Anna Enquist – Sloop; Somber en mooi.

Onwillekeurig moest ik tijdens het lezen van de roman ‘Sloop’ van Anna Enquist denken aan een aflevering van het Brits komische duo French en Saunders waarin ze een scene uit een film van Ingmar Bergman op de hak namen. Alles zwaar en alles somber; de ene ellende volgt op de andere. ‘Sloop’ is een loodzwaar boek en die kwalificatie zegt – net als de films van Ingmar Bergman, overigens – helemaal niets over de kwaliteit van de roman. Ik vind het een fantastische roman. Een roman over liefde, gemis, rouw en verdriet, een roman waarin de hoofdpersoon naar de zin van het leven zoekt. Een roman waarin de waarde van kunst in het leven wordt gewogen ten opzichte van de liefde voor minnaar en kind. Een complexe mooie roman, kortom, met weinig licht. Of toch een beetje? De hoofdpersoon verknoopt zichzelf nogal met haar rococo vakgenoot Joseph Haydn. Hoewel Anna Enquist vooral de tragiek in het leven van de componist Haydn belicht, blijft hij toch de man die wel degelijk humor in zijn werk bracht. Tenminste ik ken hem vooral van de afscheidssymfonie en de symfonie met de paukenslag. Het oratorium ‘Der Schöpfung’ speelt een belangrijke rol in de roman. Der Schöpfung…de schepping tegenover Sloop. De titel van de roman, maar ook de titel in de roman van het oratorium dat de hoofdpersoon schrijft en dat uiteindelijk ook het sluitstuk is in de roman…hoewel….

Het eerste hoofdstukje van de roman staat bol van de betekenis. Als ouverture raakt het bijna alle thema’s en verhaallijnen die komen gaan. De hoofdpersoon kijkt naar een filmpje zonder geluid van de sloop van een muur waarop een enorme muurschildering staat van een meisje van een jaar of tien op de rug gezien. Ze is aan het touwtje springen. De hoofdpersoon kijkt naar de sloop van het kunstwerk op de muur terwijl ze bedenkt hoe ze het filmpje van de juiste muziek kan voorzien; slopen en scheppen in één adem door. Alice Augustus is een succesvol componiste. Een klarinetconcert dat ze geschreven heeft wordt regelmatig uitgevoerd en ook haar requiem ‘De weduwen’. Ze verdient veel geld met het componeren van jingles onder reclameboodschappen. Ze schaam zich daar erg voor, vandaar dat ze dit ‘triviale’ werk onder pseudoniem schrijft. Door haar werk voor reclamebureaus heeft ze haar man Marcel leren kennen. Hij weet niets van muziek maar alles van beleggen. Ze hebben elkaar ontmoet toen ze onder reclames voor de verschillende beleggingsproducten van zijn bedrijf de muziek componeerde. Alice heeft een grote kinderwens. Ze heeft moeite om zwanger te raken en daarom is ze onder behandeling. Joseph Haydn is de componist die haar het meest lijkt te inspireren. Ze heeft diverse biografieën bij de hand. Officieel, zo leest Alice, bleef Haydn kinderloos. Maar er is in zijn leven een mysterieuze vrouw waar hij geregeld mee correspondeert zonder dat echt duidelijk wordt wat hun relatie precies was. Zijn brieven zijn wel opvallend veel intiemer van toon dan zijn andere brieven en…de vrouw heeft kinderen. Van Haydn? Alice weet het niet.

Als enige vrouwelijke student compositie voelt Alice Augustus zich verloren. Ze is erg talentvol. Ze krijgt tijdens haar studie een heftige relatie met haar leraar, de op dat moment beroemde componist Duck van Dijk; zij rond de twintig terwijl hij tegen zijn pensioen aan zit. De stelling van Duck van Dijk is dat het moederschap en componeren niet samen gaan. Als ze zwanger van hem raakt is de euforie in het begin desalniettemin enorm. Al snel beseft Duck van Dijk hoe groot het leeftijdsverschil is. Hij kan zijn verhouding voor zichzelf niet verantwoorden en beëindigd de relatie. Alice voelt zich met haar zwangere lijf gedumpt. Eigenlijk ziet ze geen andere mogelijkheid dan abortus. Maar voor de abortus kan plaatsvinden krijgt ze een miskraam. Ze trekt zich helemaal in zichzelf terug op een woonboot. Daar komt ze een jongen tegen die zit te vissen. Naar blijkt alleen met aas maar zonder haak. Hij voert twee koi-karpers die door de eigenaar in de rivier zijn gedumpt toen ze ziek waren. Ze zijn niet doodgegaan maar zijn uitgegroeid tot enorme en goed gezonde vissen…ondanks dat ze gedumpt waren. Dat gegeven lijkt Alice ter harte te nemen. Ze krabbelt langzaam weer op en weet het verdriet dat ze voelt van de verbroken relatie en het verlies van de ongeboren vrucht te verwerken in het oratorium ‘De Weduwen’.

In de roman veel spiegelingen en contrasten. Zeer precies en consciëntieus geschreven. Ook met veel gevoel, maar zonder humor. Het is een echte Anna Enquist, somber en mooi!

Sholeh Rezazadeh – De hemel is altijd paars; hypersensitief.

Op sociale media had ik N. uit Teheran ontmoet. Lang geleden. Ik zit niet meer op sociale media, maar destijds wel. Het was een site waarop je correspondentievrienden kon maken over de hele wereld. Omdat ik geïnteresseerd was in de ayatollahs en in eten en N., net als ik, een liefhebber is van lekker eten, nodigde ze ons uit om bij haar te komen eten. Ze was blij verrast toen ik op haar uitnodiging inging en voor geliefde J. en mij zelf een retourtje Teheran kocht. Aldus ontmoette wij haar in het echt. Vreemd genoeg troffen we niet alleen haar dochter en haar aan, maar troffen we bij haar ook nog een man waar ze het nog nooit over gehad had. In een land waar de seksen zo gesegregeerd zijn als in Iran, vond ik dat een beetje raar. Op zich maakte ik er verder weinig gedachten over vuil; ze heeft een vriend, so what. Reza, zo heette hij, reed vriendin N., geliefde J. en mij heel Teheran rond en hij was zeer voorkomend. Ik had gehoord dat er in Iran veel opiumverslaafden leefden. Ik probeerde het daarover te hebben; drugsverslaving als grote stadsprobleem in Amsterdam maar ook in Teheran. Maar ze wilden het er in het geheel niet over hebben. Het leek of vriendin N. iets te vrezen had van die hele aardige Reza. Later bleek Reza geen lover te zijn en dat hij al snel geen contact meer met vriendin N. had. Reza kwam en ging zonder verdere aankondiging. Daardoor zijn we gaan denken dat Reza overheidsbeleid en censuur in persoon was. Maarja, zeker weten doen we het niet.

In de roman ‘De hemel is altijd paars’ van Sholeh Rezazadeh speelt opiumverslaving in het moderne Iran een belangrijke rol. Wat ik gehoord had over die opium in Iran klopte dus zeker wel. ‘De hemel is altijd paars’ is een wel aardige roman over een uit Iran afkomstige jonge vrouw die in Amsterdam een nieuw leven probeert op te bouwen.

In het begin van de roman ligt er op de deurmat van de winkel in tweedehands kleren en spullen van de 32-jarige Arghavan  een brief van de gemeente. Er wordt haar meegedeeld dat de judasbomen waar ze vanuit de winkel op uitkijkt, binnenkort gekapt gaan worden. Judasbomen bloeien met een zee aan paarse bloemen en de bladeren kleuren ook paars. De bomen hebben een speciale betekenis voor d’r. De roman speelt zich af tussen aankondiging van de kap en de rauw om de gekapte bomen. In haar winkel komt vaak Anna. Ze is danseres en ze koopt kleren voor haar groep om dansvoorstellingen te maken. Arghavan en Anna worden vriendinnen. Een andere klant die in haar winkel komt is Johan, een wat oudere excentrieke man. Hij zegt zijn cassetterecorder te willen verkopen omdat hij stuk is. In plaats van geld hoopt hij dat ze een cassetterecorder kan vinden die het wel doet en te ruilen. Met de cassetterecorder neemt hij het geluid van de bomen op, maar dat lukt dus niet meer. Tenslotte maakt ze kennis met Mees. Hij lijkt zo ongeveer van haar leeftijd en hij speelt fluit. Als hij naar fluitles gaat komt hij langs haar winkel en op een dag spreekt hij haar aan. Hij Googelt Arghavan en Google geeft hem een oud Perzisch liedje. Dat studeert hij voor haar in. Dat maakt haar erg verliefd op Mees. Mees doet moeite om haar kennis te laten maken met zijn wereld, maar Arghavan heeft het gevoel dat ze daar niet in past. Mees kapt daarop de beginnende affaire af…en dat valt zo ongeveer samen met de kap van de Judasbomen waar ze op uit kijkt. Waar Anna de dansende levensvreugde vertegenwoordigd en Johan de natuurkrachten is Mees de verpersoonlijking van de liefde.

Ondertussen heeft Arghavan veel herinneringen aan een moeilijke jeugd in het Iraanse Tabriz. Als klein meisje was ze gek op haar vader en haar vader was gek op haar. Moeder was koud en kil tegen haar en laat haar keer op keer weten dat ze ongewenst is. Vader en moeder hebben een tegengestelde houding ten opzicht van de jonge Arghavan. Haar ouders hebben ook veel ruzie. Haar vader is steeds vaker in zijn studeerkamer. Dat is een kamer waar ze niet mag komen. Het ruikt er vreemd. Samen met haar vader leest ze gedichten. De Iraanse cultuur is een cultuur vol gedichten. Op een dag is ze op zoek naar een dichtbundel, maar kan hem niet vinden. Daarom overtreedt ze het verbod om haar vaders kamer in te gaan en ontdekt ze dat haar vader op dat kamertje opium rookt. De opium wordt een steeds groter probleem in het gezin. Moeder kan het niet meer aan en vertrekt en laat de jonge Arghavan achter bij haar vader. Vanaf dat moment gaat de verslaving van kwaad tot erger en moet het meisje maar zien hoe ze ermee omgaat.

De roman is zeker niet onaardig om te lezen. Wat opvalt is de hypersensitiviteit van de hoofdpersoon. Op het sentimentele af. Ik moet zeggen dat ik daar af en toe wel een beetje kriebelig van werd. In die zin kan ik me goed voorstellen dat Mees het al uitmaakt voordat hun relatie iets voorstelt. Verder ligt de symboliek overal een beetje dik bovenop. Dit alles wordt aan de andere kant weer goedgemaakt door een redelijk vlotte maar ook heel poëtische schrijfstijl.

Grensoverschrijdende mails van de PvdA

Ik krijg nog steeds wekelijks een e-mail van de PvdA. Maanden geleden heb ik mijn lidmaatschap opgezegd, maar het komt niet door. Wel qua lidmaatschap, maar de mails blijven doorgaan. Onderaan die wekelijkse mail staat hoe je je kunt uitschrijven, maar dat gaat je niet lukken want dat is alleen mogelijk als je in kunt loggen op ‘mijn PvdA’ en…juist ja, daar heb je alleen toegang toe als lid van de partij…en dat ben ik dus niet meer. En dus krijg ik mailtjes over van alles en nog wat. Omdat ik te lang heb gewacht met het opzeggen van mijn lidmaatschap, irriteren die mailtjes mij in hoge mate. Ik lees ze; ik kan het niet laten. Ik word er boos van, heel boos. Dat komt omdat ik mezelf verwijt dat ik lid was toen ik eigenlijk al wist dat het niet goed voor me was maar dat ‘het, ondanks alles, toch mijn partij’ was. Mensen die nog lid zijn, luister: Als je gaat denken dat een partij ‘ondanks alles’ toch nog steeds ‘jouw geliefde partijtje’ is, zeg het lidmaatschap op! Doe het, voor je eigen gemoedsrust. Ook voor je eigen geweten.

Als ik die ongewenste mailtjes krijg en ze dus lees, dan lees ik ze niet zelf, maar ze worden voorgelezen. In mijn hoofd, niet in het echt. Ze worden voorgelezen door iemand met dezelfde irritante stem en hetzelfde irritante accent als Lillian Ploumen. Dat maakt de mail nog erger. Lillian Ploumen lijkt oppervlakkig gezien sprekend op je lieve Brabantse suikertante maar in werkelijkheid is ze dat zeker niet. We hebben het hier over een nietsontziende kenau die wil heersen over alles en iedereen. We willen het nog wel eens vergeten maar in dat kabinet – Rutte II – wat Nederland uiteindelijk gesloopt heeft was ze minister en in die zin even kwaadaardig als Asscher (kindertoeslagenaffaire), Dijsselbloem (ook al kindertoeslagenaffaire plus de verhoging van de BTW op groente en fruit), Bussemaker (afschaffing basisbeurs). In dat kabinet werd de verhuurdersheffing ingesteld; een belasting die wel geldt voor sociale huur maar niet voor particuliere huur. Oke, stoppen! Mijn bloeddruk! Heb ik allemaal laten gebeuren terwijl ik lid was. Dus draag ik er ook iets van verantwoordelijkheid voor. Ik heb mijn lidmaatschap te laat opgezegd; eigen schuld.

Maar van die mail kom ik dus niet af en dus zie ik de ene Ploumen blunder na de andere voorbij komen. Terwijl de coronacrisis op zijn hoogst was, in elke stad de bevolking onwaarschijnlijk gewelddadig aan het rellen was, heeft Ploumen het over het te geringe aantal vrouwen aan de top. Terwijl niemand er nog het fijne van weet, wordt een gekozen kamerlid naar huis gestuurd wegens…ja wegens wat, precies? Ploumen gaat, als ik het wel heb, uit van het ongewenst bepotelen van vrouwen of het sturen van ranzige mails naar mensen die daar niet op zitten te wachten. Zero-tolerence leest Lillian Ploumen me voor uit haar mail (waar ik weer niet op zat te wachten). Maar Gijs van Dijk weet van niets, denkt dat het komt omdat hij meerdere vriendinnetjes tegelijkertijd had, zo begrijp ik. Misschien ook wel verwerpelijk, maar misschien ook niet; dat mogen hij en zijn vriendinnen lekker met elkaar uitvechten, lijkt me.

Ik wou dat ik van die PvdA mailtjes afkwam…het is echt slecht voor mijn bloeddruk!

We kunnen het – Nelleke Noordervliet; Een mooie Rotterdamse roman in coronatijd.

Een Rotterdamse roman. Als je een roman leest vorm je beelden in je hoofd. Mijn Amsterdamse referentiekader vertaalt een Rotterdams decor makkelijk naar een Amsterdams equivalent. Een belangrijke plek in de roman ‘We kunnen dit’ van Nelleke Noordervliet is de zieltogende boekhandel van Helen Brand. Wat voor beeld vormde deze lezende Amsterdammer daarvan in zijn brein? De inmiddels verdwenen boekhandel aan het Valeriusplein in Amsterdam. Op de een of andere manier past Noordervliets beschrijving wonderwel op het beeld dat ik opgeslagen heb van deze boekwinkel. Ik heb niet zoveel met Rotterdam, maar omdat ik het boek erg fijn vond en de beschrijvingen zo duidelijk, heb ik op Google maps wat routes nagelopen. Zo kwam ik bijvoorbeeld in het parkje terecht in de schaduw van de Laurenskerk en zag ik de door de auteur beschreven bankjes. De mannelijke hoofdpersoon zit in de roman op een bankje aan de kant van het beeld van Erasmus en kijkt naar de overkant waar hij zijn liefde fantaseert. Dan is Google maps weer hartstikke leuk!

Parkje in de schaduw van de Laurenskerk met bankjes naast Erasmus; Google Maps

Ik heb niet zo heel veel van Nelleke Noordervliet gelezen. Dat is jammer, want ze verdient een hogere plek op mijn ranglijst. Slechts twee andere romans: ‘Het oog van de engel’ en ‘In de naam van de vader’. Ook die romans, die ik verschrikkelijk lang geleden gelezen heb, staan me goed bij, en ik heb er goede herinneringen aan. Zoals gezegd, is ‘We kunnen dit’ kortgeleden verschenen. Natuurlijk heb ik meteen een verband gezien met het ‘Wir schaffen das’ van Angela Merkel, maar dat verband heb ik in de roman niet echt gevonden.

Helen Brand heeft de slechtlopende boekhandel van haar vader Jan overgenomen. Ze kan net haar hoofd boven water houden. Ze is rond de veertig, heeft een licht spastisch been en woont alleen. Haar vader helpt haar regelmatig in de zaak. Haar moeder Ank is, lang geleden, toen Helen nog een meisje was, gescheiden van haar vader en kapte ook het contact met Helen grotendeels af. Als Ank later weer contact wil, houdt Helen het uit woede over het verleden, erg af. Op een dag komt er een man in haar winkel die belangstelling heeft voor het werk van oude Griekse filosoof Anaximander. De man stelt zich voor als Leo Wassermann. Helen heeft net als Leo belangstelling voor de klassieke oudheid. Ze is erg gek op de poëzie van Sappho. Vermomd als Sappho en Anaximander beginnen ze een mailwisseling. Al snel ontwikkeld dit naar een liefdesaffaire. Als de liefde pril maar heftig is, bekent Leo dat Wassermann niet zijn achternaam is, maar de achternaam van zijn moeder. Zelf heet hij Brands. Op het moment dat Helen en Leo elkaar leerde kennen had Leo tijdelijk de naam van zijn moeder aangenomen omdat hij zich dichter bij haar wilde voelen. Zijn ouders zijn bij een vliegtuigongeluk omgekomen toen hij elf jaar was. Leo heeft zijn bloeiende bedrijf verkocht en heeft daarmee tijd uitgetrokken om meer te weten te komen over zijn ouders. Vooral zijn moeder.

Het verhaal wordt beurtelings verteld vanuit het perspectief van Helen en van Leo. Ook voor veertigers is de beginnende liefde een precaire zaak waarbij je elkaar moet leren kennen en waarbij je je leven op elkaar moet zien af te stemmen. Misverstanden liggen steeds op de loer. Helen voelt zich door haar handicap kwetsbaar en lijkt moeite te hebben dat iemand zomaar van haar kan houden. Het duurt vrij lang voor ze de liefde in haar leven laat. Dit proces vind ik erg mooi beschreven. Wat lever ik in, wat heb ik ervoor over, wat wil ik veranderen of wat wil ik accepteren van de ander. Ik kan me zo voorstellen dat dat veel moeilijker is voor veertigers dan voor mensen (zoals wij) die als jonkies bij elkaar zijn gekomen. De roman speelt zoals gezegd in Rotterdam en in de huidige coronatijd. Best actueel dus. Dan weer een intelligente lockdown, dan weer open, dan weer een volledige lockdown. Leuk om het allemaal in een roman te lezen, minder leuk om het mee te maken (maar het is niet anders). Hoewel ik erg van de roman genoten heb en alles wat de hoofdpersonen goed invoelbaar is, vond ik de mailwisselingen tussen de verzonnen Anaximander en Sappho maar zozo. Voor mij stoorde dat in het verhaal, maar voor een ander kan dat heel anders zijn. Radio Kootwijk wordt beschreven als een monster… terwijl ik het zo’n mooie sfinx vindt. Nou ja, niet over alles kunnen we het eens zijn. Hoe dan ook, een fijn boek om te lezen!  

Willem van de Velde & Zoon – Scheepvaartmuseum Amsterdam

Gezien op 5 februari 2022

Voor zeventiende-eeuwse schilderijen zal je mij niet snel in het Scheepvaartmuseum vinden. Maar deze keer wel dus. Het museum heeft een overzichtstentoonstelling gemaakt over vader en zoon Van de Velde. Twee mannen die zich helemaal toegelegd hebben op het tekenen en schilderen van boten. Vol in actie op de mooiste schilderijen, rustig in de buurt van het land, op hun leukste schilderijen. Hoewel schilderijen misschien niet helemaal de lading dekt; vader Van de Velde maakte ook veel penschilderijen. In het Rijksmuseum hangen daarvan twee fraaie exemplaren die ik al eerder had bekeken. Het zijn een soort pentekeningen op doek meestal met een zeeslag als onderwerp. Tekeningen met een enorm detailniveau. In het scheepvaartmuseum is een afdeling ingericht voor vader en een afdeling voor zoon ingericht en een verdieping lager hangen twee tapijten met daarop een door Van de Velde ontworpen verbeelding van een zeeslag.

Om bij de laatste afdeling te beginnen; ik heb altijd heel veel respect voor wandtapijten en de kunst van het weven, maar van deze tapijten was ik niet kapot; ik heb wel eens mooiere tapijten gezien. De schepen, en daar gaat het toch om bij deze tapijten, waren nauwelijks herkenbaar geweven. Ik vond de tapijten afbreuk doen aan de schilderijen die een verdieping hoger hingen. Maar anderen, en dan vooral de curators, dachten daar duidelijk anders over. Met nogal wat bombarie werd je de zalen binnengehaald. Een ware deceptie voor mij. Gelukkig gold dat absoluut niet voor de schilderijen en tekeningen die een verdieping hoger hingen.

Wat mij als eerste opviel: Opportunisme was de heren niet vreemd. Vanuit een patriottisch en moreel standpunt hebben de heren nog wel wat uit te leggen, zou ik zo zeggen. Wat ik constateerde was dat zolang het de zeventiende-eeuwse Republiek voor de wind ging de heren schat hemeltje rijk werden van de zeekapiteins en admiraals die op doek hun heldendaden weerspiegeld wilden zien zodat het thuisfront zonder het gegil van de gewonde en de verdrinkende mannen kon genieten van de grootsheid van paps daden. Maar toen kwam het jaar 1672…het rampjaar. Het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos. Voor deze schilderende meesters viel er ineens in ons kikkerlandje niet veel meer te verdienen. De heren Van de Velde zagen dat het van een ander walletje beter eten was. Toen de overgebleven uiteengereten stukken vlees van de lichamen van de gebroeders De Witt nog lillend aan de lynchpaal hingen, stapten ze op de boot richting de vijand aan de andere kant van het kanaal alwaar ze hun kunsten succesvol aanboden aan de vijandelijke koning aldaar. Wij hoeven daar nu niet meer over te oordelen maar in de tentoonstelling wordt over deze opmerkelijke keus van de kunstenaars gezwegen. Het wordt in de tentoonstelling gebracht als niet meer dan een fait accompli. Dat verbaasde me wel een beetje, eerlijk gezegd.

Waar vader meestal koos voor de pen om zijn doeken te vullen, koos zoon Van de Velde doorgaans olieverf. De hoge kwaliteit van hun doeken wordt pas echt zichtbaar als ze naast doeken van anderen hangen. Zo hangen er twee doeken van de slag bij Ter Heijde: Eén door vader Van de Velde en een ander door een wat onbekendere Engelse zeeslagenschilder. Het schilderij van de laatste is een plaatje. Plat en doods terwijl de kanonnen in het schilderij van Van de Velde bulderen, de kruitdamp het zicht op de vijand vertroebeld en de wanhopige mannen in de woelige zee zich vastklampen aan de mast van hun gezonken schip. Het schilderij leeft; er is oorlog gaande vol avontuur, gevaar, heldenmoed, ellende en doodsangst. Maar hoewel alle schilderijen van vader en zoon van een enorme kwaliteit zijn, vind ik vooral de schilderijen waarbij er redelijke rust heerst op de schepen en de zeelieden gewoon hun ding doen het meest interessant. Tijdens een oorlog is men toch vooral bezig met het vernietigen van de vijand en zelf overleven. Een relatief smal deel van het menselijk bestaan; sensationeel, maar het leert je de zeventiende-eeuwse mens niet kennen. Ik leer ze zo graag kennen…

Nederlandse schepen voor de kust bij eb en badende mannen

Het schilderij ‘Nederlandse schepen voor de kust bij eb en badende mannen’ laat ons wel iets zien van het gewone leven in de zeventiende eeuw. Op de achtergrond zien we grote koopvaardij- en oorlogsschepen voor anker. Op de voorgrond een kleiner schip. De was hangt te drogen terwijl de mannen lekker in het water aan het badderen zijn. Zo te zien hebben ze plezier met elkaar. Wat ontbreekt…zwembroeken. De mannen zijn lekker in hun blootje aan het stoeien in de zee. Kom daar in onze preutse tijd maar eens om. Het moet wel een warme dag zijn, daarom des te verbazingwekkender dat de mensen die wel kleren aanhebben zo dik aangekleed lijken. Neem de man met de mand op zijn rug op de voorgrond. Benen en armen zijn bedenkt en op zijn hoofd een muts; geen zonnehoed, maar een muts. Toch een beetje vreemd want kijk je naar alle anderen met kleren aan hun lijf, dan ziet het er helemaal niet zomers uit.

Ik ben blij dat we weer naar tentoonstellingen en musea kunnen. Weliswaar met nagenoeg nutteloos mondkapje op, maar toch. Deze tentoonstelling was heerlijk om mee te beginnen; het is zo genieten van schoonheid; zelfs als dat voor een groot deel bestaat uit oorlog en geweld. Maar ook kruitdampen en woeste golven kunnen zo verschrikkelijk mooi zijn!

Tobi Lakmaker – De Geschiedenis van mijn seksualiteit

De titel van het boek van Tobi Lakmaker trok me helemaal niet aan. Ik zag wel dat het een populair boek was, maar die titel; wat moest ik ermee? Waarom zou ik geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van de seksualiteit van Tobi Lakmaker? Van die boeken waarin iemand uit de kast komt, word ik niet makkelijk erg blij. Maakt niet uit om welke kast het gaat. Ik heb er gewoon een hekel aan. Ik had al op foto’s gezien dat Tobi Lakmaker veel mannelijke trekken heeft terwijl ze vrouw is. Genderverwarring? Geboren in het verkeerde lichaam? Dat uit de kast komen gaat doorgaans gepaard met weinig nuance en nog minder verbeelding. Waarom ik ‘De geschiedenis van mijn seksualiteit’ uiteindelijk toch kocht en toch ging lezen, kan ik niet meer terughalen. Geen idee. Gelukkig maar, want het is een boek dat ik niet graag had willen missen! Een knap geschreven roman die kop noch staart heeft en daardoor zeer origineel is. Hoewel de auteur en de ik-hoofdpersoon beiden dezelfde naam hebben, krijg je geen autobiografische kriebels. Het boek is vooral hilarisch. Vaak wat over-the-top met erg knap getimede kwinkslagen.

Hoofdpersoon is Tobi Lakmaker, in de roman heet ze ook vaak Sofie Lakmaker, is van ‘gemengd’ joodse afkomst en heeft de ambitie om te schrijven en te dichten. Ze groeit op in de Jacob Obrechtstraat; in een buurt, dus, die ik bijzonder goed ken omdat wij er zo lang gewoond hebben. Schijnbaar omdat ze zo graag auteur wil worden gaat ze samenwonen met een gevierd schrijver die ze Sufferd D. noemt. Ze geeft wel om hem, maar houdt niet van hem. De seks vindt ze niet echt fijn. Desalniettemin schrijft hij een roman – Liefde  – waarin zij de hoofdpersoon is. Ze herkent zichzelf niet in de roman. Zeker niet in de foto van een knappe vrouw die op de omslag staat. Als het uitgaat met Sufferd D., gaat ze apart wonen en beseft ze dat ze lesbisch is. Vanaf dat moment volgt een reeks vriendinnen. Als decor gebruikt de auteur het culturele leven van Amsterdam en voetbal en in het bijzonder Ajax.

Ze krijgt vriendinnen die bekend zijn in het culturele leven of via wie de hoofdpersoon vrouwen leert kennen die een bepaalde rol spelen in het circuit. Het gaat over van alles, maar weinig over seksualiteit. De verwachtingen die door de titel worden gewekt komen gelukkig niet uit. De hoofdpersoon valt op vrouwen en is eigenlijk alleen maar op zoek naar liefde en geborgenheid en naar iemand die haar aanvaard zoals ze is. Bovendien wil ze schrijver worden en vecht ze tegen negatieve gevoelens en gedachten. Maar als ik deze karakterisering heb opgeschreven lijkt het een zware humorloze roman te zijn, maar dat is nou precies het verfrissende; het is een hilarische lichte roman met een zware ondertoon die nooit overheerst. Dat maakt het boekje zo verschrikkelijk goed.

Eerst gaat de hoofdpersoon filosofie studeren en later Russisch. De studie filosofie geeft haar de kans om ons langs een reeks filosofen te leiden die vooral in andere tijden erg populair waren. Zo schrijft ze: ”Weet je van wie ik onder de indruk was? Theodor Adorno. Theodor Adorno zei dat wij allemaal luie fascisten waren die eens een boek moesten lezen, in plaats van voortdurend naar de film te gaan. En daar had hij een punt wat mij betreft. Eigenlijk zit het zo: Wittgenstein gaf de taal gelijk, Simone de Beauvoir de vrouwen, en Adorno het leed. De waarheid zit verscholen in het lijden, en wie zijn ogen daarvoor opent heeft het eindelijk: gelijk.” Dat de waarheid zit in het lijden lijkt wel het motto van het boek.

Ik heb er echt van genoten!

Jonathan Franzen – Kruispunt; echt geweldig!!!!!

Nu religieuze Amerikanen op dit moment allemaal rechtse conservatieve Republikeinen lijken, kan je je haast niet voorstellen dat er ook progressieve christelijke groepen zijn. Of in ieder geval zijn geweest. Dat is de eerste verwarring die je ten deel valt als je de roman ‘Kruispunt’ leest van Jonathan Franzen. Deze roman speelt zich in de vroege jaren zeventig af rond de jongerengroep Crossroads van de Gereformeerde doopsgezinde gemeente in een voorstad van Chicago. Een christelijke gemeenschap die voortkwam uit de mennonieten in de tijd van zoek jezelf en vind jezelf en love and peace voor de mensheid. De Vietnamoorlog ging naar haar dramatische hoogtepunt, indianen lieten van zich horen als de gediscrimineerde waarlijke erfgenamen van het Amerikaanse grondgebied. Aldus het decor van deze fantastische roman. Elke letter in deze roman is boeiend, van pagina 1 tot pagina zeshonderd zoveel. In een vertaling gaat altijd wat verloren, maar de inhoud is zo geweldig dat het de nadelen veruit tenietdoet. Ik ben te lui om zo’n grote roman in het origineel te lezen; mijn Engels is niet goed genoeg om alle nuances te begrijpen en dan gaat er ook weer heel veel verloren. In vertaling gelezen, dus. Ondanks dat er iets door de vertaling verloren ging, kan ik niet anders zeggen dat je dat op den duur ook niet meer dwars zit.

In de roman die uit twee grote delen bestaat, volgen we het wel en wee van de familie Hildebrandt. Het gezin bestaat uit vader Russ, hulppredikant van de gemeenschap, moeder Marion, die een voor iedereen verzwegen verleden heeft, oudste zoon Clem die net uit huis is, dochter Becky, die de schoonheid van de school is, zoon Perry die grote drugsproblemen heeft en tenslotte Judson, de jongste zoon. Het verhaal wordt immer in de derde persoon geschreven wisselend vanuit het perspectief van Russ, Marion, Clem en Perry. Het eerste deel speelt zich af vlak voor kerstmis 1971. Het tweede deel vanaf Pasen 1972.

De personages zitten vast in de morele maatstaven die hun kerkgemeenschap hen oplegt. Ze worstelen er mee.  Vooral wat betreft seks en relaties blijken de leden van de familie eigenlijk niet met deze normen te kunnen leven. De oudste zoon, Clem, laat het geloof dan ook vallen. Helaas maakt dat voor hem niet zoveel uit omdat hij zichzelf vervolgens andere heel strenge normen oplegt. Hij is de enige van het gezin die niet meer thuis in de voorstad New Prospect van Chicago woont. Hij vindt dat als je je niet voor honderd procent geeft aan een studie, dat je er dan maar mee op moet houden. Op de universiteit leert hij Sharon kennen. Zonder dat hij echt van haar houdt, gaat hij een heftige seksuele relatie met haar aan. Hij raakt verslaafd aan d’r. Binnen de kerkgemeenschap waarin hij is opgegroeid, is pacifisme de norm. Sharon weet Clem ervan te overtuigen dat pacifisme ook asociale trekken heeft nu de Vietnamoorlog veel soldaten nodig heeft; iemand anders wordt er dan voor jou opgeroepen. Als Clem ontdekt dat zijn studie ernstig lijdt onder zijn seksverslaving aan Sharon, breekt hij met haar en kapt hij zijn studie af en verklaart hij zich bereid om naar Vietnam te gaan. Het verhaal van moeder Marion is een spiegeling van het verhaal van Clem. Voordat ze haar huidige gezin begon had ze een heftige relatie met de getrouwde Bradley. Als hij het uitmaakt en zij ongeveer op hetzelfde moment ontdekt dat ze zwanger is en een abortus laat plegen, draait ze volkomen door en wordt ze opgenomen in een psychiatrische inrichting. Als ze ongeveer genezen is, probeert ze haar abortus en haar psychose te verwerken in de katholieke kerk. Daar ontmoet ze Russ. Russ wist seks en liefde uit zijn leven te houden, maar dan ontmoet hij Marion. Marion leert hem de geneugten van het leven kennen. Maar na het baren van vier kinderen is ze wat zwaarder geworden en somber en lang niet meer zo aantrekkelijk. Op dat moment komt de beeldschone weduwe Frances Caldwell op zijn pad. Hij voelt zich enorm tot haar aangetrokken en doet er alles aan om samen met haar te zijn. Zij lijkt dat ook wel op prijs te stellen. Dochter Becky heeft haar oog laten vallen op Tanner; de gitarist en zanger van de band. Hij speelt veel in de kerk en dan vooral voor de jongerenclub Crossroads. Tanner is echter nog met Laura. Om meerdere redenen is Laura de schrik van de familie Hildebrandt. Becky is de absolute schoonheid van de school en na niet veel inspanning van Becky maakt Tanner het uit met Laura en vormen Becky en Tanner een koppel. Tenslotte zien we ook nog het verhaal door de ogen van Perry. Perry heeft veel eigenschappen van zijn moeder geërfd. Zo is hij, net als zijn moeder, bijzonder slim, maar tegelijkertijd ook bijzonder psychisch labiel. Hij worstelt met verslavingen. Alles wat hem in een roes kan brengen neemt hij in.

Het verhaal speelt zich af rond de jeugdgroep Crossroads. De groep werd in eerste instantie door Russ geleid. Hoogtepunt voor Crossroads is rond Pasen een werkkamp in het gebied van de Navajo’s. De jeugdgroep maakt zich een week lang nuttig voor een gediscrimineerde en achtergestelde groep. Maar alles verandert als Rick Ambrose bij Crossroads stage gaat lopen. Ambrose gaat meer de weg op van  zelfontplooiing en delen van gevoelens die in de jaren zeventig zo populair was. Voor Russ, die meer bij het geloof wil blijven, breken steeds moeilijkere tijden aan want de jongeren voelen meer voor de weg van Ambrose dan voor Russ. Uiteindelijk wordt Russ min of meer uit de jongerengroep gezet.

Ik kan me voorstellen dat de vertalers lang gediscussieerd hebben over het al of niet vertalen van de titel en van de naam van de jeugdgroep. De titel Kruispunt kan echt alleen maar slaan op de jeugdgroep Crossroads. Het wel en wee van de jeugdgroep, daar gaat het om in deze roman. De titel heeft men wel vertaald, maar de naam van de groep niet. Eigenlijk kan ik niets beters verzinnen; het moest wel zo.

Dit is echt een hele goede roman waar je even helemaal in wegzinkt. Een absolute aanrader. Ik was zo gegrepen dat ik via Google maps de plekken heb terug lopen vinden waar alles zich afspeelt. Ik kwam erachter dat de jeugdgroep half Amerika door moest om in het Navajo werkkamp te komen; het land van de grote afstanden!

Schaduwweduwe – Rascha Peper; Een literair juweeltje

Tussen kerst en nieuwjaar hebben we ons teruggetrokken op een eiland in het zuidwesten van Nederland. We hebben een appartementje gehuurd vlak aan de kust. Het strand is de straat uitlopen, enkele tientallen meters naar rechts lopen, dan de dijk over en voilà. We hadden eindeloze fietstochten in het vooruitzicht. Maar helaas, het weer zit niet erg mee. Harde wind en veel regen kluisteren ons een beetje aan ons appartementje. Dan is het sluiten van alles wat leuk is in verband met Corona wel erg zuur. Ik had nu best naar een museum gewild. Maakt niet uit wat ze er hadden neergezet of opgehangen. Maar het is niet anders. In het appartementje een stapeltje boeken. Omdat ik zelf nogal verwikkeld zit in echt zwaar literaire werk dat je af en toe naar een depressieve afgrond leidt (vooral als de 16-jarige uit het gezin Hildebrandt zich kapot snuift en iedereen om drugs leegsteelt) was ik wel toe aan een wat lichter lees verzetje. Ik vond een boekje in de reeks Literaire Juweeltjes geschreven door de veel te vroeg overleden Rascha Peper. In het verleden had ik al best wat van haar gelezen. Lekker leesbare boeken die niet echt beklijven. Ik zou zo uit mijn hoofd geen boeken van haar kunnen noemen die ik gelezen heb. Maar dat zegt verder niet zoveel; haar naam is zeker bij mij blijven hangen en ze heeft me aangename leesuurtjes verschaft.

Het boekje uit de Literaire Juweeltjes reeks heet Schaduwweduwe. Een verhaal dat eerder al twee keer in gedrukte vorm verschenen is, lees ik in de verantwoording. Een mooi en aangrijpend verhaal.

Op een kwade dag luistert hoofdpersoon Hilde een ingesproken bericht af. Marit, de dochter van Thomas, heeft het ingesproken. Ze vertelt dat haar vader Thomas overleden is. Thomas is de minnaar van Hilde. Ze zien elkaar eens in de twee weken op vrijdag. Zowel Thomas als Hilde hebben een vaste partner die niets van deze affaire mag weten. Niemand mag van de relatie weten en daardoor moet haar rouw ook geheim blijven. Dat gaat moeilijk. We zien een vrouw vol leegte en stil ongetoond verdriet. Dat geeft de wrijving die het verhaal voortstuwt.

Het verhaal speelt zich op plekken af die ik zo goed ken; de concertgebouwbuurt van Amsterdam. Ze koopt haar bloemen (appeltjes in haar geval) bij de bloemenwinkel in de Cornelis Schuytstraat. Nou die weet ik wel te vinden. Dat maakt het voor mij nog veel sprekender. Zeker een aanrader. Het verhaal verscheen eerder in de verhalenbundel Een Siciliaanse Lekkernij en ook nog in Zwartwaterkoorts. Lijkt een beetje overdreven om een verhaal drie keer uit te geven, maar toch…een lekker tussendoortje.

Vergeet mij niet – tentoonstelling in het Rijksmuseum

Bezocht op 17 december 2021

Sinds de tentoonstelling over Fré Cohen die op 1 november officieel geopend werd (maar afgelopen zondag zomaar weer gesloten werd), weet ik dat het inrichten van een tentoonstelling meer is dan wat kunstwerken aan de muur hangen. Een tentoonstelling wordt ontworpen. Over van alles en nog wat wordt nagedacht zodat jij als bezoeker zoveel mogelijk kunt genieten en het onderwerp van de tentoonstelling zoveel mogelijk tot haar recht komt. Is het zo dat in een begeleidend boek een soort van wetenschappelijke onderbouwing wordt gegeven over het onderwerp, de tentoonstelling zelf moet de bezoeker verbazen en moet de toeschouwer een nieuw perspectief bieden of van schoonheid laten genieten. Met alle nieuwverworven kennis stapte ik afgelopen vrijdag het Rijksmuseum in om de tentoonstelling ‘Vergeet mij niet’ te bekijken. Ik wist toen nog niet dat het zo’n beetje mijn laatste kans was voordat nieuwe coronadreigingen de lust-for-life afroomden en alle culturele instellingen en alle winkels en restaurants, en café’s hun deuren moesten sluiten…het is niet anders (al huilt mijn hart).

De tentoonstelling heb ik aan de hand van de tour gedaan. Met behulp van de app op mijn telefoon werd ik van zaal naar zaal geleid waar een selectie van de werken die er hingen werd besproken. Zeker niet alle werken die in de zalen hingen. Mijn idee was om later terug te komen en de schilderijen die ik nog niet gezien had op een later tijdstip te bekijken. Van dat laatste is het dus helaas niet meer gekomen… nou ja, laat ik er maar niet meer over uitweiden, het is al treurig genoeg.

De ontwerpers van de tentoonstelling hadden duidelijk voor ruimte gekozen. Niet voor zo veel mogelijk werken, maar voor een aantal zeer bijzondere en die dan in een optimale ruimte. Door het grote aantal zalen, was het aantal te bewonderen schilderijen toch nog enorm. Elke zaal had een thema dat de grondslag vormde voor de reden waarom men het portret had laten maken: Ambitie, vroomheid of liefde, dat soort thema’s. Alle portretten stamden uit de renaissance; de menselijke zelf werd na de donkere middeleeuwen weer als individu geboren. De meeste portretten stamden uit de late vijftiende en de vroege zestiende eeuw.

Portretten van Giuliano en Francesco Giamberti da Sangallo, Piero di Cosimo, 1482 – 1485

Een dubbelportret dat me al tijden fascineert en doorgaans tot de vaste collectie behoort zijn de portretten van Guiliano en Francesco Giamberti da Sangallo geschilderd door Piero di Cosimo. Een portret nog uit de vijftiende eeuw. Nu tentoongesteld op de zaal ‘Ambitie’. Binnen de tentoonstelling bijzonder omdat met behulp van attributen op het schilderij aangegeven wordt wat de heren voor een beroep uitoefenden. Bij de zoon instrumenten waarmee je ruimte kunt tekenen om aan te geven dat hij architect was en bij de vader een blad muziekpapier om aan te geven dat hij componist was. Maar dat fascineerde me allemaal niet. Wat mij verbaasde was de uiterlijke afstotelijkheid van pa Giamberti da Sangallo. Eindelijk werd uitgelegd waarom de man zo lelijk was; hij leefde niet meer toen hij geschilderd werd. Zijn portret was heel precies geschilderd naar het dodenmasker dat van hem gemaakt was. Dat de oren van de arme man dubbelgeklapt hadden gezeten door de doek waarmee zijn gezicht was afgedekt, deerde de schilder niet. Juist die oren…

Anton Fugger door Hans Maler (1480/88-1526/29) 1525

Een ander schilderij bracht mij weer terug naar de laatste vakantie toen alles nog goed was. Onze reis in 2019 naar Italië. Gedreven door de hitte waren we vanuit Ravenna naar Augsburg gereden. Daar bezochten we de Fuggerei; een vroeg 17e eeuws sociaal woningbouwproject gefinancierd door de zeer kapitaalkrachtige bankiersfamilie Fugger. Een vroege voorouder, maar desalniettemin al steenrijk had zich laten portretteren. Met trotse baard en dure kleding en een zeer arrogante oogopslag lijkt hij absoluut niet de sociaal bewogen ambities van zijn nazaten uit te stralen. Maar een portret is maar een momentopname, wie weet hoe hij dacht over een eerlijke verdeling van de welvaart in zijn dagen…

Al met al een verschrikkelijk leuke, interessante en mooie tentoonstelling. Een aanrader. En nu maar hopen dat Nederland weer zo snel uit de museale lockdown komt zodat ik de schilderijen die ik heb overgeslagen alsnog kan bekijken en degene die het nog niet bezocht hebben een kans te geven. Gezien de dalende besmettingscijfers hoop ik zo verschrikkelijk…maar ja, niet essentieel die kunst en cultuur en natuurlijk, je verhongert niet als je niet naar schilderijen kunt kijken, maar je verschraalt wel.

Pärt en Sibelius (en Bruch) van het NedPho in het Concertgebouw

Jaren geleden ging ik op een zondagochtend naar een concert gegeven door viooltalentjes die allemaal les kregen van een lerares die slechts uiterst begaafde leerlingen aannam. Ik kan me niet meer herinneren om welke vioolpedagoge het ging, wel dat het concert in Almere plaatsvond. De vioolleerlingen die destijds tijdens dat concert speelden, waren zeker heel talentvol. De gemiddelde leeftijd op het podium zal niet hoger geweest zijn dan zo’n jaar of dertien. Een wat ouder meisje speelde met pianobegeleiding ‘fratres’ van Arvo Pärt. Het was mijn kennismaking met de muziek van deze componist. Een aangename kennismaking. De muziek raakte me diep. Het is spirituele muziek die je in steeds zichzelf herhalende lussen in hoger sferen brengt. Een ontspanning van de geest treedt op die je in weinig andere muziek tegenkomt. Hoewel er wel wat overeenkomsten zijn met de minimal music van Phillip Glass, is Pärts muziek toch van een geheel andere orde. Waar Glass juist de spanning opzoekt, laat Pärt het van zich afglijden. Ik weet nog dat ik bijna rechtstreeks van het concert naar CD-winkel liep om eindeloos van deze muziek te kunnen genieten.

Afgelopen zaterdag was ik in het concertgebouw. Opgelucht dat de nieuwe coronamaatregelen die precies op dat moment ingingen niet ons concert van het Nederlands Philharmonisch raakte, zaten we op knievriendelijke plekken op het balkon. Voor de derde keer in mijn leven een vrouwelijke dirigent. De Letse Kristiina Poska. Gelukkig groeit het aantal vrouwelijke topdirigenten snel, want Kristiina Paska is een topdirigent. Dat de Baltische landen onafhankelijk van Rusland zijn geworden en toegetreden zijn tot Europa is een muzikaal voordeel voor ons. De muziekbeleving in deze landen is gigantisch en zingen in een koor was lange tijd een vorm van verzet tegen de Sovjetoverheersing. Elk dorp schijn wel drie koren te hebben. Vandaar Mariss Jansons, vandaar Kristiina Poska. Wie kan er nu het beste de muziek van de Letse componist Pärt dirigeren dan de Letse dirigent Poska? Vanaf de begintonen ontspant je geest en al snel word je ogenomen in een hemels mantra. Strijkers, een trom en een woodblock. De muziek begint teder en zacht en dun, wordt op den duur voller en luider om dan weer zachter en ijler te worden en uiteindelijk te doven. Prachtig!

Omdat ik mijn kaartjes kocht tijdens een andere fase in de coronacrises, waren er twee kortere gelijke concerten op een avond gepland. Maar toen werd er versoepeld, en dus mocht er meer publiek in de zaal, en werden de twee kortere concerten samengevoegd en uitgebreid. Het vioolconcert van Max Bruch was de uitbreiding. Violist Tsjechische Jozef Špaček was de solist. Doordat dit concert zo beroemd is kende ik het op mijn duimpje en dat luistert heerlijk omdat echt hoogkwalitatieve muziek nooit verveelt. Het concert werd na de pauze vervolgd met de tweede symfonie van Jean Sibelius. Dat concert had ik even een paar keer moeten beluisteren want hierin raakte ik compleet verdwaald. In het eerste deel was het zo dat als ik een melodie uit de muziek naar boven hoorde komen hij meteen abrupt afgebroken werd. Tenminste dat gevoel had ik. Hetzelfde overkwam mij in het tweede deel. Het derde deel was ineens best goed te volgen. Maar helaas, in het derde deel raakte ik de weg weer kwijt. Dan blijft over dat ik zag dat de paukenist het erg druk had en de slagen vaak op zijn allerhardst op de trommelvellen inbeukten. Ook op mijn trommelvliezen, trouwens.

Dat ik de weg kwijtraakte in die symfonie van Sibelius en dat slechts het paukegeroffel is blijven hangen, zegt meer over mij dan over de kwaliteit van het gebodene; over het geheel genomen heb ik een lekkere avond gehad. Ik ben blij dat de cultuursector nu buiten de coronamaatregelen is gehouden.

Blog van Frits de Klerk