Alle berichten van Frits de Klerk

Erica Terpstra met Boeddha in de Nieuwe Kerk

Ik ben niet zomaar geïnteresseerd geraakt in Boeddha; we gaan over niet al te lange tijd naar Thailand. Wil je iets van Thailand begrijpen dan moet je iets van Boeddha weten, denk ik. Om iets van Nederland te begrijpen zul je je toch echt in het christendom moeten verdiepen. Niet om de mensen en de natuur van Nederland te begrijpen, daar heb je dat niet voor nodig. Maar wel om te begrijpen waarom we nu en in het verleden schilderen, tekenen, muziek spelen, gebouwen maken, toneelspelen, dansen en onze rituelen vieren. Dan moet je je echt iets meer in het Christendom verdiepen. In Thailand wil ik ook iets van de cultuur zien en begrijpen. De cultuur van Thailand staat in het teken van Boeddha. Iets voorbij alle eetstalletjes in de straten van Bangkok gloort overal Boeddha. Daarom kon je mij, één dag na de opening van de tentoonstelling, vinden in de Nieuwe kerk. Omdat ik alleen maar de banner had gezien aan de gevel van de Nieuwe kerk, was ik eigenlijk al twee dagen eerder bij de Boeddhatentoonstelling en moest tot mijn teleurstelling constateren dat de tentoonstelling nog niet open was. Wel was voor de kerkdeur alles in rep en roer omdat de Dalai Lama de nog niet geopende tentoonstelling bezocht.

Ben ik te weten gekomen wat ik zocht? Niet helemaal, denk ik. Er blijven verschrikkelijk veel vragen openstaan. Ik had natuurlijk ook niet kunnen verwachten dat ik zomaar, van een totaal nietweter ineens een alweter zou worden. Maar een aantal dingen zijn me wel duidelijk geworden, hoewel het belangrijkste is blijven hangen. Boeddhisme is niet zozeer een geloof als wel een levenshouding. Dat heb ik wel opgepikt, maar wat ik nog niet kon volgen is hoe het komt dat dat Boeddhisme zoveel mensenharten heeft veroverd. Het is me niet duidelijk hoe dat Boeddhisme zo kon doordringen in grote lagen van de bevolking en dat het kennelijk zo’n kracht had dat het in een deel van de wereld de overheersende levenshouding is geworden. Veel religies verklaren vanuit hun religie de wereld. Religie is niet alleen een door een hogere macht opgelegd normen- en waardenstelsel, maar het verklaart ook hoe de wereld de wereld is geworden en welk plan daarachter zat. Het normen- en waarden stelsel heb ik voor een deel wel langs zien komen, maar dat verklarende deel, dat ontbrak volledig.

De uitgemergelde Boeddha

Een audiotour volgesproken door Erica Terpstra is in ieder geval wel een belevenis. Het is duidelijk dat ze erg enthousiast is over het Boeddhisme. Hoewel ze ook een keer behoorlijk tegengas geeft. Halverwege de tentoonstelling een beeld van de uitgemergelde Boeddha. Samen met andere asceten, lees je bij het beeld, besloot Boeddha tot het uiterste te gaan en niet méér te eten dan één rijstkorrel per dag. Op het laatst kon de Boeddha nauwelijks meer overeind blijven en besloot hij dat extremisme niet goed was. Als Boeddhist moet je altijd naar de middenweg zoeken. Dat vond Terpstra dus niet. Ze dacht dat de wereld dan maar saai zou worden. Proberen uit te blinken en niet streven naar eenheidsworst was Terpstra d’r devies.

In de nieuwe kerk wordt een link gelegd tussen moderne kunst en de Boeddhistische cultuur. De tentoonstelling toont hoe Prins Siddharta (de latere Boeddha) werd opgevoed in weelde en ver werd gehouden van het leed in de wereld. Op een dag maakte hij een rijtoer en ontdekte dat de wereld buiten zijn veilige paleis een drama was. Kunstenaars Yoko Ono en Carolee Schneemann focuste op dit gegeven; de wereld is bar en boos. Schneemann met een opstelling van televisies in verschillende standen waarop filmpjes worden afgespeeld die een indruk geven van het geweld in de wereld. Yoko Ono liet drie bergen grond storten waarop verschrikkelijke dingen waren gebeurd. Je zou verwachten een hoopje Rwanda doordrenkt van het bloed van in mootjes gehakte Tutsi’s, een hoopje Syrië… keus genoeg. Maar Ono koos voor een hoopje grond waarop een vrouw onbetamelijk was betast…begreep ik. Daarmee had ze voor mij behoorlijk afgedaan.

Drie hopen grond van Yoko Ono…

Verwacht er niet al te veel van, van deze tentoonstelling, maar laat je wel meeslepen in het enthousiasme van Erica Terpstra!

Esther Gerritsen – De Trooster; Quasimodo?

Halverwege juli gingen Josien en ik naar een hotel in Boxmeer. Het bleek één van de leukste hotels te zijn die ik ooit in Nederland tegengekomen ben. Een tot hotel verbouwd klooster. We sliepen in de kamers waar vroeger de nonnen hadden geslapen. Men had zoveel mogelijk van het oude in stand gehouden. De serene sfeer was gebleven terwijl het toch een vrij chique hotel was. Een zeer kundige vrouw van de historische vereniging van Boxmeer gaf ons een rondleiding en vertelde over wat er zoal te zien was. Het klooster bleek bewoond te zijn geweest door een zwijgende orde die nauwelijks contact met de buitenwereld toestond. Een portierster regelde via een ingenieus systeem, het noodzakelijke contact. Ik moest erg denken aan mijn recente verblijf in het klooster toen ik Esther Gerritsens laatste roman ‘De Trooster’ las. Een sfeer die je niet snel zult vinden in de moderne Nederlandse literatuur. Ik hou er wel van.

Het klooster waar de roman zich afspeelt, doet dienst als retraitecentrum. Mensen die zich overspannen voelen of even een stapje terug willen doen, kunnen er terecht. Verzorgd door de broeders komen de gasten tot rust zodat ze hun wereldlijke taak weer beter aankunnen. In dit klooster is hoofdpersoon Jacob de koster. Hij onderhoudt het kloostergebouw en de kloostertuin en hij zorgt dat alles klaarstaat voor de verschillende diensten in de kloosterkerk. Jacob is geen broeder. Hij wordt geaccepteerd in het klooster. Jacob ziet vooral zijn eigen gebreken. Doordat er iets tijdens zijn geboorte mis ging is een deel van zijn gezicht misvormt. Hij heeft het gevoel niet te bestaan in het klooster. Eigenlijk is hij er niet maar toch wel. Als een ware Quasimodo heeft hij zich in het klooster gevestigd. Zijn Esmeralda komt ook maar dan in de vorm van een ex-staatssecretaris die door malversaties zijn post is geraakt en moest vertrekken.

Henry Loman heet de ex-staatssecretaris. Op een dag komt hij aan in het klooster en de eerste persoon die hij daar ziet is Jacob. Omdat Henry geen idee heeft hoe of wat alles geregeld is in het klooster, is Jacob even goed een persoon waar hij mee om kan gaan als alle andere broeders. Henry Loman brengt reuring in het klooster. Door zijn onbevangenheid in het klooster en nieuwsgierigheid naar de betekenis van de rituelen. Maar ook omdat hij zich aan God noch gebod iets gelegen laat liggen. Jacob vervult al snel de rol van uitlegger van al het mystieke. Loman vindt rust in het doen van klusjes. Aldus groeien de twee mannen naar elkaar.  Als Jacob zich even verlaten voelt door Henry, zegt één van de broeders dat wat Jacob voelt, liefde is….Esmeralda? Maar dan komt ook de vrouw en kind van Henry op de proppen. Een bedreiging van de vriendschap. Hoewel Jacob er alles aan doet om er een stokje voor te steken dat Henry weer teruggaat naar zijn vrouw en kind, zien ook zij Jacob als een waar mens. Als een gemankeerd mens, maar wie is dat niet?

De Trooster is een boek dat je lekker wegleest. Het is zeker niet de beste roman van Esther Gerritsen maar toch zeer lezenswaardig. Dat geldt eigenlijk alles wat deze schrijfster schrijft?

Wat ik in ieder geval fijn vind om te lezen is dat ze met respect over de kloostergemeenschap schrijft. Ik vind het belangrijk dat mensen gerespecteerd worden ook al denken en geloven ze heel anders dan wij. Dat doet Esther Gerritsen goed. Ze heeft zich ook goed ver iept in het kloosterleven en presenteert het kloosterritme als vanzelfsprekend. Ik zie geen huichelachtigheid of misbruik waar nu steeds zo vaak naar wordt teruggegrepen; De kloosterlingen zijn wie ze zijn en verder niets.

Rachmaninoff, Strawinsky en Janáček; een fraaie seizoen opener

Gezien en gehoord op 15 september in het Concertgebouw.  Nederlands Philharmonisch olv Marc Albrecht en met Dejan Lazićop, piano.

In het foldertje dat we bij het concert kregen, staat een beetje besmuikt hoe het zit met Leoš Janáček en zijn succes als componist. Vanaf zijn lagereschooltijd was de man bezig met componeren en muziek maar pas op z’n tweeënzestigste kreeg hij succes toen hij op een heel andere manier ging componeren. Oorzaak van deze cesuur in zijn leven; de liefde. De man leerde op die leeftijd de tweeëndertigjaar jongere Kamila Stösslová kennen en was op slag verliefd. Een oude bok en een blaadje groen? Als bijna even oude bok vroeg ik me af of er niet meer aan de hand was dan enkel het feit dat Janáček op zijn oude dag een opwindende jonge vrouw tegenkwam. Als ik van mezelf uitga en bedenk hoe het is om met een vrouw samen te zijn die ongeveer van de leeftijd is van mijn kinderen, dan geeft me dat een raar gevoel. Niet helemaal prettig. Heus, seksueel waanzinnig aantrekkelijk, zo’n jonge vrouw, daar niet van, maar verder, nee. Ze zijn van de generatie mensen wiens luiers ik heb verschoond; die ik heb leren lopen en fietsen. Waarbij ik langs de lijn heb staan aanmoedigen. Met vrouwen van die leeftijd iets erotisch beginnen voelt niet goed. Vandaar misschien ook de ietwat afkeurende woorden in het programmafoldertje: ‘De oude Tsjech werd stapelverliefd op de…’ en ‘Waar haalde de jong-bejaarde ineens de energie vandaan?’ De schrijver van het foldertje, Alexander Klapwijk, heeft duidelijk zijn oordeel.

Olga, de jonggestorven dochter van Leoš Janáček
Kamila Stösslová; groen blaadje?

Ik ben in de biografie van Janáček gedoken en ik denk zijn grote liefde te begrijpen. De man wilde zijn dochter terug. Zijn verlangen naar zijn dochter was zo groot dat hij een verwarrende relatie kreeg met Kamila Stösslová. Janáček had heus wel erotische gevoelens voor d’r, maar hoofdzaak was dat hij in de jonge vrouw zijn jong overleden dochter terugzag. Niet dat ík het weet, maar dat denk ik als ik me in de componist inleef. De man was gek op zijn dochter. Samen bestudeerden ze de Russische volksmuziek. Net volwassen geworden werd ze ziek en overleed ze. De componist moet in een rouwcoma geraakt zijn. Ik zou in zijn plaats niet weten hoe ik uit zo’n put vol ellende moet komen. Gek zou ik worden. Je kind verliezen. En dan nog wel het kind waar je zoveel mee deelt. Dat overkwam Janáček. Kamila Stösslová moet de plaatsvervangende dochter geweest zijn. Omdat het niet zijn dochter was, kwamen er ook wat erotische gevoelens bij kijken. Als je Janáčeks nieuwe elan op latere leeftijd ziet in het licht van het terugvinden van zijn geliefde dochter in de persoon van Kamila Stösslová, dan is dat beetje oude-viezerik-vindt-blaadje-groen gedoe niet meer zo nodig. Maar…in het echt weet ik het natuurlijk allemaal net zo min.

Wat ik wel weet is dat, als je het programma van het concert van afgelopen zaterdag in het concertgebouw bekijkt, Janáček degene is van de drie componisten van de stukken die ten gehore werden gebracht, die het meeste experimenteerde met klank en melodie. Waar Strawinsky in zijn Vuurvogel, vooral in het ritme vernieuwing zocht, deed Janáček het met de klanken. Rachmaninoff en zijn tweede pianoconcert zijn wars van experimenten. Hij houdt lekker alles bij het oude en ook dat leverde prachtige muziek op.

Mijn immer beschonken pa was nogal een fan van het tweede pianoconcert van Rachmaninoff. Dat spectaculaire begin van het concert speelde hij na op de piano. Op het moment dat het orkest moest inzetten zong hij de orkestpartij. Wat was ik toen trots op hem en wat deed ik mijn best om die openingsakkoorden ook te vinden op de piano. Met Rachmaninoff ben ik redelijk opgegroeid en ik merkte dat ik nog steeds elk nootje wist te vinden in mijn hoofd. Daarom kan ik gerust zeggen dat Dejan Lazić het fantastisch uitvoerde.

Bij de Symfonietta van Leoš Janáček was er geen enkele herkenning. Ik kende het stuk niet. Daarom kon ik me blij laten verrassen. Ik herkende wel de klankkleuren van het Sluwe Vosje; de opera die ik een paar jaar geleden bij de Nationale Opera had gezien. Bij Janáček moet je opnieuw naar muziek leren luisteren. Rare klanken die als ze goed tot je doordringen, fantastisch klinken. Een beetje als rauwe oesters eten als je dat nog nooit gedaan hebt. Een rilling over je rug als je de zilte massa in je mond krijgt. Zo klinkt Janáček. In dit geval met heel veel trompetten. Prachtige muziek van een componist die net zijn jonggestorven dochter had teruggevonden in Kamila Stösslová en die hem troostte in zijn door dood en verderf geplaagde leven waaruit alle liefde verdwenen leek… (Of interpreteer ik het nu ook weer veel te veel…)

Tenslotte de Vuurvogel van Strawinsky. Ja. Prachtig. Wat kan ik er meer over zeggen? Behalve dat ik het publiek zag schrikken bij de eerste klap van de Helledans. Want in het concertgebouw komt die klap best stevig aan. Maar ik wist waar hij zat…dus zag ik hoe een groot deel van het publiek een hartverzakking kreeg. Mooie muziek die ik drie jaar geleden ook had gehoord bij het Nederlands Philharmonisch, maar toen samen met een film.

Ik heb heerlijk zitten genieten afgelopen zaterdagavond in het Concertgebouw; Een fraaie seizoen opener!

34 jaar samen

Vierendertig jaar geleden zaten Josien en ik samen met Hetty en Sonja (en haar vriend met fototoestel) om kwart voor negen in het West-Indisch huis; de trouwlocatie van dat moment. Ondanks dat het huwelijk mij niets zei, was ik op van de zenuwen. Samenwonen bevestigde onze liefde; trouwen deden we om een behoorlijke woning te kunnen krijgen. Josien en ik hadden afgesproken dat we onze trouwdatum niet zouden vieren en niet zouden onthouden; onze dag om te herinneren zou de de dag worden dat we gingen samenwonen.

Ach, voornemens… Ze komen en ze gaan. Aan het ene kan je je wel houden, het andere vervaagt. Gingen we in 1984 op 13 april of 13 mei samenwonen? Ik weet het niet meer. Dat we op 11 september 1984 getrouwd zijn, dat staat vast; dat staat opgetekend. Officieel.

Dagelijks fiets ik langs het West-Indisch huis. Dagelijks zie ik ons daar weer zitten. Wat een fantastische herinnering! De herinnering aan het startpunt van een heerlijke tijd waar, naar het zich laat aanzien, voorlopig geen eind aan komt.

Ik ga er verder niets over zeggen, over die liefde van ons. Dat is iets tussen Josien en mij. Bovendien…je vervalt zo snel in clichés.

 

 

Moderne kunst

Liefde voor moderne beeldende kunst heb ik mijn kinderen nauwelijks bij kunnen brengen. Dat is gewoon niet gelukt. Het kan zijn dat ik ze te weinig meesleepte naar van alles en nog wat. Het kan zijn dat ze te veel zijn meegesleept en er een weerzin tegen hebben ontwikkeld. Ik weet het niet. Het is in ieder geval niet gelukt. Enkele jaren geleden hadden mijn jongste en ik een rondleiding door het Stedelijk met een filosoof van de Vrije Academie. Hij zou ons, samen met andere cursisten, vertellen over de filosofische achtergrond van verschillende kunststromingen. Op de één of andere manier hoopte ik daarmee de belangstelling van onze jongste te wekken. En aanvankelijk was dat zo. De groep (voornamelijk dames van middelbare leeftijd) zat klaar rond een knoestig beeld. ‘Wat voor associaties hebben jullie als jullie naar dit beeld kijken?’ Vroeg de filosoof. Mijn jongste raakte intern meteen in alle staten. Hij zag namelijk een bonkig knoestig soort…’ding’, waar hij helemaal niets mee kon. Hij wilde weten waarom men dit in een museum zette. Maar mijn dappere zoon hield zich in. De cursus verplaatste zich naar een kunstwerk die ik in mijn spagaat tussen moderne kunst en de ergernis van mijn jongste had aangezien voor garderobekluisjes. Ook hier gingen we weer associëren en de dames konden daar wat van: ‘Mannelijke vormen, hoekig. Waar je aan de voorkant wat in kunt stoppen. Gesloten’, associeerde een dame met roodgeverfd haar. De cursusleider glimlachte minzaam terwijl de temperatuur bij zoonlief tot gevaarlijke hoogte opliep.

Met ingehouden woede fluisterde hij dat hij weg ging. Ik zag mijn zoon naar de volgende zaal verdwijnen terwijl ik beleefd bleef luisteren naar de filosoof van de Vrije Academie. Ik moet zeggen dat zijn verhaal interessanter werd toen mijn zoon weg was en ik de moed had om te luisteren naar het verhaal.

Toen de rondleiding afgelopen was, vond ik mijn zoon terug op een bankje. Grimmig. Hij zei dat hij een archief had aangelegd van over het paard getilde veel te hoog gewaardeerde kunst. Kunst waar iedereen geld voor betaalde om het te mogen zien, maar waarmee de kunstenaars ze zwaar in de zeik had genomen; het was wat gekladder en meer niet. ‘Entartete Kunst?’ Vroeg ik. Het boeide niet hoe ik het noemde, maar volgens hem kon het zo op straat geflikkerd worden. Ik swipete langs de foto’s die hij had gemaakt: Wat hem betreft kon de hele Stijl de vuilnisbak in en de constructivisten ook. Voor Cobra had hij geen goed woord over. Daarna gaf ik zijn telefoon terug en gingen we koffiedrinken en hebben we er een gezellige middag van gemaakt. Verder ben ik namelijk helemaal gek op die jongste van me. Ook op die andere twee zoons van me, trouwens.

Gisteren heb ik me proberen te laten bedwelmen door een schilderij van Mark Rothko. Een schilder die ongetwijfeld voorkwam op dat lijstje van waardeloze prutsers van mijn jongste. Ik las dat Rothko de kijker een haast religieuze ervaring wilde geven met zijn doek. Hij hing ze in een kleine ruimte op zodat de kijker dicht tegen zijn doeken aan stond. Ik ging in het museum zo dicht mogelijk tegen het doek aan staan. Ik kon de streken van de kwast op het doek zien en voelde de kleuren vlekkerig bloeien. Maar ik denk dat ik niet in de goede stemming was. Er kwam somberte over me. De kleuren associeerde ik met dood en verderf. Het voelde niet goed en ik draaide me om. Naar Barnett Newman. Zijn Cathedra splitsten mijn brein in tweeën. Die witte lijn in het midden bezorgde me hoofdpijn. Ik moet mijn zoon links laten liggen bij moderne kunst; ik heb er, denk ik, teveel mee.

Omdat het toen ‘toen’ was en ‘toen’ niet ‘nu’ is.

Het afschaffen van de dividendbelasting zit mij hoog. Heel hoog. Eigenlijk heb ik er geen goed woord voor over. Dividendbelasting is een belasting die in ieder land in Europa geheven wordt, behalve in Groot-Brittannië. In Nederland betalen grote en rijke buitenlandse investeerders veel minder dividendbelasting dan in de meeste ons omringende landen. Het betalen van dividendbelasting is dus in Europa ‘gewoon’. Natuurlijk zitten investeerders er niet op te wachten om belasting te betalen, wie wel. Als ‘investeerder’ investeer je vooral om winst te maken. Dividendbelasting kunnen buitenlandse investeerders doorgaans aftrekken van hun belastbaar inkomen in eigen land. Daardoor kan je gerust stellen dat de dividendbelasting hen doorgaans nauwelijks pijn doet. De grote profiteur van het afschaffen van deze belasting zijn de overheden die nu inkomsten mislopen omdat hun grootkapitalerige onderdanen die belasting aan Nederland betalen, het weer in mindering mogen brengen op de belasting die ze in hun eigen land betalen. Het geld dat Nederland misloopt na afschaffing van de dividendbelasting kunnen we heel erg veel beter besteden. Bovendien wordt die belasting afgeschaft in verband met de concurrentieslag met Groot-Brittannië. Je zou kunnen denken dat we die concurrentieslag kunnen winnen op heel andere en veel betere gronden; de Brexit. Wie wil nou zijn hoofdkantoor vestigen in een land dat nauwelijks nog een voet aan de grond heeft in Europa? Maar goed, ik ben geen bedrijfseconoom.

Vandaag in de krant een opiniestuk van Guido van de Brink. De man is wél bedrijfseconoom en belicht de andere kant van het verhaal. Tenminste, dat probeert hij. Hij vat de argumenten van zijn tegenstanders (ik, dus) aldus samen: ‘…: ‘we moeten de dividendbelasting niet afschaffen, laat de hoofdkantoren dan maar vertrekken, die paar banen kunnen we wel missen.’’ Is dat inderdaad een samenvatting van de argumenten? Nee, natuurlijk. Eigenlijk zit er helemaal geen argument in deze samenvatting. Dit beschrijft een mogelijke consequentie van een keuze. Als we de dividendbelasting niet willen afschaffen en de grote kapitalistische multinationals dreigen om hun hoofdkantoren naar het buitenland te verplaatsen, dan moet dat maar. De argumentatie die ik in de politieke arena hoor, is: We kunnen het geld dat we door het afschaffen mislopen, veel beter besteden. Een ander argument dat ik vaak hoor, is dat afschaffing van de dividendbelasting het belasting-imago van Nederland in Europa verder aantast; Nederland als belastingparadijs. Een derde argument: Er is voor dit besluit geen politiek draagvlak; de voorgenomen maatregel is de coalitiepartners door de strot geduwd. Vraag is of je een door de strot geduwd idee waar eigenlijk iedereen tegen is, wel moet uitvoeren; hoe democratisch is dat?

Guido van de Brink ziet de argumenten die in de samenleving leven tegen de afschaffing van de dividendbelasting over het hoofd. Op zijn beurt geeft hij geen enkel argument vóór het afschaffen van de dividendbelasting. Hij ziet het afschaffen van de dividendbelasting als een spel tussen overheid en multinational. Daarbij belicht hij het spel vanuit bedrijfseconomisch perspectief. Tenminste dat beweert hij. Enige bedrijfseconomische argumenten lees ik echter niet. Ik moet aannemen dat multinationals niet willen dat hun buitenlandse investeerders belasting betalen aan Nederland. Waarom niet? Ik lees het niet. Bovendien stelt Guido van den Brink de aller stomste vraag die je kunt stellen: Waarom protesteerde er niemand toen de dividendbelasting enkele jaren geleden werd verlaagd? Antwoord: Omdat het toen ‘toen’ was en ‘toen’ niet ‘nu’ is.

Bevrijd de geest! Weg met die hekjes!

Ik woon inmiddels al zestien jaar in de Spaarndammerbuurt. Een lekker rustig buurtje met een roemrijke geschiedenis. Bovendien een architectuur om van te smullen. Ik woon er met heel veel plezier. Vijf keer per week spring ik tussen acht en half negen op mijn fiets om naar mijn werk te gaan. Ik fiets dan door de Zaanstraat via het spoorwegtunneltje naar het Westerpark om vervolgens via het Westerpark bij het Nassauplein uit te komen alwaar Ferdinand Domela Nieuwenhuis ons met geheven vinger de juiste weg wijst. ’s Avonds zie ik Domela Nieuwenhuis opdoemen vlak nadat ik de Haarlemmerpoort gepasseerd ben en ik weet, ik ben er bijna. Ik fiets via het Westerpark naar het poortje onder de spoorbaan door naar de Zaanstraat en dan via de Zaanstraat weer naar huis. Elke dag dus. En moet ik niet naar mijn werk, maar ergens anders naartoe, dan is eigenlijk mijn weg hetzelfde.

Onder het viaduct tussen de Zaanstraat en het Westerpark is een voetgangers- en een fietsgedeelte. Een richel scheidt voetgangers en fietsers. Vlak vóór het viaduct echter, aan de kant van de Zaanstraat, is het even oppassen geblazen. De bocht van Zaanstraat naar het tunneltje neem je namelijk, als fietser, het lekkerst als je een stukje stoep meeneemt. Ga je over een puntje stoep, dan kom je net even lekkerder uit dan als je alleen maar van het fietspad en de weg gebruik maakt. Het is weleens gebeurd dat ik, als fietser, even in mijn remmen moest knijpen om geen voetganger aan te rijden, en andersom, als voetganger is het me wel eens gebeurd dat ik even opzij moest stappen omdat er een fietser langs kwam. Geen groot probleem.

Geen groot probleem…vind ik…vinden velen met mij…denk ik. Misschien wat ergernis, zo af en toe. En toen was er kennelijk een ambtenaar die het wel een probleem vond. Hij of zij maakte een eind aan het ‘onverantwoord’ rijden over de stoep en liet twee hekjes plaatsen. Je vraagt je af welk probleem de ambtenaar in kwestie wilde oplossen of wiens probleem. Ik zag voetganger en fietser fantastisch samenwerken en ik zag hen gezamenlijk het probleem oplossen. Nu staan er dus twee hekjes die het leven voor zowel fietser als voetganger zuur maken. Pappa’s en mamma’s probeer er met je kinderwagens en jengelende kindertjes maar eens langs te komen. Bejaarden van De Bogt/Westerbeer, probeer er met je rollator of rolstoel maar eens langs te komen… Dat zal je niet lukken. Fietsers moeten nu vol in de remmen om de bocht te slechten en de tegenligger te ontwijken en een deel van de voetgangers kunnen er niet meer langs.

De hekjes zijn niet geplaatst om het verkeer te regelen, maar om ons denken in te perken. Door die hekjes gaan we niet meer zelf nadenken over oplossingen maar zijn we gedwongen om andermans oplossingen te slikken. Bevrijdt de geest! Weg met die hekjes

Saskia Noort – Stromboli; Leest heerlijk weg, maar…

Op de middelbare school was er een groep meiden waar ik het liefst bij uit de buurt bleef. Meisjes gaven mij toch al snel het gevoel dat ik op het randje van de vulkaan liep, maar die groep meiden, daar was ik pas echt bang voor. Ik had het idee dat ik om alles door hun uitgelachen en vernederd zou worden…het idee?..ik wist dat zeker. Ze stonden bij elkaar, lachten met elkaar, feesten met elkaar, dronken met elkaar en gingen met elkaar naar de disco. Feestbeesten. Op veel terrein voorloopsters, dacht ik. Terwijl mijn vriendjes en vriendinnetjes vaag droomde van liefde en seks, kreeg je het idee dat voor dat groepje vriendinnen geen taboe meer bestond. Verlegenheid en gêne kwam niet voor in hun gevoelsleven terwijl ik er vol mee zat. Mijn te grote voeten en handen, mijn geschonden gebit, mijn puistjes; het maakte mijn leventje in die dagen tot een hele uitdaging. Maar die meiden in dat groepje hadden daar schijnbaar geen enkele last van. Ik benijdde ze en ik begeerde ze (want ze waren allemaal best knap) en ik haatte ze, vanwege hun vermeende oppervlakkigheid. In dat groepje van oppervlakkige, drinkende, feestende meiden situeer ik Saskia Noort. Doe ik haar daarmee tekort? Ik weet het niet. Zelfs haar eerste niet-thriller-roman straalt, in zekere zin, oppervlakkigheid uit, ondanks het zware onderwerp. De oppervlakkigheid die ik in dat groepje feestbeestende meiden dacht te zien.

Net als haar andere boeken, leest haar nieuwe roman ‘Stromboli’ als een trein. Saskia Noort is een begenadigd vertelster. Het boek leeft en bruist en je leest jezelf van de ene stroomversnelling naar de volgende. Noort is een absolute vakvrouw; ook dit boek is een belevenis. Maar toch…het voelt ergens wat oppervlakkig zonder dat ik precies kan aangeven waar ‘em dat nou precies in zit.

In de Volkskrant van enkele maanden geleden tijdens één van de hoogtepunten van de #metoo discussie, las ik in de Volkskrant een stukje van Saskia Noort waarin ze vertelde hoe ze op haar veertiende werd verkracht. Dit stukje vond ik vrijwel letterlijk als laatste hoofdstukje in de roman Stromboli. Nu niet geschreven door de schrijfster Saskia Noort, maar door het romanpersonage Sara Zomer uit ‘Stromboli’ ; net als Saskia Noort een zeer succesvolle schrijfster. Of je het nu wilt of niet, schrijfster en romanpersonage passen in deze roman behoorlijk op elkaar, zo lijkt het. Uiteindelijk doet dat niet ter zake want het gaat om de roman en niet om de schrijfster, maar toch heeft dat zo z’n invloed op je als je het boek leest.

De succesvolle schrijfster Sara Zomer vindt zichzelf in een vreugdeloos huwelijk met de grote, maar veel minder succesvolle, schrijver Karel. Ze hebben twee thuiswonende kinderen en vormen samen met de hond het ideale gezinsplaatje. Sara en Karel hebben samen een kolom waarin ze verslag doen van hun mooie huwelijk en hun gezamenlijke leven. Maar ietsje dieper dan dit oppervlakkige verhaal blijkt het huwelijk een puinhoop. Karel is een problematische drinker, maar ook Sara houdt best van wat drank. Sara heeft een affaire met de mannelijke helft van een bevriend echtpaar. Bevredigende seks binnen hun huwelijk hebben ze niet; Sara laat Karel af en toe zijn gang gaan… De bewondering en adoratie die Sara voor Karel ooit had, is omgeslagen in regelrechte haat en ze ziet geen andere mogelijkheid dan van hem te scheiden. Als de affaire van Sara bekend wordt en ze alleen gaat wonen, raakt Sara geïsoleerd; zelfs haar kinderen benaderen haar vol verwijten. Daarom gaat ze op retraite naar het vulkaaneiland Stromboli. Daar wordt het haar steeds duidelijker dat de verkrachting in haar puberteit nog steeds een grote rol in haar leven speelt. Ze ontdekt dat haar seksuele leven zwaar lijdt onder de vernedering van destijds.

Tijdens de eerste weken van de scheiding lezen we de column die ex-echtgenoot Karel schrijft als intermezzo’s in de roman; nu gaat het niet over het succesvolle huwelijk maar over de, schijnbaar, gelukkige kant van de scheiding. De column met hun tweeën over hun huwelijk was vals, de column die hij in zijn eentje schrijft is vals. Aan het eind van het boek lezen we de laatste column van Sara en dat is de eerste eerlijke… Met deze column eindigt het boek en als ik eerlijk ben had Saskia Noort die column weg mogen laten. Hij kwam bij mij over als een koude douche; het ontkrachtte het verhaal. Ondanks de eerlijkheid.

Het valt mij op dat de hoofdpersoon voortdurend op zoek is naar drank. De wijntjes, borrels, biertjes; ze gaan erin als Gods woord in een ouderling. De retraite was juist bedoeld om je te onthouden van alle geneugten van het leven en jezelf te vinden in allerhande vage therapieën. Wat mij opvalt is de vreugdeloosheid van seks. Saskia Noort beschrijft de seks uitermate expliciet. Bijna Wolkeriaans. Maar het is liefdeloos en vreugdeloos; als functies van het lichaam en sensaties van het lichaam. Sara laat zich vaak bijna willoos neuken. Ze wil lichamelijke nabijheid, zoekt dat op, maar beleeft weinig plezier als puntje bij paaltje komt. Ik moet zeggen dat ik dat best verwarrend vond; feitelijk gaat ze met alle mannen naar bed die ook maar even aandringen. Vervolgens spoelt ze het weg met liters sterke drank. Dat gevoel hou ik eraan over.

Al met al een lekker boek om te lezen. Ondanks het zware onderwerp hou je een smaak van oppervlakkigheid. Die smaak kan ik niet echt duiden. Stromboli van Saskia Noort is en blijft een aanrader want, jongens, wat leest dat boek lekker weg!

Gezichtsverlies

Als er één ding duidelijk werd gisterenavond bij Zomergasten, dan is het wel dat ook Eric Wiebes niet kan uitleggen waarom dit kabinet zo nodig de dividendbelasting wil afschaffen. Het gedraai van Wiebes bracht mij terug bij een Netflix serie die ik voor de vakantie heb bekeken. De serie die heel precies de geschiedenis van de Vietnamoorlog beschreef. Een fascinerende serie waarbij de koude rillingen je over de rug lopen. Natuurlijk gaat het over massale bombardementen en de vernietiging van een groot stuk tropisch regenwoud. Maar voor mij ging hij vooral over politiek falen; het idee dat een hoogwaardigheidsbekleder geen gezichtsverlies kan en mag leiden. Dat idee hield de oorlog zeker een decennium aan de gang. Alle machthebbers wisten allang dat de oorlog niet te winnen was. Ze wisten dat de oorlog veel levens zou kosten, ze een land aan flarden zouden moeten bombarderen en dat ze uiteindelijk niet zouden bereiken wat ze hadden gezegd dat ze zouden bereiken; de oorlog winnen. Maar toch gaven ze de oorlog niet op. Ze gingen door ondanks dat ze wisten dat het heilloos was omdat ze geen gezichtsverlies wilden. Dat kostte honderdduizenden mensen het leven. Vietnamezen sneuvelden bij bosjes, de burgerbevolking stierf als ratten en ook de Amerikaanse militairen stierven bij bosjes. Oorzaak: De Amerikaanse president wilde geen gezichtsverlies leiden.

Goed, oké, de afschaffing van de dividendbelasting is wel even iets anders dan een oorlog. Dat klopt. Maar toch zijn de principes hetzelfde. Een regering heeft zich laten inpakken door lobbyisten van grote internationale bedrijven. Op zich al een minpuntje, natuurlijk. Je mag best luisteren naar wat er zoal tegen je gezegd wordt, maar je laten inpakken…dat is geen leuke constatering. Dat die regeringspartij ingepakt was, ontdekten ze toen het te laat was. Pas toen het voornemen was opgenomen in het regeerakkoord. Het volledig uitgeonderhandelde en daarna dichtgespijkerde regeerakkoord. Pas toen ontdekte men hoe men was ingepakt en hoe men zich had laten manipuleren. Bedrijven die hun grote geld verdiend hadden met het vervuilen van de aarde en het verkopen van ziekmakend voedsel hadden gedaan gekregen dat hun buitenlandse investeerders in de toekomst minder belasting hoefden te betalen. Dat dat ten koste gaat van de eigen bevolking was men even vergeten. De belasting op de producten die je echt nodig hebt, zouden, volgens diezelfde plannen, van 6% stijgen naar 9%. Zonder dat ze het doorhadden (anders is het wel heel cynisch) bleek het regeerakkoord het scenario van de omgekeerde Robin Hood; stelen van de armen om de rijken te spekken.

In de serie over de Vietnamoorlog bleek dat Nixon geen gezichtsverlies wilde leiden en dat er dus duizenden mensen stierven. Rutte en de VVD willen geen gezichtsverlies leiden en dus geven we geld weg aan de superrijken en betalen we het met het geld van de allerarmsten…

Frits’ Librisliteratuurprijs 2018

Ik heb dus niet voor niets alle boeken die op de shortlist van de Librisliteratuurprijs gelezen; ik ga de prijs zelf uitreiken. Zonder dat er een geldbedrag aan vast zit. Ik begrijp de teleurstelling, maar deze jongen heeft wel een mening maar geen geld… Het gaat dus allemaal om de eer. Er kan uitgebreid over mijn eindoordeel worden gecorrespondeerd, maar veranderen zal het niets; de uitslag staat vast; het is mijn mening. De boeken waar het om gaat in de volgorde van een willekeurige website waarop de genomineerden staan:

  • Martin Michael Driessen – De pelikaan
  • Peachez, een romance – Ilja Leonard Pfeijffer
  • Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken – Arjen van Veelen
  • En we noemen hem – Marjolijn van Heemstra
  • De heilige Rita – Tommy Wieringa
  • Wees onzichtbaar van Murat Isik

Ik heb ze allemaal gelezen en over allemaal een stukje geschreven. Nu zet ik deze boeken tegenover elkaar en geef dus mijn oordeel…

Op de laatste plaats een zielloos boek dat bol staat van de pretenties en dat voor een groot deel gaat over een de hemel ingeschreven vroeg overleden schrijversvriend die ook al nauwelijks succes kende als schrijver. Een boek dat ik met zeer veel moeite uit kreeg en waarvan ik me bevrijd voelde toen ik de laatste bladzijde omsloeg: Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken van Arjen van Veelen. Echt, helemaal niets aan!

Op de één na laatste plaats eindigt bij mij een roman die mij liet mijmeren over de vraag: Wat is literatuur precies. Wanneer spreek je over literatuur en wanneer over een…boekje. In mijn ogen is dit boek een niemendalletje. Niet onaardig geschreven, maar ook niet meer dan dat: ‘En we noemen hem’ van Marjolijn van Heemstra.

Op de middelste plek een boek dat ik geboeid heb gelezen. Maar nog teveel los zand. Nog teveel een uitwaaieren naar verschillende kanten. Maar wel een belofte voor de toekomst! Ik zal de schrijver van de roman ‘Wees onzichtbaar’, Murat Isik, zeker blijven lezen. Tussen de groten nog een dwerg, maar hij groeit!

Toch nog brons: Peachez, een romance van Ilja Leonard Pfeijffer. Een bijzonder boeiend geschreven roman over de ondergang van een hoogleraar latinistiek van het vroege Christendom die zijn ‘Der Blaue Engel’ vindt in het pornosterretje Sarah Peachez. Tevens een prima beschouwing over het fenomeen ‘werkelijkheid’. Ik heb het boek met heel veel plezier gelezen.

Dan de eerste en de tweede prijs. Ik heb het er moeilijk mee. Ik moet echt kiezen want beide romans zijn zo verschrikkelijk goed. Beiden subliem geschreven en met een inhoud die ertoe doet. Aan mijn kant geen lafheid, dat is het niet; de keuze is echt moeilijk! Omdat ik toch een keuze moet maken omdat er maar één mijn prijs kan krijgen, zet ik de fantastische roman ‘De Pelikaan’ van Martin Michael Driessen op de tweede plek. Dat is zuur, maar het beste dat ik kan doen. Een prachtige roman die zich grotendeels afspeelt aan de vooravond van de grote Balkanoorlog.

De eerste prijs gaat wat mij betreft naar De Heilige Rita van Tommy Wieringa. Een prachtig geschreven roman dat zich in de Achterhoek afspeelt. Ik was in de rouw toen ik de roman uit had en had het er moeilijk mee om de personages los te laten. Laten we niet meer zeuren over de eerste en de tweede prijs en dat ik niet kan kiezen: De Heilige Rita heeft gewonnen. Tommy Wieringa, gefeliciteerd! (Over jouw dubieuze politieke opvattingen spreken we later nog wel eens…)