Categoriearchief: columns

Gerda Blees – Wij zijn licht; erg boeiend

Wat onderscheid ons mensen van dieren? De vrije wil..? Blind volgen dieren hun instincten. Ze eten als ze honger hebben, ze neuken als ze geil zijn, ze maken dat ze wegkomen als ze gevaar vermoeden, ze slapen als ze moe zijn, ze moorden als ze roofdieren zijn, ze zwemmen als ze eendjes en ze kwispelen als ze hondjes zijn. Dieren kunnen niet anders dan doen wat de natuur hun gegeven heeft. Voor de mens ligt dat anders. Mensen kunnen zich verzetten tegen alles wat de natuur hen oplegt. Dat gaat niet zomaar; daar moet je strijd voor leveren want datgene wat de natuur ons ingeeft, ervaren we als de weg van de minste weerstand en voelt comfortabel maar die weg waarderen we niet erg. Doorgaans overwinnen onze helden de instincten die moeder natuur ons gaf. Onze helden staan pal als er gevaar dreigt; de lafaards volgen hun instinct en maken dat ze weg komen. Onze priesters weigeren een seksleven en kiezen voor een leven in een sobere gemeenschap met weinig liefde terwijl  de meesten onder ons zich comfortabel laten onderdompelen in de geneugte van een liefdevol gezin waarbij seks tussen de partners onderdeel is van het dagelijkse leven en de warmte en liefde bevestigd. Soms gaat de vrije wil en het overwinnen van onze instincten te ver. Dan verandert de held in een fanaticus of ligt de hypocriet op de loer. Neem de schandalen rond kindermisbruik in internaten geleid door paters. Stiekeme seks met weerlozen; hypocriet en algemeen veroordeeld. Je leven opofferen in de Jihad door jezelf als levende bom te gebruiken…Of, het aardse voedsel niet meer tot je nemen en de honger weerstaan omdat ‘liefde’, ‘licht’ en ‘muziek’ zuiverder voedsel zijn en je dichter bij de vrijheid en het geluk brengt…

In de roman van Gerda Blees ‘Wij zijn licht’ komen we de woongroep ‘Klank en Liefde’ tegen op het moment dat de oudste onder hen, Elisabeth, overlijdt aan ondervoeding. Haar zus Melodie, die de groep leidt, vindt dat ze op een waardige en juiste manier is weggegleden en hoewel de andere leden van de groep, Petrus en Muriël, wat bedenkingen hebben over de manier waarop, is hun tegenstem te zwak om door de anderen gehoord te worden. De woongroep wil afzien van aards voedsel en slechts leven van het licht, de liefde voor elkaar en de klanken van muziek. De opgetrommelde huisarts kan de natuurlijke dood van Elisabeth niet vaststellen en samen met de schouwarts bepalen ze dat ondervoeding de doodsoorzaak is. De medebewoners van Elisabeth worden door de politie naar het bureau gebracht voor verhoor en in politiecellen opgesloten. De politie moet echter constateren dat de woongroepleden wellicht moeten hebben vermoed dat de overledene medische hulp nodig had, en dat ze verzuimd hebben om die in te schakelen, maar voor een veroordeling is het allemaal te dun. Dus worden de leden weer vrijgelaten. Maar in de politiecel zijn de bewoners, en dan vooral Muriël, gaan nadenken. Muriël besluit de woongroep te verlaten…of toch net niet? De schrijfster laat dat aan onze fantasie over.

Het verhaal wordt in kleine hoofdstukjes verteld vanuit verschillende perspectieven. Die perspectieven zijn soms personen, maar meestal niet. Zelfstandige naamwoorden die een rol spelen in het leven van ons mensen. Het overlijden van Elisabeth wordt zodoende verteld door de nacht. Het verhoor van Petrus wordt verteld vanuit het perspectief van de geur van een sinaasappel die aan de handen van één van de verhorende agente zit en de neus van Petrus binnendringt; een katalysator van herinneringen en gevoelens. De thuiskomst van de woongroep wordt beschreven vanuit het perspectief van de slowjuicer; het apparaat dat er uiteindelijk voor zorgt dat de op groentesap levende woongroep min of meer in leven blijft. Maar ook ‘het verhaal’ doet haar woordje, ‘het licht’, ‘de buren’, ‘de weerstand’ enzovoort, vertellen het verhaal. Uiteindelijk gaat het verhaal over de vrijheid van de mens om te kiezen voor een ander leven dan het leven dat ons van nature gegeven heeft. Het verkent de grenzen van wat kan en ook niet kan. Wat ‘zorg’ voor de medemens betekent maar ook hoe kokerdenken en een tunnelvisie het overneemt van het gezonde verstand. In die zin is het een rijke roman.

De roman is uitermate origineel van opzet met al die perspectieven. De psychologische tekening van de verschillende leden van de woongroep is erg goed getroffen. De politieagente die – toeval of niet – ook Elisabeth heet en zelf worstelt met haar zichzelf uithongerende puber, komt mooi uit de verf. Maar ondanks al deze positieve punten, is het boek geen ‘lekker’ boek. Het leest niet vlotjes weg. Je blijft als het ware, even ver op afstand van de personages als de perspectieven die de auteur kiest. Het boek komt vrij moeizaam tot leven. Een knappe prestatie, maar het blijft toch een beetje aan de droge kant, maar zeker erg boeiend.

Het voedsel voor ‘Gutmenschen’ zoals ik

Wat een hoop dingen betreft ben ik best dubbel. Daar wijst zoon R. me regelmatig op. Hij heeft zich – modieus als hij is – diametraal ten opzichte van zijn ouders bekeerd tot de rechtse kerk. Geliefde J. en ik, zijn ouders dus, zijn kinderen van de hippiegeneratie. Nee, net niet zelf hippie geweest. Nee, onze ouders wilden ‘peace en love’. Dat hebben ze goed aan ons doorgegeven. Wij wilden dat ook. En heus, ik heb me voldoende afgezet tegen mijn ouders, maar dat afzetten gold gewoon niet de politiek; wat dat betreft stonden onze neuzen in dezelfde richting. Zoon R. heeft het vooral gezocht in de politiek, en al sust geliefde J. dat het hem alleen om rechtvaardigheid gaat en dat onze rechtse voormannen onevenredig hard worden aangepakt in de door links gedomineerde media, hij vindt onze keuzes maar niets. Vaak ook hypocriet en dat heeft vaak te maken dat schrijver dezes ook graag van het leven wil genieten en van het leven genieten dat uit zich in grote mate in ETEN. Ik geef het meteen toe: Ik ben een lekkere etert. Ik hou er wel van; lust er wel pap van. Daarom is het ook zo treurig dat ik suikerziekte heb gekregen, want dat beperkt me flink.

Links…ETEN…dat gaat natuurlijk al snel om vlees en melkproducten. Iemand die het goed met het milieu voor heeft – lees: al die linkse gutmenschen zoals J. en ik – zouden geen vlees en geen melkproducten moeten gebruiken. Niet omdat het dierenleed veroorzaakt maar omdat het onze ecologische voetafdruk zo enorm verhoogd. Eten we zelf de bonen in plaats van dat we ze aan het vee voeren dan slinkt onze voetafdruk spectaculair. Een kilo vlees kost een veelvoud aan plantaardig voer.

Hoewel ik veel gelezen heb en al veel uitgeprobeerd, is een veganistisch dieet niets voor mij. Natuurlijk is het een dooddoener dat je maar een keer leeft en dat je alles uit het leven moet halen, maar een heel klein beetje waar is het wel. Dieren maken elkaar dood om elkaar op te eten en ik ben ook zo’n dier. Ik heb natuurlijk een keuze…Oke, hou er maar over op; ik ben hypocriet wat eten betreft en ik hou erg van vlees.

Ondertussen probeer ik met al mijn ondeugden en inconsequenties een zo goed mogelijk leven te leiden. Zo is het bijvoorbeeld een probleem dat ons voedsel doorgaans een reis rond de wereld maakt voordat het op ons bord belandt. Sinds alweer een tijdje bestel ik de groente bij de buurderij. Een nieuw initiatief waar lokale boeren zorgen voor het voedsel van ons stedelingen. Het voedsel dat je besteld is op maximaal 25 kilometer van waar je woont geproduceerd. Echt een goed initiatief. Doorgaans is de groente kakelvers. Nadeel is dat je het niet allemaal zo mooi schoongewassen krijgt zoals het in de supermarkt ligt. En het aanbod is, zo tegen het einde van de winter, wel een beetje karig geworden. En voor het vlees? Dat bestel ik bij de biologische slager. Geen diervriendelijk vlees, want diervriendelijk slachten bestaat niet. Wel vlees van dieren die wat prettiger hebben geleefd…Hoop ik. Ik betaal er graag wat meer voor; ik koop graag wat schuld af.

Librisliteratuurprijs 2021

Gisterenavond werd de shortlist voor de Librisliteratuurprijs 2021 bekend gemaakt. Altijd weer spannend want sinds jaren lees ik hartstochtelijk mee. Ondanks mijn kritiek. Deze keer heb ik ook de overgang van longlist naar shortlist gevolgd. Wat me opvalt aan deze shortlist is dat het wat mij betreft van te voren al vaststaat wie de winnaar wordt. Tenminste, het zou me hogelijk verbazen als er een nog vernieuwender, nog boeiender, nog spannender roman in het lijstje zou kunnen staan dan ‘Mijn lieve gunsteling’ van Marieke Lucas Rijneveld. Ik kan het me haast niet voorstellen. Omdat de roman ‘Bezette gebieden’ van Arnon Grunberg achterbleef in de longlist, schept dat verwachtingen voor de boeken die op de shortlist staan. Ik heb zo verschrikkelijk genoten van ‘Bezette gebieden’. De originaliteit, de diepgang en het absurde. Vreemd dat dat boek niet op de shortlist staat. Jammer ook, want dat boek had ik al gelezen en dat zou mij wat tijd besparen. Ook had ik al van de longlist ‘Ik ben er niet’ van Lize Spit en ‘Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar’ van Cindy Hoetmer gelezen. Wat betreft het librisliteratuurprijs-lezersavontuur slechte keuzes van mij , maar wel leuke boeken om te lezen

Van alle zes boeken die nu op de shortlist staan, heb ik er slechts één gelezen; de roman van Marieke Lucas Rijneveld. Vijf boeken nog te gaan! Dat wordt dus even doorlezen. Ik betwijfel of mijn uitslag eerder komt dan de uitslag van de officiële jury; zoveel tijd kan ik helaas niet aan lezen besteden.

De lijsttrekker van ‘mijn’ partij is juryvoorzitter. Zou dat invloed hebben? Moet ik vooral letten op romans waarin gedramd wordt voor meer vrouwen op hoge posities? (Ja, ik heb de sympathie voor mijn partij behoorlijk verloren. Hoewel ik nog steeds lid ben, vind ik dat geen enkele PvdA minister uit het vorige sloop kabinet nog een tweede kans verdiend; ze hebben massaal gefaald. Ik denk zelfs dat ik deze keer niet op ‘mijn’ partij ga stemmen. Juryvoorzitter van de librisliteratuurprijs 2021 en tevens lijsttrekker van de PvdA Ploumen was minister in het vorige sloop-kabinet. Rutte moet na tien jaar slopen weg, maar wie er voor in de plaats moet komen…geen idee. Dit even terzijde.)

De boeken op de shortlist heb ik – op het boek van Rijneveld na, want dat had ik al – gekocht in de webshop van ‘onze’ kleine boekhandel in de Haarlemmerstraat. Opvallend is, en dat viel me op bij het ‘opbergen’ van mijn e-boeken in mijn virtuele bibliotheek, dat er maar liefst vier auteurs tussen staan wiens naam met een ‘B’ begint.

De lijst…nu nog even alfabetisch op auteursachternaam:

  • Simone Antangana Bekono – Confrontaties
  • Gerda Blees – Wij zijn licht
  • Marijn de Boer – De saamhorigheidsgroep
  • Jeroen Brouwers – Cliënt E. Busken
  • Erwin Mortier – De onbevlekte
  • Marieke Lucas Rijneveld – Mijn lieve gunsteling

Van bovenstaande auteurs ken ik naast Marieke Lucas Rijneveld alleen Erwin Mortier. Van de rest had ik nooit gehoord, laat staan iets gelezen. Dat wordt dus een spannend leesavontuur!

De Wildeborch

Geliefde J. en ik zijn op de Wildeborchseweg in Vorden geland. De Wildeborchseweg is de Wildeborch en de Wildeborch is A.C.W. Staring en Staring is het verhaal van Jaromir dat mijn liefje voor een deel, met pretoogjes, kan reciteren:

Gisteren fietsten we de driehonderd meter naar kasteel De Wildenborch. Als je zo dichtbij een korte-vakantieadres hebt, dan kan je dat toch niet overslaan… Staring bewoonde het kasteel rond 1800. De romantiek. Een periode waarin de Nederlandse kunsten niet echt bloeiden. Hoewel…het lijkt dat er toch steeds meer aandacht voor komt met mooie tentoonstellingen in bijvoorbeeld het Teylersmuseum. Staring leefde ook in de tijd dat het ‘gewone’ volk arm was. Straatarm. De fantastische tentoonstelling in het Amsterdamse stadsarchief over de vondelingen, getuigt van die bittere armoede. Honderden kinderen werden in pure wanhoop te vondeling gelegd. Rond 1800, de tijd van A.C.W. Staring. Bij ons in Amsterdam is de dichter betrekkelijk in de vergetelheid geraakt, maar hier in Lochem en Vorden nog best aanwezig in straatnamen en beelden. En dus De Wildeborch. Het kasteel waar de Staringen eeuwen hebben gewoond, want de familie Staring was niet onbemiddeld. En nog steeds woont er een Staring. Jennine Staring. Tijdens ons bezoek aan het kasteeltje maakte J. nog een praatje met d’r.

De Wildenborch gezien vanuit de binnentuin

Staring was zoals gebruikelijk in die tijd, veel meer dan dichter alleen. Botanicus, landbouwkundige,  politicus, filantroop en vast nog veel meer. Ons bezoek aan het kasteeltje viel samen met ‘sneeuwklokjes dag’, en voor die gelegenheid was de kasteeltuin opengesteld. Dus gingen wij op zoek naar de sporen van de Jaromir dichter. Hij moet de man zijn geweest die de eerste sneeuwklokjes-bolletjes in de grond heeft gestopt en de eerste winter-akonietjes moet hebben geplant, want wat stonden er veel. De tuin is absoluut gigantisch en met heel veel smaak aangelegd, destijds. Wit van de sneeuwklokjes en geel van de akonietjes. Een lust voor het oog. Na de diepe vrieskou van anderhalve week geleden lijkt het begin van de lente uit de grond geëxplodeerd. Staring zou verschillende exotische bomen hebben geplant. Wat ik me tijdens de wandeling alleen kon herinneren was dat het onder anderen om een hele speciale cipres ging. We zagen een boel speciale cipressen, of in ieder geval bomen met naaldachtige bladeren. Soms heel dik, dus heel oud. Maar of dat nou die ene speciale cipres was die de dichter geplant heeft…geen idee. Aan het eind van onze wandeling had de huidige hovenier wat voorbeelden van prachtig hout, geoogst op de Wildenborch, tentoongesteld waaronder een plank…cipressenhout. Wellicht waren we te laat en lag de door de dichter geplante boom hier als gestorven hout op de tafel. Wie weet.

DOORGAAN!

Ik ben op het punt gekomen dat ik in mijn fantasie de leden van het OMT, de virologen en de epidemiologen, met pek en veren besmeur en ze het land uitzet. In mijn fantasie, dus. Niet in het echt. In het echt blijf ik beleefd en zouden ze stuk voor stuk mijn vriend of vriendin kunnen zijn (behalve Jaap van Dissel; net even een té grote gelijkhebberd, denk ik). Dat OMT met al haar deskundigen staat voor mij symbool voor de ellende waarin we nu zitten. Terwijl ik natuurlijk dat virus de schuld moet geven in plaats van de mensen die aangeven hoe we het virus moeten bestrijden. Gisteren werd de avondklok door de rechter afgeschaft en meteen weer door een andere rechter ingesteld. Dat bleek een zware dobber voor mijn brein. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik even het gevoel had van ‘een nieuwe lente, een nieuw geluid’ toen ik las dat de avondklok was geschrapt. Niet dat ik vaak na negenen buiten kom, maar het gevoel… Dat vreselijke beklemmende gevoel dat je nergens heen kunt en nergens heen mag. Gisteren viel dat dus voor een paar uur van me af en ik kan het niet ontkennen…daarna hoopte ik met heel mijn hart dat de rechter de avondklok zou blijven verbieden. Maar nee, dus.

Een domper. Een zware domper op mijn toch al donkere gemoed. Hoewel ik altijd best positief ben, ervaar ik de overheid nu als een te kloppen tegenstander die oneigenlijke middelen in de strijd gooit en ik er helemaal geen verweer tegen heb. Ze komen nu met een avondklok spoedwet voor het geval ze de juridische strijd over de huidige maatregel mochten verliezen. Die avondklok is er en blijft er. En dat doet wat met me… Echt waar. Ik ben geen aansteller. Op de één of andere manier is het idee dat de avondklok afgeschaft wordt een lichtpuntje geworden, voor mij. Dat lichtpuntje lijkt nu gedoofd.

Er zijn een paar duizend mensen doodgegaan en velen zijn doodziek geworden. Mensen zijn werkeloos geraakt of dreigen failliet te gaan. Geen inkomsten meer, maar nog wel uitgaven. Wat loop ik toch te zeuren met mijn best wel redelijke inkomen dat gewoon blijft binnenkomen. Alles kan ik kopen wat ik wil. Dan nog zeuren, ook. Kom op zeg!

Oké, laten we ons weer opheffen en doorgaan. DOORGAAN. (En ophouden met zeuren; de vaccinatie komt er aan… en als iedereen ingeënt is…)

Lize Spit – Ik ben er niet; best boeiend

Op 2 februari 2018 stond er een interview in de Volkskrant met Marieke Lucas Rijneveld. Daarin schrijft Sara Berkeljon: ‘Maar vooral moest ze onverbiddelijk leren zijn, ten opzichte van zichzelf, maar ook ten opzichte van haar ouders en het geloof. “Dat advies kwam van Lize Spit (de Vlaamse schrijfster van Het smelt, red.), een goede vriendin van mij. Ik heb het toen heel groot op de muur geschreven, boven mijn bureau: ONVERBIDDELIJK. Tijdens het schrijven keek ik naar dat woord en het hielp.”’ Haar advies om ‘onverbiddelijk’ te zijn, illustreert Lize Spit in de roman ‘Ik ben er niet’, zo lijkt het. Onverbiddelijk zijn voor jezelf en de mensen van wie je houdt, is zonder meer de opgave die auteurs hebben; je kunt niet om jezelf en hen heen. Auteurs zullen vaak het gevoel hebben dat ze verraad plegen want zij die om hen heen leven hebben er niet om gevraagd om in een roman een rol te spelen; dat moet best heftig zijn. Zelfs als je jezelf niet als hoofdpersoon gebruikt in een roman, dan nog heb je het altijd over de mensen die je liefhebt, of, in ieder geval over je naasten. Is het romanpersonage boos op haar vader, dan is er maar één persoon aan wie de schrijver zijn of haar gevoelens kan ontlenen, dat is de fysieke vader van de auteur. Schrijf je als auteur iets over jezelf ten opzichte van een ander, dan komt die ander altijd in de buurt van een persoon in het kringetje rond de auteur. Veel emoties en gebeurtenissen  daar kan je van denken, ach wat maakt het uit. Maar intieme dingen maken natuurlijk wel degelijk uit. Dingen als liefde en seks, om maar een dwarsstraat te noemen. Lees je een roman, dan duik je, zonder dat schrijver of lezer dat wil, in het leven van de schrijver zelf en vorm je een mening over het leven van de auteur.  Als je schrijft pleeg je zonder meer verraad aan je geliefden. De roman van Lize Spit maakt dit expliciet.

Als de roman begint is de ik-figuur Leo net afgestudeerd als scenarioschrijver aan de filmacademie. Zomaar werk krijgt ze niet in haar vak en daarom gaat ze werken bij bedrijf Buik&Boek als verkoopster. De winkel is gespecialiseerd in kleding voor zwangere vrouwen en verkocht in beginsel ook boeken. Dat laatste lijkt in de loop de tijd vervaagd te zijn. In de winkel sluit ze een hechte vriendschap met Lotte. Ook zij zit niet helemaal op haar plek want ze is opgeleid tot actrice. Buik&Boek staat haast model voor de maatschappij waar het voor beginnende kunstenaars erg zoeken is naar werk in de richting waarvoor je ooit gekozen hebt en waar je talenten liggen. Leo woont samen met Simon Spruyt. Hij is een grafisch ontwerper in dienst van het bedrijf TOL. Hij wordt alom gewaardeerd. Wat de verteller wel opmerkt is dat Simon vaak plannen maakt over zijn toekomst die moeilijk uitvoerbaar zijn en die vaak sterven in schoonheid.

Simon laat een tattoo zetten en dat lijkt een breuk in te leiden met alles wat hij tot dan toe dacht en deed. Hij neemt ontslag omdat hij een eigen bedrijf in tattoo-ontwerpen wil starten. Het luidt een enorme gedragsverandering in die uiteindelijk in een psychose eindigt. Nadat Simon weer uit de psychiatrische kliniek komt is er weinig van de oude persoon over. Ondertussen lukt het Leo om in de Libelle een column te krijgen waarin ze in het geheim, onder pseudoniem, het ziekteproces van haar vriend en haar gevoelens daarover beschrijft. De ontluistering van haar psychotische vriend exposeert ze aan de rest van de wereld. Weliswaar onder pseudoniem, maar toch. Ze moet ‘onverbiddelijk’ zijn om het verhaal te schrijven…

Zoals ik al zei komen de personages in een roman nooit volledig los van de auteur en haar omgeving. Vorm je een oordeel over een romanpersonage over hoe hij of zij zich gedragen ten opzichte van de ander, dan houdt dat het gevaar in dat de lezer eigenlijk een oordeel over de auteur zelf geeft. Dat is niet zo. De lezer kan alleen maar uitgaan van wat er in het boek staat, en dat staat voor de lezer los van de auteur. Desalniettemin valt mij wel de wederzijdse afhankelijkheid op van Leo en Simon. Gek genoeg had ik een ander verwachtingspatroon en vind ik de beschreven liefde tussen die twee opvallend tam. Ik zie meer een wisselende ouder-kind relatie dan een gelijkwaardige vurige liefde liefdesrelatie. Ook de beschreven seks past meer in een ‘zorgen-voor-elkaar’ relatie dan een vurige liefde. Het stel voelt onder het lezen nimmer gelijkwaardig; vuur is er niet. Je zou het haast gezapig kunnen noemen. Dat er iets volledig uit de hand loopt, geeft de roman leven.

Leo vertelt dat ze tijdens haar studie leerde wat suspense was; verschil in informatie tussen de held en het publiek. Het publiek weet ietsje meer dan de hoofdpersoon. De roman lijkt gestructureerd met dit stijltype. Twee lijnen lopen door elkaar waarbij de ene lijn wat betreft spanning gevoed wordt door de andere lijn. Eigenlijk is dit dezelfde kunstgreep als die Lize Spit toepaste in haar vorige roman ‘Het smelt’. Op zich werkt het, moet ik zeggen; de laatste vijftig bladzijden waren daardoor buitengewoon spannend.

Als ik een oordeel moet geven over de hele roman, dan zeg ik: Hij was oké. Niet hemeltergend fantastisch, maar goed te lezen en best boeiend.

Adrenaline giert door ’s jongens aderen…

Het is koud buiten. Eigenlijk heb ik geen zin meer om naar buiten te gaan als het al donker is. Als ik begin met werken is het net licht geworden en als ik stop met werken is de zon al onder. Ik zou minstens een rondje moeten fietsen. Maar ik doe het niet. Dat is verschrikkelijk slecht voor me want dat betekent dat ik helemaal geen lichaamsbeweging meer heb. Maar het kan me niet schelen. Voor de vorm controleer ik dagelijks mijn glucosewaarden. Dankzij een sloot insuline hou ik de boel op pijl. Bijna alle pogingen om met een streng dieet de boel op orde te houden daar binnen in mijn lichaam, heb ik opgegeven. Geen zin in. De lol in mijn leven is eigenlijk wel voor een heel groot deel verdwenen. Het is somberheid troef. En ik geef het de regering te doen. We zitten in een serieuze crisis en welke maatregel kan je wel en welke maatregel kan je niet nemen? Ik sta niet voor dergelijke beslissingen…ik onderga ze. En het gaat me niet goed af, moet ik zeggen. Ik verlang zo verschrikkelijk naar leuke dingen! Thuiswerken de hele dag en ’s avonds kijken naar de rellen (die ik al helemaal niet wil) en horen dat de levering van alle vaccins moeizaam gaat…het gaat me allemaal niet in de koude kleren zitten. Dat je niet naar buiten wil, is één ding; dat je niet naar buiten mag, een ander… Het versterkt bij mij het gevoel dat ik opgesloten zit in mijn eigen somberte.

Goed, die avondklok. De regering heeft hem ingesteld. Iedereen voelde dat het een foute beslissing was. Bij deze beslissing had het ‘gevoel’ doorslaggevend moeten zijn en niet de wetenschappelijke onderbouwing, denk ik. Het is best gevaarlijk om over het leed van opgehokte jongens te praten en hun neiging om te rellen want dan zie je de commentaren al komen: ’Denk je dat meiden het minder zwaar hebben?’ Ik denk niet, ik constateer dat vooral jongens rellen en meisjes netjes thuis blijven. Ik denk dat het leed onder jongens tussen de vijftien en de vijfentwintig ongekend groot is. Kijk ik naar mezelf destijds in die periode van mijn leven, dan zou ik, vrees ik, onder de huidige omstandigheden, aan de rand van de complete waanzin staan. Eerlijk gezegd zou ik niet gaan rellen maar het meer op mezelf botvieren. De wereld zou er voor mij nog heel veel zwarter uitzien dan het nu voor mij is. Het idee dat ik niet meer lekker op stap kan, niet meer het leven vieren, geen mensen ontmoeten, niet meer kan genieten van alles wat het leven de moeite waard maakt…ik had het niet kunnen verdragen. Ik heb het er nu al moeilijk mee, laat staan toen ik achttien was.

Ik ben helemaal niet voor rellen, maar de avondklok is een absoluut verkeerde beslissing. Om zo’n maatregel te nemen moet de hele bevolking de urgentie kunnen voelen en dat gaat niet op rationele gronden. Sterker nog,; de infectiecijfers zien er juist gunstig uit… Pas als we zien dat mensen als ratten stikken omdat er niemand meer opgenomen kan worden…Als er ziekenauto’s in de rij staan die hun patiënten niet meer kwijt kunnen…Pas dan kan je gaan denken aan een avondklok.

Opheffen van de avondklok zal de rellen niet meer op laten houden, vrees ik; eindelijk giert de adrenaline weer eens door ’s jongens aderen; dat laat je je als jongen niet zo makkelijk meer afpakken.

Opstand in…Stein, een dorp waar je niet wilt zijn…

Het was gisterenavond onrustig in Stein. Jongeren lieten op niet mis te verstane wijze weten dat ze moeilijk kunnen leven met de avondklok. Gisteren ging die in. Tussen negen uur ’s avonds en half vijf ’s ochtends mag je niet op straat zijn. Een enge maatregel want waren we juist niet zo blij om in een vrij land geboren te zijn? Ik vind het een enge inperking hoewel ik zelf nauwelijks tussen die uren op straat kwam de afgelopen periode. Wat kan je überhaupt doen? Alles wat leuk is in een stad, is gesloten. Niets is meer open en nu mag je er ook nog niet eens meer naar toe; het voelt als een hele beperking. Omdat ik als jongeling – heel lang geleden dus – mijn weekenden vooral overal doorbracht behalve thuis, heb ik erg te doen met de Amsterdamse jeugd. Eigenlijk heb ik medelijden met de jongeren nu, omdat ik het hen zo gun dat ze zich net zo kunnen gedragen als ik destijds. Lekker voor de film een pizza eten dan naar de bioscoop en na de bioscoop nog even gezellig naar een stampvol café om dan onderweg naar huis een shoarma te happen.

Oke, De Klerk, je begint met jongeren in Stein die ‘het niet meer pikken’ en binnen de alinea zit je alweer over Amsterdam te bazelen over hoe jij destijds in de grote stad vele avonden doorbracht. De actie zit juist in dat Limburgse dorp. In Amsterdam wonen schapen die netjes doen wat Rutte zegt; daar viel geen jongere op straat te zien. In Stein daarentegen… In dat dorp dat gebouwd is in één van de oksels van een gigantisch verkeersknoop-klaverblad was het rellen wat de klok sloeg. Je bent vast wel eens – toen het nog ‘mocht’ – onderweg naar het ‘echte’ zuiden over dat klaverblad heengereden. Nee, niet uitgestapt. Wat heb je daar te zoeken in dat Limburgse Stein? Het knooppunt van de A2 en de A76 is even groot als dat hele dorp. Waarom zou je daar uitstappen?

Tegenwoordig hoef je niet meer naar een dorp om het toch goed te kunnen zien. Google Maps is je vriend in bange dagen. En als ik zo virtueel door Stein wandel, dan begrijp ik die jeugd toch steeds minder; waarom nu rellen? In Stein was nooit ene zak te beleven. Waarom zo’n herrie maken terwijl de situatie eigenlijk altijd al hopeloos was? Stein is een dorp waar je nog niet dood gevonden wilt worden. Alles wat enigszins eigen was aan het dorp is zo te zien door de op geld beluste middenstand in samenwerking met de plaatselijke CDA gesloopt en wat ze ervoor in de plaats hebben gekregen is een grote Vinex wijk met in het midden een Vinex winkelcentrum. Je wordt er moedeloos van; zoveel saaiheid op zo’n relatief klein stukje van de wereldbol. Als jeugd in dat saaie Stein zou mijn opstand tegen de gevestigde orde – lees: je CDA-ouders – niet perse op de eerste avond dat de avondklok inging plaatsvinden, maar altijd. “Hoe heb je me op deze onheilsplek op de aardkloot geboren kunnen laten worden.” Een pure daad van kinderhaat! Dat moet het motto van de opstand van de jongeren zijn. Eén virtuele stap in dat dorp van het bittere lijden maakt me doodmoe en hopeloos moedeloos; wie wil daar nou zijn.

De kapel van ‘Het Bitter Lijden’ in Stein

Snel terug naar mijn heerlijke stad waar het zelfs in een volledige lockdown nog beter toeven is dan in dat hopeloze Stein…

Mijn lieve Gunsteling – Marieke Lucas Rijneveld; Fantastisch!

Het is vreemd hoe, bij het lezen van een roman, je eigen fantasie soms met een aantal gegevens aan de haal gaat. Je associeert en fantaseert. De betekenis voor de lezer ontstaat en die hoeft niet perse door de schrijver zo geschreven te zijn. De fantasie van de lezer gaat verder dan wat er staat. De lezer denkt dwarsverbanden te zien die er eigenlijk niet zijn, maar die uiteindelijk wel een juiste interpretatie geven. In de roman ‘Mijn lieve gunsteling’ van Marieke Lucas Rijneveld, wordt voorgelezen uit een roman van Gerard Reve. Een scene waarin de hoofdpersoon met zijn minnaar in bed ligt en hem allerhande erotische avonturen – zondes – opbiecht. Een zeer herkenbare scene in het oeuvre van Gerard Reve. Een stukje verder in de roman van Rijneveld wordt verteld dat de hoofdpersoon zich wat betreft de liefde in zijn pubertijd een circusjongen voelde met hoogtevrees. In mijn brein hadden ‘Gerard Reve’ en ‘Circusjongen’ zich ogenblikkelijk aaneen gesmeed en was ik er zeker van dat de hoofdpersoon in Rijnevelds roman uit ‘Een circusjongen’ van Gerard Reve voorlas. Dat leek mij ook best logisch want de scene die me uit die roman van Reve het meest is bijgebleven is, is een brute verkrachting van een pubermeisje achter in de auto. Terwijl hij haar misbruikte, fantaseerde hij dat ‘zij’ eigenlijk een ‘hij’ was. In mijn brein was er een niet bestaand, maar zeker wel helemaal op zijn plaats, dwarsverband ontstaan tussen de roman van Reve en Rijneveld. Maar het bleek een ontspoorde gedachtenkronkel van mij als lezer; er werd voorgelezen uit ‘Lieve Jongens’. Maar dat wil niet zeggen dat mijn gedachtenkronkel fout was want het illustreerde de inhoud van Rijneveld d’r roman juist. Het verkrachte meisje in Reve’s roman komt – in een andere vorm – terug bij Marieke Lucas Rijneveld: De veertien jarige gunsteling zit tussen kind en volwassenheid in, zoekt naar haar gender en wordt zonder meer misbruikt.

Ik moet zeggen dat ik een bofkont ben want ik heb deze roman gelezen. Als je de laatste bladzijde omslaat, ben je rijker dan toen je aan de roman begon. Superieur geschreven. Compleet vernieuwend in zoveel aspecten. Eigenlijk heb ik er geen woorden voor. Terecht kreeg ze de internationale Booker Price, maar wat heeft dat dan voor betekenis voor deze nieuwe roman die zoveel vernieuwender is? Wat voor prijzen staan haar nog te wachten? Marieke Rijneveld vertelde dat ze blij was dat haar tweede roman af was toen ze de prijs kreeg die haar ook internationaal op de kaart zette. Kan ik me voorstellen! Wat doet zoveel aandacht met haar en d’r talent? Ik hoop dat het haar lukt om ermee om te gaan en ons nog meer van dit soort fantastische romans te schenken. In de roman vertelt ze via de hoofdpersoon wat ze verwacht van alle aandacht die ze krijgt als ze beroemd is. Het betekent: “…dat je alleen in de duisternis groeide, dat je vaak naar het licht verlangde, naar de schijnwerpers, maar je wist ook dat het je zou verblinden, dat de roem die je zou vinden alleen maar zou groeien door je in te graven…”

Mijn lieve gunsteling is een monoloog interieur van een veearts die het verhaal vertelt van zijn vurige liefde voor een veertienjarige boerendochter. Die monoloog interieur wordt zo dicht bij het meisje gevoerd dat je vaak meer het gevoel krijgt dat het verhaal een inkijkje geeft in het gevoelsleven van het meisje. Er is net voldoende afstand om zijn verhaal van het hare te onderscheiden, maar feitelijk is zij de hoofdpersoon. De roman kent hoofdstukken maar geen alinea’s. Binnen de hoofdstukken een enkele punt, maar niet veel. In een fantastische taal meander je langs lange poëtische zinnen met prachtige metaforen door de gedachten en gebeurtenissen van een gemankeerde veearts en zijn obsessie voor een jong meisje. Ondanks de lengte van de zinnen en ondanks het ontbreken van alinea’s, blijft alles goed te volgen en boeit het. Het houdt je haast gekluisterd aan alles wat er verteld wordt.

De mond- en klauwzeer epidemie van jaren geleden is nog altijd actueel bij de veearts. De ellende die het gaf en de eenzaamheid. Hij ziet steeds het gezicht voor zich van een getroffen veehouder die zich opgehangen heeft. Het beeld achtervolgt hem. Hij was degene die de veehouders het slechte nieuws moest brengen en die altijd aanwezig was als het vee geruimd werd. Verder lijkt hij niet losgekomen van zijn misbruikende moeder. De roman speelt zich af in het gereformeerde milieu. Dat maakt het seksueel misbruik op de een of andere manier indrukwekkender. “…maar ze bedacht zich niet en met gespreide benen ging ze op de bedrand zitten en gebood mij op mijn blote knieën als een hondje voor haar te knielen…” en een stukje verder: “…en toen zei ze met een hese stem die ik niet van haar kende: Je mag pas stoppen als God weer in je is.” Hij wordt op zijn veertiende misbruikt door zijn moeder en dat zou er de oorzaak van zijn dat hij daar in zijn ontwikkeling gestopt is en vooral valt voor meisjes van diezelfde leeftijd. De veearts is getrouwd met Camillia die lerares is op de school van de gunsteling.

Het meisje woont met broer en vader op een melkveehouderij. Er is een verlorene en een verlatenen. De verlorene is iemand (broer) die bij een verkeersongeluk om het leven is gekomen en de verlatene is de moeder die ‘vertrok’ nadat ze hoorde van de verlorene. Dit drama zou zich in 1993 hebben afgespeeld terwijl het meisje zelf in 1991 geboren is. De verlatene zou in Stavanger in Noorwegen wonen. Het meisje houdt gesprekken met Freud en Hitler en ze weet zeker dat zij één van de vliegtuigen was die zich in de Twintorens op 11-9-2001 boorde. Ze vraagt zich af waarom ze geen piemel heeft en ontwikkelt een sterk verlangen naar een ‘jongens gewei’.

Laat ik het hier maar bij laten. Over deze roman zullen vast nog vele studenten Nederlands afstuderen en er zullen vast nog vele masterscripties over worden geschreven. Bijzonder! Een heel erg bijzondere roman die je niet zomaar loslaat!

Borne en Hengelo

Als je iets geleerd hebt als je boven de zestig bent is het wel dat de natuur een datum helemaal niets zegt; je viert je verjaardag of nieuwjaar en niets verandert. De epidemie, de natuur dus, gaat gewoon door zonder zich van wat voor datum dan ook iets aan te trekken. Tijd is slechts een afspraak tussen mensen. Een van de mythes om onze mensenmaatschappijen te laten draaien zoals wij dat willen. Willen? Nou ja, hoe dan ook,  vandaag is het nieuwe jaar begonnen en kan alleen maar beter worden dan het oude. In het nieuwe jaar gaat in september – als alles mee zit (en waarom ook niet) – onze tentoonstelling over Fré Cohen geopend worden. Vanwege de pandemie blijft de huidige Taut-tentoonstelling wat langer open en is ‘onze’ tentoonstelling wat naar achteren geschoven. Naar het Coronavrije tijdperk, mag ik hopen.

Geliefde J. en ik hebben een appartementje gehuurd in het oosten van het land. Het mooiste en wijdste uitzicht dat we ooit gehad hebben. Was er niet net een nieuwe weg aangelegd, dan was het hier ook nog heel stil geweest. Het is de streek waar Fré Cohen in 1942 haar laatste periode heeft geleefd. Gedwongen door de omstandigheden moet ik wel zeggen, want anders was ze ongetwijfeld gewoon in Amsterdam blijven wonen, in haar atelier op de Karel du Jardinstraat. Lees je de verhalen over die periode in haar leven dat ze in het oosten van het land woonde, dan lijkt het een beetje alsof de rust van het landschap in haar gevaren was. Het leven kabbelde voort. Ze deed klusjes in het huishouden – hoewel dat niet direct haar sterkste kant was – en tekende veel. Onder anderen een mooi portret van Minie, de dochter van het gezin waarbij Fré Cohen ondergedoken zat.

Omdat J. en ik in de buurt waren, zijn we op zoek gegaan naar de bewuste boerderij. Aan de Deldersedwarsweg in Borne.  Die weg heeft een andere naam gekregen: De leemweg. Nummer 2 zou het huis zijn. Toen we over de Leemweg liepen hadden we heus niet gedacht dat we hetzelfde zouden zien als Fre Cohen toen ze in september 1942 haar onderduikadres in het vizier kreeg, maar wat wij ervaarden was, denk ik, het tegenovergestelde. De Deldenseweg – waar Fre Cohen d’r straat dus een dwarsweg van was geweest – bleek een vrij drukke provinciale autoweg. De voormalige dwarsweg – nu Leemweg – lag er lawaaierig, verloren en verwilderd bij. Op nummer 2 een huis waarvan het ongeloofwaardig was dat het er al in 1942 had gestaan. Het leek verwaarloosd. Geliefde J. en ik stonden stil op de plek waar Fré Cohen haar laatste teug vrije lucht naar binnen moet hebben gezogen, maar wij konden haar ons niet voor de geest halen. Op deze plek was niets hetzelfde gebleven als in de zomer van 1943.

We reden door naar Hengelo, waar Fre Cohen begraven lag. Een mooi ommuurd kerkhofje heel erg in de buurt waar zoonlief J. een tijdlang, betrekkelijk ongelukkig in een luxeappartement, gewoond had. We konden door de spijlen van de toegangspoort de graven zien. Het zag er vredig uit. Wat konden we er meer over zeggen… Fre Cohen is dood en begraven, maar in november 2021 wordt er een tentoonstelling geopend van haar werk in museum Het Schip. Haar werk houden we in leven!