Gustav Klimt (1862-1918) – Liegende Frau, masturbierend (1917)

Image42-e1274861389828

Soms lees je heel veel blabla en denk je bij jezelf dat het heel anders zit. Maar wat weet ik ervan; ik was er niet bij. Gustav Klimt. De Kus. Bij elk museum kan je een tas, jas, paraplu of whatever kopen met die Kus erop. Toch wilde ik hem ook met eigen ogen zien. In het Belvederemuseum in Wenen. Ach, laat ik eerlijk zijn; het schilderij viel niet tegen. Had er graag een kussende selfie voor gemaakt voor het thuisfront! Heel strenge suppoosten daar! Deze tekening hing niet in dat museum en ook niet in het Leopoldmuseum. Of…heb ik ze niet gezien? Of…wilde ik ze niet zien? Stel dat ze er hangen, in zo’n museum, ga je er dan voor staan en ga je dan kijken hoe hij het precies getekend heeft? Ik niet, denk ik. Eigenlijk moeilijke tekeningen om te bekijken!

Waarom is het zo moeilijk? Je wordt nogal geconfronteerd met je eigen lusten. Op de een of andere manier hebben we met elkaar afgesproken dat we onze seksuele lusten binnen het privédomein houden. Als dat in het publieke domein komt, dan voelen we ons erg open en bloot. Je hebt het gevoel dat iedereen je rooie oortjes kan zien. Veel mannen die zien hoe een vrouw masturbeert raken opgewonden. Het idee dat anderen mijn seksuele opwinding zien, geeft mij het gevoel dat ik af ga. Erg onplezierig!

Waarom heeft Klimt deze vrouw zo getekend? Ik zie twee verklaringen. De eerste verklaring wordt algemeen aanvaard en trekt de angel uit de tekeningen. Freud was in die tijd bezig om de seksualiteit van vrouwen, voor hen, aan het ontdekken. Trouwens niet alleen de vrouwellijke seksualiteit, maar alle seksualiteit. Men sprak erover en men schreef erover. Wat Klimt deed, was die nieuw ontdekte seksualiteit tekenen.

De tweede verklaring is pijnlijker. Het is klinkklare porno. Hij heeft het getekend om er geil van te worden. Waarschijnlijk was het helemaal niet de bedoeling dat deze tekeningen in het museum terecht kwamen. Hij heeft ze louter voor eigen lust getekend. Dat hij een grote goesting had voor vrouwen, is genoegzaam bekend. Met de bestaande porno (die echt heel erg zoet was als je dat vergelijkt met de huidige porno) kon hij te weinig uit de voeten en daarom schiep hij zijn eiigen porno.

Ik ben zelf veel getekende porno tegengekomen. Van een bekende van mij die verlangde naar seks met kinderen. Hij tekende zijn eigen porno. Porno die op dat moment niet voorhanden is maar waar de tekenaar erg naar verlangt. Zolang jouw verlangen overeen komt met datgene wat de tekenaar getekend heeft, is het (zolang het in de privésfeer blijft), niet erg. Wijkt dat erg af, dan wordt het zelfs in de privesfeer moeilijk.

David Veldhoen (1957) – Schuttersstuk (1980)

david_veldhoen

Of dit kunst is? Ik twijfel. Het is meer een cartoon. Maar…het hangt wel in een museum. Op het ogenblik zelfs in de gratis te bezoeken hal naast het Amsterdam museum. Vroeger hingen in die hal schuttersstukken en 17e eeuwse regentenportretten. Het karakter van de hal is wat verandert. Nu hangen er werken die in een bepaalde periode kenmerkend waren voor de geschiedenis van Amsterdam. Wat dat betreft hangt dit schilderij helemaal goed. Geschilderd in 1980; de kroning van Beatrix; krakers; rellen; de slag om de Blauwbrug!

Mijn geschiedenis met David Veldhoen begint echter een tijd voor 1980. We zaten samen op de muziekschool Willem Gehrels. Omdat het zo lang geleden is, kan ik me moeilijk te binnen brengen waar en hoe precies. Kan me wel herinneren dat hij een leuke jongen was om mee om te gaan en een erg prettig gezicht had. Hij had gitaar gekozen, en ik cello. In die tijd speelde hij best al goed. In die klas op de muziekschool was hij opvallend omdat hij een stuk groter was dan de rest; Hij was een paar jaar ouder. Ik moet in die tijd nog op de lagere school gezeten hebben.

Toen ik naar de middelbare school ging, kwam ik hem weer tegen. Hij zat, net als ik, op het Amsterdams Montessori Lyceum. Hij een paar klassen hoger dan ik. Toen ik hem als brugklasser voor het eerst tegenkwam, knikte hij naar me alsof hij me herkende (denk ik), maar daarna vergat hij mij heel snel.

Weer een paar jaren later. Onze school was uitmuntend in schooltoneel. ‘We’ wonnen de ene prijs na de andere. Marc Krone was doorgaans de hoofdrolspeler. Toen hij slaagde voor zijn eindexamen en aan zijn middelbare school carrière een einde kwam, ging hij (geloof ik) naar de toneelschool. Als toegift voor het Montessori Lyceum gaf hij voor lagere klassers een serie toneellessen op vrijdag tussen de middag. Daar zat ik dus bij, bij die lagere klassers! Samen met, onder anderen, Mark Rietman. Mark Rietman zou later als acteur nog ietsje groter uitgroeien dan Marc Krone. In die reeks toneellessen was ook een les over grimeren. En daar kwam David Veldhoen weer om de hoek kijken. David was op dat moment degene die al het grimewerk deed voor de toneeluitvoeringen. Voor de grimeles, was een hele middag uitgetrokken. David zocht met zijn ogen door de klas; wie kon hij als lesmateriaal gebruiken? Ik probeerde me zo klein mogelijk te maken… Ik dus…

David ging helemaal los op mijn hoofd. Mijn 14-jarige ik werd tijdens de les omgetoverd tot een kalende oude man die een tand miste. De dikke laag schmink op mijn gezicht voelde alsof hij er elk moment af kon vallen en ik voelde me zo verschrikkelijk bekeken. Maar toch ook wel erg leuk om zo in het middelpunt te staan.

In 1980 hadden zowel David Veldhoen als ik onze middelbare schoolcarriere afgesloten. ’s Ochtends op Koninginnedag was het al onrustig in de stad. Ook heel erg druk. Er was veel gegons. Over van alles en nog wat. Overal de leus: Geen woning, geen kroning. Zonder idee vooraf liep ik naar het Jonas Daniel Meijerplein. Op die plek verzamelde zich een groep mensen om te demonstreren. Toen ik goed en wel onder de Dokwerker stond kwam de meute op gang richting de Blauwbrug. Gedwee liep ik mee. Bij de Blauwbrug kwam de demonstratie tot stilstand. Nieuwsgierig liep ik naar voren. Op het moment dat ik helemaal vooraan stond, ontwaarde ik het beeld dat David Veldhoen geschilderd heeft; de ME die met geheven wapenstok op mij afstormde.

Adriaan Lambertsz van den Tempel (1622-1672) – Het gezin van David Leeuw (1671)

SK-A-1972

Vroeger thuis musiceerden wij in gezinsverband. Dat was geen pretje voor de buren, maar wij vonden het heerlijk! De schaduwzijde was dat we een instrument moesten leren bespelen. Daar zat best wat dwang achter. Mijn opstandige zus weigerde categorisch en heeft de dwarsfluit die ze bij gebrek aan beter gekozen had, eigenlijk nooit aangeraakt. Het samen spelen ging daardoor aan haar voorbij. Ik kan moeilijk zeggen dat ik veel oefende op mijn cello. De dag dat ik les had nam ik lamlendig de opgedragen stukjes door. Dat was dat. Ik schoot ook niet erg op. Ik speelde net voldoende goed om mijn partijtje mee te kunnen strijken in het schoolorkest. Daar heb ik dan ook erg veel plezier beleefd. Maar ook dus met samenspelen.

Soms werden bij ons in de huiskamer de meubels aan de kant geschoven. Er werden drie stoelen zo neergezet dat degenen die erop zaten elkaar konden aankijken. Samen muziek maken is ook zien wat de ander doet, zien wat de ander aangeeft. Daarnaast natuurlijk luisteren. In het midden tussen de twee stoelen werden de lessenaars gezet. Samenspeelmuziek voor beginners (want dat was ik zeker! Verder dan beginner ben ik eigenlijk niet gekomen) werd op de lessenaars gezet en daarna werd er gestemd: Mijn broer en moeder de viool en ik de cello. Een heel ritueel. Met terugspringende snaren, harsen en knarsen.

De bladmuziek haalden we vaak uit de muziekbibliotheek. Nu ondergebracht in de Centrale Bibliotheek bij het Centraal Station, maar vroeger in de Pijp. Soms gingen we naar de muziekhandel. De verkoper haalde uit de kast een stapel bladmuziek voor twee violen en een cello en vervolgens namen we de stapel door. Moeilijkheidsgraad was het belangrijkste criterium; waren we in staat om het te spelen?

De dwang om een muziekinstrument te leren bespelen, wilden wij niet gebruiken in onze opvoeding voor onze kinderen. Ik denk dat ik daardoor alleen met mijn middelste zoon, sporadisch, heb kunnen samenspelen.

In dit familieportret van de familie Leeuw wordt ook gemusiceerd. Wat wil de schilder precies over dit gezin zeggen? Het gezin de leeuw is goed gedocumenteerd en daardoor kan met zekerheid worden gezegd welke familieleden we zien en hoe oud ze zijn. Maria van 18 zingt de alt partij; Pieter van 14 bespeelt de viola da gamba, Weyntje van 12 bespeelt het klavecimbel, Cornelia van 8 neemt de sopraan (Canto I) voor haar rekening. Suzanna van 2 doet mee met haar rammelaar. Vader David wijst trots op zijn gezin. Moeder Cornelia Hooft heeft de jongste op schoot en ondersteund de op een na jongste door haar hand lieflijk te strelen. Het hondje is speels zoals altijd (denk ik). Het gezin Leeuw wil zichzelf als een harmonieus en fijn gezin laten portretteren, dat is voor mij wel duidelijk. De gezinsleden hebben, alleen al door samen te spelen, veel met elkaar te maken. Zorg en toewijzing stralen ze uit. De stootband die de jongste, Suzanna, op haar hoofd heeft, benadrukt die zorgzaamheid. Zorgzame ouders van nu doen hun kinderen helmpjes op als ze achter of voor op de fiets gaan. Hoekjes van tafels waartegen ze zich kunnen stoten worden afgeplakt. Toen deden ze kinderen een stootmand op het hoofd.

Wat wil de schilder of de opdrachtgever nog meer laten zien over dit gezin? Godsvrucht. Eén van de belangrijkste zaken in die tijd. Hoe laat hij dat zien? Allereerst door de ingetogen kleding. De ouders in stemmig zwart met weinig opsmuk. De meisjes met wat strikken en linten. Alleen de gouden rammelaar van de jongste is frivool. Draai je de plaat op zijn kop en zoom je in op de bladmuziek in de hand van Cornelia, dan zijn muziek en tekst te lezen: ‘Erffenis der Goddeloozen’. Op grond van deze tekst is de volledige tekst makkelijk te achterhalen. Een godsdienstige tekst kortom, die lijkt te zeggen dat als je niet volgens God’s wetten leeft, je nooit in de hemel zult komen.

Kortom: We hebben hier te maken met een harmonieus, godsvruchtig gezin…of niet?

Hans Holbein d.J. (1497-1543) Der tote Christus im Grab (1522)

32.4 x 202.1 cm; Öl auf Lindenholz; Inv. 318
32.4 x 202.1 cm; Öl auf Lindenholz; Inv. 318

Wij zoeken tijdens de vakantie altijd evenwicht tussen natuur en cultuur. We moeten lekker kunnen wandelen, maar alleen maar bos en heide gaat ons toch ook weer te ver. Zo waren we naar de Elzas getrokken. Een gebied waar je heerlijke wandelingen kunt maken maar ook lekker dicht bij een stad of stadje. We stonden de afgelopen vakantie in Colmar en daarna 75 kilometer zuidelijker in de buurt van Bazel. Als we in die steden waren, wilden we natuurlijk graag de musea bezoeken. En daar hadden we een beetje pech mee. Eerst in Colmar. Het museum d’Unterlinden werd ingrijpend verbouwd. Eén van de indrukwekkendste musea die ik de afgelopen jaren bezocht heb. Nu dus niet mogelijk. Wel had men de top aller topstukken tentoongesteld in de Dominicaner kerk. Een beetje troost dus; We hebben het Issenheim-retabel van Grünewald nog eens kunnen bekijken en Maria im Rosenhag van Schongauer.

Daarna in Bazel. Daar kregen we nogal wat museale tegenslagen te verwerken. Eerst gingen we naar het Joods Museum. Daar vertelde ze ons dat Joodse mannen en vrouwen elkaar opzochten, gingen trouwen, kinderen kregen en weer dood gingen. Dat Joden dus eigenlijk net gewone mensen waren. Daar deden ze een zaaltje of vier over en toen hadden we het museum gehad… Daarna wilden we het Kunstmuseum bezoeken. Daar leed het museum aan dezelfde ziekte waaraan ook het Rijksmuseum in Amsterdam zolang geleden had; verbouwing en restauratie. Bezoeken niet mogelijk dus. Na wat uitzoekwerk bleek dat er ook een volkenkundig museum was, en daar had men de topstukken gehangen van het Kunstmuseum.

Zo gingen wij naar het Volkenkundig museum. Pijlen wezen ons de weg langs opstellingen van speren en bogen van de Amazone indianen, langs peniskokers uit Nieuw-Guinea en kano’s uit tropisch Afrika en toen stonden we in een zaal met oude meesters. Die volkenkundige tocht bleek de moeite waard! Dit fantastische schilderij van Hans Holbein de jongere hing daar van de overleden Jezus die in zijn graf ligt. Tijdgenoten moeten hebben gedacht, toen ze dit schilderij zagen, als Jezus er zo uitzag, dan is het wel een heel groot wonder als hij weer opstaat. Zonder meer een dode; een dode dode!

Wat mij aangrijpt in dit schilderij is de benauwdheid van de ruimte en de eenzaamheid van het lichaam. Holbein heeft een doorsnede van een lijkkist geschilderd. Het lichaam past er precies in. Het is geen beeld dat we dagelijks zien. Geschilderde doden, en dan vooral Christus, bevinden zich doorgaans in een grote ruimte; hij wordt van het kruis gehaald, wordt in het graf gelegd of staat eruit op. Bijna altijd omringd door mensen. Hier niet. Hij ligt er in een heel beperkte ruimte in zijn eentje. Zijn ogen zijn geopend maar gebroken. Zijn mond staat open. Zijn gezicht is grauw. Ook de plekken waar de nagels door geslagen zijn, zijn grauw: Zijn handen en zijn voeten. Grauwer dan de rest van het lichaam. Hoewel je elke spier en pees kunt zien zitten, lijkt het een uitgemergeld lichaam. De lendendoek ziet er nu vrij natuurlijk uit maar ik hou het gevoel dat dat alleen geschilderd is om het een voor de kerk aanvaardbaar schilderij te laten zijn. Ik denk dat Holbein in eerste instantie heeft gedacht dat een compleet naakt lichaam nog veel sterker was geweest, maar dat je nu eenmaal concessies moet doen.

De lange vingers van Jezus doen me erg denken aan de gekruisigde Jezus op het Issenheimer retabel. Ik krijg het benauwd als ik naar het schilderij kijk! Wat mooi!

 

George Sturm (1855-1923) – Willibrordus predikt het christendom aan de Friezen (1885?)

HA-0028479

Terwijl Nederland grauw was van de miezerregen in de winter van 2009, ontmoette wij de ‘echte’ winter in Eisenach. Hoewel de muur toen al 20 jaar gelden gevallen was, ademde Eisenach nog steeds wel een beetje de Oosduitse sfeer. Zo hadden we een appartement in de ‘Straβe der Solidarität’. Door het barre weer kwamen we daar zes uur later aan dan gepland. Voor onze auto op de snelweg moesten op diverse plaatsen geschaarde vrachtwagens worden weggehaald. Vanuit ons appartement hadden we zicht op de witte stad met daarboven op de heuvel het kasteel de Wartburg. Dit kasteel was één van de redenen voor onze reis; het speelt zo’n beetje de hoofdrol in de Wagner opera Tannhäuser. Dat wilde we zien!

De Wartburg is een middeleeuws kasteel, maar binnen in het kasteel troffen we allerhande schilderingen aan die mij compleet in de war maakten. Afbeeldingen van ridders en jonkvrouwen gesitueerd in de middeleeuwen…maar waren die schilderingen dan wel middeleeuws? Zo vreemd, vond ik toen, dat je zo’n mooi en oud kasteel gaat verpesten met nepschilderijen. Zo komt het namelijk bij mij over. Het is onecht; niet middeleeuws, maar zoals de schilder de middeleeuwen zag. Ik voelde me daar eigenlijk een beetje bekocht.

Maar…het gevoel dat het nep is, zegt natuurlijk niets over de kwaliteit van de muurschilderingen. En nep…was de kunstenaar niet eerlijk toen hij het schilderde, heeft hij iets nagedaan? De antwoorden op deze vragen als je kijkt naar de muurschilderingen in de Wartburg is dat de muurschilderingen van hoge kwaliteit zijn en dat ze wel een verbeelding van iets zijn, maar zeker geen kopie van iets. Kunst met hoge kwaliteit als je er objectief naar kijkt. Deze stroming in de kunst heeft ook een naam gekregen: Het historicisme.

In de centrale hal van het Rijksmuseum vind je ook staaltjes van zeer fraai muurschilderingen in de stijl van het historicisme. Bij de totstandkoming van het Rijksmuseum moeten ook nationalistische motieven een rol hebben gespeeld want in de centrale hal zijn door George Sturm muurschilderingen aangebracht met historische taferelen uit de vaderlandse geschiedenis. Pierre Kuypers, de architect, zal daar opdracht toe hebben gegeven. Na de restauratie vielen deze taferelen me op. Ik kan me niet herinneren ze voor de restauratie gezien te hebben. Wellicht dat men voor de restauratie dezelfde gevoelens heeft gehad als ik: NEP, weg ermee!

Deze schildering stelt de Ierse monnik Willibrordus voor die het woeste Friese volk kerstent. Op de achtergrond kijken twee druïdes geschrokken toe. De druïdes staan tegen een hunebed geleund (in Friesland?). De friezen zien er woest uit; half naakt met baarden en paardenstaarten. Zware wolken doen vermoeden dat het niet echt mooi weer is. Twee kinderen zijn naakt. Willibrordus en zijn compagnon zien er strak geschoren uit en hebben onberispelijke pijen aan. Gezichten drukken emotie uit. Sommige woeste Friezen lijken na te denken, anderen verzetten zich. De vrouwen zijn in de minderheid.

De manier van schilderen doet erg aan oude schoolplaten van Isings denken. Wellicht heeft Isings de stijl van George Sturm overgenomen. Alle figuren zijn zwart omrand.

Het geheel straalt wel een beetje katholieke sfeer uit. Kan me we voorstellen dat de koning destijds het Rijksmuseum niet wilde openen omdat het een papenpaleis was.

Hoe dan ook, de muurschilderringen in de centrale hal van het Rijksmuseum zijn ook zeker de moeite waard!

Marc Chagall (1887-1985) – Le Violoniste (1912)

chagall

Thuis hing bij ons de Guernica van Picasso aan de muur. Toen mijn vader vertrok toen ik acht jaar oud was, verdween ook Picasso van de muur en werd hij vervangen door een negerkop van Rubens. Dat zijn mijn eerste ervaringen met beeldende kunst. Maar de eerste ‘echte’ ervaring kreeg ik op de lagere school. We kregen toen museumles. Een ‘museumjuf’ gaf ons een paar lessen in het Stedelijk Museum en een paar lessen in het Rijksmuseum. Hoewel ik me haar helemaal niet meer kan herinneren, heeft zij mijn smeulende vuurtje voor kunst aangewakkerd. Ik kreeg het heus van huis mee, maar als gezin ga je gewoon niet regelmatig naar het museum.

Het eerste schilderij waarvoor wij op de grond mochten gaan zitten was Le Violoniste van Marc Chagall. Ik was toch al behoorlijk onder de indruk van al die kunst, maar dit schilderij maakte een verpletterende indruk. Mijn leven overziend kan ik stellen dat ik me in die periode op zijn joodst voelde. Mijn vader (gojim) was verdwenen en ik werd opgevoed door mijn joodse moeder en joodse oma waarvan we wisten wat ze meegemaakt had, maar daar zwegen we over. Dat Marc Chagall joods was, en dat thema veel in zijn werk gebruikte, deed het schilderij in waar wij naar keken, enorm in waarde stijgen. Tenminste voor mij.

Wat kan ik me van die museumles nog herinneren. In ieder geval dat het dorpje dat op dit schilderij het decor vormt, regelmatig terug komt in Chagall’s werk. Dat het een klein dorpje in Rusland is met in ieder geval twee Christelijke kerken. Dat het winter is in het dorpje benadrukt nog een keer extra dat het zich in Oost Europa afspeelt. Drie mannetjes naast de knie van de violist lijken schichtig weg te lopen. Op de achtergrond een vrouwenfiguur met haar armen geheven en …lijkt dat op zwarte rook waar de vrouwenfiguur uit opstijgt?

Wat ik me afvraag is of Chagall hier het Joodse leven heeft afgebeeld in een sjtetl ergens in Rusland. Duidelijk is dat de joodse gemeenschap (drie mannetjes) een minderheid vormt in een christelijke omgeving. Een violist op het dak lijkt een verwijzing naar ‘fiddler on the roof’. Dat is echter niet waarschijnlijk omdat in het verhaal Tevje van Sholem Aleichem ongeveer in dezelfde tijd geschreven werd als Chagall dit schilderij maakte. Bovendien wordt de violist op het dak, volgens mij pas aan de musical toegevoegd in het verhaal en dat werd pas in de jaren zestig bedacht. Is de vrouwenfiguur met de geheven handen op de achtergrond een progrom slachtoffer die uitstijgt boven de zwarte rook van de in brand gestoken joodse huizen? Wie weet. Ik zie het er wel in. De violist maakt het schilderij vrolijk terwijl de vrouw op de achtergrond dat ontkracht.

Marc Chagall werd als Movsja Zacharovitsj Sjagal geboren in een klein dorpje in Rusland. Hij behoorde tot de chassidische gemeente. Nu hangt dat, volgens onze normen, aan tegen extreme religieuzen. Uiteindelijk ontwierp hij, als Marc Chagall, onder anderen, ramen voor kathedralen. Heeft Chagall zijn joodse identiteit uit willen doen als een te krappe jas? Aan de andere kant komt die identiteit ook weer overal in terug. Moeilijk om sommige dingen te duiden.

Onderweg naar ons vakantieadres overnachtte we in Metz. Niets vermoedend liepen we de kathedraal in op het tijdstip dat het eigenlijk niet meer mocht (maar vooruit…even dan). De al laag staande zon deed de gebrandschilderde ramen oplichten. Wat een prachtige kleuren. We wisten meteen dat we naar Chagall stonden te kijken. Een bijzondere schilder! En…glazenier!

Francis Bacon(1909-1992) – Study for a portrait of Van Gogh II (1957)

Bacon Vincent

Toen ik zo rond de 20 was (heel erg lang geleden dus), ging ik met een aantal vrienden naar Keulen. Duitsland dus. Dat was heel wat minder vanzelfsprekend dan het nu is, naar Duitsland gaan. Nu nauwelijks nog voor te stellen. De Duitse antipathie was me met de paplepel ingegoten. Slechte Kenmerken werden toen (niet alleen door mij dus) moeiteloos aan een hele natie toegeschreven in plaats van aan een persoon. Achteraf eigenlijk niet goed te praten. Maar ook onze intelligentsia ging mee in dit sentiment. Harry Mulisch zag ik in oude tv opnamen ‘Claus Raus’ roepen. Alsof prins Claus in zijn eentje schuldig was aan de tweede wereldoorlog. Gelukkig hebben we dit nu volledig achter ons gelaten!

Ik ging kortom met Vrienden naar Keulen. Daar werd een Kunstmesse gehouden. We gingen drie dagen naar Keulen en drie dagen lang bezochten we deze beurs. Hoe ik ook zoek op internet, ik kan niets over deze beurs vinden. Toch hing daar toen het crème de la crème van de moderne beeldende kunst. Dat is wat ik me ervan herinner. Die tentoonstelling heeft destijds een verpletterende indruk op mij gemaakt. Maar in hoeverre is mijn herinnering vertekend?

Ik wilde graag een catalogus of een beschrijving vinden zodat ik dat mijn geheugen kan toetsen aan de werkelijkheid. Ik herinner me namelijk dat er kunstwerken hingen die nu nauwelijks het museum uitkomen. Echte topwerken. Ik denk gewoon dat mijn herinnering mooier is dan de werkelijkheid van toen.

Waarvan ik heel erg zeker ben dat het werk er hing was deze ‘Study for a portrait of Van Gogh II’. In mijn herinnering hing de hele serie studies er, maar dat laat ik dus even in het midden. De studie nummer twee, hier afgebeeld, hing er zeker. Dit schilderij was gebruikt voor de poster. Die poster had ik mee naar huis genomen en die heeft een paar jaar bij mij aan de muur gehangen! Ik kan me herinneren dat ik de schilderijen ogenblikkelijk associeerde met Vincent van Gogh nog voor ik de titel had gelezen. Bacon geeft de ziel van Van Gogh weer. Ik probeer te achterhalen wat dat dan precies is, maar kom er niet helemaal uit. Wellicht de gele hoed of de veeg geel en rood op de achtergrond. Ik weet het niet. Somberheid en eenzaamheid, en leven voor de kunst, dat zijn de woorden die bij mij opkomen als ik dit schilderij bekijk; ik voel haast de getormenteerde ziel.

Bacon baseerde zijn studies op een schilderij van Van Gogh dat niet meer bestaat en dat heeft toch weer alles te maken met de tweede wereldoorlog. Van Gogh schilderde in 1888 zichzelf op het schilderij: De Schilder op de weg naar Tarascon. Tijdens het bombardement van Londen in de tweede wereldoorlog, verbrandde het schilderij. Wat ervan over is, zijn een paar foto’s. Dit schilderij heeft Bacon opnieuw geschilderd maar dan in de stijl van Francis Bacon. Daarmee probeerde hij de ziel van Vincent van Gogh te pakken te krijgen. Een eenzame man met een schilderskist op zijn rug, een wandelstok en een strooien hoed op, lopend op een weg. Een zware slagschaduw op de weg. Het gezicht gehuld in het duister. Kortom, een echte Bacon, deze studie van Vincent van Gogh!

Jan Veth (1864 – 1925) – Portret van Cornelia, Clara en Johanna Veth (1885)

SK-A-4862

De kunstenaar heeft dit portret van zijn drie zusjes geschilderd toen hij eenentwintig was. Ik vraag me af hoe de zussen zichzelf zagen en hoe Jan Veth ze zag en wat hij met het schilderij wilde zeggen. De zussen zien er zurig uit. Alsof het leven hen niet gebracht heeft wat ze er van verwacht hadden. Bedoelde Jan Veth dat? Of wilde hij hun zedigheid benadrukken? Of, had hij literaire bedoelingen met zoals hij zijn zusjes heeft geportretteerd? Hoe dan ook; Drie seks- en humorloze dames. Prachtig geschilderd! De middelste, jongste zus verbindt de twee oudere zussen door een hand op de schouder van de één en een ingehaakte arm bij de ander. Dit maakt de compositie erg fraai.

Wat mij erg vertederd, is het bijschrift bij dit schilderij in het Rijksmuseum. Er staat namelijk een citaat uit een brief van Jan Veth’s vader (en dus ook de vader van zijn drie afgebeelde zussen). Vader schreef dat hij verbluft was door de fantastische gelijkenis. Zijn dochters leken dus prima op wat zoonlief had geschilderd. Maar…zo schreef vader, wellicht dat Jan de trekken van zijn zussen wat had kunnen verzachten. Kortom, minder kunnen laten lijken op zichzelf!

Mijn stelling is dat Jan Veth zijn zussen willens en wetens als drie zurige oude vrijsters heeft neergezet. De kunstenaar heeft die keuze gemaakt en wij mogen het interpreteren. Wij mogen bedenken wat de schilder uiteindelijk met dit schilderij wilde zeggen. Jan Veth was een bijzonder intelligente man. Naast een zeer gevierd portretschilder was hij ook dichter. Was een van de tachtigers. Eindigde als hoogleraar. Kortom echt geen domme man die heel goed geweten moet hebben hoe hij zijn zussen schilderde.

De zussen van Jan Veth moeten slimme vrouwen zijn geweest. Hun mogelijkheden voor ontplooiing waren gering in die dagen. De tijd van Freud en de hysterica. Slimme vrouwen waren gedoemd het huishouden te doen en kinderen groot te brengen. In dezelfde periode dat dit schilderij werd gemaakt, schreef Anton Tsjechow ‘Drie Zusters’. Over drie zussen die in een provinciestadje wonen en hopen om binnenkort naar Moskou te gaan en daar het ‘grote’ leven te gaan leven. Komt niets van terecht, dus.

Een tijdje later zou Frederik van Eden ‘Van de koele meren des doods’ schrijven… Alweer over een slimme vrouw die zich geen raad weet met ambities en dromen in dat benauwde tijdsgewricht. Ik denk dat Jan Veth dat gevoel van vastzitten in nooit te realiseren ambities, heeft willen schilderen in de portretten van zijn zussen. Dat maakt het zo somber en maakt de ogen van de dames zo dof; geen perspectief. Dat tezamen met de grauwe achtergrond en de donkere kleren, maakt hen haast tot levende doden.

De conclusie…Wat wilde Jan Veth precies vertellen met dit schilderij. Volgens mij geeft hij op een perfecte manier de tijdgeest weer. Laat hij zien wat het lot van vrouwen is in de middenklasse op dat punt in de geschiedenis. Talentvol maar zonder mogelijkheden om dat talent te gebruiken. Perspectiefloos thuiszitten, verder niets. Rond die tijd was dat een veel uitgewerkt thema in de literatuur.

Rembrandt van Rijn(1606-1669) – Elsje Chistiaens aan de galg (1664)

Elsje Christiaens aan de Galg

Op 20 februari van dit jaar heb ik dit tekeningetje in het echt gezien! Op de tentoonstelling van de Late Rembrandt in het Rijksmuseum. Het tekeningetje is gemaakt vlak na 1 mei 1664. Op die datum werd het 18 jarige Deense meisje Elsje Christiaens op de Dam gewurgd. Vervolgens kreeg het dode lichaam een paar klappen met de bijl (het moordwapen) op haar hoofd. Daarna werd het lijk overgebracht naar het galgenveld ‘De Volenwijck’ aan de andere kant van het IJ. Daar werd ze opgehangen aan een paal: ‘…om van locht ende het gevogelte verteert te werden,…

Rembrandt was even oud als ik nu, 56 jaar, toen hij zich naar het galgenveld liet overzetten. Twee tekeningetjes maakte hij van het lijkje aan de galg: Eén frontaal (hiernaast) en de ander en profiel. Daarna liet hij zich weer terugroeien. Na veel omzwervingen (denk ik) zijn de twee tekeningetjes in New York terechtgekomen in het Metropolitan Museum of Art. Voor de tentoonstelling ‘late Rembrandt’ stak het werkje de oceaan over en kon ik het in het echt zien! En dat heb ik gedaan! Net zo lang gewacht tot ik er pontificaal voor kon staan en me toen een tijdje niet opzij laten dringen!

Het blijft fascinerend en sensationeel zo’n ter dood gebracht iemand. Zelfs nu nog wil je er meer van weten, hoewel ze al ruim 350 jaar dood is. Ik heb nog steeds last van sensatiedrift! Ik weet dat anderen dat ook hebben. Dat is de reden, vermoed ik, dat ik honderden tekeningen van Rembrandt niet ken, maar deze juist wel. Veel eerder kende ik het dan toen ik er in de Kleine Geschiedenis van Amsterdam van Geert Mak over las. Uit dat hoofdstuk zijn mij twee dingen erg bijgebleven.

Mak vertelt dat men eerst moeite had met de datering. Op grond van kunsthistorische argumenten had men het gedateerd tot zo rond 1655. Toen kwam op een dag iemand op het lumineuze idee om het archief van Amsterdam te raadplegen. En ja hoor, in het hele leven van Rembrandt was slechts 1 vrouw ter dood veroordeelt; Elsje Christiaens op 1 mei 1664.

Het tweede dat mij in dat hoofdstuk getroffen heeft is dat het verhaal van dit meisje zoveel overeenkomsten heeft met stromen immigranten die nu Nederland binnenstromen. Waar je geboren wordt daar zijn geen mogelijkheden om een leven op te bouwen. Je pakt, na veel wikken en wegen, je spullen en vertrekt naar gebieden waar die mogelijkheden wel lijken te zijn. In de 17e eeuw was het rijke Amsterdam dé plek waar gelukzoekers het wilde proberen. Nu is dat heel noord west Europa. Heel West Europa is vele malen rijker dan Amsterdam toen was.

1664…Rembrandt was oud en berooid. Hendrickje Stoffels was het jaar daarvoor overleden. Hoogstwaarschijnlijk aan de pest. Een ideale romanfiguur, kortom. Elsje Christieaens, volkomen anoniem gebleven al de grote schilder haar niet getekend had. Een 18 jarig gelukszoekertje in haar eentje in het 17e eeuwse Amsterdam. Doordat ze haar hospita met een bijl doodsloeg zijn haar laatste dagen goed gedocumenteerd. Ook een roman waard! Margriet de Moor heeft Rembrandt en Elsje samengebracht in een heerlijke roman: ‘De schilder en het meisje’. Echt een aanrader! Wellicht is de titel niet helemaal goed gekozen; het geeft het idee van een romance terwijl dat echt niet het geval is.

Egon Schiele (1890-1918) – Der Tod und das Mädchen. (1915)

1280px-Egon_Schiele_012

In 2009 waren we tijdens de vakantie een paar dagen in Wenen. We stonden op een idyllische camping vrijwel in ons eentje. Een voormalig zwembad in een Weense buitenwijk. Om in het centrum te komen, moesten we een halfuur met de tram en dan nog een stuk met de metro. Maar dat maakte allemaal niet uit. Wij kwamen er voor de muziek. Mozart, Beethoven, Schubert; hun geboorte-, woon- en sterfhuizen; wij hebben ze bezocht! Op de begraafplaats van Wenen heb ik een verzameling graffoto’s van beroemde componisten aangelegd. Muziek, muziek en nog eens muziek. In het Theatermuseum, dichtbij de opera, zag ik de waarde die men toekende aan de paar jaar dat Gustav Mahler directeur van de opera was geweest. Die impact was enorm. Hij kreeg zeker twee keer de aandacht dan de andere beroemde en grote directeuren. Gustav Mahler; een symfonie van hem is een avontuur waar je gelouterd uit komt. Hij markeert de overgang naar een nieuwe tijd.

Op dezelfde plek in tijd en ruimte als Gustav Mahler, bloeide de beeldende kunst.

Toen wij in Wenen waren in 2009, wilden we graag ‘De Kus’ van Klimt zien en daarvoor gingen we naar het Leopold museum. Wat we toen niet wisten was, dat dat schilderij daar helemaal niet hing. We vonden daar wel Egon Schiele. Een tijdgenoot van Gustav Mahler en Gustav Klimt. In het Leopold museum dus geen Kus van Klimt, maar wel een tentoonstelling van het werk van Egon Schiele. Fascinerend! Een hele eigen stijl. Zijn doeken zijn eigenlijk tekeningen op doek die ingekleurd zijn. Veel zelfportretten en veel blote vrouwen, wijdbeens getekend. De tekeningen en schilderijen stralen vooral eenzaamheid uit en angst of verlangen naar de dood. Hoe kleurig vaak ook, eenzaamheid en de dood spelen de hoofdrol. Dat geldt ook voor de afgebeelde blote vrouwen.

Der Tod und das Mädchen vonden we ook niet in het Leopoldmuseum. In 2013 waren we nogmaals in Wenen en toen iets beter gedocumenteerd. We wilden hoe dan ook De Kus van Gustav Klimt in het echt zien. Die hing dus in het Belvederemuseum. In de buurt van De Kus kwamen we het schilderij Der Tod und das Mädchen tegen. Terwijl het onweer losbarstte boven Wenen en het Belvederepaleis, bekeken wij de schilderijen. Ik wilde een kussende selfie maken met De Kus op de achtergrond, maar helaas, ik werd hard terecht gewezen. Dan te bedenken dat het veel te donker was om een mooie foto te maken!

Ook Der Tod und das Mädchen de typische stijl van Schiele; een vrouw in omhelzing met de dood. In de dood herkennen we het gezicht van de kunstenaar. Harde getekende lijnen die later, zo lijkt het, zijn ingekleurd. Bijna een karikatuur. Maar dan een karikatuur zonder humor. De titel van het schilderij verwijst duidelijk naar het prachtige strijkkwartet van Franz Schubert. Gezien het jaar waarin het doek geschilderd werd, was de dood een absolute aanwezige in het dagelijkse leven in Wenen. Hoe verwerkte men op dat moment de slachtpartij? Door schilderijen te maken als deze, denk ik.

Ook Egon Schiele ontkwam niet aan de oorlog. Hij werd opgeroepen om toe te treden tot het leger van de keizer. Hij hoefde echter niet naar het front; hij kreeg een kantoorbaan. Zo overleefde hij de oorlog. In het eerste vredesjaar echter, kwam een volgende massamoordenaar; de spaanse griep. Zowel zijn vrouw als hij bezweken er aan. Slechts 28 jaar oud. Maar wat laat hij een speciaal oeuvre na!

Blog van Frits de Klerk