wel en welke maatregel kan je niet nemen? Ik sta niet voor dergelijke beslissingen…ik onderga ze. En het gaat me niet goed af, moet ik zeggen. Ik verlang zo verschrikkelijk naar leuke dingen! Thuiswerken de hele dag en ’s avonds kijken naar de rellen (die ik al helemaal niet wil) en horen dat de levering van alle vaccins moeizaam gaat…het gaat me allemaal niet in de koude kleren zitten. Dat je niet naar buiten wil, is één ding; dat je niet naar buiten mag, een ander… Het versterkt bij mij het gevoel dat ik opgesloten zit in mijn eigen somberte.

Goed, die avondklok. De regering heeft hem ingesteld. Iedereen voelde dat het een foute beslissing was. Bij deze beslissing had het ‘gevoel’ doorslaggevend moeten zijn en niet de wetenschappelijke onderbouwing, denk ik. Het is best gevaarlijk om over het leed van opgehokte jongens te praten en hun neiging om te rellen want dan zie je de commentaren al komen: ’Denk je dat meiden het minder zwaar hebben?’ Ik denk niet, ik constateer dat vooral jongens rellen en meisjes netjes thuis blijven. Ik denk dat het leed onder jongens tussen de vijftien en de vijfentwintig ongekend groot is. Kijk ik naar mezelf destijds in die periode van mijn leven, dan zou ik, vrees ik, onder de huidige omstandigheden, aan de rand van de complete waanzin staan. Eerlijk gezegd zou ik niet gaan rellen maar het meer op mezelf botvieren. De wereld zou er voor mij nog heel veel zwarter uitzien dan het nu voor mij is. Het idee dat ik niet meer lekker op stap kan, niet meer het leven vieren, geen mensen ontmoeten, niet meer kan genieten van alles wat het leven de moeite waard maakt…ik had het niet kunnen verdragen. Ik heb het er nu al moeilijk mee, laat staan toen ik achttien was.

Ik ben helemaal niet voor rellen, maar de avondklok is een absoluut verkeerde beslissing. Om zo’n maatregel te nemen moet de hele bevolking de urgentie kunnen voelen en dat gaat niet op rationele gronden. Sterker nog,; de infectiecijfers zien er juist gunstig uit… Pas als we zien dat mensen als ratten stikken omdat er niemand meer opgenomen kan worden…Als er ziekenauto’s in de rij staan die hun patiënten niet meer kwijt kunnen…Pas dan kan je gaan denken aan een avondklok.

Opheffen van de avondklok zal de rellen niet meer op laten houden, vrees ik; eindelijk giert de adrenaline weer eens door ’s jongens aderen; dat laat je je als jongen niet zo makkelijk meer afpakken.

Blog van Frits de Klerk