Categoriearchief: Literatuur

Esther Gerritsen. Broer. Boekenweekgeschenk 2016

(Geschreven op 3 mei 2016 in Madrid)

Deze novelle vertelt een verhaal dat ik al vaker gelezen of gezien heb. De manier waarop het uitgewerkt is, maakt het tot een novelle die de moeite waard is. Een typische Esther Gerritse novelle. Een novelle dus waarin je soms op het verkeerde goede been wordt gezet. Heel apart!

Een mooi groot huis met uitzicht over het water en, aan de andere kant, uitzicht over de oude stad. Een man met een goede baan. Twee opgroeiende zonen en net begonnen als financieel directeur van een oud familiebedrijf. Een fantastisch startpunt. Maar net als de evenwichtige uitgangssituatie is beschreven, belt broer op. De broer die ze al jaren nauwelijks ziet. De broer waar ze vrijwel niets mee heeft. De broer die er maar zo’n beetje op los leeft. Hij vertelt huilend dat zijn been geamputeerd moet worden. Vanaf dat moment dringt broer haar leven binnen en haalt hij alles overhoop. Haar zonen keren zich tegen haar, ze verliest de grip op haar werk, de komt in een huwelijkscrisis waar ze zelf buiten lijkt te staan. Geen steen blijft op de andere. Uiteindelijk heeft broer een plek weten te bevechten, en zal ze dat moeten aanvaarden.

Het Boekenweekgeschenk is een dun boekje en je hebt het zo uit. Dat komt ook door de vaart waarin het geschreven is. Het gaat rap bergafwaarts. Maar het boeit zo enorm! Mooie zinssneden: ‘Hoe kon ze een been missen van de man die ze in zijn geheel nooit miste?’

Het Boekenweekgeschenk dit jaar is een echt leuk cadeautje; ik had het niet willen missen!

 

Joke van Leeuwen – De Onervarenen

(Geschreven op 2 mei 2016 in Madrid)

Het is alweer een tijdje geleden dat ik dit boek uitlas, maar de roman is zeker de moeite waard. Ook Joke van Leeuwens vorige, veel bekroonde en bejubelde roman ‘Feest van het begin’, heb ik gelezen en ook die roman heeft enorme indruk op mij gemaakt. Speelde haar vorige roman zich af ten tijde van de Franse revolutie in Frankrijk, De Onervarenen speelt zich, voor het grootste deel, af in een niet nader omschreven tropisch land zo rond de helft van de achttiende eeuw. Een sterk ondergangsgevoel maakt zich tijdens het lezen van je meester. Alles gaat dood, alles gaat kapot…

Joke van Leeuwen is ook kinderboekenschrijfster. Dat merk je als je haar roman leest. Dat is zeker niet negatief! Haar taal is helder en eerlijk. Kinderen zouden het boek ook kunnen lezen als het een kinderboek was, maar dat is het absoluut niet. Het speelt zich af in de volwassen wereld met volwassen problemen. Al met al is het een licht geschreven, zwaar verhaal.

Een vrouw van hogere komaf krijgt een dochter zonder dat ze met de vader getrouwd is. Ze wordt verstoten uit haar milieu. Met haar thuisweverijtje weet ze haar hoofd boven water te houden. De sfeer ademt benauwd in gereformeerde kringen. In een Nederlandse stad. Een vrouw die zich niet laat kisten door haar omklemmende omgeving. Met haar opgroeiende dochter in een door mannen gedomineerde wereld. Daar ontworstelt ze zich aan. Tot het mis gaat. Moeder wordt opgesloten in een psychiatrisch kliniek. Men laat haar puberdochter alleen achter.

Puberdochter en verteller, Odille, ontmoet Koben op een dansavond op het moment dat ze alleen op de wereld staat. Hij neemt haar in huis. Koben is keuter-, pachtboer. Na wat onhandige toenaderingspogingen, gaan ze uiteindelijk verder als stel. Ze trouwen ook min of meer. Als de oogst mislukt, worden ze van hun land gezet omdat ze de pacht niet meer kunnen betalen. Ze schrijven zich in als pionier voor een nieuwe overzeese kolonie.

Moeder is juist weer vrijgelaten en besluit met dochter en schoonzoon mee te gaan. Moeder wordt, met haar psychiatrische verleden, besmet verklaard, en wordt gedoogd maar niet opgenomen in de groep. Zij zal nooit onderdeel van de groep worden waarmee de plantage in de nieuwe kolonie wordt bewerkt. Zij blijft de buitenstaander buiten de kolonie en Odille de buitenstaander in de kolonie.

Erg mooi vind ik hoe Joke van Leeuwen laat zien dat de twee vrouwen intellectueel de mannen de baas zijn maar dat de mannen desalniettemin de leiding nemen. Je ziet dat dingen misgaan. Odille weet dat en moeder ook, maar toch kan ze er niets aan veranderen omdat de mannen dat zo willen of hebben besloten. Joke van Leeuwen is in staat om inzicht te geven in de gedachtewereld van een slimme vrouw omringd door minder slimme mannen die de leiding over haar nemen. De kunst is dan om niet te vervallen in anachronismen. Niet te vervallen in feministische verongelijktheid. De vrouw aanvaardt dit gezag en wij , als lezer, hebben geen keus. Konden we (in dit geval) maar de vrouwen de baas maken!

Binnen de gemeenschap van kolonialen grijpt Koben de macht. Die macht baseert hij voor een groot deel op een nieuw bedachte vroomheid. Dat de kolonialen sterven als ratten komt doordat men niet hard genoeg zijn best doet om vroom genoeg te zijn. Moeder, die niet afhankelijk is van de mannen omdat ze geen plaats in de kolonie krijgt, gaat het stukken beter af. Met de verkoop van haar geweefde stoffen weet ze een zekere welstand te bereiken. Ook heeft ze zo snel mogelijk de taal geleerd. Koben daarentegen vindt de eigen taal en cultuur datgene is waar je je aan vast moet houden.

De onervarenen is echt een fantastische roman. Hij staat nu op de shortlist voor de Libris literatuurprijs en ik hoop dat hij de prijs gaat winnen. De meeste andere boeken ken ik nog niet, dus helemaal eerlijk is dat niet.

 

Kritiek van Hugo Claus op Jan Wolkers

Toen ik zo’n jaar of vijftien was, las ik ‘Turks Fruit’ van Jan Wolkers. Met rode oortjes, dat moet ik wel zeggen. Ook met wat gene. Maar sjonge, want maakte dat boek een diepe indruk op me. De perfecte liefde. Olga was zo’n beetje de knapste vrouw van de wereld. Met haar rode haren en haar pronte borsten en zachte billen. Jan Wolkers beschreef haar in alle toonaarden en in alle kleuren. De hoofdpersoon was de man die ik had willen worden: Creatief en een magnifieke minnaar. Seks. Laten we eerlijk wezen, hoe hij het beschreef was ongeëvenaard. Ruw, grof maar toch ook weer zo verschrikkelijk teder. Je voelde de rondingen van haar billen in zijn hand, de zachtheid van haar borsten. Jan Wolkers was een tovenaar en spiegelde je de ideale liefde voor. En zo voelde het echt. Maar dat was niet datgene wat het boek zo intens maakte. Dat was de verstoring van deze idylle. Die kon alleen van buitenaf komen. Of van iets dat buiten de invloedssfeer ligt van de mens. En dus was er een dramatisch slechte schoonmoeder die er alles aan deed om het liefdesgeluk te dwarsbomen. En een ziekte. Schoonmoeder had de liefde gesloopt; een ziekte het geliefde lichaam. Jan Wolkers en ‘Turks Fruit’.

Afgelopen vrijdag ben ik naar een toneelbewerking geweest van de roman ‘Het jaar van de kreeft’ van Hugo Claus. Dat toneelstuk heeft mij erg aan het denken gezet. Ik heb ‘Het jaar van de Kreeft’ in dezelfde periode van mijn leven gelezen als ‘Turks Fruit’. De romans hebben erg veel overeenkomsten met elkaar. Open wordt er gesproken over seks en liefde. Indertijd verdacht ik Hugo Claus ervan mee te willen liften op het succes van Jan Wolkers. Ik betwijfel dat nu. Ik denk dat dat niet zo was. Het idee van een op het succes van anderen meeliftende Claus lijkt mij zeer onwaarschijnlijk.

Ik denk dat Hugo Claus ‘Turks Fruit’ zeker gelezen. De romans vertonen zoveel overeenkomsten qua verhaallijn, dat kan haast geen toeval zijn. Een verzengende liefde die eindigt in een scheiding en de uiteindelijke dood van de vrouw in kwestie. Maar er zijn ook verschillen.

‘Ideale liefde’ moet Hugo Claus bedacht hebben…te mooi om waar te zijn. Jan Wolkers de onvermoeibare penis-atleet met zijn immer vochtige, hete Olga. Dat ruwe bolster, blanke pit gedrag… Hoe zit dat in werkelijkheid? Bestaat dat? Is dat zoals de liefdes-wereld in elkaar zit?

Welbeschouwd denk ik dat Hugo Claus in zijn ‘Jaar van de kreeft’ ongekende, literaire, kritiek geleverd heeft op ‘Turks Fruit’. Claus heeft gepoogd te laten zien dat liefde altijd gemankeerd is. De hoofdpersoon houdt hopeloos veel van een vrouw die eigenlijk geen plezier beleeft aan seks. Van een vrouw met een weinig aantrekkelijk lichaam. Van een vrouw die getrouwd is met een bruut en daar ook helemaal niet van wil scheiden. Ik denk dat Hugo Claus zich blauw geërgerd heeft aan de manier waarop Jan Wolkers de liefde neerzette; dat heeft zo weinig te maken met de werkelijkheid! Ik ben het met Claus eens; Wolkers beschrijft geen echte liefde, maar gedroomde liefde!

Maar…’Turks Fruit’ is zo mooi!

Kruistocht in spijkerbroek

Op mijn werk heb ik sinds kort een nieuwe collega. Echt een aardige collega. Van mijn leeftijd zo ongeveer. Langzamerhand kwamen we erachter dat we herinneringen delen. Het bleek dat we op hetzelfde moment aan d’Witte Lelie studeerden. Hij studeerde er engels en geschiedenis en ik studeerde er geschiedenis en nederlands. Schijnbaar op hetzelfde moment. Ik heb geen enkele herinnering aan hem. Hij heeft geen enkele herinnering aan mij. Maar wat voor opmerkingen ik ook maak over de opleiding, hij zegt dat hij het zich herinnert. Behalve als ik namen van studiegenoten opnoem, dan herinnert hij ze zich niet. Zijn studiegenoten zeggen mij weer niets.

Eén van de opmerkelijkste gezamenlijke herinneringen, was het gastcollege van Thea Beckman. Deze schrijfster is al een tijd geleden overleden. Toen ik studeerde, was ze nog springlevend en haar boeken waren immens populair. Haar spannende kinderboek ‘Kruistocht in spijkerbroek’ won prijs na prijs. Sommige boeken die er nu zijn waren er toen nog niet, dus ze was nog midden in haar carrière. Doordat Thea Beckman zo beroemd was, voelde ik me een beetje geïntimideerd.

’s Ochtends fietste ik met gemengde gevoelens naar de Nieuwe Spiegelstraat. Daar stond het gebouw waar we colleges geschiedenis volgden. Ik ging iemand ontmoeten die het vak uitoefende waarin ik ook ambities had. Ik wilde schrijver worden en wist op dat moment zeker dat ik ook de talenten had. Ik weet niet waarop ik dat baseerde want iets heel opmerkelijks deed ik juist niet; schrijven. Ik had ambities om te schrijven, maar ik schreef niet. Je brein doet soms dingen met je, die je achteraf nauwelijks begrijpt.

Een ander ding dat me bezighield was, wat voor vragen we aan haar moesten stellen. We hadden in het kader van jeugdliteratuur bij het vak Nederlands, ‘Kruistocht in spijkerbroek’ besproken. Dat knelde. Hoewel wij Beckman d’r roman erg spannend vonden, kraakte onze docent het boek tot op de bodem af. ‘Een tijdmachine!’, ‘Een joch dat zomaar even de leiding op zich neemt over de kinderkruistocht’, ‘een joch dat zo’n beetje de hele geschiedenis van de kinderkruistocht uit zijn hoofd kent’… Onze leraar vond het ongeloofwaardig. Een slecht boek. Dat zette de toon. De bespreking van haar boek stond overigens volkomen los van onze ontmoeting met haar.

Thea Beckman bleek een kordate, gedrongen vrouw met een schelle stem. Wij, als studenten, zaten er timide en geïntimideerd bij. Dat irriteerde Beckman bovenmatig. Ze begon tegen ons uit te varen. Volgens haar vielen wij als studenten geschiedenis behoorlijk tegen. Waar bleven nou precies de vragen? Hadden we haar boeken wel kritisch gelezen? Nou, dat hadden we dus. Bovendien…hadden we net colleges gehad over de kruistochten. Eén van de bestudeerde artikelen ging over de kinderkruistocht…Uit het wetenschappelijk onderzoek (van toen) bleek, dat de deelnemers aan de kinderkruistocht veel minder jeugdig waren dan tot dan toe was gedacht. Veel bleek tijdens de geschiedenis aangedikt. En aangedikt was het daarna in de roman van Thea Beckman terecht gekomen… Eén van mijn medestudenten wees Theo Beckman op het verschil tussen de roman en het onderzoek… Ze ontplofte haast…Ze had het geschreven naar de laatste inzichten in de geschiedenis. We hadden toch moeten weten dat er niets ze veranderlijk is als de geschiedenis. Steeds worden er andere dingen ontdekt; daar kon zij toch niets aan doen… Thea Beckman zou mij lang bijblijven.

De onmoeting met Thea Beckman bleef mijn collega dus ook lang bij…Maar hem herinner ik me niet. Zo vreemd!

Ik mis Joost Zwagerman!

‘Wakend over God’ is het laatste werk van Joost Zwagerman. Hij kijkt me aan vanuit een advertentie in de krant. Ik probeer in zijn ogen te ontdekken of ik de wanhoop herken die hij gevoeld moet hebben. Het cliché van de gekwelde dichter herken ik niet. Eerder bang kijkt hij me aan. Als er één schrijver is die ik gevolgd heb, dan is het Joost Zwagerman. Ik heb niet alles van hem gelezen. Zijn essays bijvoorbeeld eigenlijk niet. Ook zijn poezie is aan mij voorbijgegaan tot nog toe. Maar zijn romans wel. Joost Zwagerman was mijn generatie. Stilletjes heb ik hem benijd; hij deed wat ik graag wilde; hij had het talent en de drive die bij mij ontbrak.

Joost Zwagerman, zo werd verteld, was bijna afgestudeerd op het moment dat ik er als derde jaars mee uitscheed. Er werd gefluisterd over Joost Zwagerman op het Instituut voor Neerlandistiek. Zijn eerste zinnen werden gepubliceerd. Ik studeerde samen met Gerbrand Bakker, die ik veel beter kende, maar waar ik als schrijver veel minder mee heb, achteraf gezien. Zwagerman deed er toe.

Zijn essays over kunst heb ik niet gelezen. Ik lees te weinig en te langzaam. Zeker op dit moment. In de winkel heb ik zijn laatst verschenen essaybundel over beeldende kunst opengeslagen. Ik las een in zijn stuk over Jheronimus Bosch. Ik heb ook over Jeroen Bosch geschreven. We lijken niet alleen tijdgenoten, maar haast broeders. Je begint een essay (of een een stukje) met te vertellen wat een schilder voor jou betekent. Dat doet hij, dat doe ik. Jeroen Bosch is voor mij onverbrekelijk verbonden met Floris. De serie van Paul Verhoeven uit de jaren zestig. Als ik over Jeroen Bosch schrijf, dan begin ik over televisie kijken als jongetje op zondagavond. Dat lag voor Joost Zwagerman anders. Hij verbond Boudewijn de Groot aan Jeroen Bosch. Het land van Maas en Waal. ‘Daar trekt over de heuvels en door het groene bos/ De lange stoet de bergen in van het circus Jeroen Bosch’. Daarna schept het liedje een beeld dat zo uit een schilderij van Jeroen Bosch zou kunnen komen. Ik kan me Zwagermans associatie goed voorstellen.

Ik las ‘Gimmick’ en was geschokt en opgewonden tegelijkertijd. Het is het boek dat mij het meest in verwarring bracht. Veel geile beschrijvingen onder compleet onherkenbare omstandigheden. Een roman over een kunstenaar die in Amerika is en daar in onmogelijk commerciele gelegenheden geile dingen meemaakt. Dat heb ik onthouden van de roman. Misschien nog eens herlezen?

Als Zwagerman op de televisie in ‘De Wereld draait door’ vertelde over een kunstwerk dan spatte de passie ervan af.,. Ik herken die passie bij mezelf. Kan er lang niet zo goed over schrijven of vertellen als hij. Hij moet ook een gedreven lezer zijn geweest. Hij had zoveel kennis.

Als ik iemand mis, dan is het wel mijn generatiegenoot Joost Zwagerman. Zijn talent overtreft het mijne op alle fronten, maar toch voel ik me zo verbonden met hem. Misschien is zijn talent wel wisselgeld. Hij talent en een heel kort ongelukkig leven. Ik, veel minder talent, maar erg gelukkig naast mijn prinses. Over een lang leven moeten we het later nog maar eens hebben…Als ik een lang leven gehad heb.

Orgelman Mark Schaevers en bezoek aan het Felix Nussbaumhaus in Osnabrück.

Mark Schaevers, Orgelman; Felix Nussbaum Een schildersleven. De Bezige Bij 2014. Uitgelezen op 24 december 2015.

Bezoek aan het Felix-Nussbaum-Haus in Osnabrück op 29 december 2015

Voor het jaar definitief voorbij is, maak ik een eind aan een project. Het heeft lang genoeg geduurd! Ik heb er al een paar keer over geschreven en genoeg is genoeg. De afgelopen twee maanden (!) heb ik het uitstekend geschreven boek Orgelman van Mark Schaevers gelezen. Hij heeft me de ontwikkeling in het werk en de levensloop van Felix Nussbaum leren kennen. Gisteren ben ik naar Osnabrück gegaan om met eigen ogen het werk van Nussbaum te zien. Dit stukje wordt zowel een lees- als een kijkverslag.

Voor november dit jaar had ik eigenlijk nauwelijks gehoord van de schilder Nussbaum. Hij was vluchtig voorbijgekomen, maar me echt in zijn werk verdiept, had ik niet. Dat veranderde toen de shortlist van de ECI-literatuurprijs bekend werd gemaakt. Juist op het moment dat ik me afvroeg wat mijn volgende boek zou worden, maakte men dit lijstje boeken bekend. Daarop stonden twee boeken die ik nog niet gelezen had en die me intrigeerde: De Onderwaterzwemmer van Thomèse en Orgelman Van Mark Schaevers. Het eerste boek heb ik gelezen en is een absolute aanrader. Het tweede boek gaat over het leven van Felix Nussbaum. In mijn ogen is dit boek helemaal niet geschikt voor die shortlist. Het is wel een boek, maar ik vind er weinig literairs aan. Mijn opvatting is dat een goed geschreven journalistiek- historisch werk, niet op de shortlist moet voor een literatuurprijs. Het is goed geschreven, daar wil ik niets aan af doen, maar ik vind het geen literatuur. Wel heeft het boek bij mij voor een interne Nussbaum hype gezorgd. Voor wie dat ook wil, is het boek een aanrader!

Voor een matig snelle lezer zoals ik, is het wel een vrij taai boek. Ik ga meteen ook maar een bekentenis doen; de laatste dertig pagina’s heb ik niet gelezen. Het ging toen nog vooral over de erfenis van Nussbaum. Het opbouwen van een Nussbaum collectie voor het museum. Ik vond dat minder interessant en was toe aan een literaire roman. Het leven van Felix Nussbaum is geen feest geweest en zijn schilderijen stralen geen onvertogen optimisme en geloof in de mensheid uit. Maar met het dichtslaan van het boek, was ik er nog niet. Ik wilde zijn schilderijen in het echt zien. Daarom ben ik gisteren in de auto gestapt en naar Osnabrück gereden om in het Felix Nussbaum Haus zijn schilderijen te bewonderen.

Het is de reis van drie uur waard, kan ik hierbij zeggen. De schilderijen hangen in een speciaal voor dit doel ontworpen museum. De architectuur is zeer bijzonder en de schilderijen hangen er zeer bijzonder. Hoewel je af en toe moet zoeken hoe de tentoonstelling verder gaat, is het zeker een aanrader. Ik heb me (nog) niet verdiept in de architectuur van Liberman, maar veel van de vormen schijnen betekenis te hebben en te verwijzen naar de schilder wiens werk hier tentoongesteld wordt. Ik heb mijn ogen uitgekeken.

In mijn ogen heeft de oorlog en het nationaalsocialisme een genie gemaakt van Felix Nussbaum. Zijn beste werk, het werk waarmee hij uitstijgt boven het niveau van een verdienstelijk schilder, heeft hij gemaakt nadat hij om aan vervolging te ontkomen moet vluchten en het leven als opgejaagde vluchteling gaat leiden. Vanaf dat moment gaat de geniale vonk gloeien. Die vonk gloeide tot aan zijn laatste schilderij. Dat schilderij maakte hij bewust als laatste schilderij. Toen het doek geschilderd was, werd hij opgepakt, weggevoerd en vermoord.

Zowel het boek als de tentoonstelling beginnen niet in die geniale periode, maar daarvoor. Nussbaum zoekt. Hij krijgt een beurs om naar Rome te gaan en daar studies te doen. Maar hij vindt het allemaal niets. Hij wil nieuwe wegen inslaan. Abstracte kunst wijst hij af. Hij zoekt nadrukkelijk aansluiting bij schilders als Vincent van Gogh. Ik vind dat hij er behoorlijk ver mee gaat. Een boeket zonnebloemen bijvoorbeeld; hoeveel dichter kan je bij Van Gogh komen? Maar ook dit portret van een zigeuner vind ik qua sfeer, techniek en kleuren horen bij deze periode.

van gogh-achtig

Wellicht zijn belangrijkste schilderij uit die beginperiode is een schilderij waarin hij het interieur van de synagoge van Osnabrück schildert. Hij heeft zichzelf geschilderd met gebedsmantel over zich heen. Hij kijkt de toeschouwer aan. Volgens de audiotour van het museum schildert Nussbaum hier zijn verbondenheid met het jodendom. Hij voelt zich jood, maar wil verder kijken (het schilderij uit) dan het jodendom. Volgens de audiotour kwamen hij en zijn ouders alleen bij hoge uitzondering naar de sjoel.

Overzie ik de schilderijen uit deze periode, dan zijn ze verdienstelijk terwijl je af en toe een sprankje ziet van het genie dat hij later zou worden. Maar in ieder geval geen volledig abstracte kunst; Geen kunst uitsluitend om de kunst voor hem.

Ook als hij Duitsland ontvlucht en in Oostende neerstrijkt is hij nog zoekende. Hij verkeert daar in het gezelschap van onder anderen James Ensor. Dat brengt (in mijn ogen) de gemaskerde wereld in het werk van Nussbaum. Hier zie ik wel Nussbaum ’s eigen stijl terug, maar de invloed van Ensor is, wat mij betreft duidelijk.

Als Duitsland in 1940 Belgie binnenvalt wordt Nussbaum als Duitser opgepakt en in een kamp opgesloten. Daarna, vanaf het moment dat Nussbaum weer in staat is om zijn penselen op te pakken, lijkt hij overgeleverd aan zichzelf en breekt wat mij betreft het genie door. Hij maakt kennis met de ultieme wanhoop, de opsluiting en de diepste vernedering. Vanaf dat moment lijkt hij zich te realiseren wat hem te wachten staat en schildert hij zijn angst. Onderstaand het schilderij als beeldverslag van zijn opsluiting door de Belgen: De ultieme wanhoop links van zijn hoofd zittend aan tafel. Rechts van hem de vernedering: Om beurten open en bloot schijten. Dood en verderf liggen als kale botten botten op de grond. Prikkeldraad zorgt ervoor dat hij opgesloten zit. Donkere wolken pakken zich dreigend samen. Zelf ziet hij er verwaarloost uit; zijn kleren zijn kapot en hij heeft zich niet geschoren.

WV 249B ABB S 338

Op de jacht op joden en zijn leven als prooi komt Nussbaum later terug met wellicht het beroemdste schilderij; Zelfportret met jodenpas. Een zelfportret met als achtergrond een muur. De geschilderde persoon lijkt ommuurd. Boven de muur een inktzwarte lucht. Een dreigende wolk. Achter de muur een geknotte boom. Alle takken lijken afgezaagd op één na. Die staat nog in volle bloei. Nussbaum kan daar niet meer bij. Ook een mooi huis achter de muur. Dat maakt ook geen deel meer van zijn leven.

Het zelfportret wordt gekenmerkt door een paar dingen die niet kloppen en die dus waarschijnlijk willens en wetens, met een bepaalde bedoeling, geschilderd zijn, werd verteld in de audiotour. De jodenster zit op de verkeerde plaats. Hij was verplicht op de linkerkant en hij zit hier aan de rechterkant. Bovendien zit hij veel te hoog. Nussbaum houdt zijn kraag omhoog, dat maakt de ster zichtbaar. Normaal is de ster bedekt door de kraag. Nussbaum lijkt daarmee te willen zeggen dat hij niets van de ster wil weten. Naar het schijnt heeft hij de ster ook nooit gedragen. Een tweede ongerijmdheid volgens de audiotour, is de pasfoto. Hierop staat hij met een hoed. Dat mag nu niet, maar dat mocht toen ook niet. De hoed zou staan voor zijn menselijke waardigheid. Nussbaum mag dan ommuurd zijn en getekend zijn met een jodenster, maar hij houdt zijn menselijke waardigheid. Ook al pakken de dreigende wolken zich samen voor zijn gevangen lichaam, buiten de muur bloeit hoop.

Self_Portrait_with_Jewish_Identity_Card_-Felix_Nussbaum_-_1943

Hoe mooi en beroemd dit schilderij ook is, het is niet zijn magnus opus. Dat hangt een zaal verder in het museum. Het is het laatste schilderij dat hij maakte en wat mij betreft onbetwist het mooiste; De Triomf van de dood. Erg fraai. Qua afbeelding is het buitengewoon interessant maar ook qua kleurgebruik. Was het in veel van zijn beste schilderijen zo dat grauwe kleuren de boventoon voerden, dit schilderij neigt naar goud. Alles wat mooi was is vernield. De dood speelt op verschillende instrumenten en vertoont verschillende emoties. De trommelslager lacht terwijl de draaiorgelspeler aan wanhoop ten prooi lijkt. In de lucht vliegers. Vliegers vormen eenheden die in formatie vliegen. Vliegers zijn vrij. Ondertussen is de aarde verwoest.

nussbaum overwinneing van de dood

Ik kan niet anders zeggen dan: Lees Orgelman van Marc Schaevers en reis af naar Osnabrück om die prachtige schilderijen te gaan zien!

P. F. Thomése – De onderwaterzwemmer.

P. F. Thomése – De onderwaterzwemmer.

Uitgeverij Atlas Contact. Amsterdam/Antwerpen. 2015

Uitgelezen op 1 november 2015

Een heel bijzonder boek. Laat ik daar mee beginnen. Ik heb het, voor mijn doen, in één ruk uitgelezen. Het is een boek over nachtmerries. Wat voelt een kind als hij zijn grote sterke vader kwijtraakt. Of…hoe voelt het als je in paniek wegvlucht en je partner aan haar lot overlaat. En als je haar dan doodziek en stervende terugvindt. En als ze dan overlijdt. Wat gebeurt er met je gevoelens als je dat beleeft. Je bedenkt ze wel eens en soms droom je ze, dit soort nachtmerries. Thomése zet ze voor de lezer op een rijtje. Hij onderzoekt gevoelens die gepaard gaan met zulke nachtmerries.

Een heel bijzondere roman die wat mij betreft de ECI prijs al gewonnen heeft.

Het boek bestaat uit een proloog, het verhaal en een epiloog. De proloog vindt haar dramatische ontknoping onder het wateroppervlak van een rivier. Het verhaal ontwikkelt zich op de vlakke nietsontziende steppe van Afrika. De epiloog speelt zich af, zwevend, enkele decimeters boven een bed. Een heel aparte opbouw: Onder het oppervlak, op het oppervlak en boven het oppervlak. Een mooie lijn en een structuur die er wel in is aangebracht maar die het verhaal sierlijk ondersteund. Ook leuk om dit soort dingen te vinden.

De proloog, ‘De Nachtrivier’, speelt zich af in 1944 als de hoofdpersoon, de veertienjarige Tin, samen met zijn vader ’s nachts de rivier over willen zwemmen naar het bevrijde gebied. Als Tin op de andere oever is aangekomen, is zijn vader in geen velden of wegen te bekennen. Thomése werkt dit trauma uit in een haast psychotische belevenis. De paniek is voelbaar. Ook de angst om thuis te komen en zijn moeder te moeten vertellen dat zijn vader weg is. Heel beklemmend.

Het verhaal of middenstuk draagt de titel ‘Iets rechtzetten’ en speelt zich af in 1974 rond Charleville. Het wordt niet helemaal duidelijk waar het ligt, maar dat is ook niet zo belangrijk. Het ligt in Afrika bij de Afrikaanse steppen. Tin is er samen met zijn vrouw Vic om haar Foster Parents pleegzoon Salif te bezoeken. Het is haar idee om dat te gaan doen. Alles zit tegen bij aankomst in het land. Ze raken hun bagage kwijt en moeten een deel van hun geld afstaan. Uit alles blijkt dat de hoofdpersoon geen enkele zin heeft in de reis en het louter voor zijn vrouw doet. Onderweg naar het dorp waar Salif zou moeten wonen beschrijft Thomése het onbarmhartige, vijandige landschap en de enorme hitte. Daarmee kijkt hij alvast vooruit naar wat komen gaat. In het dorp aangekomen gaat alles mis. De dorpsbewoners worden aangezien voor krijgers op het oorlogspad. Dat zorgt ervoor dat Vic en Tin gescheiden raken. Na een hallucinerende zoektocht vinden ze haar terug op de steppe, bevangen door de hitte en met een zonnesteek. Onderweg naar hulp overlijdt Vic. Maar in tegenstelling tot wat er in de proloog gebeurde, heeft hij Vic wel gevonden en netjes begraven.

De epiloog speelt in 2004 op Cuba en heeft als titel ‘Boven water’. Tin is op dat eiland omdat hij de inmiddels arts geworden Salif en zijn gezin wil bezoeken. Maar op Cuba breekt Tin zijn rug. Om te herstellen in het ziekenhuis kan hij niet in bed liggen, maar hangt hij in leren riemen enkele decimeters boven zijn bed. Het blijkt dat zijn moeder hem na zijn terugkomst zonder vader altijd verweten heeft, dat hij niet goed op zijn vader heeft gelet. Zijn dochter Nikki heeft met hem gebroken omdat hij zonder haar moeder, zijn vrouw, thuis kwam. Salif (Sal) heeft zich helemaal over zijn pleegvader ontfermd… Het boek eindigt in de goede verwachting dat hij van Cuba naar huis wordt vervoerd.

Deze romans hoort bij het lijstje beste boeken die ik ooit gelezen heb. Het is goed geschreven met mooie beelden. Vergelijkingen die origineel zijn en een schrijfstijl die zich moeiteloos aanpast aan de fase in het verhaal; Mooi en beschrijvend als er nog niet zo veel aan de hand is, maar hallucinerend en psychotisch als de rampspoed tot een hoogtepunt komt. Mooi, heel mooi!

Peter Terrin – Post Mortem.

De Bezige Bij. Amsterdam 2014

Dichtgeslagen op 14 oktober 2015

A.F.Th van der Heijden was te gast bij College Tour en werd door Twan Huys geïnterviewd samen met een zaal vol studenten. Het was het eerste openbare optreden van Van der Heijden sinds de dood van zijn zoon Tonio. Eén van de studenten die duidelijk schrijfambities had, vroeg Van der Heijden of hij tips had voor de beginnende schrijver. Hoewel Van der Heijden vertelde dat hij er makkelijk een paar dagen over kon vullen, gaf hij toch één tip: Zorg voor een goede structuur. Die structuur moet functioneren als het skelet van het verhaal. Maar de botten van dit skelet mogen nooit door de huid steken. Aan deze tip moest ik denken toen ik het boek ‘Post Mortem’ las van Peter Terrin. In dit boek heb ik geen verhaal kunnen ontdekken. Tenminste geen verhaal dat ook maar iets de moeite waard was. Er was wel een skelet, maar te weinig verhaal om het skelet bij elkaar te houden. Na één derde van het boek, had ik nog steeds geen houvast. Dat is het moment dat ik mijn plezier in het lezen ga verliezen en heb ik de roman weggelegd.

In dit geval, bij dit specifieke boek, heb ik het daar niet zo makkelijk mee. Het boek is regelmatig in de prijzen gevallen; het kreeg zelfs de Libris literatuurprijs. Helemaal niet ‘zo maar’ een boek dus. Waarschijnlijk moet ik het falen dus niet in het boek zoeken, maar bij mij. Moeilijke zaak…. Goed, ik ben geen beroepslezer en hoewel ik een grage lezer ben, lees ik maar een paar romans per jaar. Die paar boeken die ik lees, moeten er wel voor zorgen dat ik plezier in lezen hou, vind ik.

Hoe dan ook, ik vind het boek helemaal niets. Gedetailleerd tot in het absurde vertelt hij over zijn leven met zijn vrouw Tereza en zijn dochtertje Renée. Niets ontstijgt het gewone, niets maakt het bijzonder. De hoofdpersoon is schrijver. Een weinig succesvol schrijver. Hij gaat een roman schrijven over de fictieve beroemde schrijver T. De hoofdpersoon T. en de ´echte´ hoofdpersoon vloeien langzaam samen. Dodelijk saai, allemaal.

Wat mij opviel was ook een taalgebruik met, in mijn ogen, veel fouten. Kunnen drukfouten zijn, maar hoe ik het ook corrigeer, een lekkere zin komt er niet uit; ‘… Mocht dat het wel geval zijn, dan zou hij resoluut weigeren en niet, doordat hij – je weet maar nooit waar het goed voor is – altijd eerst ja zegt, zich zelf in een lastig parket brengen.’ Ik kan hier dus geen chocola van maken…nou een klein beetje dan… Ook fysiek onmogelijk beschrijvingen: ‘…hij voelt hoe de hersenen kleine, ongecontroleerde signalen naar de spieren in haar onderarm sturen…’ Ik probeer dat voor me te zien. Het lijkt me dat hij ongecontroleerde bewegingen in haar onderarm voelt…en niet in de hersenen. Poeh, zo zit dat hele boek vol.

Ik ben blij dat ik het dichtgeslagen heb, en me kan richten op een echt goed boek.

Ester J. Ending – Een eigen eiland.

Ester J. Ending – Een eigen eiland.

Lebowski Publishers, Amsterdam 2015.

Uitgelezen op 2 oktober 2015 in Parijs.

Voor de zomervakantie was ik al behoorlijk geïnteresseerd geraakt in dit boek. Ik had het ingezien in de boekhandel. Op de een of andere manier intrigeerde de omslag me. Omdat ik het mee wilde hebben op vakantie probeerde ik het e-book te lenen van de bibliotheek. Hadden ze nog niet, maar wel haar debuutroman ‘Na Valentijn’. Dat heb ik dus voor ‘Een eigen eiland’ gelezen. ‘Na Valentijn’ verraste me. Hoewel er wat zwakheden zaten in de plot, schrijft ze sterk en overtuigend. Echt een leuk boek en een opmerkelijk debuut.

Na de vakantie kocht ik ‘Een eigen eiland’. Ook als e-boek. Hoewel ik er lang over heb gedaan, kan ik niet anders zeggen dan dat het echt een lekker boek is. Leest vlotjes weg. De plot is goed en haar stijl direct. Af en toe vergelijkingen om van te smullen. Ja, echt een aanrader!

De roman speelt zich in de lente en de zomer van 1987 af op Ibiza. De schrijfster is opgegroeid op Ibiza en dit eiland vormt voor beide romans het decor.

Hoofdpersoon is Marianne. Ze heeft de middelbare school afgemaakt, maar is (nog) niet gaan studeren, in tegenstelling tot veel van haar vroegere schoolgenoten en vrienden. Haar ouders waren hippies die in de jaren ’60 op Ibiza neerstreken. Moeder ontwikkelde zich tot een yoga en meditatie trainster. Ze laat zichzelf nu Madresh noemen. Vader ging juist de andere kant op en werd met het hippie ideaal van legale soft drugs in het achterhoofd, een drugscrimineel. Vader zit de hele verteltijd in de gevangenis. Haar ouders zijn al lange tijd gescheiden. Marianne bewoont het huis van haar vader. Moeder heeft een nieuwe los-vast vriend.

De hoofdpersoon probeert haar weg te vinden tussen haar op zichzelf gerichte ouders. Haar ouders lijken alleen uit op eigen geluk en fortuin. Nergens in de roman kom je steun tegen voor de dochter. Eigenlijk zijn er maar twee personen waar ze op kan steunen: Haar (ex)-maar-nog-niet-helemaal-ex-vriendje Nick en de Guardia Civil agent.

De Guardia Civil agent komt al vrij snel aan het begin van de roman in beeld. De hoofdpersoon wordt aangehouden en geholpen wordt door twee agenten van de guardia civil. Eén van de twee stelt zelfs zijn huis voor haar open. Hoewel er niets gebeurd tijdens de nacht dat Marianne bij de agent logeert, is de erotische spanning voelbaar. Door het hele boek loopt deze spanning door. Marianne raakt min of meer geobsedeerd door de Guardia Civil agent; min of meer verliefd. Omdat haar vader in het criminele milieu verkeert, roept haar obsessie voor de agent allerhande spanningen op.

Grote hoeveelheden wodka en alle mogelijke pillen en poeders gebruikt Marianne om haar eiland te vinden. De roman eindigt met de tragische dood van Nick en een gesprek met de ineens overgekomen vrouw van de Guardia Civil.

Echt een leuk boek en het belooft meer!