Nederlandse boeren en Hannover

We zijn voor even geland in Hannover. Gisteren verkenden we de stad per fiets. Heel Duitsland lijkt een fietsinhaalslag gemaakt te hebben. Overal fietspaden. Voor de enthousiaste fietser, die ik ben, een grote verademing. De elektrische fiets heeft bij deze omslag vast en zeker geholpen, want het is hier vaak bergje op bergje af en dan kan je eventueel wel wat hulp gebruiken (ik doe het overigens nog altijd op eigen kracht). Toevallig is het hier in Hannover, waar we enkele dagen vakantie vieren, vrij plat. We moesten een klein heuveltje over en vanaf dat moment was alles zo’n beetje vlak. Heerlijk fietsen kortom en een fantastische manier om de stad te verkennen. Bij het nieuwe stadhuis, dat er trouwens ook best bejaard uitzag, zagen we een stalletje waar je koffie kon krijgen. In de schaduw op een betonnen rand, genoten we van het uitzicht en de koffie. Een baardig heerschap verstoorde ons rustige samenzijn en wees ons op een ingenieuze wijze waarop de enorme takken van de plataan waar wij onder zaten waren geprepareerd zodat ze er in een storm niet konden afbreken. Er was inderdaad inventief voor de boom gezorgd, constateerde ik en wilde weer overgaan tot de orde van de dag. Maar kennelijk door mijn afwijkende tongval had de man door dat ik ‘Aus die Niederlanden’ kwam. Toen vroeg hij aan mij wat er toch aan de hand was met de boeren. Vervolgens vertelde hij het leugenachtige verhaal dat rechts-extremiste Eva Vlaardingenbroek op Fox News had opgedist: Om asielzoekers te huisvesten onteigent de Nederlandse regering boeren. Wat een leugen! Wat een drama dat deze leugen de wereld over is gegaan!

Even voor de zekerheid wat ik ervan weet, en wat ik ook aan die baardige man in Hannover verteld heb: In het conflict dat nu gaande is tussen boeren en overheid, gaat het over stront. Over stront en pies van boerderijdieren. Dat is geen nieuw probleem. In de late jaren zeventig hadden wij het er als idealistische jongeren al over dat er milieutechnisch en qua diervriendelijkheid niet eindeloos doorgegroeid kon worden door boeren. We hadden het toen over ‘bio-industrie’ en eigenlijk is dat een veel betere term dan de term ‘intensieve veehouderij’ die men nu gebruikt; het gaat om fabrieken waar dierlijke producten worden geproduceerd. Begin jaren negentig werden de eerste overheidsmaatregelen ingevoerd door minister – en boer – Gerrit Braks. Er was volgens de overheid een ‘mestoverschot’. Door de hoeveelheid dieren was er meer mest dan men over het land kon uitrijden zonder dat dat schadelijk was. Sindsdien voeren boerenorganisaties samen met agrarische grootkapitalisten als banken, diervoederindustrie, kalverslachters en ga zo maar door, een strijd tegen de overheid waarbij het agrarisch industriële complex beweert dat de negatieve effecten van deze industrie met technische innovaties kunnen worden verholpen zodat de bio-industrie toch kan groeien. De overheid probeert die groei tegen te houden, maar zwicht telkens. Maar die technische innovaties werken te weinig. Ondertussen hebben boeren kapitalen geïnvesteerd om die technologieën aan te schaffen. Boeren zitten tot aan hun nek in de (financiële) stront terwijl de grootkapitalisten er steen en steenrijk van worden.

Ondertussen zijn er ook wetten aangenomen die de overheid verplichtte de weinige natuur die in Nederland nog over is, te beschermen. Deze wetten zijn een verlengde van een verdrag dat met andere Europese landen gesloten is. De lobby van het agrarisch industriële complex was zo sterk dat de regering zich in bochten wrong om haar eigen wetten niet uit te voeren. De regering nam te weinig maatregelen. Organisaties die de democratisch tot stand gekomen wetten wel serieus namen, stapten naar de rechter en kregen doorgaans gelijk. Dit leidde ertoe dat de overheid geen vergunningen meer kon geven voor projecten waarbij stikstof vrij komt en aldus kwam veel stil te liggen.

Aldus het punt waar we nu staan. Hoe nu verder? Van het agrarisch industriele complex moet je de oplossing niet verwachten en zeker niet van Eva Vlaardingenbroek. Misschien wat beter luisteren naar groepen als Caring Farmers?

De Piëta in de kathedraal van Dresden

In Duitsland lijkt het vaak alsof kerken of oude gebouwen er gisteren neergezet zijn. Waar je in Frankrijks kathedralen dikke lagen roet van eeuwen kaarsjes branden moet wegdenken, zijn de muren hier in Duitsland wit. Helemaal wit. Dat heeft, denk ik, verschillende oorzaken. De belangrijkste reden is, dat belangrijke oude cultuurmonumenten maar ten dele oude cultuurmonumenten zijn en doorgaans in de afgelopen eeuw gereconstrueerd zijn. Hier bijvoorbeeld in Dresden is de binnenstad twee keer gebouwd. De eerste keer deden ze er eeuwen over, de tweede keer zo’n slordige 80 jaar. Op 12 en 13 februari 1945, enkele maanden voordat Duitsland geheel veroverd zou zijn, vond de Engelse luchtmaarschalk Bomber Harris dat ook de barokke stad Dresden eraan geloven moest. Een oorlogsmisdaad en bovendien terreur van de bovenste plank, want het diende geen enkel militair doel. Een vuurstorm, veroorzaakt door een ongekend bombardement, kookte de mensen in hun schuilkelders. Duizenden kwamen om en van de stad bleef weinig over. Had Bomber Harris wellicht niet ook op het tribunaal van Neurenberg terecht moeten staan?

De bijzondere Lutherse Frauenkirche in het midden van het centrum van de stad bleef tot aan de Duitse hereniging een ruïne en werd pas daarna gereconstrueerd. Nu is deze gigantische barokke kerk in al haar luister herrezen. De rooms-katholieke kathedraal werd na het oorlogsgeweld als eerste weer opgebouwd. Desalniettemin blijft spierwit de hoofdkleur van de kathedraal alsof hij net gebouwd is of elke dag gepoetst wordt.

In de kathedraal deze bijzondere piëta. Hij staat in een aparte kapel ter nagedachtenis aan 12 en 13 februari 1945 en aan de periode 1933 tot aan 1945. Op de muren de namen van geestelijken die tevergeefs ageerden tegen de nazi’s en de oorlog vaak niet overleefd hebben. Wat al snel vergeten wordt bij oorlog is dat het begrip ‘land’ en ‘natie’ bijzonder relatief is. Die begrippen dekken nooit de bevolking. Toch wordt een oorlog tussen landen vaak de hele bevolking aangerekend; hoe onterecht is dat. Het was maar in zekere zin Duitsland tegen de rest van Europa. Het was een misdadige regering met haar vele aanhangers tegen Europa. De oppositie binnen Duitsland was niet voldoende in staat zich te organiseren en een vuist te maken tegen het regiem. Daardoor werden de tegenstanders van het regiem net zo goed slachtoffer. Je hoeft alleen maar naar Rusland op dit moment te kijken om te zien dat daar hetzelfde gebeurt. De oppositie is ook daar machteloos. Sancties en andere maatregelen die het Russische volk moeten treffen (als variant op het bombarderen van steden), zullen niets uithalen zolang het niet lukt om de oppositie te organiseren. Een groot deel van de bevolking van nazi-Duitsland toen en van Poetin-Rusland nu, ziet somber toe hoe alles van waarde teloorgaat. Bij ons dreigt hetzelfde met groepen die met intimidatie en dreiging proberen het volk en haar democratische regering op de knieën te dwingen, daarom is het zo belangrijk om tegenkrachten te organiseren zodat de strijd straks niet eenzijdig wordt en de toekomstige helden worden vermoord terwijl de ongeorganiseerde oppositie machteloos en depressief toekijkt.

Gemäldegalerie Alte Meister van Dresden

In de Gemäldegalerie Alte Meister van Dresden had ik alles gezien wat ik had willen zien. En omdat ik een liefhebber ben en veel wil zien, protesteert op den duur mijn lichaam. Mijn rug en mijn voeten en mijn hoofd zeggen allemaal tegelijk: Genoeg is genoeg! Omdat geliefde J en ik een ander kijktempo hebben, laten we elkaar in een museum doorgaans los. Dat heeft als nadeel dat als het moment daar is waarom mijn lichaam het helemaal gehad heeft, we elkaar moeten zoeken. Dat doen we meestal elektronisch, via de telefoon: “Waar ben jij?” Deze keer kreeg ik geen antwoord. Ik bedacht dat het erg warm was en we alles in een kluisje hadden gestopt…inclusief haar telefoon. Ik liep alle zalen van de eerste verdieping door, maar niks geen geliefde J. Op de eerste verdiepeng waren we en bleven we, hdden we afgesproken, dacht ik. Nu kent zo’n museum vele hoekjes en gaatjes – zelfs op maar een verdieping -, dus bedacht deze jongen iets slims. In het midden van die eerste verdieping was een centrale hal. Zit je daar dan kan je aan de ene kant de Madonna van Rafael zien aan het eind van de vleugel en aan het andere eind Rembrandts ontvoering van Ganymed; dat blote jongetje dat door een roofvogel gegrepen wordt en van schrik een plasje doet… Op die centrale plaats ging ik zitten want, redeneerde ik, als geliefde J. me gaat zoeken dan moet ze zeker door dat centrale gedeelte. Wat ik niet wist was dat geliefde J. precies hetzelfde dacht, maar er een heel andere redenering op na hield; namelijk dat ik zeker bij de garderobe in de kelder zou gaan kijken als ik haar zocht. En omdat we ons realiseerden dat als we van onze plaatsen zouden gaan we elkaar misschien wel zouden mislopen op de logische plaats die we onafhankelijk van elkaar beredeneerd hadden, zaten we ons zeker drie kwartier af te vragen waar de ander bleef. Net op het moment dat er een angstig vermoeden groeide dat een andere versie van mezelf (lees die mooie roman van Auke Hulst) er met mijn geliefde vandoor was, besloot ik naar de garderobe te gaan, mede omdat mijn blaas begon te knellen en daar de verlichting te halen was. Ah, u had het tafereel moeten zien toen wij elkaar, voor de garderobekluisjes, in de armen vielen!

Goed, dat was dus de Gemäldegalerie Alte Meister van Dresden, maar niet helemaal. Er hingen namelijk verschrikkelijke mooie schilderijen. Waarschijnlijk stonden er ook mooie beelden, maar die heb ik nauwelijks gezien; je moet keuzes maken. Op de bovenste verdieping van het museum is een Cranach zaaltje met een paar leuke Lutherse schilderijen; Cranach schilderde vooral in het teken van Lutheranisme. Grappig is dat we in Weimar, waar we vorige week waren, ook een Cranach tentoonstelling bezochten. Daar precies hetzelfde, originele, portret van Maarten Luther! Moet een kunstwerk uniek zijn? Onze opvattingen zijn nogal verandert. Die portretten van Maarten Luther komen uit Cranach’s stal, en zijn niet perse van de meester zelf.

Een museum met veel moois. Ik denk dat dat ook het probleem is. Ik heb veel liever wat minder schilderijen die je goed kan bekijken, dan veel in verschillende lagen. Helaas hangen hier de schilderijen soms boven elkaar. Maar dat neemt niet weg dat het best genieten was.

Schilderijen boven elkaar…

Renee van Marissing – Onze kinderen; Niet meer dan een tussendoortje

Ik weet niet eens meer wie mij in de zomer van 1994 opbelde. Mijn pa lag in het St.Lucasziekenhuis in Amsterdam te overlijden. Wat had ik voor contact met hem. Niets dus. Iets dus, want twee weken voor dat moment werd ik door mijn tante gebeld of ik niet eens langs wilde gaan bij mijn pa omdat ze zich erge zorgen maakte en zij het niet durfde. En zo fietsten mijn zus, broer en ik naar het huis van mijn pa waar wij in geen jaren waren geweest. Zijn vriendin, immer bezopen Riet, deed open. Binnen kwam mijn pa uit zijn bed voor ons onverwachte bezoek en nam er snel twee borrels op. Nee hoor, verzekerde hij ons, het ging prima. Maar twee weken later hadden zijn nieren en lever het opgegeven. Broer noch zus waren bereikbaar en zo zat ik naast het opgezwollen lichaam dat toen nog kunstmatig in leven werd gehouden. Naast mijn pa, die nooit een vader was geweest.

Iedereen heeft uiteindelijk een pa die overlijdt. Sommigen schrijven er een roman over. Renee van Marissing bijvoorbeeld. Een heel dunne roman die ik uit had voor ik eraan begonnen was. Een roman die best lekker wegleest en die me dus in korte tijd dichter bij het moment brengt dat ik een oordeel kan vellen over alle boeken die op de shortlist staan van de Libris literatuurprijs. En daar komt mijn eerste probleem: Waarom is dit boekje terecht gekomen op die shortlist? Dat een roman lekker wegleest en mooi dun is, maakt het nog niet tot het literaire kleinood dat je op die lijst verwacht. Wellicht dat Renee van Marissing in de toekomst nog mooie dingen zal schrijven, maar deze novelle op de lijst is helemaal onterecht.

Hoofdpersoon in het verhaal is Mia. Ze heeft een relatie met Sally die hoogzwanger is. Mia gaat dus moeder worden. Op dat moment stikt haar vader Nico in een pinda en overlijdt. Samen met zus Iris gaan ze het huis van pa leegruimen. Tijdens het werk komen de herinneringen los aan het leven met hun vader. Toen Mia nog jong was, scheidde haar ouders. Vader Nico werd een weekendvader. Niet direct een heel verstandige vader, maar hij was er wel. Vader Nico had bepaald een drankprobleem en zijn dochters, hoe jong ook, van de drank afhouden, was geen prioriteit voor hem. Mia zat vaak in cafe Eik en Linde. (de Eik en Linde naast de Hollandse schouwburg in Amsterdam?) Vader hertrouwde met vrouwen die het goed voor hadden met Mia en d’r zus, maar de meegebrachte kinderen bleken steeds een ramp. Ik denk dat dit wel zo’n beetje de samenvatting is…

Af en toe een grappig slordigheidje. Zo heb ik menigmaal in een keer ‘LUL’ op een beslagen raam geschreven. Ik weet hoeveel vingers je daarvoor nodig hebt. Met de drie vingers waarmee Van Marissing het doet, lukt het mij niet… De twee zussen stellen vast dat ze nauwelijks leuke herinneringen aan hun pa hebben, maar vervolgens volgt de ene na de andere best leuke herinnering. Het was een beetje aparte man met zijn eigen nukken en hij dronk ietsje te veel, maar aan de andere kant deed hij van alles met zijn dochters. Laat ik het zo zeggen, ik ben best een beetje jaloers.

Geen hoogvlieger deze roman maar ook niet heel erg slecht. Ik begrijp niet hoe hij op de shortlist van een prestigieuze literaire prijs terecht is gekomen daarvoor is de novelle te licht. Wie weet is het voor de schrijver een stimulans. Ik weet nu al dat dit boekje niet erg hoog zal eindigen op mijn lijst.

Auke Hulst – De Mitsukoshi Troostbaby Company; Echt heel erg goed!

Wat een verschrikkelijk mooie roman! Een aanrader voor iedereen! Voor mijn Libris literatuurprijs 2022 een van de absolute favorieten! Dat deze roman van de vakjury niet boven de uiteindelijke winnaar werd gekozen, vind ik eigenlijk wel onbegrijpelijk. De roman kent vele lagen, is zeer fantasierijk, laat je met andere ogen naar de wereld kijken, is vol van menselijke emoties, exploreert en brengt een genre in de literatuur naar een absoluut hoogtepunt. Bovendien levert de roman impliciet een bijdrage diverse maatschappelijke discussies. De roman is fijn om te lezen, ook voor een pretlezer zoals ik, hoewel ik er wel heel lang over gedaan heb. Dat het voor een pretlezer fijn is om te lezen wil niet zeggen dat de roman niet uitdagend is. Eigenlijk kan ik weinig dingen vinden die me tegenstaan in dit boek!

De roman bestaat uit twee delen die dwars door elkaar lopen en elkaar afwisselen en aanvullen en becommentariëren. Het verhaal wordt verteld door Auke van der Hulst (de tussenvoegsels verschillen dus van de naam van de auteur?). De ‘ik’ is schrijver van beroep en heeft in het verleden een heftige relatie gehad met fotograaf Mila. Ze hebben een tijd samengewoond, maar dat eindigde. Vanaf dat moment werd het een vrij heftige knipperlichtrelatie. Mila gaat een tijd als fotograaf in Myanmar wonen en werken. De schrijver bezoekt haar daar. Als hij weer terug in Nederland is, hoort hij dat ze van hem zwanger is. Hij twijfelt of hij een gezin met haar wil vormen maar besluit er toch voor te gaan. Maar Mila, die zijn twijfel bespeurt, kiest voor abortus. Hoewel ze de afgedreven vrucht netjes begraven, leidt dit naar de definitieve breuk. Mila krijgt kort daarop een nieuwe vriend, raakt zwanger en krijgt een kind; de schrijver blijft in diepe rouw achter. Hij verlangt zo verschrikkelijk naar een kind dat hij zich wendt tot de Japanse Mitsukoshi Troostbaby Company. Dat bedrijf maakt, met behulp van het DNA van de opgegraven geaborteerde vrucht, een androide. Zo komt het zevenjarige androïde dochtertje Scottie in zijn leven. Scottie is zich er in eerste instantie niet van bewust dat ze een androïde is maar later komt toch het besef. Dit verhaal wordt verteld in een logboek. In het logboek beschrijft hij ook zijn contact met zijn redacteur, Liz, van de uitgeverij. Hij stuurt haar steeds stukken van zijn nieuwe roman ‘Lasso van de tijd’. Vervolgens bespreekt hij het deel met haar en geven ze commentaar.

In de roman ‘De lasso van de tijd’ gaat het om de hoofdpersonen Kaj en Sam. In deze roman is sprake van een beginverhaal. Dat beginverhaal komt in grote lijnen overeen met het verhaal van schrijver Auke van der Hulst en Mila. Ook een verterende liefde tussen die twee en een zwangerschap die begint in Myanmar maar na haar terugkomst wordt afgebroken. Er is de mogelijkheid om je terug te laten sturen in de tijd. Omdat hij zo graag een kind samen met Sam wil, laat hij zich terugsturen naar vlak voor zijn reis naar Sam in Myanmar. Om het verhaal anders te laten lopen moet hij eerst zichzelf vermoorden in de eerdere tijdlijn. Vervolgens gaat hij, met alle herinneringen die hij aan de eerste tijdlijn heeft, naar Myanmar. Maar daar raakt ze niet zwanger omdat ze het met hem uitmaakt. Hij beseft dat hij zich naar een verkeerde plek in het verleden heeft terug laten sturen. Daarom kiest hij nu voor als ze zwanger naar Nederland terugkomt. Nu moet hij weer zijn vorige ‘ik’ op gruwelijke wijze vermoorden. Nu komt het kind wel ter wereld en vormen zij een gezin…maar uiteraard gaat het ook nu niet ideaal.

Het probleem van science fiction is dat het geloofwaardig moet zijn. In deze roman is het buitengewoon geloofwaardig allemaal. Je weet heus wel dat het niet kan, maar de lijnen van nu naar een denkbeeldige toekomst zijn zo geloofwaardig doorgetrokken dat het niet stoort, sterker, het verhaal versterkt. ‘Een literaire testopstelling test in de eerste plaats het wezen van de mens. Wat drijft hem, hoe reageert hij? Dat kan ook door iemand in een situatie te plaatsen die alleen volgens de regels van de verhaalwereld mogelijk is. Zolang de personages maar natuurlijke reacties vertonen binnen de onnatuurlijke context.’ schrijft Hulst en dat is precies wat hij in deze roman doet. Het verhaal is een liefdesverhaal waarin het later ook duidelijk wordt dat het schrijverschap de relatie danig in de weg zit. Als de liefde totaal vergaat in zowel de roman als in het logboek schrijft de schrijver meer dan een bladzijde lang: ‘Ik schaam me en voel me schuldig’. Als een soort bezwering.

Het verhaal speelt zich voor een groot deel af rond mijn eigenste Westerpark-buurtje. Dat geeft voor mij erg veel herkenning en is erg leuk. Een ander deel van het verhaal speelt zich of in ‘Stad’ en duidelijk wordt dat daarmee Groningen wordt bedoeld. Groningen is voor een groot deel onbewoonbaar, trouwens; een soort Tsjernobyl. Nadat ‘Partij’ het voor het zeggen kreeg, werd alle aardgas uit Groningen naar boven gebracht waarna het gebied onbewoonbaar werd door alle aardbevingen.

De stiltecoupé

Hoe vaak ga ik nou met de trein? Nou, niet vaak. Theoretisch werk ik in Rotterdam maar woon ik in Amsterdam  en dus heb ik van de baas een ov jaarkaart gekregen. Een gewoon mens zou met zo’n kaart immer in het openbaar vervoer zitten. Kennelijk ben ik niet helemaal gewoon, want ik reis niet veel. Soms ben ik het heus wel van plan, maar ach… naar mijn werk? Sinds corona zijn we thuiswerkers. We hebben het moeten leren, dat thuiswerken; dat ging niet helemaal vanzelf, maar nu we het kunnen (ik het kan), is het ook wel weer heel makkelijk. Om kwart voor negen stap je onder de douche en om negen uur kan je aan het werk.

Maar vandaag is het anders. Mijn geliefde J. is afgereisd naar haar geliefde Noorwegen en komt met de boot weer terug. Die boot gaat maar tot het noordelijkste puntje van ons land. Dat is dus de Eemshaven.  Ik kan mijn liefje toch niet moederziel alleen in de Eemshaven laten staan? En…alleen met de trein dat enorme eind, en dan ook nog zonder korting…hartstikke duur. Daarom ben ik in de trein gestapt naar Groningen. Dan kan zij met samenreiskorting terugreizen. En naar Groningen is het een heel eind, mocht ik vandaag ervaren. Gelukkig gaat er een intercity die slechts op een paar stations stopt. Bovendien lees ik nog steeds mee met de Libris literatuurprijs 2022 en hoewel die prijs al lang uitgereikt is, heb ik de boeken nog niet uit en zo’n lange treinreis is een uitgelezen kans om eindelijk die fantastische roman van Auke Hulst uit te lezen…dacht ik. Aldus wist ik een plekje in de stiltecoupé te vinden waar ik mezelf lekker in de kussens van de treinbank vleide. Ik pakte mijn boek…Ik had zolang niet in een trein gezeten en kijken naar het voorbijflitsende landschap is zeker niet saai. En zo stelde ik het lezen uit.

Stilte en de Oostvaarder plassen. Nu veel leger dan pak ‘m beet vijf jaar geleden, toen de edelherten overal samen dromden. Ik dacht aan alle controversen van toen. Tussen ecologen die de dieren, ten behoeve van diversiteit van de honger wilden laten doodgaan en de mensen die dat niet konden aanzien. En ik dacht aan wat ik ervan vond. En al mijmerend zoefden wij voort.

En toen kwam er een meisje binnen. Een buitengewoon knap kind moet ik zeggen. Grote bos zwarte krullen. Trendy scheuren in d’r broek. Gelakte nagels en met veel zorg opgemaakt gezicht. Dat ze knap was, interesseerde me geen biet. Ze zat nog niet of d’r telefoon ging. En ze pakte, godbetert d’r telefoon op. En ze ging zitten kletsen. In de stiltecoupé… Deze jongen kan daar helemaal niet tegen. Deze jongen wordt daar heel erg boos van. Met woeste blik probeerde ik in haar gezichtsveld te komen. Maar tevergeefs. Ze had haar linkergymp uitgedaan en pulkte aan haar fraai gelakte teennagel. Ze zag mijn boze blik niet. Ze was met andere dingen bezig…met haar teennagels,  met haar klepvriendinnetje. Inmiddels kringelde rook uit mijn oren van boosheid. Dat dreigde goed mis te lopen dus stapte ik uit mezelf en keek vanaf een afstandje naar de zeur opa die ik  ben. Wat had ik er eigenlijk voor last van dat zij met haar vriendinnetje zat te bellen. Ik staarde doelloos naar het landschap, hoefde me niet te concentreren. Lezen deed ik niet. Waar stoorde ik me aan. En even leek het te lukken, maar daar kwam die ongelofelijke oude zeikerd alweer aan. Maar het is de stiltecoupé! Daar mag je juist niet kletsen en al helemaal niet met iemand in je telefoon. En toen waren we in Groningen.  Stap uit en laat het zitten De Klerk. Ga naar buiten en zeur niet. Maar nee, lukte ook niet. Ik ging voor haar staan en wees op STILTE….SILENCE. Wat liet ik me kennen. Met diepe schaamte schrijf ik dit op. Morgen ga ik geliefde J. van de boot halen. Ik ga zeker niet in de stiltecoupé zitten. Dan kan het vervelende kind niet in deze opa naar boven komen, want…daar mag je kletsen…zoveel als je maar wilt, en bellen met je hele godvergeten vriendinnenclub.