James Ensor (1860-1949) – Oude Dame met Maskers (1889)

oudedamemetmaskers

Wij komen niet vaak in het Singermuseum in Laren. Onterecht, denk ik, want het is een leuk museum. Toen we er waren, vielen we met de neus in de boter; Er was een tentoonstelling van werken afkomstig uit het Paleis voor Schone Kunsten in Gent. Schilders waar ik nog niet zoveel van gehoord heb maar die wel heerlijke doeken hebben gemaakt, hingen er. En schilders die ik al wel kende. En van James Ensor een van zijn meesterwerken; Oude Dame met Maskers.

Op het moment dat wij in het museum rondliepen, had een kunstverzamelaar net haar verzameling expressionisten overgedaan aan het museum. Dat werd gefilmd. De kunstverzamelaar liep samen met de directeur door het museum terwijl een camera hen volgde. Wij probeerden uit alle macht buiten beeld te blijven, maar dat bleek achteraf mislukt. ’s Avonds zagen we tijdens het journaal een item over dit onderwerp en waren we getuige van ons eerste televisie optreden. Weliswaar onze ruggen, maar toch…

Eén van de dingen die me aantrok in dit schilderij was dat het Singermuseum suggereerde dat voor de oude dame wellicht Neel Doff model had gestaan. Neel Doff stond veel model voor schilders en ze bivakkeerde in de omgeving van de kunstenaar. Zelfs in de periode dat hij dit schilderij maakte was Neel Doff in zijn buurt. Maar ze kan het gewoon niet zijn. Ik begrijp niet hoe het Singermuseum dit kon suggeren want je hoeft alleen maar geboortejaar en het ontstaansjaar van dit schilderij met elkaar te vergelijken. Neel Doff was op het moment dat Ensor dit schilderde geen oude dame maar een vrouw van 31. Misschien de moeder van Neel Doff? Maar…maakt niet uit, ook als het niet Neel Doff is, dan blijft het een fantastisch schilderij.

Wat ik begreep uit de literatuur was dat James Ensor is gekomen en gegaan als een komeet. De stijl waarmee hij zoveel succes behaalde, en waarvan dit schilderij een voorbeeld is, heeft hij maar in een korte periode gevoerd. Voor die periode waren zijn schilderijen niet zoveel, maar daarna ook niet meer. Lijkt me erg tragisch. Aan de andere kant…in die ene periode heeft hij wel iets gedaan waar velen nog over spreken. Ook zo verschrikkelijk herkenbaar. Zijn schilderijen stralen de kleur roze uit en hebben een hoog viltstift gehalte. Slaat misschien nergens op, maar zo voel en zie ik het. Viltstiften waren net in de mode gekomen om mee te tekenen, toen ik kind was. Die dingen raakten altijd leeg of verdroogd op het verkeerde moment. Daardoor kwamen de kleuren nooit zo goed door die je gebruikte. Dat fenomeen herken ik een beetje in de schilderijen van Ensor; net of de kleuren niet goed doorkomen. Maar daardoor zijn ze zo verschrikkelijk herkenbaar als de schilderijen van Ensor.

Wat mij in dit schilderij erg aanspreekt is het gezicht van de oude dame. Dat ziet er behoorlijk realistisch uit. Daaromheen de maskers. Zijn het haar maskers? Heeft hij haar ontdaan van haar maskers? Of is zij echt en het leven een maskerade? Het doodshoofd rechts boven in het schilderij maakt het geheel wat luguber.

Toch zou ik willen weten….wie is die oude dame? Het zou ons toch beter helpen om dit schilderij te begrijpen! Of moeten we het gewoon nemen zoals het is?

Gerard David (1455?-1525) Het oordeel van Cambyses (1498)

Oordeel van Cambyses

In het Groeningenmuseum in Brugge hangt tussen de werken van Hans Memling en Jheronimus Bosch, dit diptiek van een voor mij niet zo bijster bekende schilder. Het blinkt uit in afgrijselijkheid. Ook prachtig geschilderd, daar niet van, maar wat verschrikkelijk. Het heeft mij een tijd gekost om uit te vinden wat er hier gebeurde en waarom. De horror wilde maar langzaam doordringen. Toen het tot mij doorgedrongen was kon ik het nauwelijks geloven…

De middeleeuwen en de vroege renaissance associeer ik makkelijk met ongekende wreedheden. Als je wreedheden met een bepaalde tijd in het verleden associeert, dan ga je ervan uit dat de mensheid geleerd moet hebben van het verleden en dat we daarom beter geworden zijn. Een andere vraag is, als je nu specifiek naar dit schilderij kijkt, was de straf die deze man ondergaat business as usual of heeft men hier het ergste afgebeeld wat men zich kon voorstellen?

Toch heeft dit schilderij me geen nachtmerries bezorgd. Wel een ander schilderij. Kwalitatief een veel minder schilderij dan het hier getoonde. Ik dacht dat ik het in Gent gezien had, in de buurt van de burcht. Ik heb er nog spijt van dat ik er naar gekeken heb. Wat stelde het voor: Een stad die veroverd was in de late middeleeuwen. De scene die me diep raakte was een rij overwonnen mannen die klaar stonden om hun rechter hand te laten afhakken. Dat deden de beulen met een hakbijl en een voorhamer. De hakbijl werd op de juiste plaats gezet en een klap met de voorhamer joeg de bijl door de arm. Het idee dat je moet wachten op zo iets afgrijselijks… Dan ben je blij dat je in deze tijd leeft en niet toen.

Niet toen leeft…tsja…dan komt bij mij die afgrijselijke oorlog weer boven in West-Afrika. In Liberia en Sierra Leone. Nog maar een paar jaar geleden afgelopen. Afhakken van handen was daar een heel gewone zaak. Leren van de geschiedenis, ik heb er een hard hoofd in. Vrede zorgt er wel voor dat er een beschavingslaagje over het beestachtige wordt aangebracht. Elk jaar van vrede een nieuw laagje. Net zo lang totdat je je echt niet meer kan voorstellen dat er onder die laag iets beestachtigs zit. Dat beschavingslaagje wordt ook behoorlijk ondoorzichtig. Je kan je niet voorstellen dat er ook maar iemand belang zou hebben bij het verwijderen van die laag. Toch gebeurt het…vroeg of laat.

Wat we feitelijk in dit schilderij moeten zien, is een waarschuwing. Tegen de achtergrond van de stad Brugge zien we de schepenen van die stad een straf uitvoeren op een legendarisch persoon uit een Perzische legende. Daarmee waarschuwden de schepenen zichzelf. Het gaat om een straf die koning Cambyses oplegt aan de rechter Sisamnes. Wat deze beklagenswaardige rechter heeft gedaan zien we in het klein onder de tweede boog op het linker schilderij: De man neemt steekpenningen aan; hij is corrupt. Dan wordt hij gearresteerd door Cambyses en zijn mannen. Vervolgens wordt hij veroordeeld. Op het rechterschilderij ligt de rechter op tafel vastgebonden en wordt zijn straf uitgevoerd: Hij moet levend gevild worden. Koning Cambyses kijkt toe met zijn scepter in de hand. Op de achtergrond zien we de opvolger van Sisamnes. Over de rechtersstoel hangt de huid van Sisamnes. Ter herinnering aan hoe een rechter zich diende te gedragen.

Het schilderij hing oorspronkelijk in de Schepenzaal. In opdracht van de schepenen van Brugge was dit schilderij gemaakt. Het moest hen er steeds weer aan herinneren om niet corrupt te zijn. De schepenzaal van Brugge, zonder dit schilderij, dus, is ook een aanrader. Wat een rijkdom!

 

Bart van der Leck (1876-1958) De Zaaier.

zaaierdoesburg

De grootste tentoonstelling ooit (denk ik) over de Stijl, vond plaats toen ik nog studeerde in 1982. Twee musea in het land hadden een tentoonstelling ingericht: Het Kröller-Muller museum in Otterloo en het Stedelijk museum in Amsterdam. De Stijl was ineens hot. Niet gewoon hot, maar verschrikkelijk hot. Alles straalde de Stijl. Alles was de Stijl. Het bracht mij er zelfs toe mijn eerste, en naar later bleek laatste, stappen te zetten in de meubelmakerij.

Als ik er nu naar kijk, naar de Rietveld stoel…ik zou er niet op willen zitten en ik zou hem ook niet in mijn huis willen hebben. Maar destijds deed ik daar veel moeite voor. Omdat internet nog niet bestond en je de informatie van her en der bij elkaar moest sprokkelen, kostte het nogal wat moeite om de afmetingen van de Rietveldstoel te bemachtigen. Ter controle heb ik zojuist ‘bouwtekening rietveld stoel’ op Google getypt… Meteen een stortvloed aan informatie. Hoe anders ging het destijds zo rond 1982! Dat was puzzelen. Maar daar heb ik een hoop lol aan beleefd, dus zo erg is het niet. Berekeningen gingen zo: Als de zitting (bij wijze van spreken) 50 centimeter lang is en de bovenste armleuning is 3/5 van de armleuning, dan moet hij wel 30 cm zijn. En als de breedte van de hele stoel 70 centimeter is, en de zitting 50 centimeter, dan moeten de armleuningen wel 10 centimeter zijn. Zo beredeneerde en berekende ik alle onderdelen van de stoel en ontstond er een boodschappenlijstje.

Met het boodschappenlijstje toog ik naar de doe-het-zelf markt. Ik heb toen het hout, schuurpapier en grondverf gekocht. Toen ik de eerst 10 onderdelen geschuurd had, begon ik me af te vragen hoe graag ik zo’n rietveldstoel in mijn huis wilde. Bij 20 onderdelen heb ik het opgegeven. Wat er met het hout verder is gebeurd; ik weet het niet.

Maar goed, in 1982 was die grote tentoonstelling verspreid over twee grote musea. Met vrienden gingen we er heen. Ik was toen vooral erg geïnteresseerd in hoe de Stijl-kunstenaars langzaam de werkelijkheid afpelden totdat ze de kern over hielden. Een kern in geometrische figuren in de basiskleuren rood, geel en blauw. Dat zag je bij Piet Mondriaan maar heel sporadisch terug. Bij Bart van der Leck en Theo van Doesburg zag je dat veel meer. Ik was erg onder de indruk van twee Van der Leck schilderijen. Beiden met dezelfde titel: ‘Het uitgaan van de fabriek’. Het ene schilderij ‘gewoon’ met herkenbare vormen. Het tweede schilderij tot de vorm van de Stijl geabstraheerd; geometrische figuren in de kleuren geel, blauw en rood. De overeenkomst tussen de twee schilderijen was evident.

Laatst was ik op een Van Gogh tentoonstelling in het Kröller-Muller museum. Ook daar een prachtig staaltje van terugbrengen tot de essentie. Nu van een schilderij van Vincent van Gogh. Dat schilderij hing er in de tentoonstelling naast. Bart van der Leck heeft een eigen versie gemaakt van een schilderij van Van Gogh, Hij heeft de beweging en het beeld overgenomen maar er zijn eigen draai aan gegeven. Dat gegeven zagen we al eerder terug bij Frances Bacon. Ook daar een Van Gogh schilderij dat verwerkt werd tot een schilderij van een andere kunstenaar.

Pieter Aertsen (1507-1575) Aanbidding der herders (fragment) (1549?)

herders

Ik deed de lerarenopleiding Nederlands en Geschiedenis. Voor dat laatste vak heb ik in totaal twee lessen gegeven. Dat was aan de Montessori Mavo. Van de eerste les kan ik me alleen de nabespreking herinneren. De leraar was niet zo tevreden. ‘Kinderen willen bloed zien’ was zijn boodschap. Daaruit concludeer ik dat mijn eerste les wat bloedeloos was geweest. Een beetje saai dus. Hoe bracht ik meer bloed in mijn verhaal? Mijn tweede les moest over de reformatie gaan. Hoe maak je dat voor een jong, ongeïnteresseerd publiek interessant…

Op de televisie zag ik een column van Bram Vermeulen over de ‘Aanbidding der herders’ van Pieter Aertsen. Zijn verhaal besloot ik te gebruiken als kapstok om mijn verhaal over de reformatie te vertellen.

Pieter Aertsen was een begaafd schilder die diverse altaarstukken had geschilderd. Zo had hij ook het altaarstuk geschilderd voor de Oude kerk. Boven het altaar hing een triptiek (ziet er dus uit als een schoolbord met een groot middenstuk en twee dichtklapbare zijstukken), wat de aanbidding der herders voorstelde. Op het middenpaneel het beeld dat we kennen van kerstmis, met Maria en Jezus in de kribbe. Op een van de zijpanelen de herders. Alleen dit stukje is van dat hele triptiek nog over; een fragment van een van de zijpanelen. Hoe kwam dat? In 1566 trok het opgezweepte gepeupel van kerk naar kerk om te vernielen en te plunderen. We noemen dat de beeldenstorm. Vaak wordt daar positief over gesproken (einde aan de misstanden van de kerk) maar vaak ook negatief (het volk werd opgezweept om mooie kunst te vernielen). Pieter Aertsen wilde niet dat zijn schilderijen vernield werden. Hij was een enorme kerel die niet makkelijk over zich liet lopen. Toen hij zag dat het gepeupel plunderend en brandschattend en vernielend langs de kerken ging, spoedde hij zich naar de Oude Kerk. Toen het volk binnenkwam probeerde hij te voorkomen dat ze ook zijn altaarstuk zouden vernielen. Maar de schilder verloor; alleen een zijpaneel kon hij redden. De beeldenstorm van 1566 in Amsterdam. Dat was het centrale verhaal. Veel focus op die grote kerel die zijn schilderij verdedigd… Omdat ik behoorlijk op mijn vertelstoel zat, luisterde de kindertjes ademloos en kreeg ik een hoge beoordeling voor mijn les.

Op het ogenblik hangt dit schilderij nergens. Het is eigendom van het Amsterdam Museum maar in bruikleen bij het Rijksmuseum. Kennelijk is er even geen plaats voor. In de periode dat ik studeerde hing het in het Rijksmuseum en het was me positief opgevallen door de prachtige koe en de zachtaardige blik van de herder. Ik ken weinig schilderijen waar een koe (of os) zo is weergegeven. Op de een of andere manier heeft de schilder de kern van het beest weten te vangen zonder dat je precies kunt aangeven waar dat aan ligt. Misschien dat oog dat ons aankijkt of die rijst-met-krenten snuit.

Het verschil met toen ik mijn les gaf en nu is Internet. Ik moest voor het verhaal van Bram Vermeulen volledig vertrouwen op mijn geheugen en wat daar over dit schilderij was gezegd. Nu kan je het gewoon op Internet opzoeken. Eén foutje; het was niet de Oude kerk, maar de Nieuwe kerk waar dit alles zich had afgespeeld. Voor de rest blijkt het aardig te kloppen. Pieter Aertsen had als bijnaam ‘Lange Pier’ omdat het zo’n enorme kerel was. Er is vrij veel van hem bekend omdat tijdgenoot en kennis Karel van Mander over hem geschreven heeft. Zo weten we ook dat hij veel van zijn werken vlak voor en tijdens de beeldenstorm in veiligheid heeft gebracht.

Aat Veldhoen (1934) – Simon Vinkenoog (2008)

08-116506-2608150955--01-900-900SimonVinkenoogNWC

Mijn middelbare schooltijd werd voor een groot deel gekenmerkt door ‘zoon van’ of ‘dochter van’. Dat heeft me wel dwarsgezeten. Helemaal omdat ik de zoon van ‘niemand’ was. Mijn vader was buiten beeld en als hij opdoemde dan betekende dat een zware periode, achteraf gezien. Ik voelde me erg anoniem tussen al die beroemde namen. Over de zoon van Aat Veldhoen, David Velthoen, heb ik al geschreven; hij zat bij mij op school. Nog dichterbij, want in mijn parallelklas zat de zoon van Simon Vinkenoog. Ik had me voorgenomen om mijn gebrek aan een beroemde vader te compenseren. Ik streefde ernaar om als veertienjarige wereldberoemd te worden…en als dat niet lukte dan moest het maar een jaartje later… Gelukkig ben ik nu erg tevreden met mijn min of meer anonieme bestaan.

Samen met Vinkenoog’s zoon en Mark Rietman hadden wij een korte periode toneelles van Marc Krone. Marc Krone had in zijn examenjaar geschitterd als (en in) Spinoza van Dimitri Frenkel Frank. Daarna ging hij naar de toneelschool maar kwam een aantal vrijdagmiddagen terug om ons het een en ander te leren over toneel. Ik kreeg opdracht om samen met Vinkenoog junior de beginscene uit ‘De Dienstlift’ van Harold Pinter in te studeren. Zo togen wij naar het Vinkenoog-huis aan de Amstel om te repeteren. Aan het eind van de middag voerden we het stuk op voor Simon Vinkenoog; hij vond het geweldig!!! Zo, die zat! Ik was goedgekeurd door een beroemdheid!

Vinkenoog junior was mateloos populair bij de meiden. Juist de meiden waar ik van droomde, liepen smachtend achter Vinkenoog junior aan. Toen wist ik precies waar dat aan lag; zeker niet aan mijn bril en verlegenheid, maar aan zijn beroemde vader! Daar wilden al die mooie meiden bij in de buurt komen. Pas later begreep ik dat de meisjes niet alleen op beroemde namen vielen; het ‘James Dean’ gehalte bij Vinkenoog junior was meters hoog. En…verlegen, zoals ik, was hij niet.

Maar het gaat natuurlijk om dit schilderij. Net als het ‘schuttersstuk’ van zoon David Veldhoen hangt dit schilderij in de schuttersgalerij van het Amsterdam Museum. Het is niet zo gek dat dit schilderij daar hangt want het heeft veel met de geschiedenis van Amsterdam te maken. Vinkenoog was de goeroe van de jaren zestig. Eén van de helden. Aat Veldhoen was ook zo’n held. Zij voerden de jongeren op dat moment aan om in opstand te komen tegen het etablissement. Tegen hun ouders dus. De ouders van de jongeren in de jaren zestig hadden de oorlog als volwassenen meegemaakt en daarna keihard gewerkt aan de wederopbouw. Dat gecomineerd met de verzuiling had ervoor gezorgd dat het blikveld van die ouders, in de ogen van hun kinderen, erg smal was. Dat wilden Vinkenoog en Veldhoen doorbreken. Er zou daardoor een nieuwe mens ontstaan; vredelievend, vrij en… doordrongen van het goede. Met een vrij seksleven!

Maar…Vinkenoog en Veldhoen werden ook vader; werden ook ouders. De vrijheid die zij als ouders propageerden, wilden wij, als hun kinderen, grijpen en daar hadden we een eigen huis bij nodig. Voor dat huis had de oude generatie niet gezorgd dus dat werd kraken en matten! De vrije seks werd in die periode gedwarsboomd door de nieuwe ziekte aids waar toen nog geen kruid tegen gewassen was. Bovendien, daar was ik veel te verlegen voor…

Simon Vinkenoog werd geschilderd in het jaar voordat hij overleed. Kwetsbaar, open en bloot. Toch heel herkenbaar. De lijnen waarmee hij op het doek gezet is, zijn beverig. Door een oude man geschilderd. Door een schilder die met links moet schilderen terwijl hij rechts is. Veldhoen liet zich niet uit het veld slaan toen hij een beroerte kreeg die hem eenzijdig verlamde. Dat maakt het schilderij nog kwetsbaarder. Een schilder in zijn nadagen heeft zijn vriend in zijn nadagen geschilderd. Echt ontroerend!

Pieter Breughel de Oude(1525?-1569) – Boerendans (1569?)

breughel Boerendans

Het lijkt alsof het vroeger veel gewoner was om reproducties aan de muur te hangen dan nu. Ik zou er nu niet meer over denken om een reproductie van een schilderij van bijvoorbeeld Karel Appel aan de muur te hangen. Ik zou dan veel eerder kiezen voor een zeefdruk. Maar dan wel van Karel Appel zelf. Mijn familieleden hingen vroeger wel degelijk reproducties aan de muur. Goede reproducties die mooi ingelijst waren. Qua formaat aangepast aan de maat van de huiskamer. Zo hing vroeger bij ons de Guernica van Picasso aan de muur. Hoewel ik toen niet begreep waarom de schilder alles niet ‘gewoon’ geschilderd had, was het grote leed me meteen duidelijk.

Wij kwamen veel bij mijn opa en oma, de ouders van mijn moeder. Ook zij hadden een reproductie aan de muur hangen. De boerendans hing jaren in de huiskamer. Later werd deze reproductie naar de studeerkamer verbannen toen meer ‘echte’ kunst in huis kwam. Als klein jongetje heb ik er veel naar zitten kijken. Het is ook een schilderij waar je veel vragen over kunt stellen. En dat heb ik gedaan. Of de antwoorden adequaat waren? Ik weet het niet. ‘Boerendans’, dan moet het wel een vrolijk schilderij zijn. Zo heb ik het in ieder geval nooit ervaren. Vooral het vertrokken gezicht van de dansende man op de voorgrond, vind ik er zeker niet vrolijk uitzien. Ook de kleuren en de andere personages…eigenlijk helemaal geen vrolijke boel.

Waar is een klein jongetje (dat ik was) nou meer door gefascineerd dan door poepen en piesen? Ik wilde daar het fijne over weten. Van zowel de man in de rode broek (op de achtergrond tussen de man en de vrouw op de voorgrond) als de doedelzakspeler is in het kruis iets merkwaardigs zichtbaar. Een soort klep; een vastgeknoopte lap stof. Het moet de voorloper van de gulp zijn geweest. Ik heb me daar erg lang het hoofd over gebroken; zit achter die lap een gat? Als ze aan de voorkant zo’n dichtgeknoopte lap hadden, wat hadden ze dan aan de achterkant? (Dat zie je dus nergens!)

Verder viel mij toen vooral de messen op. Toen mijn opa vertelde dat het boeren waren, begreep ik daar niets van. Ik kon niet geloven dat boeren een zwaard droegen; dat was het ridderattribuut bij uitstek. Mij werd dat uitgelegd… Die grote zwaarden waren geen zwaarden maar messen. Die hadden de boeren nodig om het vee te slachten.

In de hoed van de danser op de voorgrond is een lepel gestoken. Waarom? Voor mij werd dat verklaard (werd ik niet geheel door bevredigd) dat iedereen zijn eigen lepel mee moest nemen naar het feest. Goed, we laten het bij deze verklaring!

Veel van de hierboven besproken attributen komen samen bij de doedelzakspeler. De lap in zijn kruis, het grote mes. De man moet een muts op gehad hebben. Maar tot op vandaag zie ik in zijn hoofddeksel geen muts. Eerder een valhelm.

Op de voorgrond staan twee kinderen. Twee meisjes. Dat moet wel. Ze zijn echter verkleinde kopieën van volwassenen. Zelfs de beurs ontbreekt niet. Hangt trouwens de beurs van de dansende vrouw op de voorgrond niet verschrikkelijk laag? Het lijkt me dat ze er erg veel last van heeft bij het dansen en dat het niet praktisch is als ze de sleutel of iets uit haar beurs nodig heeft.

Links op de achtergrond net boven de tafel met de drinkebroers, staat een stelletje hevig te zoenen. Ga je horizontaal een stukje naar rechts dan trekt een vrouw een man een schuur in of trekt een man een vrouw de schuur uit. Ik denk het eerste. Dat zijn de dingen die me nu opvallen.

Jheronimus Bosch (1450?-1516) – De Kruisdraging

Jeroen Bos De Kruisdraging

Op zondagavond mochten we, voor we naar bed gingen, naar de spannende jeugdserie kijken die tussen zeven en half acht werd uitgezonden. Eerst was dat Ivanhoe, met Roger Moore in de hoofdrol. Ik heb daar heel weinig herinneringen aan. Later werd het Thierry la Fronde. Daar heb ik een klein beetje herinnering aan, vooral omdat we het er op school vaak over hadden. Het ging in ieder geval over een Franse middeleeuwse man die gewapend met een slinger ten strijde trok. Zwaardvechten kon hij trouwens ook heel goed. En daarna…daarna kwam Floris. Daarvan herinner ik me alles nog. Hoewel…de finesses van de plot drong niet echt tot me door, maar het zwaardvechten en de heldhaftigheid en de slimheid van Sindala…daar ging het om. En natuurlijk de gemeenheid van de hertog van Gelre en de domheid van zijn soldaten. Het was een hit. Als je niet gekeken had (wat mij nauwelijks gebeurde) dan telde je niet mee. We spaarden Florisplaatjes. Die zaten bij een pakje kauwgum. Op het schoolplein ruilden we de dubbele.

In één van de afleveringen kwam een schilder voor: Jeroen Bosch. De finesses van de plot ben ik vergeten, maar ik kan me herinneren dat de Friese rover Lange Pier een rol speelde. Lange Pier was zo sterk dat Floris hem in een gevecht niet kon verslaan. Daar moest de slimheid van Sindala aan te pas komen. Jeroen Bosch moest een schilderij ergens heen brengen. Op het schilderij dat hij vervoerde een verbeelding van de hel. Onderweg wordt hij gevangengenomen door Lange Pier. Om Jeroen Bosch te bevrijden maken ze Lange Pier bang door het schilderij van Bosch tot leven te laten komen. Om zijn angsten te bezweren, wat natuurlijk niet lukt, gooit Lange Pier het schilderij in het vuur. Jeroen Bosch kan de panelen nog net redden.

De kruisdraging zagen wij in het Museum van Schone Kunsten in Gent. Tsja, het eerst wat je nu tegenkomt is dat het betwijfeld wordt of dit schilderij wel van deze meester is. Men denkt nu eigenlijk dat het van een navolger is. Van Bosch of niet, de hallucinerende elementen vind ik ook in dit schilderij terug. Eigenlijk staan er maar twee koppen op waar je niet meteen een afkeer van hebt: Jezus in het midden en de vrouw links van hem die de andere kant op kijkt. De andere koppen hebben wanstaltige ogen, gekke neuzen, overdreven kaaklijnen. Ze lijken het kwaad van de wereld te zijn.

Een paar figuren zijn te herkennen. Allereerst natuurlijk Jezus. De Kop centraal in het schilderij. Het kruis op zijn schouder de doornenkroon op zijn hoofd. Dan de al eerder genoemde vrouw. De enige vrouw die op het schilderij voorkomt. Dat is Veronica. Ze heeft net het zweet van het gezicht van Jezus gewist waarna er een afdruk van Jezus’ gezicht op haar doek is verschenen. (Apart detail: De doornenkroon zien we niet op de afdruk!) De omkijkende kop rechts onder met de strop om zijn hals is de slechte misdadiger die gelijk met Jezus gekruisigd zal worden en in de rechter bovenhoek de goede misdadiger die hetzelfde lot zal ondergaan.

Wat ik me afvraag is in hoeverre ik hier antisemitisme zie. Vooral de figuren rondom de slechte moordenaar. Ik herken wat gezichtskenmerken die in antisemitische kringen worden toegeschreven aan joden: Haakneus, bolle ogen en gekke hoeden. De soldaat links heeft ook wel karikaturale trekken, maar heeft niets joods over zich.

 

Hendrick Avercamp (1685-1634) Winterlandschap met schaatsers (ca 1608)

SK-A-1718

Thea Beckman schreef het boek ‘De stomme van Kampen’ over de schilder Hendrick Avercamp. Dat boek heb ik niet gelezen. Maar…Thea Beckman en ik, die hebben wat samen.

Ik studeerde aan de lerarenopleiding nederlands en geschiedenis. De afdelingen geschiedenis en nederlands hadden geen onderlinge contacten. Ze zaten in verschillende gebouwen en hadden gewoon weinig met elkaar te maken. De combinatie nederlands en geschiedenis en onderwijs paste bij uitstek bij één schrijfster op dat moment; Thea Beckman. Dikke jeugdboeken schreef ze over historische onderwerpen. Toen ik op de opleiding zat, was haar boek ‘Kruistocht in spijkerbroek’ een bestseller en ook nog diverse malen bekroond. Een reden dus om haar uit te nodigen. Niet door de afdeling Nederlands, maar door Geschiedenis. Wij kregen dus een college van Thea Beckman…

Maar…op de afdeling nederlands hadden we net een collegereeks over jeugdliteratuur en haar boek ‘Kruistocht in spijkerbroek’ was één van de boeken die we bespraken (onze docent vond het een slecht boek). Toevalligerwijs hadden we voor de afdeling Middeleeuwse geschiedenis een college gehad over de kruistochten waarbij we een lange discussie hadden gehad over de kinderkruistocht…(dat was dus anders dan we tot nog toe dachten en zeker anders dan Beckman had beschreven)

Toen kwam Thea Beckman op bezoek. Moeilijk. Helemaal als je zo netjes opgevoed bent als wij waren. Wat konden we haar vragen… Tijdens haar college, waarbij ze interactief wilde werken, bleef de groep vrij timide. Dat vond ze niet leuk. Het ging ook erg stroef. Toen iemand opperde dat er nieuwe inzichten waren over de kinderkruistocht reageerde ze woedend en gekrenkt. We kregen geen makkelijke middag!

Ik ben gek op dit soort schilderijen; er valt zoveel te zien! En ook zoveel wat we niet begrijpen. Het is met zoveel plezier en oog voor detail geschilderd. Daarom meteen naar de details:

Links onder: Aan de waterkant ligt een karkas. Een hondje en een kraai zijn ervan aan het eten. Lieten mensen dat in die periode zo liggen? De gevaren voor de volksgezondheid waren al eeuwen bekend. Wellicht heeft het hier een symbolisch betekenis.

Ietsje naar boven: twee poepende figuren. Vooral die billen in het schuurtje fascineren. Een hele berg poep op een bevroren water. Iemand op het portiek kijkt er naar en lijkt wat te zeggen. Nog fascinerender is een stukje naar rechts. Daar haalt iemand een emmer water uit een wak. Staan poepplek en water dat binnengehaald wordt met elkaar in verbinding? Zo te zien wel… (jekkes!)

Nog ietsje omhoog. Twee geliefden in de hooiberg. Ziet er echt lieflijk uit!

Helemaal aan de rechterkant. Op het bouwvallige schuurtje: Graffiti! Behalve de voornaam van de schilder en de eerste twee letters van zijn achternaam, ook wat getekende (schaatsende?) poppetjes.

Ietsje naar links: een schaatsend stelletje. Hand in hand…maar waarom knijpt de dame haar neus dicht?

Ietsje naar rechts en wat naar boven: Vier stoere jongens die er een lekkere vaart in hebben (denk ik) Daar vlak boven kijkt een oude man naar ze (afkeurend zo te zien).

Links boven het schuurtje: Een man probeert een kusje te stelen bij een jonge dame. Hij maakt haar in ieder geval het hof.

Nog wat meer naar boven en ietsje naar links: Een bootje is omgeven door water en dus niet vastgevroren. In dat water ook een drenkeling.

Ik kan nog wel uren doorgaan: Zo leuk!!!

George Hendrik Breitner (1857-1923) De Singelbrug bij de Paleisstraat in Amsterdam(1896)

Breitner

Komt het nou doordat ik speciale aandacht heb voor de kunst in de periode 1860 tot 1920, of is het echt een periode met ongekende artistieke kwaliteit. Gustav Mahler en Richard Strauss schiepen een nieuwe muziek in Oostenrijk en Duitsland. Een complete breuk met het verleden. Heus, het lijkt nog wel op de muziek die daarvoor gecomponeerd werd, maar de toon is zo anders zo vernieuwend. Datzelfde deden Satie en Debussy in Frankrijk. Ze stelden het hele tonale systeem ter discussie. Het viel niet helemaal uit de lucht want Richard Wagner had wat voorwerk gedaan, maar zij gingen echt over de lijn. Dat Schönberg atonale tot het einde doorvoerde, vind ik niet vernieuwender; Atonale muziek bleek uiteindelijk niet levensvatbaar; deze tak bloedde dood. Wat voor de muziek geldt, geldt ook voor alle andere kunstvormen. Grote vernieuwingen in de beeldende kunst en de literatuur.

In de beeldende kunst heeft de uitvinding van de fotografie en de film veel teweeg gebracht. Amsterdam is in die beginperiode aan alle kanten gefotografeerd. Ik heb het een tijdlang erg leuk gevonden om met de foto’s van bijvoorbeeld Jacob Olie door de stad te lopen en de door hem gefotografeerde plek te vinden. En dan precies zo’n zelfde foto maken… Zelfs als alle details overeenkomen, de foto van Jacob Olie nog 10 keer sterker is dan de foto die ik maakte.

Ook Georg Hendrik Breitner was een fotograaf van het eerste uur. Hoewel zijn foto’s absoluut de moeite waard zijn en zeker niet voor de foto’s van Jacob Olie onderdoen, gebruikte hij ze regelmatig als uitgangspunt voor zijn schilderijen. Voor zover ik weet zijn zo’n beetje al zijn schilderijen gebaseerd op foto’s. Dat was de reden waarom ik zijn schilderkunst aanvankelijk niet hoog inschatte. (Dat kan ik ook, een beetje plaatjes overtrekken). Maar dat is natuurlijk niet zo; hij voegde heel veel toe aan de gefotografeerde beelden. Vooral heel veel sfeer, voegde hij toe. Ik heb veel van zijn schilderijen gezien over Amsterdam. Als ik het beeld moet samenvatten wat Breitner bij mij achterlaat als hij Amsterdam schildert, dan is dat niet echt vrolijk. Doorgaans koud en nat. Ik heb vaak het gevoel dat hij een druilerige dag heeft uitgekozen. Een mooi voorbeeld hangt in het Amsterdam Museum. Op dat schilderij koetsen en paarden op de Dam in de druilregen en mensen die zich naar huis haasten. Ik vind dat typisch voor Breitner.

Wat dat betreft onderscheidt het schilderij van de Singelbrug zich iets; hier is het gewoon koud. Het druilt niet maar het vriest. De plek die hij gefotografeerd en geschilderd heeft, kan je zo weer fotograferen. De Singelbrug bij de Paleisstraat ziet er bijna nog hetzelfde uit. Bontjassen, bolhoeden en ruisende rokken, dat is wel verandert.

Leuk detail is dat de dame op de voorgrond eerst een dienstmeid was. Maar de kunsthandelaar was bang dat mensen het schilderij dan niet wilde kopen. Breitner deed water bij de wijn en veranderde de dienstmeid in een dame in bont gekleed. Het maakt het schilderij niet minder sterk!

Gustav Klimt (1862-1918) – Liegende Frau, masturbierend (1917)

Image42-e1274861389828

Soms lees je heel veel blabla en denk je bij jezelf dat het heel anders zit. Maar wat weet ik ervan; ik was er niet bij. Gustav Klimt. De Kus. Bij elk museum kan je een tas, jas, paraplu of whatever kopen met die Kus erop. Toch wilde ik hem ook met eigen ogen zien. In het Belvederemuseum in Wenen. Ach, laat ik eerlijk zijn; het schilderij viel niet tegen. Had er graag een kussende selfie voor gemaakt voor het thuisfront! Heel strenge suppoosten daar! Deze tekening hing niet in dat museum en ook niet in het Leopoldmuseum. Of…heb ik ze niet gezien? Of…wilde ik ze niet zien? Stel dat ze er hangen, in zo’n museum, ga je er dan voor staan en ga je dan kijken hoe hij het precies getekend heeft? Ik niet, denk ik. Eigenlijk moeilijke tekeningen om te bekijken!

Waarom is het zo moeilijk? Je wordt nogal geconfronteerd met je eigen lusten. Op de een of andere manier hebben we met elkaar afgesproken dat we onze seksuele lusten binnen het privédomein houden. Als dat in het publieke domein komt, dan voelen we ons erg open en bloot. Je hebt het gevoel dat iedereen je rooie oortjes kan zien. Veel mannen die zien hoe een vrouw masturbeert raken opgewonden. Het idee dat anderen mijn seksuele opwinding zien, geeft mij het gevoel dat ik af ga. Erg onplezierig!

Waarom heeft Klimt deze vrouw zo getekend? Ik zie twee verklaringen. De eerste verklaring wordt algemeen aanvaard en trekt de angel uit de tekeningen. Freud was in die tijd bezig om de seksualiteit van vrouwen, voor hen, aan het ontdekken. Trouwens niet alleen de vrouwellijke seksualiteit, maar alle seksualiteit. Men sprak erover en men schreef erover. Wat Klimt deed, was die nieuw ontdekte seksualiteit tekenen.

De tweede verklaring is pijnlijker. Het is klinkklare porno. Hij heeft het getekend om er geil van te worden. Waarschijnlijk was het helemaal niet de bedoeling dat deze tekeningen in het museum terecht kwamen. Hij heeft ze louter voor eigen lust getekend. Dat hij een grote goesting had voor vrouwen, is genoegzaam bekend. Met de bestaande porno (die echt heel erg zoet was als je dat vergelijkt met de huidige porno) kon hij te weinig uit de voeten en daarom schiep hij zijn eiigen porno.

Ik ben zelf veel getekende porno tegengekomen. Van een bekende van mij die verlangde naar seks met kinderen. Hij tekende zijn eigen porno. Porno die op dat moment niet voorhanden is maar waar de tekenaar erg naar verlangt. Zolang jouw verlangen overeen komt met datgene wat de tekenaar getekend heeft, is het (zolang het in de privésfeer blijft), niet erg. Wijkt dat erg af, dan wordt het zelfs in de privesfeer moeilijk.

Blog van Frits de Klerk