Stephan Enter – Pastorale; Niet mijn roman

Een roman die zich afspeelt in het landelijke Brevendal…Vredenbal…Bravendel…Barneveld! Vestdijk liet een aantal van zijn romans afspelen in Lahringen terwijl iedereen meteen wist dat het Harlingen moest zijn. Persoonlijk vind ik zo’n anagram niet echt geslaagd. Je krijgt dan een soort verzonnen fictie maar dan niet net echt. Straten moeten verzonnen worden, beelden worden verzonnen. Die beelden staan dan wel voor dezelfde kerk als in de ‘echte’ wereld hoewel die kerk toch net weer even een andere naam heeft gekregen terwijl het beeld dat op het kerkplein staat, net als in de werkelijkheid een held voorstelt, maar in de roman is zijn heldendaad verzonnen maar toch best wel herkenbaar voor de mensen die in het oorspronkelijke dorp wonen….. Oké, dat wordt dus allemaal erg ingewikkeld. Ik denk dat ik er van hou om de dingen wat simpel te houden zodat je je kunt toeleggen op datgene waar het echt om gaat. Zo’n dorp is het decor. Natuurlijk is het decor belangrijk, het draagt bij aan de ervaring van de romanwerkelijkheid van de lezer. Als je zo overduidelijk het decor baseert op de werkelijkheid maar die dan doorzichtig verdraaid, komt dat de geloofwaardigheid niet ten goede. In ieder geval niet in deze roman die toch al zo veel problemen heeft wat betreft de geloofwaardigheid. In een roman kan je trollen, helden, monsters op laten draven zo vaak je maar wilt, maar ze moeten wel geloofwaardig zijn. Deze roman die een paar dagen of weken beschrijft van het leven van een puberende broer en zus is voor mij niet geloofwaardig; het is allemaal net eventjes te veel.

Zus Louise studeert in de grote stad, maar reist op het moment dat de roman begint, terug naar Brevendal. Ze is gestopt met haar studie en heeft haar geloof verloren. Jongere broer Oscar zit voor zijn eindexamen. Zijn Molukse klasgenoot Jonkie is bij een brommerongeluk gewond geraakt en de leraar vraagt Oscar om huiswerk naar Jonkie te brengen. De Molukse gemeenschap leeft afgezonderd van de rest van de Brevendalse bevolking. In het huis van Jonkie ontmoet hij diens zus Dona. Hij voelt zich tot haar aangetrokken. Om haar sluit Oscar een soort van berekende vriendschap met Jonkie. Oscar wordt uitgenodigd om bij Jonkie en zijn familie te eten. De vader van het gezin vertelt wat de Molukkers, en dus ook hem, is overkomen. Hoe slecht ze zijn behandeld door de Nederlandse overheid. Maar helaas, Jonkie blijkt niet direct een lieverdje. Tenminste, zo zie ik het. Jonkie vormt met een groepje Molukse leeftijdsgenoten een bende die er niet voor terugdeinst om te martelen. Zo wordt een onwelgevallige Brevendalse jongen tussen twee mierenhopen in, bloot vastgebonden en met stroop ingesmeerd. Ondertussen wordt het Oscar duidelijk gemaakt dat hij geen hoop hoeft te vestigen dat het ooit wat wordt tussen Dona en hem. Puur racisme ligt hier op de loer, vind ik.

Ondertussen worstelt Louise met haar opgegeven studie Engels en haar geloof. De familie is gereformeerd. Dat beeld wordt in de roman uiteraard geïllustreerd met een op bezoek komende ouderling. Ouderling Westereng lijkt zo gestapt uit het boekje ouderling clichés: Vettig, gulzig en drankzuchtig. In het dorp is zojuist een nieuwe dominee gekomen. Met een zoon, Maarten, en Louise lijkt op hem te vallen.  Ze neemt de kinderdienst in de kerk van hem over. Een soort babysitten met de kinderen van de gelovigen die zodoende de ‘echte’ dienst kunnen volgen. Dit groepje jonge kinderen van religieuze ouders vertelt ze wel even hoe het zit wat betreft godsdienst. Allemaal onzin, betoogt ze, godsdienst is bedrog. Ondertussen vertelt ze lagere schoolkinderen dat het helemaal niet nodig is om te trouwen als je lekker wilt seksen. In geuren en kleuren vertelt ze de kindertjes hoe ze zich laat neuken door haar minnaar… Het wordt haar uiteindelijk door Maarten niet in dank afgenomen haar nummertje anti-catechisatie, maar Louise blijkt erg tevreden over zichzelf.

Oscar daarentegen, ligt tijdens het martelen der Molukkers in een greppel zich te verstoppen. Precies op die plek vindt hij de vet gevulde portemonnee van een boer die zegt overvallen te zijn. Zes briefjes van duizend. Oscar weet niet wat hij ermee moet doen. Hij kan ze niet uitgeven, want wie vertrouwd een scholier die iets met een briefje van duizend betaalt? Het geld kan hij ook niet weggeven, want wie accepteert dat nou? Zelfs niet aan zijn ouders die financieel zo in de knoop zitten dat ze waarschijnlijk het landgoed dat ze bezitten moeten verkopen…

Ik ben niet erg kapot van deze roman. Een mens met zo weinig empathie en zo overtuigd van eigen gelijk en dat ten koste van alles wil verkondigen die tegelijkertijd zoveel moeite heeft om te vertellen dat ze gestopt is met haar studie als Louise, ben ik zelden tegengekomen. Ook Oscar die zich wel heel makkelijk schikt naar de wandaden van anderen lijkt meer een karikatuur dan een ‘echt’ personage in een roman. Beiden komen bij mij niet geloofwaardig over. Vervolgens het vervormde decor…Barneveld/Brevendal. De clichématige tekening van de ouderling. Nee, het is het allemaal niet. Niet mijn roman, zullen we maar zeggen.

Nico Dros – Willem die Madoc maakte; waar de geschiedschrijving op houdt!

Het lezen van een roman heeft vaak iets weg van ontsnappen uit de grauwheid van het leven. Aan de andere kant laat het je juist vaak een werkelijkheid zien die anders is dan de jouwe. Het kan je daarmee een handvat geven om je situatie te veranderen, beter te maken, zonder dat de auteur dat per se bedoeld heeft; het is het werk van je eigen brein terwijl de roman slechts de rol van katalysator speelt. Het ontsnappen uit je eigen werkelijkheid en je verplaatsen in de wereld van een ander geeft ons een ruimere blik op de wereld terwijl de bedoeling van de auteur daar weinig mee te maken heeft; het gaat er om wat het ons doet; wat onze gedachten zijn tijdens en na het lezen. We zouden veel meer stil moeten staan bij de lezer dan bij wat de auteur mogelijk bedoeld heeft. Pas bij het lezen krijgt literatuur betekenis en waarde. Wat voor literatuur geldt, geldt eigenlijk voor alle kunst. Ook als je muziek hoort of naar een schilderij kijkt gaat je brein aan het werk. Niet voor niets speelt kunst in iedere cultuur een rol van betekenis; mensen hebben die spiegel nodig om te kunnen functioneren; we hebben een katalysator nodig die ons brein helpt om de wereld met andere ogen te zien en verfrissende ideeën te krijgen. Daarom is het stilleggen van bijna alle cultuur tijdens deze vermaledijde pandemie ook zo’n drama; over het leven is een doem komen te liggen…

De roman ‘Willem die Madoc maakte’ biedt heel veel van het bovenstaande. We moeten ons niet alleen verplaatsen naar het brein en het leven van een ander, maar ook nog eens naar een heel andere tijd. De roman speelt zich namelijk af in de hoge middeleeuwen. Naar de tijd dat het verhaal over Reinaart de vos in het Middelnederlands werd geschreven. Iedereen die de Van den vos Reynaerde heeft gelezen, weet hoe raadselachtig het verhaal begint. De schrijver stelt zich voor als: ‘Willem die Madoc maecte…’. Daarmee moeten we het doen. Wat is Madoc? Wie was Willem? We weten het niet. Veel van wat zich in de lage landen afspeelde rond die tijd, is in duister gehuld. Ook de middeleeuwen willen we kennen en de schrijver gaat ons daarbij helpen. De auteur wijst de lezer op de leer van Aristoteles; Die Griekse wijsgeer stelde de dichtkunst boven de geschiedschrijving. ‘De geschiedschrijver namelijk tracht aan de hand van geschreven bronnen en getuigenverklaringen een waargebeurd verhaal te vertellen over een reeks door mensen en goden veroorzaakte voorvallen. Maar het verhaal van de dichter begint juist daar waar de geschiedschrijver zwijgt omdat zijn bronnen zijn uitgeput of verzegeld blijven. De dichter put uit de bron der verbeelding.’ Schrijft Nico Dros. Over Madoc weten we niets, we kennen het niet; het wordt slechts genoemd aan het begin van het dierenepos. Omdat de geschiedschrijver het niet weet, gaat de dichter verder en aldus schrijft Dros over de eventuele roman Madoc: ‘Ook werd gelispeld dat de inhoud van het venijnige epos buitengewoon ketters was, en daarnaast toonde het zich vrijgevochten in liefde en moraal.’ Daarmee hebben we de kern van de roman te pakken; een verzonnen verhaal dat aansluit op datgene wat we wel weten en wat er verzonnen is en uiteindelijk tegen het denken van de toenmalige historische tijd ingaat en ons daarmee iets wil vertellen over de tijd waarin we nu leven.

Hoewel…Hier staat volgens mij: ‘Willam die madocke makete’

De roman begint met het verhaal van een ‘ik’. Deze persoon blijkt een op een zijspoor geraakte hoogleraar middeleeuwse letterkunde te zijn. Hij krijgt drie zeldzame middeleeuwse handschriften in handen om die op te nemen in de universiteits bibliotheek. Een van de handschriften is een verzamelhandschrift waarin onder anderen Van den vos Reynaerde is opgenomen. Twee handschriften brengt de ‘ik’ direct naar de bibliotheek, de laatste houdt hij voor zichzelf omdat hij zich daarmee als wetenschapper wil revancheren. Met een aantal mooie wetenschappelijke artikelen gebaseerd op dit verzamelhandschrift wil hij weer terugkeren in het middelpunt van de wetenschap. Per ongelukt vindt hij in de kaft van het boek een manuscript verstopt. Geheim omdat het gecodeerd lijkt. Hij kan het niet ontcijferen…maar gelukkig neemt de dichter oftewel de verhalenverteller het over… en begint het verhaal van een schipbreukelingenkind dat opgroeit in een klooster, vandaar de wereld in trekt en terecht komt bij een vrouw die zich aan de zelfkant van de maatschappij handhaaft. Maar dan moet hij vluchten waardoor hij terecht komt bij een feodale heer, alwaar hij een soort rentmeester wordt die grote vernieuwingen aanbrengt in het aloude feodale systeem. Bovendien krijgt hij een geheime verhouding met de vrouw van zijn broodheer die ook nog van hem zwanger raakt. Daarna komt hij terecht bij Wijchje. Met haar krijgt hij een dochter die al snel overlijdt waarna Wijchje zich als begijn terugtrekt en mystieke ervaringen krijgt hem verlaat en verder gaat als de devote dichteres Hadewijch. Vandaar trekt hij naar de stad waar hij de opperopzichter wordt van een koopman en diens moerasland te gelde weet te maken, maar waar hij ook de schrijver wordt die ons uiteindelijk Van den vos Reynaerde in het Middelnederlands – Diets –  schenkt. Op datzelfde moment ontwikkelt hij ook ideeën die meer bij onze tijd dan bij de middeleeuwen horen. Zo ontwikkelt hij de gedachte dat het denken van de mens een oorsprong vindt in chemische processen in het lichaam. Dat betekent dat er geen onsterfelijke ziel is maar slechts een lichaam dat dood is als het gestorven is. Doorredenerend bestaat dan God net zo goed niet. Dit alles schrijft hij op…en dat wordt uiteindelijk gevonden…en gelezen…

Oke, een klein beetje kritiek: Ik heb een tijdje het idee gehad dat ik een roman van Jan van Aken aan het lezen was. In het begin van de roman stoorde mij dat flink. Een klein beetje hetzelfde stramien; een middeleeuwer gaat op reis en vervolgens zien we zoveel mogelijk facetten van die maatschappij. Uiteindelijk klopte dat gevoel niet echt en is de roman van Nico Dros wel heel anders dan de romans van Van Aken. Wat ik vaak zag is dat een hoofdstuk vaak begint met de toestand die aan het eind van het hoofdstuk bereikt. Een flink aantal hoofdstukken waren zo opgebouwd. Een leuke vondst, moet ik zeggen.

Meer dan het bovenstaande ga ik niet verklappen; dat zou zonde zijn; je moet het zelf maar lezen en dat is zeker de moeite waard. Op een relatief klein stukje na een buitengewoon boeiend boek; ik heb de paar honderd bladzijden die het dik is, verslonden!

Niet eens met de jury

‘The day after’, dus. Gisteren werd de Libris literatuurprijs 2021 bekend gemaakt. Ik zat er naast. Niet Marieke Lucas Rijneveld bleek de winnaar maar Jeroen Brouwers. Bij mij eindigde zijn roman op de voorlaatste plaats. Zo zie je maar; professionals en ik, amateur, zijn het kennelijk niet vaak met elkaar eens. Gisteren werd er een interview met Jeroen Brouwers uitgezonden dat enkele dagen voor de bekendmaking van de prijs werd gemaakt; Brouwers is wars van publiek optreden en hecht hoegenaamd geen waarde aan prijzen. In zekere zin zien we hier een overeenkomst tussen schrijver en zijn hoofdpersonage client Busken. Ik heb het interview maar gedeeltelijk kunnen horen omdat ik het geluid uitzette. Niet omdat het interview oninteressant was, maar omdat ik het er erg benauwd van kreeg; Jeroen Brouwers heeft een ventiel in zijn keel gekregen en dat samen met een uitermate zware, rochelende ademhaling maakte het volgen van het interview uitermate zwaar. Vandaar, dus.

De roman van Jeroen Brouwers vond ik een goede roman. Op de shortlist stonden dit jaar eigenlijk geen zwakke of slechte werken. In tegenstelling tot voorgaande jaren, was de kwaliteit van het geheel bijzonder hoog. Maar waarom eindigde Brouwers bij mij op de één na onderste plaats? Ik denk dat ik aspecten laat meewegen die de jury juist links laat liggen.  Ik laat bijvoorbeeld ‘leesplezier’ meewegen. De roman ‘Client E. Busken’ gaf mij bijzonder weinig leesplezier. Ik vond het geen ‘lekker’ boek om te lezen. ‘Leesplezier’ is buitengewoon subjectief want wat ik wel pruim, zal een ander niet pruimen. Dat is gewoon zo. Je zou heel precies in kaart moeten brengen wat nou een boek ‘lekker’ maakt en wat niet. Tenminste als je ‘lekker’ professioneel zou willen laten gelden als criterium. Ik mag ALLES WAT IK WIL meenemen bij de beoordeling van een roman. Tijdens het lezen van de roman van Jeroen Brouwers voelde ik me opgesloten in een hoofd van een oude dementerende negatieveling. Als ik het al niet was, dan werd ik er haast somber van; niets en niemand deugt; de wereld is een tranendal en we wachten op het verlossende einde… om te verdwijnen in het…NIETS. Ik werd daar niet vrolijk van.  

Stel, ik laat mijn subjectieve oordeel buiten beschouwing. Zou de roman van Jeroen Brouwers dan bij mij gewonnen hebben? Nee, want er staan nóg sterkere boeken op de shortlist, vind ik. Ook dan blijf ik de roman van Marieke Lucas Rijneveld bovenaan zetten. Alleen al het vernieuwende van de vorm; nog nooit zoiets onder ogen gehad. Het poëtische taalgebruik, het platteland, het geloof, het schurende, de nachtmerries… eigenlijk elk facet draagt vernieuwing en originaliteit in zich. Daarnaast dus ook nog een ‘lekker’ boek dat je met plezier leest. De roman van Jeroen Brouwers is veel traditioneler van opzet; we hebben wel eens meer in het hoofd van een dementerende gezeten. ‘Hersenschimmen’ van Bernlef bijvoorbeeld. Een veel positievere roman dan ‘Client E. Busken’. Ook het boek van Gerda Blees vond ik nieuwe wegen zoeken in het vertellen van een verhaal en ook haar roman was ook nog eens fijn om te lezen.

Al met al ben ik het minder met de jury eens dan vorig jaar.

Rutger Bregman – Wat maakt een verzetsheld?; té oppervlakkig

Ik heb me inderdaad altijd afgevraagd wat iemand tot held maakt. Dat komt omdat ik op een dag ontdekte dat ik zelf helemaal geen held ben terwijl ik dacht dat ik het wel was. Dat fantaseerde ik dus, dat heldendom van mij. Maar ik bleek in voorkomende situaties eerst aan het redden van mijn vege lijf te denken en pas daarna aan het redden van anderen. Dat was geen denken overigens, dat was instinct. Ik reageerde zonder na te denken. Niet door de aanval te kiezen en het gevaar uit te schakelen, maar door hard weg te lopen. Ik viel mezelf verschrikkelijk tegen want ik had gedacht dat ik heel anders zou reageren. Meer heroïsch, meer rationeel. Maar nee, in paniek maakte ik dat ik wegkwam.

Geliefde J. is nog geen bewezen held bij acuut gevaar, maar heeft wel de neiging om extreem wereldverbeteraar te zijn. Het brandende vliegtuig verlaten waarbij ik desnoods over de hoofden van anderen loop om maar zo snel mogelijk bij de uitgang te komen, zit er bij geliefde J. niet in, bedacht ik. Mijn geliefde J. helpt eerst de anderen om daarna zelf in de vlammen om te komen. Die gedachte passeerde me. Meer niet. Nog nooit een brandend vliegtuig hoeven te verlaten, godzijdank.

Over de vraag wat een held is gaat het boekje ‘Wat maakt een verzetsheld’ van Rutger Bregman. Hij doet dat aan de hand van verzetsheld Arnold Douwes. Arnold Douwes was iemand die niet spoorde in vredestijd, maar in oorlogstijd kon uitgroeien tot held van het verzet doordat hij specifieke eigenschappen bezat die juist nuttig zijn onder extreme omstandigheden. Dat is wat Rutger Bregman beweert. Vraag is echter of we na het lezen van het boekje meer weten over het fenomeen ‘held’ en of we kunnen voorspellen wie opstaat en wie – zoals ik – de benen neemt. Nee, ik denk het niet. Het boekje beslaat maar een paar bladzijden en is meer een ietsje uitgebreid artikel dan een boek. In zo’n kort bestek kan je dit vrij complexe onderwerp niet diepgravend behandelen, denk ik. Bregman begint het boekje met Samuel Oliner die onderzoek deed naar het verschijnsel verzetsheld. Hij kwam tot de conclusie dat er geen significante eigenschappen zijn; Iedereen kan een held zijn of, zoals ik, iemand die de pleiterik maakt.

Bregman ziet wel, dat er één aspekt in dat onderzoek ontbreekt, terwijl dat juist cruciaal lijkt te zijn. Wonderwel sluit dit gegeven nogal goed aan bij de inhoud van Bregmans bestseller ‘De meeste mensen deugen’. Als je mensen expliciet vraagt om te helpen, dan zijn velen daartoe bereid. Heb je één keer geholpen, dan help je doorgaans meerdere keren. Dus, vragen om een heldhaftige daad te doen, helpt wel.

Het voorbeeld Arnold Douwes is wel een leuk voorbeeld, maar illustreert niet veel. Bregman somt wel wat eigenschappen op die je veel terugziet bij helden, maar of dat het nou is… Zo waren er heel veel mensen in het verzet lid van de communistische partij en de gereformeerde kerk; mensen met een strikte levensopvatting dus. Veel mensen die in verzet kwamen hadden een sterk rechtvaardigheidsgevoel en waren opgevoed met het idee dat je je eigen geweten moest volgen en dat je zelf moest leren nadenken. Arnold Douwes was buiten de oorlog onmogelijk vanwege zijn rechtlijnigheid, zijn rechtvaardigheidsgevoel en drammerigheid. Vraag is of Douwes exemplarisch is voor de verzetsheld. Ik denk het eerlijk gezegd niet. Neem bijvoorbeeld Jacoba van Tongeren, niet rechtlijnig, niet gereformeerd en geen communiste maar wel een groot gevoel voor rechtvaardigheid; zij bleek ook een grote held en redde honderden mensen.

Een aspect wat in het boekje helemaal niet voorkomt is de relatie tussen in verzet komen en de mate waarin je bedreigd wordt of niets te verliezen hebt. Er zaten verschrikkelijk veel joodse mensen in het verzet; een aspect waar überhaupt weinig aandacht voor is.

Ik vind dat Rutger Bregman wel ietsje meer ruimte had mogen nemen om meer aspecten onder de loep te nemen en het wat meer uit te diepen; het verlangen naar helden en verhalen over helden, verzonnen of echt, we horen ze dagelijks. We willen die verhalen horen, we willen helden zijn. De held is een té belangrijk onderwerp om zo af te doen als Bregman nu doet; ik vind dit boekje eigenlijk te oppervlakkig.

Elma Drayer – Witte schuld; analyse van identiteit denken en antiracisme

Als blanke, sorry witte, heteroseksuele, best goed verdienende, redelijk hoogopgeleide (maar niet boze) man ben ik al een behoorlijke tijd de pispaal van de antiracistische beweging. Zonder dat ik me er kennelijk van bewust ben, stel ik groepen mensen met een gekleurd velletje achter en profiteer ik klaarblijkelijk optimaal van de voordelen die mijn lichte huid biedt. Zo werden mijn betrekkelijk hoge opleidingsniveau, mijn inkomen, mijn baan en mijn huis me zo in mijn schoot geworpen. Ja ja, ik ben maar een bofferd. Dat uiteraard in tegenstelling tot al die lui met een minder lichte huidskleur… Natuurlijk komt racisme voor en moeten we dat bestrijden, maar racisme is niet specifiek voor Nederland. Ook niet voor West-Europa, heel Europa, Afrika of…laten we zeggen…de wereld. Racisme is overal waar mensen zijn omdat mensen zich graag verdelen in wij en zij. Wat betreft racisme, en dat durf ik zonder blikken of blozen te beweren, brengen we het er hier in Nederland best goed af. Maar toch wordt het debat in ons kikkerlandje op hoge toon gevoerd. Elma Drayer, wiens columns ik in de Volkskrant eigenlijk nooit oversla, schreef het boekje Witte Schuld over dit onderwerp. ‘Witte Schuld’ is ongetwijfeld een knipoog naar het boek ‘Witte Onschuld’ van Gloria Wekker. Over dit gedrocht van onze professor heb ik het al vaak gehad hier op mijn website. Niet alleen daarom heb ik het boekje van Elma Drayer gelezen; ik was ook erg benieuwd hoe ze haar mening over dit onderwerp onderbouwt en systematiseert

Ze bespreekt een aantal onderwerpen die samen een goed beeld geven van de controverse op dit moment rond identiteits denken en de antiracismebeweging. Ze begint met een hoofdstuk ‘Het kereltje’. Het kereltje is Zwarte Piet. Met dit figuur werd de discussie landelijk op scherp gezet. Mensen in Nederland vinden al jaren dat Zwarte Piet onlosmakelijk verbonden is aan het Sinterklaasfeest. Al draagt Zwarte Piet een zwarte krulletjespruik, is zijn gezicht zwart gemaakt, heeft hij dikke lippen en praat hij met een vet Surinaams accent, de intentie was nooit racistisch. Daarentegen werd het wel door een groep mensen als racistisch ervaren. De stelling Zwarte Piet = Racisme samen met demonstraties die het voor kinderen ineens niet meer veilig maakte bij intochten van Sinterklaas, zorgden voor heel veel onrust en wederzijds onbegrip.

Vervolgens stelt ze in het hoofdstuk ‘Onwelgevallige opvattingen’ de cancel-cultuur ter discussie. Hoe, vooral aan universiteiten, het onmogelijk wordt gemaakt om een mening te verkondigen tegen het identiteits denken in. Al snel wordt iemand weggezet als racistisch of islamofoob. In het hoofdstuk ‘Taalzuiveringen’ zegt het begrip ‘niet-Zwarte mensen van kleur’ om vermeend gediscrimineerde mensen aan te duiden uit islamitische landen, haast al voldoende over hoe doorgeschoten de voorstellen zijn om taal te veranderen. Ook het woord ‘slaaf’ dat op zichzelf al drama genoeg herbergt krijgt een make-over en wordt het spuuglelijke ‘tot slaaf gemaakte’. Desalniettemin laat ze ook  zien dat taal er wel degelijk toe doet.

Een hoofdstuk dat mij diep geraakt heeft is ‘De zogenaamd zielige witte Jood’. Waar je zou verwachten dat mensen die zich op dit moment gediscrimineerd en racistisch bejegend voelen zich in zouden zetten en solidair zouden verklaren met de joden die zo verschrikkelijk geleden hebben onder rassenwaan, is hier helemaal geen sprake van. Integendeel. Het leed wat de joden is aangedaan tijdens de tweede wereldoorlog wordt zonder meer weggestreept tegen het leed dat de zwarte wereldbevolking is aangedaan tijdens de trans-Atlantische slavernij. Bovendien worden joden die de oorlog overleefden gezien als ‘witte’ mensen die erop uit zijn om ‘zwarte’ Palestijnen te onderdrukken. Nederlandse joden worden vereenzelvigd met de staat Israël. Kortom, het antisemitisme bloeit en groeit binnen een beweging waar je het tegenovergesteld verwacht.

In ‘Het giffabriekje’ gaat Drayer dieper in op het omgekeerd racisme; mensen met een kleurtje die een positie verwerven in de maatschappij en dan worden weggezet als mensen die aan de leiband lopen van het witte establishment. Dat witte establishment kan het eigenlijk nooit goed doen en daarom worden getinte mensen gezien en behandeld als verraders. Het meest duidelijk kwam dat naar voren in de tweede kamer waar de fractie van Denk filmpjes opnamen en verspreiden van hun islamitische collega’s die in hun ogen, anti-islamitische of anti-Turkse maatregelen ondersteunden. De gevolgen waren voor de getroffen kamerleden enorm.

Al met al een goede analyse van identiteits denken en antiracisme. In mijn ogen zijn veel facetten van het identiteits denken en de denkbeelden van de antiracisme beweging puur racistisch van aard. Of Elma Drayer deze conclusie ook trekt uit haar analyse, weet ik niet.

Een mooie bijdrage aan de discussie, vind ik.