Tagarchief: Libris literatuurprijs

Niet eens met de jury

‘The day after’, dus. Gisteren werd de Libris literatuurprijs 2021 bekend gemaakt. Ik zat er naast. Niet Marieke Lucas Rijneveld bleek de winnaar maar Jeroen Brouwers. Bij mij eindigde zijn roman op de voorlaatste plaats. Zo zie je maar; professionals en ik, amateur, zijn het kennelijk niet vaak met elkaar eens. Gisteren werd er een interview met Jeroen Brouwers uitgezonden dat enkele dagen voor de bekendmaking van de prijs werd gemaakt; Brouwers is wars van publiek optreden en hecht hoegenaamd geen waarde aan prijzen. In zekere zin zien we hier een overeenkomst tussen schrijver en zijn hoofdpersonage client Busken. Ik heb het interview maar gedeeltelijk kunnen horen omdat ik het geluid uitzette. Niet omdat het interview oninteressant was, maar omdat ik het er erg benauwd van kreeg; Jeroen Brouwers heeft een ventiel in zijn keel gekregen en dat samen met een uitermate zware, rochelende ademhaling maakte het volgen van het interview uitermate zwaar. Vandaar, dus.

De roman van Jeroen Brouwers vond ik een goede roman. Op de shortlist stonden dit jaar eigenlijk geen zwakke of slechte werken. In tegenstelling tot voorgaande jaren, was de kwaliteit van het geheel bijzonder hoog. Maar waarom eindigde Brouwers bij mij op de één na onderste plaats? Ik denk dat ik aspecten laat meewegen die de jury juist links laat liggen.  Ik laat bijvoorbeeld ‘leesplezier’ meewegen. De roman ‘Client E. Busken’ gaf mij bijzonder weinig leesplezier. Ik vond het geen ‘lekker’ boek om te lezen. ‘Leesplezier’ is buitengewoon subjectief want wat ik wel pruim, zal een ander niet pruimen. Dat is gewoon zo. Je zou heel precies in kaart moeten brengen wat nou een boek ‘lekker’ maakt en wat niet. Tenminste als je ‘lekker’ professioneel zou willen laten gelden als criterium. Ik mag ALLES WAT IK WIL meenemen bij de beoordeling van een roman. Tijdens het lezen van de roman van Jeroen Brouwers voelde ik me opgesloten in een hoofd van een oude dementerende negatieveling. Als ik het al niet was, dan werd ik er haast somber van; niets en niemand deugt; de wereld is een tranendal en we wachten op het verlossende einde… om te verdwijnen in het…NIETS. Ik werd daar niet vrolijk van.  

Stel, ik laat mijn subjectieve oordeel buiten beschouwing. Zou de roman van Jeroen Brouwers dan bij mij gewonnen hebben? Nee, want er staan nóg sterkere boeken op de shortlist, vind ik. Ook dan blijf ik de roman van Marieke Lucas Rijneveld bovenaan zetten. Alleen al het vernieuwende van de vorm; nog nooit zoiets onder ogen gehad. Het poëtische taalgebruik, het platteland, het geloof, het schurende, de nachtmerries… eigenlijk elk facet draagt vernieuwing en originaliteit in zich. Daarnaast dus ook nog een ‘lekker’ boek dat je met plezier leest. De roman van Jeroen Brouwers is veel traditioneler van opzet; we hebben wel eens meer in het hoofd van een dementerende gezeten. ‘Hersenschimmen’ van Bernlef bijvoorbeeld. Een veel positievere roman dan ‘Client E. Busken’. Ook het boek van Gerda Blees vond ik nieuwe wegen zoeken in het vertellen van een verhaal en ook haar roman was ook nog eens fijn om te lezen.

Al met al ben ik het minder met de jury eens dan vorig jaar.

En de winnaar is:…

Ik heb de boeken op de shortlist van de Libris literatuurprijs 2021 allemaal gelezen en dat betekent dat ik kleur moet bekennen; wie heeft er verloren en wie heeft de Frits’ Libris Literatuurprijs 2021 gewonnen. Dit jaar kan ik geen boeken laten afvallen omdat ik ze slecht vind, het zijn allemaal goed geschreven romans. Dat was vorig jaar en het jaar daarvoor…en het jaar dáárvoor, wel anders. Ik vond zelfs een keer het winnende boek van de ‘echte’ prijs, een buitengewoon slecht boek. Verder herinner ik me De Muidhond waarvan ik echt niet kon bedenken waarom hij op de shortlist stond. Vorig jaar, ook al zo’n misser. Dat verhaal van die twee moeders en de verwekking van hun kind; een regelrecht mislukte roman. Maar goed, laten we ons beperken tot de boeken die dit jaar op het lijstje stonden. Geen slechte boeken, dus, wel boeken die me niet aanspraken; dat is net zo goed een criterium, vind ik.

6.

Op de laagste plaats eindigt bij mij De Onbevlekte van Erwin Mortier. Ik had erg veel moeite om de perspectieven uit elkaar te houden en daardoor wilde het verhaal gewoon niet vlotten. Ook een weinig boeiende plot. Het taalgebruik van de schrijver is zeer bloemrijk…misschien soms een ietsje teveel.

5.

Op de vijfde plaats staat Client E. Busken van Jeroen Brouwers. Hartstikke knap om de ontwikkeling van de wereld op een dag te beschrijven vanuit een geketend, oud en ziek persoon. Maar wat verschrikkelijk negatief allemaal. Ook hier is de plot vrij dun, maar op zich zegt dat natuurlijk niet zo veel.

4.

De vierde plaats is voor Simone Atangana Bekono en haar roman Confrontaties. De hoofdpersoon maakt een mooie ontwikkeling door. Een goed geschreven roman maar hier en daar vind ik de karaktertekening niet helemaal je dat. Een gymnasiaste, ook al heeft ze een donker gekleurd huidje, verwacht je niet zo snel in jeugddetentie. Ik was al blij dat het niet weer zo’n frontale aanval op de witte hetero man was en dat het racisme er bovenop lag.

3.

Op de derde plaats Wij zijn Licht van Gerda Blees. Echt een heel boeiend boek om te lezen en erg origineel qua vorm met een hele reeks perspectieven van waaruit het verhaal verteld wordt. Ik heb de roman met heel veel plezier gelezen en hoop nog veel van deze auteur te lezen.

2.

Op de tweede plaats zet ik De Saamhorigheidsgroep van Merijn de Boer. Echt een fantastische roman die ik in één ruk heb uitgelezen. Ook in deze roman vind ik de karaktertekening niet helemaal geloofwaardig maar dat mag het leesplezier niet drukken.

1.

En…de winnaar is, de roman van het lijstje dat overblijft…Mijn Lieve Gunsteling van Marieke Lucas Rijneveld. In alle opzichten een fantastische roman. Origineel op bijna alle vlakken, vernieuwend, schrijnend maar toch net zo goed weer troostend. Hoewel er op de shortlist echt veel goede boeken staan, overklast deze roman ze allemaal.

Zo, dat was het weer voor dit jaar! Ik ben dus meteen in een leegte gestort, want wat zal ik nu eens gaan lezen. Lale Gül heb ik gekocht…en de eerste paar bladzijden gelezen, maar jongens, wat zakte mijn broek af. Wat een gezwets. Uitdrukkingen als: het zal haar aan d’r anus oxideren en oma heeft een kurk in d’r reet. Dan heb je het dus meteen bij mij verbruid. Wie weet doe ik nog een poginkje om het boek te lezen…

Erwin Mortier – De onbevlekte; Ik verdwaalde…

Ik geef het toe, voor ik een recensie schrijf over een bepaald boek, lees ik een stuk of wat andere recensies; ik wil niet dom overkomen…Stel dat ik een boek helemaal verkeerd begrepen heb… Ook over ‘De onbevlekte’ Van Erwin Mortier heb ik er een aantal gelezen. Wat vind ik van het boek en vind ik dat de recensies kloppen met mijn ervaring met het boek? Tsja, en dan kom ik nu best in de problemen want zo enthousiast als de meeste recensies zijn over het boek, dat ben ik niet. Ik zie heus wel de kracht, maar om nou te zeggen dat dit de roman is waar ik al jaren op wacht…nou nee. Ik kan er niet echt warm voor lopen. Dit verschil tussen de stroom uiterst positieve recensies van professionele lezers en mijn minder enthousiasme terwijl ik een pret-lezer ben, brengt mij op de vraag wat goede literatuur is, wat een lekker boek voor mij is en waarom ik graag lees; Waarom ‘Turks Fruit’ een hoogtepunt in de Nederlandse literatuur is maar bijvoorbeeld ‘Bonuskind’ Van Saskia Noort niet terwijl beiden heerlijk zijn om te lezen. Op deze vraag weet ik gewoon het antwoord niet. Ik durf het niet te zeggen. Intuïtie, misschien. Ik weet wat een hoogtepunt in de literatuur is en wat niet. Ik weet ook wat literatuur is en wat niet. Vaak heb ik er gelijk in, omdat mensen die ervoor doorgeleerd hebben, hetzelfde zeggen. Maar, wat vind ik dan een lekker boek en wat zorgt ervoor dat ik een fijne leeservaring heb? Ontsnapping aan mijn werkelijkheid en de uitdaging om andermans werkelijkheid en gedachtewereld te doorgronden. Taal en verhaalstructuur zijn daarbij de vervoermiddelen. Laat ik het zo maar samenvatten.

Hoe zit dit alles bij de roman ‘De onbevlekte’ van Erwin Mortier? Om te ontsnappen aan mijn eigen werkelijkheid heb ik het nodig dat ik gedurende het verhaal weet in wiens hoofd ik zit. Dat is bij Erwin Mortiers roman vaak een raadsel. Bekijk ik de wereld door de ogen van Andrea, de zuster van Marcel de SS’er, of de Marcel die vernoemd is naar Marcel de SS’er en gelijk lijkt te vallen met de schrijver? Dan zijn er nog een stuk of wat brieven geschreven door de foute Marcel. Als je na bladzijden verwarring tot de conclusie moet komen dat je nog in het verkeerde vertellershoofd zit, dan frustreert dat mijn leeslust. Dat is me diverse keren overkomen. Eigenlijk heb ik hele stukken van de roman zitten lezen zonder dat ik begreep door wiens ogen ik keek. Echt heel vervelend. Misschien had ik het moeten kunnen weten als ik heel veel preciezer had gelezen, maar dat deed ik dus niet. Het kan dus zijn dat ik deze roman lager waardeer doordat ik het verdomde om hem goed te lezen…het zij zo!

Marcel werd tijdens de oorlog lid van de Vlaamse SS. Hij trok ten strijde tegen de Bolsjewieken en kwam om aan het oostfront. Marcel heeft een zus Andrea die haar moeder eigenlijk Maria had willen noemen; de onbevlekte. Andrea kreeg een hele sleep kinderen en een van de jongens – de schrijver(..?) – werd vernoemd naar de foute broer. Het verhaal wordt verteld met het Vlaamse platteland als achtergrond. In het laatste deel van de roman zijn de brieven afgedrukt die foute Marcel aan zijn familie schreef vanuit zijn nazistische legerkorps. Met uiteindelijk dus ook zijn overlijdensbericht. Het houterige taalgebruik in de brieven, die daardoor authentiek overkomen, staat in contrast met het poëtische taalgebruik in de andere delen van de roman. Dat taalgebruik is wel heel bijzonder en heel erg bloemrijk. Misschien wel te bloemrijk waardoor de koers van de roman wat uit het zicht raakt.

Al met al, niet mijn favoriete roman. Ik heb niet veel leesplezier gehad en voor mij is dat een ding dat zwaar meetelt. Heus, mooi taalgebruik, maar omdat taal en vertelstructuur de vehikels zijn van de roman, maar de roman me laat verdwalen, kan ik niet enthousiast worden. Omdat deze roman op de shortlist van de Libris literatuurprijs staat en ik alle boeken heb gelezen en beoordeeld, ga ik het tegen de andere boeken van de shortlist aanleggen…en dan scoort hij niet hoog. Ik verdwaal niet graag.

Jeroen Brouwers – Client E. Busken; een moeilijk boek.

Ik heb het uit! Dat was een zware bevalling. Viel niet mee, dat boek van Jeroen Brouwers. Is het dan een slecht geschreven, oninteressante roman? Nee, zeker niet. Het is geen boek dat lekker weg leest. Voor mij was het lezen van deze roman een worsteling. Je zit in het hoofd van een hoogbejaarde, dementerende, ontevreden en invalide man gevangen wiens enige pleziertje het roken van sigaretten is. Maar ook het zelfstandig roken van een sigaret is hem niet meer gegeven. Als lezer zit je in dat hoofd en de wereld van dat hoofd is erg klein; je wordt er een beetje claustrofobisch van. Natuurlijk is het verschrikkelijk knap om vanuit het enge perspectief van deze persoon een roman te schrijven, maar jongens, dat leest echt niet lekker. Helemaal omdat we weinig te weten komen over de persoon, tenminste weinig betrouwbaars. Want wie is hij, wie was hij en wie zijn de personen om hem heen?

Wat we van de hoofdpersoon te weten komen, is best verwarrend. Hij zit vast gegord in een rolstoel. Zijn behoefte doet hij in een luier (hoewel hij een fluitje bij zich heeft waar hij op moet blazen als hij moet poepen…wat hij dus niet doet). Of hij kan praten, dat krijgen we niet te horen. Wel dat hij niet wil praten. Voor sommigen in de buitenwereld lijkt het alsof er niets tot hem doordringt. Anderen weten zijn oogopslag of bewegingen wel te interpreteren als communicatie. Hoofdpersoon Busken kan zijn lichaam niet stilhouden. Het schudt en beweegt alle kanten uit. Hij ziet zichzelf als uitzonderlijk en bijzonder om iets dat hij in het verleden bereikt of gepresteerd zou hebben. Het is eigenlijk voor de lezer niet mogelijk om te bepalen wat hierin waar is of verzonnen…een roman is trouwens natuurlijk altijd verzonnen. Schrijven, wat dan ook, lijkt wel bij het verleden van Busken te horen; daar komt hij het meest op terug. Hij koestert zijn papier en potloden en geeft de indruk dat hij nog dagelijks schrijft. Dat wordt wel weer tegengesproken door het feit dat hij onwillekeurige bewegingen maakt met zijn handen; probeer daar maar eens mee te schrijven. Maar naast schrijver, ziet hij zichzelf ook als groot en wereldberoemd dirigent, hoogleraar in de filosofie, kernfysicus… en ga zo maar door. Zijn eigen grootheid plaatst hij tegenover de miezerigheid, onbenulligheid en bovenal dommigheid van de personen die zich rondom hem bewegen. Een roman vanuit het perspectief van deze verzuurde, oude dementerende man is niet echt leuk om te lezen. Misschien niet eens zo onrealistisch; het ‘leven’ heb ik wel eens vergeleken zien worden met het koken van bouillon; naarmate hij langer opstaat, wordt de bouillon steeds geconcentreerder; worden de eigenschappen steeds duidelijker en dan vooral de slechte. In het geval van de heer E. Busken in deze roman, zijn die eigenschappen helemaal niet fraai.

Het verhaal speelt zich af op een zomerse dag in een inrichting. Of het alleen een inrichting is voor dementerende bejaarden, wordt niet helemaal duidelijk. Sommigen lijken toch goed te functioneren. Mieneke Kalckbrander bijvoorbeeld. Wie ze is? Ja, wie zal het zeggen. Ze heeft ‘iets’ met hem. Tot grote ergernis van Busken is ze voortdurend in zijn buurt. Ze geeft hem koosnaampjes. Op zeker moment vroeg ik me af of ze zijn echtgenoot is. Daar is echter te weinig bewijs voor, lijkt me. Verder zijn er nog Richard. Door sommigen uitgesproken als Risjaar en door anderen als Ritsjert. Hij lijkt de baas te zijn in de instelling. Daarnaast is er nog een vrouwelijke psychiater die net zo goed psycholoog kan zijn. Ook dat wordt niet helemaal duidelijk. Ze draagt haar bril boven op haar hoofd. De behandelaars weten dat Busken zo zuur is dat hij niet meer praat terwijl hij dat wel zou kunnen. Verder is er een zekere Herman, die hem van sigaretten voorziet, maar die volgens de verteller, al heel lang niet meer langskomt. Ook zou Busken een dochter hebben hoewel hij haar naam zich niet kan herinneren. Hij vermoedt dat ze geëmigreerd is, maar zeker weet hij het niet…of heeft hij helemaal geen dochter?

Er blijken wel standvastige herinneringen te zijn. Zo citeert Busken de eerste strofen uit het gedicht Im Abentrot van Von Eichendorff. Dat gedicht is niet zozeer bekend vanuit de poëzie maar wel door de muziek die Richard Strauss (hier Richard dus niet als Risjaar of Ritsjert uitgesproken, maar op zijn Duits) erbij heeft gecomponeerd en het daardoor terecht kwam in Vier Letzte Lieder.

Toen Richard Strauss deze muziek componeerde was hij op ongeveer dezelfde leeftijd gekomen als Jeroen Brouwers toen hij deze roman schreef. De Vier Letzte Lieder worden algemeen gezien als de zwanenzang van Strauss. Is ‘Client E. Busken’ de zwanenzang van Jeroen Brouwers?

Al met al…een moeilijk boek. Zeker geen slecht boek, maar zeker geen boek waar je ‘lekker’ doorheen leest. Voor mij was het een worsteling. Ook omdat het zo verschrikkelijk negatief qua toon is. Op dit moment kan ik dat moeilijk gebruiken. Gaat zeker niet voor de eerste of tweede prijs van mijn Librisliteratuurprijs 2021 lijstje.

Merijn de Boer – De Saamhorigheidsgroep; een heerlijk boek!

Het woord ‘pageturner’ staat mij verschrikkelijk tegen, maar verzin daar maar eens een goed nederlands woord voor. Deze roman is er zo één, dus. Boeiend en spannend tot het eind. De strijd om de Frits’ Librisliteratuurprijs 2021 gaat voorlopig om de tweede plaats; de eerste plaats is bij mij nauwelijks bereikbaar. Deze roman gooit hoge ogen. Ik moet zeggen dat de keuze voor de boeken op de shortlist mij enorm heeft verrast; tot nog toe geen enkele roman die er negatief uitspringt. Dat is wel eens anders geweest. Wat deze linkse jongen wel even kwijt moet is dat ik de roman ‘De saamhorigheidsgroep’ ook wel weer een voorbeeld vind van linkse mensen plagen en in de zeik nemen. Dat vind ik op de één of andere manier niet erg fijn, maar oké, laat ik niet moeilijk doen. Misschien ben ik ook wel wat gevoelig geworden op dit punt; de ‘linkse kerk’ (wat klinkt dat verschrikkelijk k…) heeft nogal wat te verduren gekregen de laatste jaren en dat terwijl het, wat mij betreft, zonneklaar is dat er ingrijpende maatregelen moeten worden getroffen die in een verdacht ‘links’ daglicht staan. Gelukkig – maar uitermate ongelukkig voor links – hebben veel rechtsere partijen deze items overgenomen van links. Zelfs de overgang naar een duurzame samenleving is in handen gegeven aan VVD-prominenten… Maar laten we terugkeren naar het boek waar het hier om gaat!

In het eerste deel van de roman, de proloog die zich in 2018 in New York afspeelt, leren we ambassadeur Bernhard  Wekman,  permanent vertegenwoordiger  bij de Verenigde Naties kennen. Hij bereidt zich voor op een ontmoeting met Bronno die hij meer dan dertig jaar geleden heeft leren kennen als het meest dominante lid van de saamhorigheidsgroep. Destijds maakte Bernhard deel van uit van deze groep. Hij beseft dat hij sinds dat ene jaar dat hij lid was, nooit meer zo gelukkig is geweest als toen. Tijdens de ontmoeting wil Bronno, namens de saamhorigheidsgroep, dat hij Tibet erkent in de VN namens Nederland. Als Bernhard vertelt dat dit echt niet mogelijk is, druipt Bronno zwaar teleurgesteld af.

Het tweede deel van de roman – het leeuwendeel van de roman – speelt zich in 1982 en 1983 af in Haarlem en Amsterdam. Bernhard schermt samen met Felix. Felix introduceert Bernhard bij de Saamhorigheidsgroep. Dat blijkt een groep zeer idealistische mensen te zijn die zich inzetten voor al het onrecht in de wereld. Daarvoor staat ze tien procent van hun inkomen af en van dat geld worden projectjes gefinancierd. Hier hebben ze regelmatig vergaderingen over. Bernhard, die over enkele maanden zijn eerste post in Angola krijgt, voelt zich een vreemde eend in de bijt, maar vindt de leden zo enthousiast in hun streven naar een betere wereld dat hij zich toch thuis voelt in de groep. De saamhorigheidsgroep is echter veel meer dan een clubje dat goede doelen nastreeft; het is ook een soort gezelligheidsclub. Iedereen stemt minstens PvdA, maar hun actiebereidheid is vele mate groter. Liza en Tristan zijn ook lid van de groep. Zodra Liza haar stem laat horen, is Bernhard zodanig verkocht door het timbre dat hij lid wordt. Hij heeft sindsdien een oogje op Liza.

Verloskundige Liza heeft haar man, kunstenaar Tristan, op de middelbare school leren kennen. Sindsdien zijn ze samen. Ze hebben een grote kinderwens maar het zaad van Tristan blijkt niet vruchtbaar. Omdat Liza heeft opgemerkt dat Bernhard, die niets afweet van Tristans onvruchtbaarheid, zijn ogen niet van haar kan afhouden, bedenken ze het plan om Bernhard te verleiden. Zonder dat hij het weet zal hij haar dan zwanger maken. Omdat hij binnenkort naar Angola vertrekt, zal hij nooit van haar zwangerschap weten. Dat plan loopt anders dan verwacht want Bernhard wordt smoorverliefd op Liza. Zoveel liefde heeft ze lang niet gevoeld en daar bezwijkt haar huwelijkse trouw dan ook onder. Bernhard en Liza beginnen een heftige, stiekeme, onstuimige verhouding. Bernhard laat de uitzending naar Angola aan zich voorbij gaan. Hoewel hij wellicht een vermoeden van de relatie heeft, maar het niet echt ontdekt heeft, raakt Tristan  helemaal bezeten van het idee dat hij zijn vrouw Liza tegen haar wil heeft uitgeleverd aan Bernhard. Hij kan er nauwelijks mee leven als Liza zwanger blijkt. Bernhard daarentegen is ervan overtuigd dat Tristan haar zwanger heeft gemaakt en zeker niet hijzelf; hij kan zich niet voorstellen dat hij daartoe in staat zou zijn. Als het kind geboren is, heeft Bernhard het gevoel dat hij het gezin van Liza en Tristan met de kleine in de weg staat. Hij voelt dat ook zijn verliefdheid over is. Hij aanvaardt een post in Jeruzalem en maakt het uit met Liza.

Het derde deel speelt zich in 1984 af in Jeruzalem. Tristan, die de inzinking nabij is, gaat naar Jeruzalem om ‘iets’ te doen. Hij hoopt Bernhard te vinden en dan ‘iets’ te doen om zijn haatdragende gevoelens weg te poetsen.

Het laatste deel speelt zich in Haarlem af in 2019 en is een epiloog.

Van de eerste tot de laatste letter een spannend boek. Het leest heerlijk weg. Is goed geschreven. Je blijft er nog even mee in je hoofd zitten. Maar toch…er zitten volgens mij wat rafelrandjes aan de roman. De roman gaat over een buitenstaander die lid wordt van een groep. Van die lijn wijkt de auteur diverse keren af om wat uitstapjes te maken naar de andere leden van de groep. In mijn ogen werkt hij dat te weinig uit zodat er wat losse floddertjes ontstaan. Ja, het heeft met de saamhorigheidsgroep te maken, maar wat precies met de grote lijn van het verhaal. Niet dat het erg stoort, maar zo’n groep van namen is moeilijk te onthouden en zeker als het verhaaltje kort en relatief oppervlakkig blijft. Moeilijk bij te benen wie wie is in zo’n geval. Vooral die lossere zijlijntjes kosten heel wat hersenoefeningen. Een ander ding vind ik de karaktertekening van Bernhard. Hij wordt door de auteur neergezet als een goedaardige, zachte man die zich makkelijk laat meeslepen. Hij probeert zich voortdurend aan de groep aan te passen. Zo parkeert hij zijn auto een eind uit de buurt, zodat het lijkt alsof hij geen auto (want not done in de groep) heeft. Dat karakter klopt volgens mij niet met het karakter van een permanent vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties namens Nederland; dat moet een zeer standvastig, slagvaardig persoon zijn. Ik vind het een zwakte in de roman.

Bernhard is iemand met een laag libido, wordt verteld, maar dat libido wordt in het saamhorigheidsjaar door Liza naar grote hoogte gestuwd. Zodra hij het uitmaakt met Liza, zakt zijn libido naar het vroegere niveau. Grappig is dat de schrijver Bernhard een favoriete filmscene toedicht uit de film ‘Shame’. Dat is een film over een seksverslaafde man en dus een extreem libido. Hoe dan ook; het is een heerlijk boek om te lezen!

Gerda Blees – Wij zijn licht; erg boeiend

Wat onderscheid ons mensen van dieren? De vrije wil..? Blind volgen dieren hun instincten. Ze eten als ze honger hebben, ze neuken als ze geil zijn, ze maken dat ze wegkomen als ze gevaar vermoeden, ze slapen als ze moe zijn, ze moorden als ze roofdieren zijn, ze zwemmen als ze eendjes en ze kwispelen als ze hondjes zijn. Dieren kunnen niet anders dan doen wat de natuur hun gegeven heeft. Voor de mens ligt dat anders. Mensen kunnen zich verzetten tegen alles wat de natuur hen oplegt. Dat gaat niet zomaar; daar moet je strijd voor leveren want datgene wat de natuur ons ingeeft, ervaren we als de weg van de minste weerstand en voelt comfortabel maar die weg waarderen we niet erg. Doorgaans overwinnen onze helden de instincten die moeder natuur ons gaf. Onze helden staan pal als er gevaar dreigt; de lafaards volgen hun instinct en maken dat ze weg komen. Onze priesters weigeren een seksleven en kiezen voor een leven in een sobere gemeenschap met weinig liefde terwijl  de meesten onder ons zich comfortabel laten onderdompelen in de geneugte van een liefdevol gezin waarbij seks tussen de partners onderdeel is van het dagelijkse leven en de warmte en liefde bevestigd. Soms gaat de vrije wil en het overwinnen van onze instincten te ver. Dan verandert de held in een fanaticus of ligt de hypocriet op de loer. Neem de schandalen rond kindermisbruik in internaten geleid door paters. Stiekeme seks met weerlozen; hypocriet en algemeen veroordeeld. Je leven opofferen in de Jihad door jezelf als levende bom te gebruiken…Of, het aardse voedsel niet meer tot je nemen en de honger weerstaan omdat ‘liefde’, ‘licht’ en ‘muziek’ zuiverder voedsel zijn en je dichter bij de vrijheid en het geluk brengt…

In de roman van Gerda Blees ‘Wij zijn licht’ komen we de woongroep ‘Klank en Liefde’ tegen op het moment dat de oudste onder hen, Elisabeth, overlijdt aan ondervoeding. Haar zus Melodie, die de groep leidt, vindt dat ze op een waardige en juiste manier is weggegleden en hoewel de andere leden van de groep, Petrus en Muriël, wat bedenkingen hebben over de manier waarop, is hun tegenstem te zwak om door de anderen gehoord te worden. De woongroep wil afzien van aards voedsel en slechts leven van het licht, de liefde voor elkaar en de klanken van muziek. De opgetrommelde huisarts kan de natuurlijke dood van Elisabeth niet vaststellen en samen met de schouwarts bepalen ze dat ondervoeding de doodsoorzaak is. De medebewoners van Elisabeth worden door de politie naar het bureau gebracht voor verhoor en in politiecellen opgesloten. De politie moet echter constateren dat de woongroepleden wellicht moeten hebben vermoed dat de overledene medische hulp nodig had, en dat ze verzuimd hebben om die in te schakelen, maar voor een veroordeling is het allemaal te dun. Dus worden de leden weer vrijgelaten. Maar in de politiecel zijn de bewoners, en dan vooral Muriël, gaan nadenken. Muriël besluit de woongroep te verlaten…of toch net niet? De schrijfster laat dat aan onze fantasie over.

Het verhaal wordt in kleine hoofdstukjes verteld vanuit verschillende perspectieven. Die perspectieven zijn soms personen, maar meestal niet. Zelfstandige naamwoorden die een rol spelen in het leven van ons mensen. Het overlijden van Elisabeth wordt zodoende verteld door de nacht. Het verhoor van Petrus wordt verteld vanuit het perspectief van de geur van een sinaasappel die aan de handen van één van de verhorende agente zit en de neus van Petrus binnendringt; een katalysator van herinneringen en gevoelens. De thuiskomst van de woongroep wordt beschreven vanuit het perspectief van de slowjuicer; het apparaat dat er uiteindelijk voor zorgt dat de op groentesap levende woongroep min of meer in leven blijft. Maar ook ‘het verhaal’ doet haar woordje, ‘het licht’, ‘de buren’, ‘de weerstand’ enzovoort, vertellen het verhaal. Uiteindelijk gaat het verhaal over de vrijheid van de mens om te kiezen voor een ander leven dan het leven dat ons van nature gegeven heeft. Het verkent de grenzen van wat kan en ook niet kan. Wat ‘zorg’ voor de medemens betekent maar ook hoe kokerdenken en een tunnelvisie het overneemt van het gezonde verstand. In die zin is het een rijke roman.

De roman is uitermate origineel van opzet met al die perspectieven. De psychologische tekening van de verschillende leden van de woongroep is erg goed getroffen. De politieagente die – toeval of niet – ook Elisabeth heet en zelf worstelt met haar zichzelf uithongerende puber, komt mooi uit de verf. Maar ondanks al deze positieve punten, is het boek geen ‘lekker’ boek. Het leest niet vlotjes weg. Je blijft als het ware, even ver op afstand van de personages als de perspectieven die de auteur kiest. Het boek komt vrij moeizaam tot leven. Een knappe prestatie, maar het blijft toch een beetje aan de droge kant, maar zeker erg boeiend.

Librisliteratuurprijs 2021

Gisterenavond werd de shortlist voor de Librisliteratuurprijs 2021 bekend gemaakt. Altijd weer spannend want sinds jaren lees ik hartstochtelijk mee. Ondanks mijn kritiek. Deze keer heb ik ook de overgang van longlist naar shortlist gevolgd. Wat me opvalt aan deze shortlist is dat het wat mij betreft van te voren al vaststaat wie de winnaar wordt. Tenminste, het zou me hogelijk verbazen als er een nog vernieuwender, nog boeiender, nog spannender roman in het lijstje zou kunnen staan dan ‘Mijn lieve gunsteling’ van Marieke Lucas Rijneveld. Ik kan het me haast niet voorstellen. Omdat de roman ‘Bezette gebieden’ van Arnon Grunberg achterbleef in de longlist, schept dat verwachtingen voor de boeken die op de shortlist staan. Ik heb zo verschrikkelijk genoten van ‘Bezette gebieden’. De originaliteit, de diepgang en het absurde. Vreemd dat dat boek niet op de shortlist staat. Jammer ook, want dat boek had ik al gelezen en dat zou mij wat tijd besparen. Ook had ik al van de longlist ‘Ik ben er niet’ van Lize Spit en ‘Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar’ van Cindy Hoetmer gelezen. Wat betreft het librisliteratuurprijs-lezersavontuur slechte keuzes van mij , maar wel leuke boeken om te lezen

Van alle zes boeken die nu op de shortlist staan, heb ik er slechts één gelezen; de roman van Marieke Lucas Rijneveld. Vijf boeken nog te gaan! Dat wordt dus even doorlezen. Ik betwijfel of mijn uitslag eerder komt dan de uitslag van de officiële jury; zoveel tijd kan ik helaas niet aan lezen besteden.

De lijsttrekker van ‘mijn’ partij is juryvoorzitter. Zou dat invloed hebben? Moet ik vooral letten op romans waarin gedramd wordt voor meer vrouwen op hoge posities? (Ja, ik heb de sympathie voor mijn partij behoorlijk verloren. Hoewel ik nog steeds lid ben, vind ik dat geen enkele PvdA minister uit het vorige sloop kabinet nog een tweede kans verdiend; ze hebben massaal gefaald. Ik denk zelfs dat ik deze keer niet op ‘mijn’ partij ga stemmen. Juryvoorzitter van de librisliteratuurprijs 2021 en tevens lijsttrekker van de PvdA Ploumen was minister in het vorige sloop-kabinet. Rutte moet na tien jaar slopen weg, maar wie er voor in de plaats moet komen…geen idee. Dit even terzijde.)

De boeken op de shortlist heb ik – op het boek van Rijneveld na, want dat had ik al – gekocht in de webshop van ‘onze’ kleine boekhandel in de Haarlemmerstraat. Opvallend is, en dat viel me op bij het ‘opbergen’ van mijn e-boeken in mijn virtuele bibliotheek, dat er maar liefst vier auteurs tussen staan wiens naam met een ‘B’ begint.

De lijst…nu nog even alfabetisch op auteursachternaam:

  • Simone Antangana Bekono – Confrontaties
  • Gerda Blees – Wij zijn licht
  • Marijn de Boer – De saamhorigheidsgroep
  • Jeroen Brouwers – Cliënt E. Busken
  • Erwin Mortier – De onbevlekte
  • Marieke Lucas Rijneveld – Mijn lieve gunsteling

Van bovenstaande auteurs ken ik naast Marieke Lucas Rijneveld alleen Erwin Mortier. Van de rest had ik nooit gehoord, laat staan iets gelezen. Dat wordt dus een spannend leesavontuur!

Mijn lieve Gunsteling – Marieke Lucas Rijneveld; Fantastisch!

Het is vreemd hoe, bij het lezen van een roman, je eigen fantasie soms met een aantal gegevens aan de haal gaat. Je associeert en fantaseert. De betekenis voor de lezer ontstaat en die hoeft niet perse door de schrijver zo geschreven te zijn. De fantasie van de lezer gaat verder dan wat er staat. De lezer denkt dwarsverbanden te zien die er eigenlijk niet zijn, maar die uiteindelijk wel een juiste interpretatie geven. In de roman ‘Mijn lieve gunsteling’ van Marieke Lucas Rijneveld, wordt voorgelezen uit een roman van Gerard Reve. Een scene waarin de hoofdpersoon met zijn minnaar in bed ligt en hem allerhande erotische avonturen – zondes – opbiecht. Een zeer herkenbare scene in het oeuvre van Gerard Reve. Een stukje verder in de roman van Rijneveld wordt verteld dat de hoofdpersoon zich wat betreft de liefde in zijn pubertijd een circusjongen voelde met hoogtevrees. In mijn brein hadden ‘Gerard Reve’ en ‘Circusjongen’ zich ogenblikkelijk aaneen gesmeed en was ik er zeker van dat de hoofdpersoon in Rijnevelds roman uit ‘Een circusjongen’ van Gerard Reve voorlas. Dat leek mij ook best logisch want de scene die me uit die roman van Reve het meest is bijgebleven is, is een brute verkrachting van een pubermeisje achter in de auto. Terwijl hij haar misbruikte, fantaseerde hij dat ‘zij’ eigenlijk een ‘hij’ was. In mijn brein was er een niet bestaand, maar zeker wel helemaal op zijn plaats, dwarsverband ontstaan tussen de roman van Reve en Rijneveld. Maar het bleek een ontspoorde gedachtenkronkel van mij als lezer; er werd voorgelezen uit ‘Lieve Jongens’. Maar dat wil niet zeggen dat mijn gedachtenkronkel fout was want het illustreerde de inhoud van Rijneveld d’r roman juist. Het verkrachte meisje in Reve’s roman komt – in een andere vorm – terug bij Marieke Lucas Rijneveld: De veertien jarige gunsteling zit tussen kind en volwassenheid in, zoekt naar haar gender en wordt zonder meer misbruikt.

Ik moet zeggen dat ik een bofkont ben want ik heb deze roman gelezen. Als je de laatste bladzijde omslaat, ben je rijker dan toen je aan de roman begon. Superieur geschreven. Compleet vernieuwend in zoveel aspecten. Eigenlijk heb ik er geen woorden voor. Terecht kreeg ze de internationale Booker Price, maar wat heeft dat dan voor betekenis voor deze nieuwe roman die zoveel vernieuwender is? Wat voor prijzen staan haar nog te wachten? Marieke Rijneveld vertelde dat ze blij was dat haar tweede roman af was toen ze de prijs kreeg die haar ook internationaal op de kaart zette. Kan ik me voorstellen! Wat doet zoveel aandacht met haar en d’r talent? Ik hoop dat het haar lukt om ermee om te gaan en ons nog meer van dit soort fantastische romans te schenken. In de roman vertelt ze via de hoofdpersoon wat ze verwacht van alle aandacht die ze krijgt als ze beroemd is. Het betekent: “…dat je alleen in de duisternis groeide, dat je vaak naar het licht verlangde, naar de schijnwerpers, maar je wist ook dat het je zou verblinden, dat de roem die je zou vinden alleen maar zou groeien door je in te graven…”

Mijn lieve gunsteling is een monoloog interieur van een veearts die het verhaal vertelt van zijn vurige liefde voor een veertienjarige boerendochter. Die monoloog interieur wordt zo dicht bij het meisje gevoerd dat je vaak meer het gevoel krijgt dat het verhaal een inkijkje geeft in het gevoelsleven van het meisje. Er is net voldoende afstand om zijn verhaal van het hare te onderscheiden, maar feitelijk is zij de hoofdpersoon. De roman kent hoofdstukken maar geen alinea’s. Binnen de hoofdstukken een enkele punt, maar niet veel. In een fantastische taal meander je langs lange poëtische zinnen met prachtige metaforen door de gedachten en gebeurtenissen van een gemankeerde veearts en zijn obsessie voor een jong meisje. Ondanks de lengte van de zinnen en ondanks het ontbreken van alinea’s, blijft alles goed te volgen en boeit het. Het houdt je haast gekluisterd aan alles wat er verteld wordt.

De mond- en klauwzeer epidemie van jaren geleden is nog altijd actueel bij de veearts. De ellende die het gaf en de eenzaamheid. Hij ziet steeds het gezicht voor zich van een getroffen veehouder die zich opgehangen heeft. Het beeld achtervolgt hem. Hij was degene die de veehouders het slechte nieuws moest brengen en die altijd aanwezig was als het vee geruimd werd. Verder lijkt hij niet losgekomen van zijn misbruikende moeder. De roman speelt zich af in het gereformeerde milieu. Dat maakt het seksueel misbruik op de een of andere manier indrukwekkender. “…maar ze bedacht zich niet en met gespreide benen ging ze op de bedrand zitten en gebood mij op mijn blote knieën als een hondje voor haar te knielen…” en een stukje verder: “…en toen zei ze met een hese stem die ik niet van haar kende: Je mag pas stoppen als God weer in je is.” Hij wordt op zijn veertiende misbruikt door zijn moeder en dat zou er de oorzaak van zijn dat hij daar in zijn ontwikkeling gestopt is en vooral valt voor meisjes van diezelfde leeftijd. De veearts is getrouwd met Camillia die lerares is op de school van de gunsteling.

Het meisje woont met broer en vader op een melkveehouderij. Er is een verlorene en een verlatenen. De verlorene is iemand (broer) die bij een verkeersongeluk om het leven is gekomen en de verlatene is de moeder die ‘vertrok’ nadat ze hoorde van de verlorene. Dit drama zou zich in 1993 hebben afgespeeld terwijl het meisje zelf in 1991 geboren is. De verlatene zou in Stavanger in Noorwegen wonen. Het meisje houdt gesprekken met Freud en Hitler en ze weet zeker dat zij één van de vliegtuigen was die zich in de Twintorens op 11-9-2001 boorde. Ze vraagt zich af waarom ze geen piemel heeft en ontwikkelt een sterk verlangen naar een ‘jongens gewei’.

Laat ik het hier maar bij laten. Over deze roman zullen vast nog vele studenten Nederlands afstuderen en er zullen vast nog vele masterscripties over worden geschreven. Bijzonder! Een heel erg bijzondere roman die je niet zomaar loslaat!

Sander Kollaard – Uit het leven van een hond; Een schitterend briljantje.

De laatste tijd heb ik regelmatig een boek gelezen dat veel te dik was; het had best wat korter gekund. Uit het leven van een hond van Sander Kollaard daarentegen is veel te dun. Een heerlijk boekje om te lezen en daarom had ik wel gewild dat het wat langer doorging, maar na amper honderd bladzijde is het gedaan. Hoe kan een meanderend boek over een alledaagse man met alledaagse problemen zo een prachtige roman worden? Je vraagt het je af… Het verraad groot schrijverschap, denk ik.

De IC-verpleegkundige Henk woont samen met zijn hond Schurk op en flatje in Weesp. Hij ziet dat zijn hondje het moeilijk heeft, en daarom gaat hij  met hem, op een bloedhete dag, naar de dierenarts. Schurk heeft hartfalen door ouderdom. De dood is onvermijdelijk, maar met medicatie gaat hij het nog een korte tijd volhouden. Vervolgens doet Henk wat boodschappen. Omdat hij ’s avonds een barbecue heeft bij zijn jongere broer Freek koopt hij een fles wijn en voor zijn zeventienjarige nichtje Rosa – waar hij helemaal gek op is – het boek Kees de jongen; hij heeft het boek gelezen toen hij net zo oud was als Rosa nu is en hij was van die roman diep onder de indruk. Na de boodschappen laat hij Schurk uit. Onderweg loopt hij een vrouw tegen het lijf die ‘iets’ bij hem wakker roept. Dan stapt hij met boek en wijn op de bus om naar de barbecue te gaan. In de bus ontmoet hij diezelfde vrouw. Ze gaat naar een concert, vertelt ze, en ze heet Mia. Bij zijn broer Freek is nichtje Rosa het lichtpuntje. Hij wordt behoorlijk dronken. Tegen zijn nichtje flapt hij eruit dat hij verliefd is op Mia. Als hij weer op de bus stapt, komt hij Mia opnieuw tegen en bekend hij zijn liefde. Dat blijkt wederzijds. Aldus het verhaal in een notendop.

Een verhaal waarvoor je niet direct het boek gaat lezen. Het verhaal is dan ook de ruwe diamant die Sander Kollaard tot een absolute briljant weet te slijpen. Een paar van de facetten die de roman zo’n onweerstaanbare schittering geven: De karaktertekening van hoofpersoon Henk. Henk is een man waar je je als man graag in herkend. Een lieve, zorgzame en zeer intelligente man die mild denkt over iedereen om zich heen. Die zelfs mild denkt over zijn ex-vrouw Lydia die hij met een ander betrapte. Iemand die het leven neemt zoals het is., maar het desalniettemin omarmt en er met volle teugen van geniet. Nog zo’n briljant facet is Kollaards taal. Een roman is per definitie taal. Kollaards taal is kraakhelder. Puntig waar nodig en meanderend waar dat kan. Tijdens het lezen heb ik me geen enkel moment afgevraagd wat de schrijver probeerde te vertellen; het staat er zoals het er staat. Ook die ene keer als hij wat dieper ingaat op het werk als IC-verpleegkundige is alles helder. Nog een facet: Zijn nichtje Rosa. Kollaard schrijft dat Henk gek op haar is en als je de roman uit hebt, ben je als lezer ook gek op Rosa en Rosa heeft daar helemaal niets bijzonders voor moeten doen. Zelden zo’n tastbare beschrijving gelezen. En zelden zo liefdevol. Ik kan nog een eind doorgaan, maar dat doe ik niet; er zitten zoveel schitterende facetten in deze roman! Oké, nog één dan: Kollaard zet zijn personage in een situatie waardoor wij als lezer het ergste vrezen maar omdat de hoofdpersoon vervolgens handelt zoals ik dat als lezer ook zou hebben gedaan, komt alles goed. Dat geeft een heel speciale spanning. Het laat je ook nadenken over ontwikkelingen die je in de maatschappij ziet ten opzichte van dingen die eigenlijk heel normaal zijn en waar je niet zo overspannen op zou moeten reageren. Een voorbeeld van zo’n situatie ga ik niet geven want dan geef ik té veel weg van de roman; ik raad je aan om de roman zelf te lezen want het is echt de moeite waard.

Hoewel Henk in de loop van de roman over van alles en nog wat zo zijn gedachtes heeft en er flink op los filosofeert, komt hij regelmatig uit op de verhouding tussen lichaam en geest. De roman begint er mee. Henk is enigszins ontdaan over een gesprek dat hij gehad heeft met een collega. De mens is, volgens die collega, alleen maar spul. Materie. Dat ‘spul’ komt regelmatig terug in Henks mijmeringen; hij lijkt de discussie met die collega door de hele roman voort te zetten: ”Poëzie: het wonderlijke vermogen van spul om verliefd te worden. Laten we daar even bij stilstaan: spul dat verliefd wordt… Dat is nog maar één transformatie. Met hetzelfde gemak wordt dat spul schoonheid, genot, eer…” Filosoferen over lichaam en geest, wie kan dat beter dan een IC-verpleegkundige die dagelijks geconfronteerd wordt met lichamen waaruit de geest vaak volledig is verdwenen en waarvoor terugkeer van die geest wordt gestreden?

Ook in metaforen die de schrijver gebruikt, komt Henks beroep soms terug. Zo komt Henk tijdens de barbecue de huisvriendin van broer Freek tegen: keramiste Julia. Met haar had hij ooit een gesprek:” …dat verliep als een terminale ziekte…” Maar ook andere metaforen vind ik erg mooi. Zo zitten twee mensen elkaar in de bus aan te kijken en zich af te vragen waar ze elkaar van kennen, met: “…gezichten leeg als een mededelingenbord bij stroomuitval…” Ik herken het beeld meteen.

Kortom: Een schitterende roman die eigenlijk maar één minpuntje heeft: Hij is te dun. Aan de andere kant: Alles staat er in. Het boek staat op de shortlist voor de Librisliteratuurprijs 2020 en dat is wat mij betreft helemaal terecht. Het boek is een absolute aanrader!

Saskia de Coster – Nachtouders; kwakkie uit de bezemkast.

Wat blijft er uiteindelijk hangen van een roman. Wat herinner je nog na een tijdje. Bij de roman ‘Nachtouders’ van Saskia de Coster weet ik het wel. Het verhaal van de vader van het kind. Meer specifiek: aftrekken in de bezemkast van een ziekenhuis. Walgelijk. Niet dat aftrekken, maar de liefdeloosheid en de eenzaamheid. De roman gaat in grote lijnen over het niet-biologische ouderschap van een vrouw in een lesbische relatie. Als lesbisch stel heb je een overschot aan eicellen, maar wil je als stel dan een kind, dan heb je zaadcellen nodig. Dat moet wel van een man zijn. Hij woont in dit geval aan het andere eind van de wereld. Volgens de vertelster is het de ideale man. Speciaal voor het doneren van wat sperma komt hij over…vervolgens mag hij masturberend in het bezemhok van het ziekenhuis zijn zaad in een potje plengen. Het beeld heeft me de hele roman niet meer losgelaten. Je moet mannen wel heel erg haten om zoiets te verzinnen. Wat een liefdeloos begin van een nieuw mens; laten we hopen dat het kind er nooit achter komt. Helaas is de kans dat het jochie erachter komt vrij groot want de roman is sterk autobiografisch. Gezien het feit dat om het stel Saskia en Juli gaat en de schrijfster Saskia heet en een relatie heeft met Juli en bovendien ze het sterk autobiografische karakter van haar roman beaamt in een interview dat ik las, kan je er van uit gaan dat dat verwekte jochie de roman gaat lezen en zo zijn liefdeloze oorsprong leert kennen. Er zal dus ook wel in werkelijkheid een man vanaf de andere kant van de wereld zijn overgevlogen met het doel om een kwakkie te leveren dat hij in de liefdeloze bezemkast moest concipiëren… Sjonge. Dat beeld… Ik raak het nauwelijks kwijt. In mijn ogen getuigt het wel van heel erge mannenhaat. In haar plaats zou ik me diep hebben geschaamd om het op te schrijven… Maar Saskia de Coster dus niet…

Mannenhaat doordrenkt deze roman. Homomannen, oke, maar van hetero’s moet ze niets hebben: “Op familiefeesten durven hitsige ooms met een glas te veel op te vragen: wat twee vrouwen met elkaar doen. Ze maken dan schaarbewegingen.” Kortom hetero’s zijn er alleen maar op uit om over de rug van lesbische vrouwen geil te worden. “…weg uit het labyrint van de eeuwenoude mannelijke privileges van onverschilligheid en afwezigheid.” Schrijft ze. Nu het onmiskenbaar het tijdperk van de vrouw is geworden, doet het allemaal een beetje belegen aan. Net alsof de schrijfster in een vorig tijdvak is blijven hangen. En…geen man deugt: “Saskia zelf heeft de ravenzwarte haren van haar moeder en ze is even halfzacht als haar vader.”

Toch is ‘Nachtouders’ een goed te lezen boek. Als lezende man moet je je af en toe over je weerzin heen zetten want dat Saskia mannen haat, dat staat voor mij als een paal boven water. Dat het betreffende kind een jongetje is, doet mij bij voorbaat verdriet; wat voor beeld zal dat arme joch uiteindelijk over zichzelf hebben? De ‘vader’ van de wurm blijkt in de loop van de roman nauwelijks geïnteresseerd in het kind. Sterker nog, de man blijkt kinderen seksueel uit te buiten. Pedofiel, dus. Echt, volgens Saskia de Coster deugen mannen niet.

Het verhaal speelt zich af op een eiland ergens in de buurt van Noord-Amerika. Een eiland voor de ene helft bewoond door indianen. Zij hebben het alleenrecht om de verbinding tussen eiland en vaste land te verzorgen; iedereen die naar of van het eiland wil, moet dat met behulp van deze stam doen. De andere helft van het eiland wordt bewoond door hippies. Eén van de hippies, Molly, is de moeder van de zaaddonor. Zij is de reden waarom het stel naar het eiland komt. Ze zijn op weg naar Alaska en onderweg doen ze het eiland aan om kennis te maken met de biologische grootmoeder van hun kind. Eenmaal op het eiland wordt het schier onmogelijk er weer af te komen want de indianen gaan in staking. Zo komen de twee vrouwen onder de plak te zitten van hun pseudo schoonmoeder. Ze propt haar – min of meer – kleinzoon vol. Terwijl de verteller dat met groeiende boosheid optekent, heeft de partner Juli meer oog voor een andere vrouw op het eiland, Tammy. Zo ontstaan er ook nog spanningen in de relatie en komt Saskia allengs meer in een isolement. Ondertussen vraagt ze zich af wat het moederschap van een niet-biologische moeder voor betekenis heeft. In hoeverre kan zij van het kind houden, in hoeverre is ze verantwoordelijk, in hoeverre heeft ze iets te zeggen over het kind dat genetisch niet aan haar verwant is.

Kortom: Ik heb medelijden met het jochie dat op moet groeien bij een mannen hatende vrouw. Maar dat is de ethiek… Verder is het een goed te lezen boek. Helemaal niet mijn favoriet. Het staat wel op de shortlist van de Libris literatuurprijs. Ach, het kan. Zeker geen winnaar wat mij betreft. Naast de kanonnen op de lijst is het een katapult met onderbroekenelastiek. Ik ben wel slechter te lezen boeken tegengekomen op die shortlist in de loop van de jaren. Zeker geen roman die me bij blijft, behalve misschien dat masturberen in de bezemkast…