Weer zo’n roman die me aangenaam verrast heeft. Ik loop er de laatste tijd vaker tegenaan. Dat ik de auteur niet ken, en het boek (nog) niet op een lijstje verschijnt, zegt natuurlijk helemaal niets. Ik gebruik de lijstjes van allerhande literatuurprijzen als hulpmiddel. De deskundigen zijn het erover eens dat een bepaalde roman het lezen waard is. Nadia de Vries heb ik geheel op eigen houtje gevonden. Dat haar debuut en tevens vorige roman op een longlijst heeft gestaan zoals vermeld staat op de flaptekst van ‘Overgave op commando’, wist ik niet. Eigenlijk bekijk ik ook zelden een longlist want het lukt me toch nooit om met mijn leestempo al die boeken te lezen; ik heb al moeite met de shortlist. Nadia de Vries dus; een naam om te onthouden. De roman ‘Overgave op commando’ leest lekker weg, is vaak hilarisch maar tegelijkertijd kritisch naar de wereld en goed doordacht. De taal is beeldend en de roman heeft een duidelijke structuur zonder dat die hinderlijk aanwezig is. Een aanrader, kortom.
Het is het verhaal van meisje Schelvis. Hoe haar moeder – hun flat was ‘…wars van vaders…’ – op die bijzondere naam gekomen is, wordt niet vermeld. Hoewel een terugblik Is het een vrijwel chronologisch vertelt verhaal dat zich in het eerste deel – “Aan mijn voeten, de zee”- afspeelt in een dorp aan zee waar bijna iedereen werkt in de grote staalfabriek die wolken en gruis over de kustlijn uitspuugt. Wie daar niet werkt, werkt in een distributiecentrum als orderpicker. Zowel in de staalfabriek als in het distributiecentrum is het daglicht schaars. Aldus wordt aan het begin van de roman de toon gezet. Een omgeving grauw en troosteloos waar de hoofdpersoon graag wil uitbreken. Tijdens haar lagere schooltijd is moeder naarstig op zoek naar een vader voor Schelvis, maar zo’n figuur zit niet in de lange lijst mannen die moeder in haar slaapkamer ontvangt. Op de middelbare school wordt Schelvis verliefd op Jeremy wiens broer bij een auto ongeluk om het leven kwam, terwijl de jongen die de auto bestuurde slechts gewond raakte. Bij een wraakactie loopt ze wonden op waarvan de littekens blijvend herinneren aan het dorp en de omstandigheden waar ze vandaan gekomen is. De wonden zorgen er ook voor dat ze moed vindt om de omgeving van haar jeugd te verlaten en naar de stad te trekken en dan zijn we in het tweede deel van de roman aangekomen: “Boven mijn hoofd, de oneindigheid”. Ze kan wonen bij zestigjarige eenzame Ruud. Hij vraagt slechts wat gezelligheid terwijl hij met zijn hand in haar broek zit. Ze werkt eerst voor Sophie in bistro “Zonderlust” in de bediening. Daarna werkt ze voor journaliste Tanja als e-mail waakhond en opruimster. Dan heeft ze genoeg van Tanja en het gewroet van Ruud en ontmoet ze Marjorie. Ze is idealiste en woont in een woongroep. Schelvis mag bij hen komen wonen. “…de toekomst van de planeet hing af van mensen zoals zij. Zonder hun intellect, hun empathie, hun durf, zou de mensheid binnenkort creperen in een poel van hun eigen koortszweet.” Aldus het ‘gedachtengoed’ van de woongroep. Schelvis vindt werk als schoonmaakster in het abattoir in de buurt. Een foute keuze volgens de woongroep en daarvoor straffen ze haar. Als ze zich van de woongroep kan bevrijden, keert ze terug naar Ruud. Dat blijkt te laat en dan blijft er niets anders over dan weer terug te gaan naar haar dorp aan de kust.
Nadia de Vries experimenteert met taal en perspectief. Het verhaal wordt verteld door Schelvis; zij is de ‘ik’ in het verhaal. Ze komt uit een kansarm gezin in een kansloze omgeving en volgt kansarm onderwijs. Desalniettemin vertelt ze in een stijl met een woordkeus als van een promovendus in de filosofie. In het begin stoorde ik mij daar een beetje aan, maar gaandeweg vond ik het ook wel erg origineel: “Zo sloot ik mezelf af van het geluid van de buitenwereld, want de geur van het vuil was al intrusief genoeg. Ik haatte de overdaad waaraan ik door De Autoriteiten werd onderworpen, en de koptelefoon gaf me een dun beschermlaagje tussen mij en het kabaal van het dorp, dat voornamelijk uit meeuwengegil bestond, en het ronken van passerende auto’s.” Verder doet de roman denken aan een schelmenroman à la Barry Lyndon van Thackeray of een roman van Jan van Aken. Dat ligt voornamelijk aan de titels van de hoofdstukjes: “Onze held kijkt de tijger aan. Ziet iets wat hun angst aanjaagt. Leert de taal van de prijsvechter.” Of “Onze held leert de charme van levensgevaar. Romantiseert het niet. Verandert wel voorgoed.” Dat “Onze held…” doet het hem. Maar omdat het geen verhaal is vanuit een alleswetende verteller, maar een ‘ik’, wordt de schelmenroman weer teniet gedaan. Of de titels iets te betekenen hebben, weet ik niet; ik zie in ieder geval niet direct een verband tussen de titels en de tekst van het hoofdstuk. De titels zijn best cryptisch. Ook de naam van de hoofdpersoon trouwens. Schelvis, waarom heeft de auteur voor die naam gekozen? Omdat ze gevangen zit aan zee en vrij wil zwemmen in de stad? Dat ze in een school wil zwemmen en verbinding met anderen zoekt? Eigenlijk heb ik er geen idee van, maar dat maakt de roman niet minder.
Veel ongeluk wordt gepresenteerd alsof het een grap is. Een beetje wrang zo af en toe, maar toch zit er een boel humor in.