Tag archieven: 2025

Falun Ellie Koos – Rouwdouwers; een mooie roman

De roman ‘Rouwdouwers’ van Falun Ellie Koos begint met een verwachte huilpartij van de hoofdpersoon die niet plaatsvond en hij eindigt met een niet als zodanig erkende huilpartij. Gevoelens zijn gedrochten die je zo diep mogelijk moet verstoppen onder je pantser van rouwdouwer lijkt de boodschap van de roman. Gevoelens lijken te ontbreken bij de hoofdpersoon, maar dat is maar schijn; onder dat pantser heerst een zeer fijnzinnig gevoelsleven. Maar dat weet je als lezer en niet als één van de romanfiguren waar de ik-figuur mee omgaat. Ik vond het een goede roman die ik met veel plezier gelezen heb en een terecht genomineerde van de Libris-literatuurprijs 2025 ondanks mijn irritaties. Zoals bijvoorbeeld: Waar zet ik haar boek precies in mijn alfabetisch gesorteerde elektronische boekenkast? Op ‘Koos’? Ik heb het maar op Falun gedaan; irritant is zo’n gefingeerde onalledaagse naam wel. Andere irritatie: Het volgende zinnetje in het ‘over de auteur’: ‘Hen studeerde af in Writing for…’. ‘Hen’ in deze context roept bij mij waanzinnige weerstand op, maar het is wel enigszins duidelijk wat ze ermee wil; ze wil zich genderloos presenteren; vrouw noch man. Dondert niet en moet ze zelf weten, ik irriteer me maar daar moet ik me overheen zetten. Ik beoordeel alleen maar de roman vanuit mijn perspectief; die roman is goed want erg boeiend en goed geschreven.

Halverwege de roman roept een collega van haar vader: “Hey, rouwdouwers! Schafttijd!” Daarop vraagt ze aan haar vader wat ‘rouwdouwers’ betekent. Haar vader antwoord: “Gewoon, aanpakkers. Mensen die hun eigen boontjes doppen.” Dat is de kijk van de vader op zichzelf en zijn dochter Ada, maar eigenlijk zijn het mensen die hun gevoelens verstoppen onder een dikke laag stoerdoenerij. Keihard werken en je nooit laten kennen. Hoofdpersoon Ada ziet hoe haar moeder en haar broer aan dat gebrek aan pantser ten onder gaan en dat zal haar niet gebeuren.

Als Ada zeven jaar oud is speelt haar vijf jarige broertje Broos (what’s in a name?) op een verjaarspartijtje van een vriendje. Maar dan worden Ada en haar moeder gebeld met het verzoek om de huilende Broos op te komen halen. Onderweg naar Broos, verongelukt moeder. Vanaf dat moment wonen de kinderen in de stacaravan van hun vader en worden ze door hem opgevoed. De caravan is erg klein en heeft maar één slaapkamer. Met kussens worden een soort afscheidingen gemaakt tussen de drie slapers. Vader is tuinman en heeft min of meer een eigen bedrijf. Hij verdient nauwelijks genoeg om rond te komen maar werkt bijna dag en nacht. Vader leert zijn kinderen dat je keihard moet werken en iedereen, maar vooral de overheid, moet wantrouwen. Daarom moet je zelfstandig zijn en van niemand afhankelijk. Het kampeerterrein waarop de caravan staat wordt bewoond door mensen aan de onderkant van de samenleving. Ada heeft veel met haar vader en deelt met hem dezelfde levenshouding. Met klein broertje Broos is het anders; hij wordt gepest op school. Hij is te dik en te gevoelig en de kinderen van zijn  klas sollen met hem. Als vader dat te weten komt, probeert hij Broos weerbaarder te maken maar met tegengesteld effect. Als Broos in de pubertijd komt, koopt hij de sympathie van zijn klasgenoten met spaargeld dat hij van zijn vader gestolen heeft. Vader vindt dat onvergefelijk en zet Broos uit huis. Vanaf dat moment gaat het snel bergafwaarts met hem.

Ada en haar vader blijven in de caravan wonen en als zij haar Mavo-diploma gehaald heeft, gaat ze fulltime meewerken met haar vader. Later gaat ze in een vleesverwerkende fabriek werken. Daar ontmoet ze de beeldende kunst studente Frédérique. De studente ‘onderzoekt’ van alles en concludeert na een uurtje dat werken in de vleesverwerkende industrie niets voor haar is. De frêle Frédérique en de stoere Ada worden vriendinnen en Ada gaat bij Frédérique wonen. Het nieuwe ‘project’ van Frédérique blijkt ‘van Ada een student beeldende kunst maken’. Dat lukt en Ada leert voor houtsnijder/beeldhouwer. Ondanks dat Ada moeite lijkt te hebben met de zweverige sfeer op de academie en het vage gepraat van de docenten, gaat het haar goed op de academie. Met broertje Broos gaat het steeds slechter; hij liegt alles bij elkaar en hij drinkt bovenmatig. Ondertussen probeert hij voor zijn zus de schijn op te houden dat alles goed gaat. Ada’s werk op de academie gaat goed, maar mede door de breuk met haar vader, besluit Ada om het contact met iedereen te verbreken en naar Spanje in de wildernis te gaan wonen. Ze woont met een man waarmee ze geen woord kan wisselen en twee honden. Hun werk bestaat uit houthakken in stilte. Ze heeft een warm contact met de honden. Dan overlijdt Broos. Zelfmoord? We krijgen het niet te horen. Hij verdrinkt, stomdronken, in het zwembad.

Een roman over een vrouw die vooral stoer wil zijn; sterk, krachtig, zonder gevoelens en zonder seksualiteit. Maar af en toe zie je als een speldenprikje iets van datgene wat ze er zo graag onder wil houden door de gepantserde oppervlakte dringen. Dat maakt de roman bijzonder gelaagd en ook erg goed. Relaties die het hoofdpersonage heeft, gaan zonder meer leven zonder dat je volledig de aard van de relatie begrijpt. Waarschijnlijk zit het referentiekader van de lezer daarbij in de weg. Je hebt toch de neiging om dingen in- en aan te vullen en als je dan in de roman daar geen bevestiging van krijgt, raak je een beetje ontregeld. Maar al met al een bijzondere en goede roman!