Categoriearchief: columns

Marie Kessels – Levenshonger: Tsja, waar gaat het over?

Het wordt zo langzamerhand een afgezaagd verhaal: Ik heb weer een roman dichtgeslagen terwijl ik al ruim over de helft was. Ook deze keer was het een opluchting. Een roman waar ik met moeite een lijn in kon ontdekken, om vervolgens de gevonden draad weer kwijt te raken. Ik geef het niet graag op, maar als het zoveel moeite kost om je koppie erbij te houden en het desalniettemin niet lukt, dan word ik er erg chagrijnig van. Ik ging deze roman er de schuld van geven dat ik nog niet aan de nieuwe Grunberg kon beginnen. Bovendien zag ik dat de longlist voor de boekenbonliteratuurprijs bekend was gemaakt en dat daar ook boeken tussen stonden die ik graag wil lezen. Een nieuwe roman van Esther Gerritsen, bijvoorbeeld. En dat boek van Marie Kessels schoot maar niet op. Lees je een bladzijde dan vraag je je af: Wie is dat nou weer? Was ik dat personage al eerder tegengekomen? Wat deed’ie toen? Wat is de relatie met de hoofdpersoon? Waar gaat de roman überhaupt over? En toen kwam geliefde J. tussenbeide. ‘Je leest voor je plezier en nergens anders voor’. En: ‘Als je er geen plezier meer in hebt, dan sla je het boek dicht!’ Oké, maar zo makkelijk gaat dat niet; deze jongen is een doorzetter! Bovendien heb ik het boek gekocht; heb ik er geld aan uitgegeven. Er is ook nog eens een auteur! Ze heeft hoogstwaarschijnlijk tijden aan de roman gewerkt. Ze heeft de woorden zorgvuldig afgewogen (overigens kwam ik wel wat hele rare zinnen tegen…) en het beste van haar gegeven. Dat zou je moeten eren. Maar toch, ik heb de strijd verloren…het is triest…

Vanuit het perspectief van Elzbieta krijgen we een inkijkje in het leven van de Poolse arbeidsmigranten in Nederland. Of niet. Krijgen we via Elzbieta inzicht in het leven van een intelligente artistieke Poolse jonge vrouw die toevallig in een slachterij is komen te werken en in Nederland mensen leert kennen? Of gaat het over een vrouw die de levensverhalen van verschillende mensen optekent waarbij de samenhang tussen de personen en de hoofdpersoon eigenlijk niet belangrijk is? Ik weet het niet en ik krijg er ook geen hoogte van. Feit is in ieder geval dat de hoofdpersoon Elzbieta, een jonge Poolse vrouw, in Nederland in een varkensslachterij werkt. Verder is eigenlijk alles vaag en alles blijft vaag.

Ineens is er een dakloze man die glazenier blijkt te zijn. Hij had meer aandacht voor de artistieke- dan voor de zakelijke kant van het maken van gebrandschilderde ramen. Een heel verhaal. Maar…wat heeft het te maken met Elzbieta die in de varkensslachterij werkt? Ze woont samen met activiste (?) Bo. Die ook op de slachterij werkt en aantekeningen maakt over de arbeidsomstandigheden, geloof ik. Ze heeft een psychisch labiele vriend waar ze zich samen een stuk in de kraag drinkt…denk ik.

Wellicht lees ik niet zorgvuldig genoeg, of heb ik stukken niet begrepen terwijl ik me niet afvroeg wat de betekenis was en heb ik daardoor weer de rest niet begrepen, kortom, het kan aan mezelf liggen, maar deze roman is helemaal niks voor mij. Ik hoop dat anderen hem erg mooi vinden zodat het werk van de schrijfster niet voor niets is geweest.

Els Florijn – Het meisje dat verdween; het is het net niet

Er is iets met deze roman. Op de één of andere manier is hij niet helemaal eerlijk. Niet dat de schrijfster een leugenaar is, dat bedoel ik niet. Het heeft iets van…nee, het is het net niet. Moeilijk te omschrijven. Misschien moet ik toch een poging wagen. De roman is losjes gebaseerd op de dingen die een familie van vlees en bloed in het echt heeft meegemaakt tijdens de tweede wereldoorlog. Als je op zo’n manier een roman schrijft, brengt dat allerhande problemen met zich mee. Je gaat je als lezer afvragen wat precies ‘echt’ gebeurd is en wat de schrijver verzonnen heeft. Zuig je iets geheel en al uit je duim dan heb je alle mogelijkheden om uit te leggen waarom mensen doen zoals ze doen in de roman. Beschrijf je dingen die mensen in het echt hebben meegemaakt en gedaan, dan is het de taak van de schrijver om de gedachtegang van de personages erbij te verzinnen. Zit er dan onvoldoende causaliteit tussen verzonnen gedachten en wat ze ooit ‘in het echt’ hebben gedaan, dan rammelt het. Die oorzakelijkheid moet helemaal kloppen, anders gaat de geloofwaardigheid van de roman verloren. In de details mis ik mensen die volledig als mensen handelen en rammelt het een beetje. De roman ontroert en is erg boeiend maar laat het je toch met een leeg gevoel achter. Ik denk dat dat het is.

Aan de roman gaat veel vooraf: Op 4 mei 2008 werd de documentaire ‘De andere familie Frank’ uitgezonden. Die andere familie Frank was een joods gezin (en dus niet de familie Frank van Anne) dat voor de oorlog floreerde in het Betuwse plaatsje Ochten. De vader in het gezin was een verwoed filmamateur en bleek veel van het ‘gewone’ leven te hebben vastgelegd. In Ochten had hij een grote modezaak die bijzonder goed draaide. Hij was een gezien figuur in het verenigingsleven van het stadje en een sponsor van alles en nog wat. In het naburige plaatsje Lienden woonde de neef van de filmende man uit Ochten. In de documentaire wordt ook het verhaal van deze familie uit de doeken gedaan omdat de dochtertjes van beide families regelmatig bij elkaar over de vloer kwamen en ze dan gefilmd werden. Om deze, nog weer, andere familie Frank in Lienden gaat het in de roman van Els Florijn. Waar de Ochtense familie bewust niet onderdook met hun dochtertjes en dus getroffen werd door het noodlot van de Europese joden en vermoord werd, wist het grootste deel van de Liendense tak te overleven door onder te duiken. Daarbij werd het jongste dochtertje, verschrikkelijk onbedoeld, opgeofferd. Hoewel de schrijfster uitdrukkelijk stelt dat ze alles verzonnen heeft, wijst ze de lezer op de aflevering van ‘Andere tijden’, en schrijft ze een verantwoording achter in het boek. Het probleem van wat ‘echt’ is en wat verzonnen, wordt daarmee nog eens extra benadrukt en bij de lezer neergelegd. Bovendien gaat de lezer zich daardoor afvragen waarom de schrijfster in haar roman ingrepen doet op het ‘echte’ verhaal. Niet eenvoudig allemaal.

Het romanverhaal: Als de in  Lienden wonende joodse familie een oproep krijgt om naar een werkkamp te gaan, besluiten ze onder te duiken. Het gezin bestaat op dat moment uit vader en moeder plus de aangenomen puberdochter Lotte en hun eigen peuter dochtertje Ditte. De boer waarmee de vader een onderduikdeal heeft gesloten, vindt het peutertje te gevaarlijk als onderduikster. Met het idee dat men zo’n peutertje toch niets zal aandoen en in het vertrouwen dat het dienstmeisje – dat al een sterke band met Ditte heeft – voor het kind zal gaan zorgen zolang de onderduik duurt, laat de familie de jongste achter in haar bedje, terwijl de familie in de nacht vertrekt naar hun onderduikadres. Hoewel het dienstmeisje graag voor Ditte wil zorgen, lijkt het of de moeder van het dienstmeisje het kind niet in huis wil hebben. De burgemeester met de plaatselijke politieagent, komen het kind halen en brengen het naar de ‘schouwburg’ ergens in een stad. Vandaar wordt het kind, onder de hoede van een toevallige andere moeder, naar een vernietigingskamp gebracht en vermoord. Ondertussen wordt het andere deel van de familie uit de onderduik-boerderij gezet omdat het geld om de boer te betalen op is. Na een barre en bange voettocht weten ze een betrouwbare onderduik te krijgen in een pastorie. Daar krijgt het gezin te horen dat Ditte al na een paar dagen in verkeerde handen gevallen is. De familie moet dat, onder benarde omstandigheden zien te verwerken. Als de oorlog afgelopen is valt het gezin door schuldgevoelens en verwijten snel uit elkaar.

Beurtelings wordt het verhaal vertelt vanuit het perspectief van de twee zusjes Ditte en Lotte.

Ik moet zeggen dat ik de roman, met wat enge gevoelens, in één ruk heb uitgelezen. Op veel plaatsen ontroerde de roman me ook. Het is werkelijk heel boeiend. Ook heel tragisch. Maar desalniettemin laat het je ook achter met een beetje raar, onecht, gevoel. De karakters zijn aan de platte kant en soms klopt het verband tussen wat mensen denken en wat ze doen niet helemaal. Niet dat je kunt zeggen het ‘klopt niet’, maar soms heb je het gevoel dat er wat zand tussen de regels gestrooid is. Net niet.

Willem Frederik Hermans – Herinneringen van een engelbewaarder; De wolk van niet weten.

Herlezen is eigenlijk niets voor mij. Ik doe het maar heel zelden.  Ik heb een vrij goed geheugen., vind ik, dus waarom zou ik ook. Inderdaad heb ik best een goed geheugen, maar lang niet zo goed als ik vaak placht te denken. Laat ik eigenlijk maar eerlijk zijn; een roman moet wel heel veel indruk maken wil ik me er na een jaar nog iets van herinneren. Vandaar dat ik best content ben met al die recensies op deze site. Op de een of andere manier is het best jammer, vind ik, om al die moeite die auteurs gestopt hebben in hun boeken,  in de lezer weg te zien drijven als een takje in een rivier. In mijn Fré Cohen onderzoek kwam ik te schrijven over de Duitse inval op 10 mei 1940. Dat het een dramatische bladzijde is in onze vaderlandse geschiedenis, behoeft geen betoog, maar hoe geef je precies de wanhoop die de mensen toen moeten hebben gevoeld weer? Hoe maak je het voor de lezer invoelbaar. We hadden daar binnen ons clubje wat discussie over. Inhoudelijk waren we het wel eens, maar hoe schrijf je het precies op… toen herinnerde ik me een roman die ik zo’n veertig jaar geleden gelezen had. Een roman die kennelijk een overweldigende indruk op me gemaakt heeft want ik herinnerde me iets van de inhoud en de sfeer. ‘Herinneringen van een engelbewaarder ‘ van Willem  Frederik Hermans.  Dus ging ik op zoek naar deze roman. Als e-book uiteraard. Maar helaas, niet te krijgen. Nooit als e-book uitgegeven. Wel al zijn andere boeken zijn in dat formaat verkrijgbaar, maar deze niet. Hermans beschouwde deze roman als een van zijn beste, maar daar waren kennelijk maar weinig lezers het mee eens. Gelukkig vond ik het boek, tweedehands bij de uit haar as herrezen De Slegte. Dat de roman destijds zoveel indruk maakte, vind ik niet zo gek, want ook na herlezing blijkt de roman een parel. Een sombere parel, weliswaar, maar ook een fantastische.

Op 9 mei 1940 brengt officier van justitie  Bert Alberegt zijn uit Duitsland gevluchte joodse liefje, waarmee hij een aantal maanden heeft samengewoond, naar de boot in Hoek van Holland. Zij wil een nieuw leven, zonder dreiging voor vervolging beginnen in Amerika en vaart daarvoor eerst naar Engeland. Alberegt wil niet met haar mee, omdat hij dan zijn comfortabele leven als officier van justitie moet achterlaten. Vanaf Hoek van Holland heeft hij verschrikkelijke haast om terug te rijden, want een rechtszitting wacht op hem. Om zijn weg te verkorten neemt hij een kortere weg over een stille eenrichtingsverkeer weg maar rijdt hem vanaf de verkeerde kant in.  Halverwege de weg botst hij op een meisje dat op slag dood is. In zijn haast gooit hij het dode kind in.de struiken en rijdt snel door. Hij is op tijd voor de rechtszaak tegen journalist Van Dam. De journalist is aangeklaagd vanwege het beledigen van een bevriend staatshoofd…Adolf Hitler,  dus. Alberegt vindt dat de journalist veroordeeld moet worden maar haast buiten zichzelf om eist hij ontslag van  rechtsvervolging.  Dit alles blijkt de opmaat naar een vlucht naar Engeland die er nooit zou komen. Wil hij bij nader inzien toch verder samen met zijn joodse liefje en haar achterna reizen? Wil hij vluchten en daarmee de misdaad van het doodrijden van het meisje verhullen? Wil hij vluchten voor de Duitsers nu hij als officier van justitie een man heeft vrijgesproken van het beledigen van Hitler? In ieder geval dat laatste niet, want dat gebruikt hij vooral als argument om te ‘mogen’ vluchten.

Belangrijk in zijn leven is zijn beste vriend Erik. Erik is een zeer geslaagde uitgever die het middelpunt lijkt te vormen in een netwerk dat vluchtelingen uit Duitsland helpt. Alberegt is via hem ook in contact gekomen met zijn Duits-joodse liefje Sysy. Erik is getrouwd met Mimi en dat is Alberegts vroegere verloofde. Erik heeft er ook voor gezorgd dat het oudere echtpaar Leikowits in Nederland onderdak kreeg. Ze kregen wel de zorgen over het meisje Ottla Lindenbaum wiens ouders gevangen zitten in een concentratiekamp. Ottla Lindenbaum is het meisje dat Alberegt doodrijdt. Via vriend Erik, die naarstig op zoek is naar Ottla, blijft Alberegt geconfronteerd worden met zijn misdaad. Erik is in vele opzichten de betere Alberegt. Erik is het wel gelukt om met Mimi iets op te bouwen. Erik is een jonge vrouwen verslinder zonder dat Mimi er last van lijkt te hebben. Erik is rijk. Erik zorgt voor joodse mensen terwijl Erik ze doodrijdt. Of joodse mensen heel veel zorgen bezorgt (Leikowits) of profiteert van haar situatie (Sysy). Niet alles volledig bewust of expres, maar hij doet het desondanks wel.

Broer Rense is kunstenaar en Alberegt vindt de kunst die Rense maakt helemaal niets. Het zijn effen gekleurde schilderijen. Alberegt krijgt van zijn collega te horen dat in een neergeschoten Duits vliegtuig een lijst personen is gevonden die de Duitsers willen arresteren zodra ze Nederland bezet hebben. Op die lijst zou broer Rense staan. Door hem te waarschuwen hoopt Alberegt dat zijn broer, wellicht samen met hem, zal vluchten, maar ook Rense weigert…en dat heeft gevolgen.

Willem Frederik Hermans heeft een behoorlijke stempel op de literatuurtheorie gedrukt. In één van zijn vele essays vertelt hij hoe een klassieke roman in elkaar moet zitten. Alles wat in de roman voorkomt moet op één of andere manier een functie hebben. Hij introduceerde het begrip ‘witte pater’. Als ik me niet vergis kwamen er tijdens de opnamen van de film ‘Als twee druppels water’ naar de roman ‘De donkere kamer van Damocles’ per ongeluk witte paters in beeld die geen enkele functie in het verhaal hadden. Een ‘witte pater’ is een stijlfout, volgens Hermans. In de romans van Hermans zouden geen witte paters moeten zitten. Dat is dus een uitdaging. Ik vond wel wat dingen waarvan ik me afvroeg waarom het erin zat. Laten we zeggen geen witte paters maar dat ik zaken heb gevonden waarvan ik de functie niet gevonden of begrepen heb. Neem bijvoorbeeld dit: Alberegt rijdt het meisje Ottla dood terwijl ze een brief wil posten. Alberegt neemt de brief mee en leest hem. Hij is opgesteld in het Tsjechisch en ondertekend met ‘Veverka’. Eekhoorn betekent dat. Ik begrijp de functie van eekhoorn niet. Klaarblijkelijk is het wel belangrijk want het komt regelmatig terug in de roman. Nee, geen witte pater, ik zou dat niet zo durven benoemen bij een auteur als Willem Frederik Hermans.

Ik denk dat ik deze roman één van zijn sterkste vind. Jammer dat hij nog niet elektronisch is uitgebracht!

PS Oke, die naam Alberegt. Beetje flauw een Officier van justitie de naam Al berecht te geven. Sysy is ook zo’n naam. Geen idee of dat nog betekenis heeft in de roman. Er blijven nog aardig wat raadsels over.

De Slegte

Het was mijn vaste  doel in veel weekends en het maakte de Amsterdamse Kalverstraat aantrekkelijk voor mij. Terwijl de beroemdste winkelstraat van het land vol slibde met trendy schoenenwinkels en modezaken, bleef één winkel zich heldhaftig handhaven; de ramsj boekwinkel en tevens boekantiquariaat De Slegte. Maar enkele jaren geleden moest ook deze winkel de deuren sluiten en daarmee verdween alle aantrekkelijkheid uit de Kalverstraat voor mij. De afgelopen jaren kwam ik er zelden want wat heb ik daar nog te zoeken? Ik ben helemaal niet geïnteresseerd in mode en schoenen. Er modieus uitzien, hoeft voor mij niet en de schoenen die ze in de Kalverstraat verkopen passen niet aan mijn gemankeerde voeten. Deze jongen wil neuzen in boeken en plaatjes bekijken in boeken en me vergapen aan mislukte, maar overdonderende, uitgaven. Dat kon bij De Slegte. En nergens anders!

Na een treurig makende uitverkoopronde trok De Slechte in bij Holkema, Scheltema en Vermeulen, vlakbij het Koningsplein. En hoewel ik er regelmatig kwam en er zelfs wel eens iets gekocht heb, stap je die winkel juist in voor de nieuwe boeken die wel goed lopen. De charme van De Slegte is juist dat er boeken liggen die verweesd zijn, ongewenst, niet mooi genoeg voor het grote publiek. Ook tweedehands boeken. Eindeloze boekenkasten vol met tweedehandsboeken over elk denkbaar onderwerp. Dat maakt het zo verschrikkelijk leuk om er te snuffelen, je weet nooit of je iets vindt en…het kan best zijn dat je iets vindt maar dat het, als je thuis door het boek zit te bladeren, ontdekt dat het boek in kwestie terecht bij De Slegte terecht is gekomen. Dat kan dus. Dat het echt niks aan is. Een echte miskoop is het toch niet want zoveel geld heb je er niet aan uitgegeven. Het kost je hoogstens ruimte in je boekenkast. Zo heeft er jarenlang een verschrikkelijk dik boek in mijn boekenkast gestaan over Friese gebruiken en klederdracht. Het leek zo mooi maar verder dan één keer wat bladeren is het nooit gekomen. Ik heb het boek, samen met veel mij zeer dierbare boeken, in dozen gestopt en op laten halen door iemand die in tweede- en derdehands boeken wilde handelen. Gratis en voor niets. Ik las al een tijdje uitsluitend e-books dus waarom zou ik een stoffige bibliotheek in stand willen houden waar ik nooit meer een boek uithaal dat ik ga lezen?

Totdat ik me herinnerde dat ik een boek gelezen had (en in mijn bezit heb gehad) dat ging over de dagen rond de Duitse inval in 1940. Een boek dat de sfeer van wanhoop en gebroken toekomstverwachtingen zo haarfijn weergaf dat ik het graag nog een keer wilde lezen. ‘Herinneringen van een engelbewaarder’ van Willem Frederik Hermans. Hijzelf vond het één Van zijn beste boeken, maar de ‘literatuurwetenschap’ dacht er ietsje anders over. Het boek bleek nooit als e-book te zijn uitgegeven. Veel andere boeken van deze belangrijke auteur wel, maar juist dit boek niet.

Kortgeleden fietste ik mijn rondje om enigszins fit te blijven in coronatijd. Mijn rondje is dagelijks anders en zo fietste ik door de Vijzelstraat en wat zag ik tot mijn grote vreugde? Juist ja, een gloednieuwe winkel van De Slechte. Meteen stapte ik naar binnen en snuffelde en bladerde alsof ik het jaren gemist had (wat ook zo was, natuurlijk). Toen herinnerde ik me welk boek ik graag lezen wilde en ja hoor, ze hadden het tweede hands. Ik heb het bijna uit. Een papieren boek terwijl ik net een nieuwe e-reader voor mijn verjaardag gekregen heb! En…het is een fantastisch boek!

Waarom wil niemand vechten voor de goede zaak?

Een hand afhakken als iemand iets gestolen heeft. Vrouwen volledige bedekken terwijl de hitte niet te harden is. Vrouwen zwaar achterstellen op alle terreinen; werk, studie, vrij kunnen bewegen. Alles onbelangrijk maken of verbieden dat het leven kleur geeft. Een verschrikkelijk vooruitzicht moet het zijn daar in Afghanistan. Ik heb erg te doen met de Afghanen. Vooral met de vrouwen. Maar is dat wel terecht? Ga ik niet te veel uit van mijn eigen waarden? Ik moet er niet aan denken dat ik daar in dat oord onder Taliban regime moet leven en dat geliefde J. volledig afhankelijk is van mij. Het idee alleen al doet me naar adem happen. De paniek op het vliegveld van Kabul, waar velen nog weg proberen te komen; het zegt helemaal niets over hoe de Afghanen zelf staan tegenover het nieuwe regime. Na een gewelddadige overname van een land dreigt bijltjesdag helaas altijd en proberen de dienaren van het verdreven regime hun vege lijf te redden.

Het terugtrekken van de Amerikaanse troepen zou een blunder van president Biden zijn. Ik ben het daar niet mee eens. Onder leiding van de Verenigde Staten is het leger van Afghanistan opgebouwd. Politie is getraind en van equipment voorzien. Legereenheden hebben moderne wapens gekregen en zijn opgeleid om een stevige oorlog te voeren. Er is zelfs een elite-eenheid gevormd. Echte ijzervreters die voor niets en niemand bang zijn. Het aantal soldaten dat aan de kant van het oude regime had moeten vechten was enkele malen groter dan het plattelandsleger van de Taliban. Het opleiden en uitrusten van leger en politie heeft een astronomisch bedrag gekost. Als je als westerse wereld zoveel moeite en geld in dat leger hebt gestopt, dan houdt het op een dag op. Dan moet je ervan uitgaan dat het land zichzelf kan verdedigen. Ik vind het dan ook helemaal terecht dat Biden zijn Amerikaanse leger terugtrok en dat andere westerse landen volgden. Maar dat leger bleek dus helemaal niet te willen vechten tegen de Taliban… De wapens van het leger werden in no-time – keurig – overgedragen aan de Taliban, vaak zonder dat er een schot mee gelost was en als Amerika en de westerse bondgenoten niet snel maken dat ze wegkomen, dan lopen ze het risico dat ze met hun eigen wapens beschoten worden.

Een echte analyse heb ik niet. Ik mis kennis over de Afghaanse samenleving. Ik heb wel wat gedachtes. Volgens mij duurt de oorlog al decennia; eerst tegen elkaar, toen tegen de russen, maar ook tegen elkaar, toen tegen de Amerikanen, maar ook tegen elkaar, toen tegen de westerse landen maar uiteindelijk ook tegen elkaar. De Taliban zijn mensen in Afghanistan. Niet een buitenlandse mogendheid. Het zijn Afghanen die hun land en landgenoten kennen. Die de gewoonten kennen. In onze ogen zijn de Taliban achterlijke vrouwenonderdrukkers die het land mee terug willen nemen naar de middeleeuwen, maar geldt dat ook voor de Afghanen? Ik heb het idee dat de Afghanen de Taliban willen. Dat de mannen daar graag hun vrouwen onderdrukken en vooral…dom houden. Misschien willen de vrouwen dat voor een groot deel ook zelf wel. Waarom wil anders niemand vechten voor de ‘goede’ zaak?  

De rassenvlag op het Rijksmuseum

Amsterdam is pride. Zoiets. Wat in ieder geval waar is, is dat mensen met een andere (seksuele) geaardheid dan hetero laten zien dat ze er zijn. Niet alleen dat ze er überhaupt zijn, maar ook dat ze er mogen zijn. Dat we (who ever that may be) accepteren dat iedereen vrij is om de liefde te vieren die bij jou past en te zijn wie je voelt dat je bent. De enige voorwaarde is dat alle betrokkenen, volwassen mensen zijn als er seks aan te pas komt. In die zin horen hetero’s, zeg maar de grote gewone massa, waartoe ik behoor, er helemaal gewoon bij. Ik vier de liefde net zo goed op de manier zoals ik wil en ik val aardig samen met de persoon die ik voel te zijn. Maar ja, dus heel gewoon; huisje, boompje, beestje, zullen we maar zeggen. Niks bijzonders, dus. Maar ik vind me er zeker wel bij horen! De medemens die wat minder het gebaande pad volgt dan ik, staat op dit moment wat meer in het middelpunt, en dat is terecht, maar ik hoor er desalniettemin bij. Om te symboliseren dat iedereen erbij hoort, is er een vlag gekozen die daarbij past; de regenboogvlag.

In de regenboog zitten alle kleuren en alle kleuren staat voor iedereen. Wie precies? IEDEREEN!!!! Geen uitzonderingen. We mogen er ALLEMAAL zijn. Wie je sekspartner is, of je geen of veel sekspartners hebt, hoe je je gedraagt, hoe je je voelt, wat de kleur van je huid is. Zelfs als je je een niets voelt met een kleurloze huid en seks niet eens met jezelf wil, zelfs dan hoor je erbij! Dat symboliseert de regenboog op de regenboogvlag.

Duidelijk toch? IEDEREEN hoort erbij en daar staat de regenboogvlag symbool voor. Wie kan dat nou niet begrijpen.

Ja hoor, woke mensen begrijpen er helemaal niets van. Ze voelen niet dat de regenboog op de vlag net zo goed mensen met een donkere huid symboliseert. Ze poneren dat de regenboogvlag eigenlijk een racistische vlag is, want bruin komt niet voor in de regenboog, laat staan zwart. Klopt, maar het gaat dus helemaal niet over of de kleuren die erop staan, het gaat om waar de regenboog voor staat, het symbool; Alles en iedereen. Zonder aanziens des persoons. Eigenlijk een beetje zoals vrouwe Justitia met haar blinddoek voor. Ze zou geen onderscheid moeten maken tussen mensen; iedereen is gelijk.

Als je de regenboog gaat veranderen in een kleurenvlag waarbij de kleuren staan voor de mensen die erbij horen, dan heb je automatisch ook mensen die er NIET bijhoren. Een bruine streep toevoegen draait de betekenis van de regenboogvlag om. Je moet de vlag dan zo lezen dat alleen de mensen met een huidskleur die op de vlag voorkomt erbij horen. De aangevulde regenboogvlag is daarmee een racistisch, niet-inclusief symbool geworden… Vooral kunsthistorici, thuis in het duiden van symboliek, zouden dit moeten beseffen. Maar helaas is het Rijksmuseum woke geworden en het interpreteren van symbolen zegt ze niet meer zoveel. Ik voel me best buitengesloten door ‘mijn’ museum

Het culturele seizoen is begonnen!

Langzaam neem ik afscheid van de vakantie en komt het gewone leven ervoor in de plaats. Terug naar kantoor? Nou nee, helemaal gewoon is het niet en wordt het niet. Wij gaan door met thuiswerken en al die vaccinaties lijken daar niets aan te veranderen. Thuiswerken heeft me aan de rand van de wanhoop gebracht. Maar hoe groot is mijn Covid-lijden eigenlijk als je dat vergelijkt met hoe anderen eronder lijden? Studenten bijvoorbeeld. Alleen nog maar college op afstand. Geen feesten en niet lekker nog even met z’n allen naar de kroeg. Geen nieuwe leeftijdsgenoten leren kennen, de liefde in de ijskast. Maar hoe groot is het lijden van ‘gewone’ studenten als je dat weer legt naast het lijden van studenten die voor het podium worden opgeleid? Muziekstudenten, toneel- of balletstudenten?

Gisteren werd er een tipje van de sluier opgelicht. We hadden een vakantieafscheidsweekend met concert geboekt. Een concert in de achtertuin van ACW-Staring-burcht de Wildenborch. Het concert was mede georganiseerd door het Nederlands Jeugd Orkest. Twee ensembles traden voor ons op: Het Pelargos strijkkwartet en het Sweelinck Koperkwintet. Leden van de beide ensembles waren net afgestudeerde- of nog net niet afgestudeerde musici. Terwijl de mannen van het koperkwintet met veel plezier en humor een concert gaven op de traditionele manier, koos het strijkkwartet voor een vernieuwde vorm. Tussen de muziek door lazen ze intieme brieffragmenten voor van componisten Ludwig van Beethoven, Leos Janaçek en de jonge en dus nog springlevende en aanwezige Baltische componist Alisson Kruusmaa. Plus app-berichten die de leden onderling aan elkaar stuurden over de corona-tijd en de isolatie waarin ze zaten. Als heel lang geleden afgestudeerde kantoorman die allang zijn lief gevonden heeft en wiens kinderen al heel lang volwassen zijn, werd ik aardig met mijn neus op de feiten gedrukt; mijn coronaleed valt echt in het niet als je het met deze generatie muziekstudenten vergelijkt. Ik heb echt met ze te doen en vond het heerlijk om ze te horen en te zien doen waar ze voor opgeleid worden en zijn; Het maken van muziek om ons, publiek, te laten genieten.

De muziektent met op de achtergrond kasteel De Wildenborch

Musici laten doorgaans hun instrument spreken en daarom moest ik wel even wennen aan de vorm die het Pelargos Kwartet gekozen had. Van een concert werd het een – muzikale – voorstelling. Dat wennen viel niet mee omdat met mobiele telefoon geluidjes duidelijk gemaakt werd dat het om App-messages ging. Het drong daardoor niet bij me door dat het een wezenlijk onderdeel van de voorstelling zou zijn. Toen de brieffragmenten van de ‘gevestigde’ componisten werden voorgelezen kwam dat bij mij aan. Ik dacht eerst dat het kwartet ons alleen wilde laten weten wat de Covid-lockdown voor hen had betekend. Maar het was dus meer dan dat. Zo moest ik in de voorstelling groeien. De voorgelezen app-berichten van de leden van het kwartet zelf, werden vaak omlijst en begeleid door composities van Kruusmaa. Wat me vooral in haar werk opviel was het gebruik van flageolettonen. Haar muziek kreeg daardoor iets hemels en ijls. Ik kreeg de indruk dat ze niet graag op het podium staat, want het voorgelezen bericht van haar zelf was van tevoren op band opgenomen. Ook nam ze het applaus op het toneel vluchtig tot zich om daarna weer snel in het publiek te verdwijnen.

Het 2e strijkkwartet van Leos Janaçek – met titel ‘Intieme brieven’ – voerden ze uit, omlijst met fragmenten uit de liefdesbrieven die de 60+ componist aan zijn 30- platonische geliefde stuurde. Daarnaast het Molto Adagio uit het 15e strijkkwartet van Ludwig van Beethoven waar de componist de ondertitel: ‘Heiliger Dankgesang eines Genesenen an die Gottheit, in der Lydischen Tonart’ mee gaf.

Omdat de voorstelling van het Pelargos kwartet nogal uitliep en de lunch op tijd genuttigd moest worden, was het programma van het Sweelinck Koperkwintet behoorlijk ingekort. Koperblazers die je al snel associeert met feesten en partijen en fanfare, maakten hun vrolijke faam waar. Het speelplezier spatte van het concert af. Veel opnieuw gearrangeerde barokmuziek. Kortom, het culturele seizoen is op een mooie plek met fijne muziek begonnen.

Jaloerse Kaïn

Op de laatste dag in Frankrijk, wilden we naar het Musee des Beaux Arts hier in Valenciennes. Alleen al met de website van het museum had Ik al behoorlijk wat voorpret want…Een fantastisch doek van Joachim Beuckelaer van een 16e eeuwse groentekoopvrouw bij haar stal met een enorme verscheidenheid aan groente en fruit. Kijken of we alle gewassen thuis konden brengen. Verder het schilderij ‘Saint Jacques et le magicien Hermogène’ van Jérôme Bosch geboren te Bois-le-Duc en nog veel meer. Dus wij op onze fietsen richting het museum. Maar helaas, sinds het Rijksmuseum een renovatie van meer dan tien jaar onderging, lijkt er een renovatie epidemie door Europese musea te waren. Het museum had haar poorten voor onbepaalde tijd gesloten. Een imposant museum, trouwens, voor zo’n klein stadje.

Dus fietsten we verder naar een bijzonder parkje; nummer twee op het lijstje bezienswaardigheden van Tripadvisor. Een oud park met heel veel zeer oude bomen. Erg smaakvol ingericht. Veel bloemen in veel kleuren. Echt een lust voor de zintuigen. Dat vonden de inwoners van Valenciennes ook; bijna alle bankjes waren bezet. Vaak met ontluikende liefde op de zittingen. We zaten er prima. Het verving het museum niet, maar toch fijn.

Kaïn die ‘iets’ mist.

In het parkje ook wat beelden. We kwamen het beeld ‘Cain jaloux’ tegen van Paul Theunissen. Je zou met zo’n naam denken aan een Nederlandse beeldhouwer of toch minstens een Vlaming. Maar nee, de man is geboren in een dorpje Anzin in de buurt van Valenciennes en heeft naar verluidt zijn hele leven in Frankrijk gewoond. De jaloezie van Kaïn. Het beeld is in 1904 gemaakt en is zelfs voor die tijd al wel wat belegen qua vorm. Het lijkt een beetje te passen bij de prerafaelieten. Beetje romantisch, beetje een knappe vrouw met grote borsten. Misschien ook niet. Maar doet er eigenlijk niet toe. We zien een pronte knappe vrouw, grotendeels naakt met een baby op schoot. Daarnaast een klein jongetje die de baby afwijst. Het zou de jaloerse Kaïn moeten zijn. Maar, bij nader inzien…is dat jochie dat daar staat wel een jongetje? Waar is zijn pielemosie? Juist ja, iemand is langsgekomen met een hamer en heeft het jongetje met een klap gecastreerd. Kennelijk was er ook weer iemand jaloers op Kaïn, omdat hij zo’n mooi pikkie had.

Klopt dit beeld met het bijbelverhaal? Nee. Kaïn wordt pas jaloers op Abel als God een duit in het zakje doet. Wie? God dus. God maakt het leven van Kaïn tot een hel. Kaïn en Abel offeren aan God. Het offer van Abel wordt door God aanvaard, het offer van Kaïn – om volstrekt duistere redenen – niet. God is niet alleen de bron van alles, maar ook de schuld van alles. Had hij die hele boom met appelen gewoon weggelaten uit de hof van Eden, dan hadden Kaïn en Abel niet met barenspijn ter wereld hoeven komen en als God ook het offer van Kaïn had aanvaard, dan was er geen broedermoord gepleegd. Treurig hoe een zo machtig iemand omgaat met ons, onmachtige mensen!

Vijfentwintig seconden

Ik kijk graag naar sport en afgelopen weekend zijn de Olympische Spelen van start gegaan. Op dit moment zit ik op een hotelkamer in Valenciennes. Het is de laatste etappe voordat we weer naar huis gaan. Ik heb vooralsnog maar een deeltje van de olympische spelen meegekregen, de rest helemaal niet. Tijdens de olympische spelen kijk ik graag naar sporten die je normaal niet veel op de televisie ziet. Handbal, gewichtheffen of judo bijvoorbeeld. Vooral judo zien we te weinig, vind ik, want judo is eigenlijk een grote sport in Nederland. Veel beoefenaars en vooral veel kampioenen. Sinds Anton Geesink spreekt judo kennelijk tot de verbeelding. Een blauwe maandag heb ik zelf ook op judo gezeten. Ik vond het heerlijk. Ik mocht bij de groep van mijn – vechtersbaasje – kleine broertje. Daardoor was ik een van de grootsten en een van de sterksten. Ik voelde me daar in de judogroep onoverwinnelijk. Een heerlijk gevoel. Ik hield van de overdreven discipline en de rituelen. Ook deden we een keer mee met een toernooi. Heel apart. Mijn moeder zat langs de kant als publiek. Mijn gevoel van onoverwinnelijkheid was nog geheel in takt. Onze judoleraar had gezegd dat we gelijkwaardige tegenstanders kregen en gezien mijn ervaringen…De eerste ronde zou een makkie worden, dacht ik.

Toen ik opgeroepen werd om de mat te betreden blaakte ik van zelfvertrouwen. Toen ik mijn tegenstander zag, voelde ik me David die met Goliath de strijd aanging. De jongen was een kop groter dan ik. Als ik het me goed herinner keek hij me vuil, maar ook geringschattend aan. Zijn band had ongeveer dezelfde kleur als zijn haar…oranje. Ik had slechts de halve gele; ik was, zeg maar, net absolute beginneling af. Maar dat alles deed nog steeds helemaal niets met mijn zelfvertrouwen. Ik was de sterkste, en de beste! We namen onze positie in op de mat, en bogen naar elkaar. Voor ik het wist kwam hij op me afgestormd, gooide me op de grond en nam me in een houdgreep waar ik nooit meer uitkwam. Als de leraar na dertig seconden niet had ingegrepen dan lag ik daar nog steeds. Muurvast… Met een geknakt zelfbeeld en tranen die zich achter mijn ogen verdrongen, maakte ik mijn kleren in orde toen ik weer opgekrabbeld was. Ik boog naar mijn tegenstander, en schaamde me zo verschrikkelijk.

Vannacht betrad onze nationale judotrots de mat. In Tokio in de grote judohal zou hij over doen wat Anton Geesink een mensenleven geleden op dezelfde plek gedaan had; de gouden medaille winnen in het superzwaargewicht. De allersterkste klasse. Duurde mijn optreden op de mat destijds dertig seconden. Henk Grol verloor in slechts vijfentwintig seconden. Arme Henk Grol. Heeft hij zich jaren alles voor ontzegd, pijn geleden en zich suf getraind. Een moment van onderschatting en te weinig concentratie en hup in de heupzwaai en keihard en plat op zijn rug. Ippon! Game over! Ik heb echt met Henk Grol te doen. Gelukkig weet hij als geen ander hoe judo werkt; het kan zomaar afgelopen zijn.

De heiligen van Reims

Hier in Reims hebben twee verschrikkelijk belangrijke heiligen rondgelopen, vindt ‘de kerk’. De belangrijkste is Saint Remi. Niet omdat hij nou zulke spectaculaire dingen heeft gedaan. Hij heeft, voor zover ik kan nagaan weinig wonderen verricht, maar voor de geschiedenis van Reims en meteen ook heel Frankrijk, is zijn belang enorm. De man heeft Clovis, koning van de Franken en daarmee de eerste koning van Frankrijk gedoopt. Op de kathedraal staat Clovis afgebeeld in iets dat best een beetje lijkt op een wastobbe, maar wat in werkelijkheid natuurlijk een doopfont is. Voor Saint Remi is een aparte basiliek gebouwd met klooster, waar zijn lichaam bewaard wordt in een gouden kist. Gisteren heb ik de gouden kist bewonderd. Door Saint Remi werd het Franse koningschap door God gegeven en kon het absolutisme welig tieren tot dat men er genoeg van kreeg en toen rolde de koppen.

Die andere verschrikkelijk belangrijke heilige van Reims is Saint Nicasius. De man wordt doorgaans afgebeeld met zijn afgehakte hoofd in zijn handen. Wat is er aandoenlijker dan een man die zijn eigen hoofd in zijn handen heeft en haast doet of er niets aan de hand is? De heilige is de stichter van het christelijke Reims. Op de kathedraal komt zijn verhaal op diverse manieren terug. Op z’n compleetst staat hij als groot beeld aan de noordelijke poort van de kathedraal. De heilige houdt zijn hoofd in zijn handen terwijl twee engeltjes boven de vrijgekomen plek van zijn lichaam iets onduidelijks vasthouden (een kroon?). Ook de engeltjes missen wel wat onderdelen maar dat heeft te maken met de tand des tijds.

Het leven van Saint Nacasius speelde zich af in de periode toen het romeinse rijk wankelde. Hordes uit alle windstreken vielen het rijk binnen. Reims was een romeinse stad. Het zou niet lang meer duren voor het West-Romeinse rijk definitief ineenstortte, maar dat wist men toen nog niet. De Vandalen, afkomstig uit Oost-Europa uit de streek waar we nu Polen situeren, was een van de volken die vanuit het oosten het romeinse rijk binnenviel. De Vandalen hielden er rare gewoonten en ideeën over gastvrijheid op na: Waar ze als gasten kwamen vermoordde ze de mannen meteen, de vrouwen verkrachtte ze eerst en vermoordde ze daarna. Vervolgens pakten ze wat ze konden gebruiken en staken de rest in de fik. Ze deden hun naam eer aan. Een spoor van verwoesting achterlatend, trokken ze door Europa. Nadat ze Rome even ‘aangedaan’ hadden, klopten ze ook aan de poort van Reims. (nou ja, kloppen…). Het plaatselijke hoofd van de net gestichte kerk, de op dat moment nog niet heilige pater Niceaise redde de kerkgemeenschap door zichzelf op te offeren. Hij ging naar de bruten toe. Meteen hieven de Vandalen hun bijlen want des paters kop wilden ze zien rollen. Niet onder de indruk van de bloeddorstig dreigende barbaren, reclameerde de pater psalm 118. Juist halverwege vers 26 viel zijn hoofd. De eerste helft van het vers werd gezegd door het hoofd nog aan de romp, en het tweede deel door het hoofd zonder romp. Door deze opoffering werd de kerkgemeenschap gered…en werd pater Niceaise de Sint Nicasius wiens beeld nu aan de noordelijke poort van de kathedraal in Reims staat. Ik geloof dat een enkele vandaal zich na de onthoofding meteen bekeerde tot het christendom… Omdat er volgens Christenen altijd vergeving is, kom je nu waarschijnlijk, ook een barbaarse vandaal tegen in de hemel.