Tagarchief: Rijksmuseum

De slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum een ietsje te woke

De tijdslotjes zijn schaars geworden waarop ik naar de slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum kon. Het werd laat in de middag, op het moment dat het museum doorgaans haar deuren sluit. Daardoor liep ik erg onrustig door de eerste zalen want steeds werd omgeroepen dat het museum ging sluiten en dat iedereen zo snel mogelijk moest maken dat hij met jas en tas richting uitgang ging. Ik had niet meteen helemaal door dat de tentoonstelling laat open zou blijven. Ik wilde zo graag de tentoonstelling zien. Maar waarom eigenlijk? Wat trekt mij zo naar die tentoonstelling? Ik wil me niet schuldig hoeven voelen. Ik wil met eigen ogen zien in het Rijksmuseum dat ik, als wit – en een beetje joods -, persoon niet schuldig ben. Ik wil niet aangewezen worden als iemand die schuldig is aan het uitbuiten, knevelen, mishandelen of verkrachten van andere mensen. Ik wil niet dat ik op grond van de kleur van mijn huid en de plek waar ik ter wereld kwam gezien wordt als een slavendrijver of handelaar. Zelfs niet als profiteur van slavernij. Ik wil het niet. Ik zal er alles aan doen om aan te tonen dat ik niets met slavernij te maken heb. Nooit! Daarom wilde ik de tentoonstelling zo graag bezoeken. Ik wil dat het Rijksmuseum dat bevestigt. In wezen ben ik een goed mens. Ik vind dat je andere mensen niet mag en niet kan bezitten. Niet in Nederland. Het is immoreel om andere mensen te bezitten. Uit de tentoonstelling bleek in ieder geval dat er altijd in Nederland mensen zijn geweest die slavernij immoreel vonden. Ik moet zeggen dat dat één van de dingen is die ik van de tentoonstelling meekreeg. Dus had je mensen die moreel aan de juiste kant stonden en als die mensen bestonden dan betekent dat dat anderen er in principe net zo over dachten maar winst maken belangrijker vonden…denk ik.

Als winst maken belangrijker is dan slavernij dan is slavernij vooral een probleem van het kapitalisme en zijn kapitalisten schuldig (als je al schuldigen kan aanwijzen zo ver terug in de geschiedenis). De trans-Atlantische slavernij kon bestaan doordat een elite geloofde in een kapitalistisch systeem zonder moraal. In de tijd dat burgemeesters van Amsterdam er trots op waren dat ze kapitalen verdienden aan handel met voorkennis ten koste van minder gefortuneerde stadsgenoten, zal het ze een meter aan hun reet hebben geroest over hoe de suiker verbouwd werd in de koloniën. Kapitalisten waren de kleine rijke bovenlaag. Of de rest van de bevolking meer moraal in hun donder hadden, wie zal het zeggen, maar zij kregen niet de kans om iets te ondernemen, en dat pleit ze vrij. Slavernij dus niet als een racistisch probleem, maar als een kapitalistisch probleem.

De tentoonstelling roept kortom heel veel emotie op. Persoonlijk vind ik de tentoonstelling net even iets te ‘woke’ om er iets voor mij van te maken. Het idee om tien mensen die op verschillende manieren met de slavernij te maken hadden, in beeld te brengen, vind ik sympathiek, maar de grote lijn moet je niet vergeten. Ik vind het bijvoorbeeld absoluut niet dat je ‘je straatje schoonveegt’ als je een stevig historisch en ruimtelijk kader schept. Wat is slavernij? Sinds wanneer is er slavernij? Waar vond de slavernij plaats? Wie handelde in slaven (en je dan niet beperken tot de jongens van De Wit)? Wie werden tot slaven gemaakt en waarom? In hoeverre speelde huidskleur een rol in de slavernij? Allemaal vragen die door te focussen op die tien personages veel te weinig aan bod komen maar die wel inzicht hadden verschaft in hoe men toen dacht. Eén van de belangrijkste aspecten van geschiedenis is dat je je leert te verplaatsen in een ander. Een ander die in een andere tijd en ruimte leeft en waar het hele leven anders was. Ik vind dat de tentoonstelling daar erg tekort schiet.

Ook de lijn naar het heden vind ik zwak. In plaats van te focussen op de slavernij die nu nog welig tiert, wordt de focus gelegd op het racisme en achterstelling van de mens met een gekleurde huid nu.

Emmer grossiert in onjuistheden want hij heeft gelijk…

Natuurlijk heeft zo’n tentoonstelling in het Rijksmuseum impact. Het bleef al zo stil! Dat moest met corona te maken hebben. Dat alle musea nog gesloten waren. Maar nu alles weer langzaam open gaat, komt gelukkig ook de discussie op gang. Ook ik ben al naar het Rijksmuseum geweest. De slavernijtentoonstelling heb ik nog niet bezocht, maar wel zag ik de nieuwe bijschriften bij sommige schilderijen. Bijschriften die verwezen naar het zwarte verleden van ons witte mensen. Doorgaans de verregaande slechtheid van de witte mens ten opzichte van de slachtoffers met een gekleurde huid. Want zo was het kennelijk. Een horde witte mensen die in het verleden de wereld als een zwerm parasieten overspoelde, en de elders aangetroffen volkeren slachtoffer maakte van uitbuiting, deportatie, verkrachting en diefstal op grote schaal. De nieuwe bijschriften moeten ons zo’n beetje leren dat de schilderijen zo mooi zijn omdat het met het bloed van die onderdrukte volkeren is geschilderd. Ik word er makkelijk erg boos van, en met mij velen. Van de ene op de andere dag is veel van wat we koesterde in een kwaad daglicht gezet en dat is onterecht.

De slavernijexpert bij uitstek in Nederland is professor Piet Emmer. Hij beoefent het vak van historicus. Geschiedenis wordt in Nederland en door Piet Emmer beschouwd als wetenschap. Daarbij gaat het om het vinden van de waarheid en de waarheid van een historicus vind je in archieven. Natuurlijk moet je de gegevens uit archieven interpreteren, maar daarbij is het de sport van de wetenschap om daar zo min mogelijk emotie een rol bij te laten spelen. Slavernij en de emancipatie van gekleurde mensen in Nederland gaat gepaard met heel veel emotie. Iets objectiefs zeggen over het slavernijverleden wordt daardoor al snel een doodzonde.

Professor Piet Emmer bezocht de slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum en schreef daar een verhaaltje over in de Volkskrant. Emmer ziet op de tentoonstelling weinig historische wetenschap terug maar wel veel activisme. Hij geeft daarbij een aantal voorbeelden waaruit dat blijkt. De toon waarop hij dat doet, moet ik zeggen, is vrij harteloos. Dat is niet verstandig, want slavernij en emoties gaan hand in hand.

De dag na Emmers verhaal plaatste de Volkskrant een brief van de historicus Karwan Fatah Black, die doorgaans ook het activisme verkiest boven de wetenschappelijke waarheid ondanks dat hij als historicus werkt aan de universiteit van Leiden. Dat activisme bleek in dit geval ook uit zijn ingezonden brief want ik heb zelden iemand zo boos een artikel van een ander zien afwijzen terwijl hij tegelijkertijd aantoont dat wat er in dat afgewezen artikel staat de waarheid is. Een voorbeeld. Piet Emmer zegt dat de bewering van het Rijksmuseum dat slaven geen geld mochten bezitten onzin is want uit de archieven blijkt dat het soms een slaaf lukte om zichzelf vrij te kopen. Wat een onzin schrijft Karwan Fatah Black: ”Uit onderzoek blijkt dat er zeker geld onder de slaafgemaakten circuleerde, maar zelden genoeg voor de vrijkoopsom,…” Dan heeft Emmer toch gelijk? Slaven bezaten wel degelijk vaak geld en dus is de bewering van het Rijksmuseum fout.

Ook schrijft Karwan Fatah Black een grappige zoekplaatje-zin in zijn ingezonden brief: “Op plantages was de voedselvoorziening vooral het werk van de slaafgemaakten zelf, daarbij gehinderd door parasitaire eigenaren die hun arbeidskracht opeisten.” Huh..?

Het rijksmuseum is woke geworden

De treurnis over alle cultuur die verboden was de afgelopen maanden is in mijn botten gaan zitten. Het enige wat nog mocht was datgene wat je thuis kunt doen. Qua cultuur is dat niet veel als het streamen en het Zoomen je neus uit komt. Ja, boeken lezen. Dat heb ik dan ook veel gedaan. Nog nooit was ik zoveel eerder klaar met het lezen van de shortlist voor de Librisliteratuurprijs, als dit jaar. Dan te bedenken dat ik bij het bekend worden van de korte lijst, pas één boek gelezen had en ik er nog vijf te gaan had. Als lezen je enige culturele vertier is, dan moet dat wel lukken.  Zelfs het Rijks was dus maanden gesloten, maar sinds kort mogen we weer. Omdat ik vroegboeker ben (zo graag wilde ik) had de boekingsapp nog geen rekening gehouden met het feit dat alles een weekje eerder open mocht en had ik pas voor gisteren een kaartje. Daar aangekomen bleek dat ik het vinkje voor de grote slavernijtentoonstelling gemist had bij het boeken en kon ik daar dus niet naar binnen. Wel mocht ik naar de rest van het museum en dat was toch ook erg fijn.

Op de eregalerij bleek dat het woke-virus had toegeslagen in het museum. Bij verschillende schilderijen waren extra bordjes gehangen om te vertellen over het verband tussen het schilderij en slavernij. Behoorlijk inadequaat moet ik zeggen. Het ontsierde de getoonde kunst nogal. Neem bijvoorbeeld één van de mooiste stillevens uit de zeventiende eeuw: Stilleven met kalkoenpastei. Het woke bijgevoegde bordje vertelt ons dat de specerijen in de pastei door geweld en slavernij waren verkregen. De kruidnagel zou van Ambon komen en de nootmuskaat van de Banda-eilanden. Het zal allemaal wel. Terug naar het schilderij. Waar ligt de kruidnagel? Geen kruidnagel te bekennen op het schilderij. Goed, dan de nootmuskaat. Het hele schilderij afgezocht, maar geen nootmuskaat te ontdekken. Laat me dan in ieder geval het foelieblad zien dat men van de nootmuskaat moest verwijderen…ook in geen velden of wegen te bekennen op het schilderij. Zijn er dan helemaal geen exotische specerijen te ontdekken op het schilderij? Ja, maar daar lees ik dan weer helemaal niets over. Peper ligt er, gemalen peper. Waar komt dat dan vandaan? Een link leggen met moderne slavernij? Daar doet het woke deel van het museum niet aan. Eén van de schrijnendste vormen van moderne slavernij vindt plaats in de huidige  citrusvruchtenpluk in Zuid-Europa. Daar had je met die prachtig geschilderde citroen naar kunnen verwijzen.

geen kruidnagel, noormuskaat of foelie, wel peper en citroen

Het volgende irritante bordje dat ik tegenkwam vertelt ons iets over slavernij en Michiel de Ruyter bij diens portret. Onze zeeheld zou zich ingezet hebben voor het vrijkopen van blanke slaven in Noord-Afrika. Vervolgens veroverde hij de kust van West Afrika op Engeland zodat onze republiek een ‘doorstart’ kon maken in de slavenhandel. De conservators concluderen: “Blijkbaar accepteerde De Ruyter slavernij zolang het niet om witte christenen ging.” Kan je die conclusie trekken? Nou, ik denk van niet. Ik denk dat De Ruyter slavernij beschouwde als een gegeven maar dat hij voor Europese slaven – vaak gevangengenomen bemanning van VOC schepen – een extra verantwoordelijkheid voelde. Een dergelijke verantwoordelijkheid werd trouwens in Afrika nergens gevoeld, zoals we weten. De Ghanese ashanti verkochten gerust hun buren; ik geloof niet dat ze daarvoor ooit ter verantwoording geroepen zijn of zich er ooit voor verantwoordelijk hebben gevoeld. Maar dat is een jij-bak waar je je verre van moet houden…

Op deze kleine ontsieringen na, was het heerlijk toeven in het Rijks. Ik heb, zoals al vaker in het verleden, lang staan kijken naar het laat-middeleeuwse schilderij: Boerenkermis met een opvoering van de klucht ‘Een cluyte van Plaeyerwater’ van Peeter Baltens. Er valt zoveel op te zien en gelukkig is er niets op het schilderij dat je ook maar enigszins in verband kunt brengen met slavernij…hoewel…horigen, lijfeigenen, is dat niet ook slavernij? Laten we zeggen dat je woke slavernij hebt (de witte mens is dader, de gekleurde mens is slachtoffer) en niet-woke slavernij (de gekleurde mens is dader en slachtoffer of…de witte mens is dader en slachtoffer of de witte mens is slachtoffer en de gekleurde mens is dader). En nou hou ik op over slavernij!

Night Watching – Video-opstelling van Rineke Dijkstra in het Rijks

Ik heb al veel geschreven over fotografe Rineke Dijkstra. Niet zo gek, want wat ze ook maakt, het boeit. Ze weet in haar portretten van mensen de ziel van de gefotografeerde te vangen. Als je voor haar foto’s staat vraag je je af of het een bepaalde verborgen techniek is; je ziet het gezicht van een mens en op de een of andere manier geeft Dijkstra je het gevoel dat je dat mens al heel lang kent. Een heel bijzonder fenomeen dat je vooral bij grote kunstenaars tegenkomt, volgens mij – en vele anderen – is Rineke Dijkstra zo’n grote kunstenaar. In elk ander geval – namelijk – hebben veel musea het bij het verkeerde eind, want Rineke Dijkstra wordt ook door de museumwereld als een hele grote gezien en behandeld. Een grote overzichtstentoonstelling, om maar een voorbeeld te noemen, in het Stedelijk museum, nog niet zo lang geleden en waarvan ik hier op mijn eigen website verslag deed. Wat ik vrijwel onbesproken liet van die tentoonstelling waren haar video-opstellingen. Wat me daarover is bijgebleven is een groep kinderen die ze filmt terwijl ze naar een schilderij van Picasso kijken en met elkaar bespreken wat ze zien. Een bijzonder fascinerende video waar ik lang naar heb staan kijken.

Het Rijksmuseum heeft Dijkstra de opdracht gegeven om zo’n zelfde soort video-opstelling te maken over mensen die naar De Nachtwacht staan te kijken. Deze video-opstelling is te bekijken in de eregalerij van het Rijks vlak naast het glazen huis waarin de Nachtwacht wordt gerestaureerd. Deze video-opstelling is een absoluut hoogtepunt in het van hoogtepunten wemelende Rijks. In de video komt de ene groep mensen na de andere voorbij en je leest de karakters en moeiteloos weet je wat hun beweegredenen zijn; wat ze van de wereld vinden en hoe ze met de wereld om gaan en wat ze ervan verwachten. Je kijkt naar de mensen die samen met hun vrienden, klasgenoten, studiegenoten, collega’s of familieleden een schilderij bekijken en aan elkaar vertellen wat ze zien. Natuurlijk niet zomaar een schilderij, maar De Nachtwacht. Mensen van heel verschillend pluimage.

Twee Japanse jongens: Ze hebben geen idee waar ze naar staan te kijken. Complete verwarring. Kennelijk is het belangrijk om dit schilderij te bekijken, maar wat het is of wie erop staat…geen idee. Zeelieden?

Japanse zakenlieden: Voor hen gaat het al snel over de waarde en hoe je met behulp van zo’n schilderij enorme winsten kunt maken. Met elkaar bedenken ze hoe Japanners zo’n beroemd schilderij zouden vermarkten: een nachtwacht met gaten erin op de plek van de gezichten zodat je er, tegen betaling, met je eigen gezicht kan laten fotograferen. Ze zouden nachwacht cakejes verkopen.

Drie directeuren: Zij zien de macht en kracht en hadden best zichzelf door Rembrandt geportretteerd willen zien; macht en kracht voor de eeuwigheid. Eén van hen had voor zijn grote verdiensten voor de stad de Frans Banning Cocq-penning gekregen; hij vond eigenlijk wel dat hij ook het recht had om op het schilderij te staan. Vooraan. En heus niet daar ergens achter in de schaduw.

Prepuber jochies: Wat doet dat meisje daar op dat schilderij. Zo’n meid moet wel Frederique heten. Nou, zegt een ander: Eerder Monique. Nee Frederique. Waarom moet er altijd een meisje de jongens- en mannenorde verstoren? Onderzoekende pretogen!

Een groep meiden waarvan maar één een witte huid heeft: Ze weten het zeker; zo’n groep kerels moet geweldig gestonken hebben want ze waren zo onhygiënisch in die tijd. Of…waren het alleen de armen die zichzelf niet verzorgden? Waren dit niet de rijke stinkerds aan wie de enge ziektes voorbijging?

Een groep studenten van de kunstacademie: In hoeverre was Rembrandt bezig met de mogelijkheid dat hij eeuwige roem zou kunnen vergaren met zijn schilderij. In hoeverre moet je je als schilder bewust zijn dat je iets voor de eeuwigheid maakt. Hoe ga je om met de roem en hoe zuur is het als de roem je pas na je dood ten deel valt.

Een groep klasgenoten meisjes: Eentje heeft de hoed van een tovenaar op. Zo’n puntige. En…wat is dat voor ding linksonder? Is het een steen? Is het soms een knikker? Wie speelt er met die knikker?

Kortom iedereen projecteert zijn of haar wereld in het schilderij. Wordt er over een abstract schilderij vaak gezegd dat je erin mag zien wat je wilt; Rineke Dijkstra laat zien dat iedereen altijd – en dus ook in een beroemd schilderij uit de zeventiende eeuw – ziet wat men wil zien. Iedereen wil er een stukje van zichzelf in zien en door de film van Rineke Dijkstra leren we de ziel van een aantal geportretteerden zien en leren we wat hun beweegredenen zijn om te zijn wie ze zijn. Meteen leren we ook wat het belang van kunst is; kunst laat je namelijk op een hoger vlak over jezelf nadenken. Het leert je reflecteren op wie je bent en wat jouw plaats in de wereld is.

Na de video wilde ik meteen kijken naar wat al die mensen zo fascineerde in het schilderij, maar helaas, De Nachtwacht wordt op dit moment gerestaureerd en heus, je kan het schilderij steeds blijven zien…maar wel met een hele installatie ervoor en van een wat grotere afstand. Die video Van Dijkstra is echt fantastisch!

80 Jaar Oorlog, De geboorte van Nederland

Tentoonstelling in het Rijksmuseum, gezien op 29 oktober 2018

In ons eigen Gouda zijn de mooiste gebrandschilderde ramen uit de zestiende en zeventiende eeuw van de wereld te bewonderen. Voor een groot deel gemaakt door de grootste glazenierbroers die Nederland ooit heeft gekend; de gebroeders Crabeth. Nog wel in een protestante kerk. Ik ontdekte ze toen ik in Gouda werkte en een collega me op de Goudse glazen in de Sint Janskerk wees.

Wat mij opviel in die ramen, was dat ze de tachtigjarige oorlog fantastisch weergaven. Dat kwam doordat de kerk als katholieke kerk gebouwd werd en later overging in protestante handen en dat precies in de tijd dat de ramen gemaakt werden. Sta je met je rug naar het koor, dan zie je aan de rechterkant de katholieke ramen en aan de linkerkant de protestante. Aan de rechterkant bijvoorbeeld het raam van de Crabeths over Judith die zojuist Holofernes onthoofd heeft, geschonken door de weduwe van Jean de Ligne nadat hij omgekomen was bij een veldslag tegen Willem van Oranje. Het Willem de Zwijgerraam zit aan de overkant van de kerk in de spo0nningen en werd geschonken door de stad Delft. Aanrader om een keer in Gouda te gaan kijken!

Gerard ter Borgh II – Soldaat te paard, op de rug gezien

Op de tentoonstelling ‘80 jaar oorlog, De geboorte van Nederland’ ontbreken de ramen van de kerk in Gouda niet. Al meteen staat er een deel van het zogenoemde koningsraam met de beeltenis van Philips de tweede. Omdat dat raam volgens mij gewoon in de sponningen van de kerk te Gouda zit, vroeg ik me af of dit een deel van het origineel is, of een kopie. Dat werd mij niet helemaal duidelijk. Verder ook nog één van de cartons; de op ware grootte getekende patronen voor de ramen in de kerk (die overigens allemaal bewaard gebleven zijn, en eigendom zijn van de kerk.) Deze beeldt het raam af dat Delft aan de kerk schonk. Maar naast deze herkeninning van de Goudse kerk, was er ongelofelijk veel meer te zien op de tentoonstelling die het Rijksmuseum ingericht heeft. Veel zaken waar je tijdens de geschiedenisles vroeger over hoorde maar hier zag je ze in het echt: Het plackaat van verlatinghe, de pacificatie van Gent, de documenten van de vrede bij Münster. Echt heel erg leuk om die belangrijke documenten eens in het echt te zien. Natuurlijk probeerde ik ze te ontcijferen, maar dat bleek een brug te ver.

Aan de hand van een aantal hoofdstukken werd de oorlog uit de doeken gedaan. Eén verrassend aspect was een ‘hoofdstuk’ over oorlogsvluchtelingen. Had ik nooit bij stilgestaan, maar bij een oorlog heb je altijd vluchtelingen en ontheemden. Zo ook bij de tachtigjarige oorlog. Verrassend, want het is een verhaal dat zelden terugkomt in de geschiedenislessen. Een ander aspect van de oorlog was de oorlog overzee. Daar had ik maar mondjesmaat over gehoord. Men probeerde elkaar op zee te raken en elkaars koloniën te veroveren. Over het tijdelijke bezit van de kolonie Brazilië en de schilderijen van Post, was vorig jaar al een tentoonstelling in het museum te zien geweest. Dat Hans Goedkoop vertelde dat er op één van de schilderijen ‘tot slaaf gemaakte’ mensen stonden, knauwde helaas wat ergerlijk politiek correct in mijn oren en juist daar werd de historische context weggelaten.

Wat ik een leuk aspect vond, waren de vernieuwingen die Prins Maurits doorvoerde in het leger waardoor hij zoveel successen kon behalen. Discipline was daar één van. Bovendien lag er een boek vol strategische aanwijzingen open waardoor we konden zien hoe Maurits de musketiers hun werk lieten doen. Acht rijen achter elkaar die na elkaar een schot loste en als de laatste rij het schot gelost had, had de eerste rij hun musket herlaadden en konden ze opnieuw schieten. Daardoor kreeg het vijandige leger een constant salvo over zich heen.

Al met al een leuke tentoonstelling over de ontstaansgeschiedenis van ons land. De audiotour die ik op mijn telefoon beluisterde was meer dan voortreffelijk. Dat lag zeker aan Hans Goedkoop die een geboren verteller is en ons voor een groot deel bij de hand nam.

Madame de Bovary in het Rijks

Ik ben naar de tentoonstelling High Society geweest in het Rijksmuseum. Daar wilde ik over schrijven, maar het kwam er niet van. Ik werd namelijk getroffen door de aanwezigheid van een schilderij en was vergeten om op te schrijven wie het geschilderd had en wie erop stond. In tegenstelling tot heel veel andere portretten in de kunstgeschiedenis was bij alle schilderijen van de high society bekend wie erop de schilderijen waren afgebeeld. Doorgaans is alleen de naam van de schilder bewaard gebleven. Maar dat schilderij waar ik zo graag over wilde schrijven dacht ik eerder te hebben gezien in museum Gare d’Orsay in Parijs. Voor mij is Gare d’Orsay één van de allermooiste musea die ik ken. Niet alleen vanwege het gebouw, maar ook vanwege de kunst die het herbergt. Beroemd zijn natuurlijk de -isten. De impressionisten en de expressionisten en de pointillisten enzovoort, enzovoort. Maar op de onderste verdieping zaten we voor een groot deel van de schilderijen nog in de periode voor al die moderne stromingen. De laatste keer dat ik het museum bezocht ben ik niet verder gekomen dan die onderste verdieping. Wellicht was de schilderkunst toen nog grotendeels traditioneel, maar jongens wat mooi!

Tussen al die schilderijen zag ik ook het schilderij dat nu in het Rijks hangt. Tenminste dat denk ik want zo goed is mijn geheugen nou ook weer niet. Het is een ten voeten uit geschilderd portret van een heerlijke vrouw. Waanzinnig knap. Het is dat ze tweedimensionaal in verf op een doek geplakt zit, maar anders. Een vrouw die zo uit de boeken van Louis Couperus in verf tegen het schilderslinnen opgekropen lijkt. Twee ogen die een grote intelligentie uitstralen maar ook liefde voor het leven. Een vrouw om zomaar tot over je oren op te vallen. Toen ik in het Rijks voor haar stond verzuimde ik haar gegevens vast te leggen. Het enige dat ik onthield was dat ze in bruikleen was van het Gare d’Orsay. Ik meende haar mij te herinneren dat ik haar ook had gezien toen ik daar, in dat fantastische museum rondliep. Ik vertrouwde erop dat ze terug te vinden was op de website van het Rijks. Maar nee, niets op de website. Ook niet op de audiotour die ik op mijn telefoon heb geladen. Ze was weg en verdwenen en de enige manier om haar terug te vinden was opnieuw naar het Rijks gaan. Dat besloot ik dus te doen, maar daar kwam het natuurlijk niet van. En dus schreef ik niets over die fantastische tentoonstelling.

Dat is jammer want er was erg veel leuks te zien. Bijvoorbeeld keizer Karel V. Die Habsburger die ook nog een tijdje heerser over de Nederlanden is geweest. Opvallend aan zijn portret was dat gigantische ding voor zijn pielemoos. Cécile Narinx legde uit dat dat een braguette was. Een toque die de edele delen moest beschermen maar die ook diende om mee te pronken en dat het een voortzetting was van wat in het harnas een eeuw eerder was begonnen. En inderdaad, Josien hadden de ridders bekeken in de Tower in Londen en daar was een harnas met zo’n grote opbergplaats voor het mogelijke nageslacht; daar kon een heel weeshuis in. Beetje opzichtig en naïef om anderen te laten geloven dat je zo’n grote hebt.

Dat mooie schilderrij van die heerlijke vrouw? Ze hangt tegenover die dame die overal op de affiches staat, met die grote hoed. Tegenover die vrouw die Narinx de ‘Lady Gaga van haar tijd noemt’. De verfgeworden Madame de Bovary!

Mattijs Maris in het Rijkmuseum

De prerafaëllieten hadden een speciale band met Ophelia, als je het mij vraagt. Het meisje uit Hamlet dat krankzinnig van verdriet zelfmoord pleegt door zichzelf te verdrinken. Zeg je prerafaëllieten dan denk je Millais en dan zie je een beeldschoon meisje drijven in een van bloemen en planten vergeven meer. Onwillekeurig doet het meisje met de vlinders van Matthijs Maris sterk denken aan Ophelia. Weliswaar niet dood en niet verdronken en geschilderd in één van Maris ’eigen stijlen, doet dit schilderij me toch erg aan de prerafaëllieten denken. Meerdere schilderijen, maar deze sprong er bovenuit. Behoorde Matthijs Maris tot de prerafaëllieten? Heel erg ten dele. Een klein poosje misschien. Hij ontwikkelde zich razendsnel. Begonnen als schilder van de Haagse school – net als zijn broers Willem en Jacob – eindigde hij als een abstract schilder avant la lettre. Hij eindigde met schilderijen die alleen nog maar sfeer hebben en waarin figuratie nauwelijks zichtbaar is. Ook kleur niet, trouwens. Alleen tonen in dezelfde kleur en patronen in de verf. Heel speciaal.

Nederlandse musea hebben niet veel werk van Matthijs Maris. Hoewel in het buitenland erkend als Nederlandse meester, heeft de man in zijn werkzame leven nauwelijks in Nederland gewoond. Zijn gloriejaren leefde hij in Parijs en later in Londen. Daar overleed hij ook. In Groot-Brittannië hangt zijn meeste werk en het is te danken aan een renovatie van het Schotse museum dat we nu in het Rijksmuseum de schilderijen van Matthijs Maris kunnen zien. Zo vreemd dat hier zo weinig werken van hem hebben terwijl hij, naar verluidt, zo’n belangrijke schilder was. Doet me denken aan die andere schilder waarvan we vorig jaar een tentoonstelling hebben gezien: Alma-Tadema. De man heeft zo’n beetje bepaald hij wij naar de oudheid kijken. Ook nauwelijks in de Nederlandse musea vertegenwoordigd. Maar daarom was de tentoonstelling die er afgelopen jaar was, waarschijnlijk zo sensationeel. Matthijs Maris is een moeilijker te doorgronden kunstenaar dan Alma-Tadema. Meer een man die zich liet inspireren en toen in een voortdurend zoeken naar het (schilders)ideaal zijn stijl extreem ontwikkelde en daar eigenlijk nooit mee klaar was. Succes hield hem in zijn ontwikkeling niet tegen terwijl je dat van Alma-Tadema wel kunt zeggen; ergens in zijn carrière had hij zijn ideaal gevonden en vervolgens bleef hij in die stijl doorgaan.

De tentoonstelling in het Rijks laat een chronologisch beeld zien en die beweegt zich van zeer figuratief naar vrijwel abstract. Wat me uit zijn vroege periode opviel zijn de schilderijen van het keukenmeisje van zijn zus. Op de tentoonstelling twee schilderijen en een tekening van dit meisje. Hij moet erg gek op haar geweest zijn, denk ik. Ze heeft één van de liefste gezichtjes uit de Nederlandse schilderkunst; haast niet van deze wereld. Piepjong staat ze ingekeerd voor het fornuis met lang donkerblond haar. Waar denkt ze aan…waar droomt ze over. Maris moet zich dat tijdens het schilderen hebben afgevraagd. Maar vergis ik me nou of niet…Zie ik een gebolde buik? Is het soms een zwanger meisje? Ik weet het niet zeker en de bordjes in het Rijks geven geen uitsluitsel. Ik neem het voor lief dat ik er nooit achter ga komen.

Een schilderij uit de periode dat hij tegen de prerafaëllieten aanschurkte vind ik wel de Koningskinderen. Qua onderwerp past het bij deze stroming. Ook dat sprookjesachtige. Ook dat extreem romantische. Aan de andere kant was Matthijs Maris niet iemand die zich bij zo’n groep wilde aansluiten. Het blijft sterk zijn eigen stijl. Bij de prerafaëllieten kan je de ene schilder nauwelijks van de andere onderscheiden; Maris lijkt uitsluitend op zichzelf. Hier ook al het langzaam uitvlakken van de tekening. Een fascinerende weg die hij langzamerhand gaat perfectioneren.

Van een later schilderij ben ik vergeten het bordje te fotograferen; probeer dan nog maar eens terug te halen om wel schilderij het gaat. Geen idee, dus. Maar wel tekenend voor de latere stijl van Maris. Eigenlijk is het een soort mist waaruit drie gezichten vagelijk opdoemen. Alleen nog maar sfeer. Wat de figuren doen of hoe ze eruitzien is nauwelijks te zien. Fascinerend!

Leuk om de schilderijen van Matthijs Maris een keer in het echt te kunnen zien in het Rijksmuseum. Leuk om schilderijen van de man te zien die Vincent van Gogh heeft geadviseerd om alles te worden behalve kunstschilder. (Kennelijk had hij weinig oog voor talent) Maar niet meer dan dat. Leuk. Nou niet direct een tentoonstelling waar ik erg warm van werd of enthousiast. Leuk, dat is het juiste woord. Als je liefhebben bent van het werk van Matthijs Maris dan heb je nu de kans om de werken in het echt te zien. Dus voor hen zou ik zeggen: Spoed je naar het Rijksmuseum. Voor de anderen? Als je er toch bent is het wellicht leuk om de Philipsvleugel op te lopen en wat schilderijen te bekijken; de man maakte als kunstenaar een bijzondere ontwikkeling door.

 

‘Small Wonders’ in het Rijksmuseum

Ik weet niet wat voor bril ik had moeten meenemen, maar op de fraaie kunstwerken ter grootte van een walnoot kon ik moeilijk focussen. Ik had moeite om ze te zien. Ook de vergrootglazen die het Rijks als hulpmiddelen had neergelegd maakte het niet eenvoudig om alles te zien wat er te zien viel. Zelden kunst gezien waar ik zo van onder de indruk was. Niet alleen dat alles onnoemelijk klein was, maar ook nog eens van een superieure artistieke kwaliteit. Het werk van uitmuntende beeldhouwers op de kubieke millimeter. De tentoonstelling ‘Small Wonders’ bezorgt je hoofdpijn, want je wilt alles zien en dat is onmogelijk, en het maakt je gelukkig want uitvergroot op de muur blijkt dat zelfs een handje van een fractie van een millimeter nog herkenbaar als een echte hand. Ongelofelijk!

Als je de tentoonstelling bezoekt loop je eerst langs beeldjes van zo’n slordige vijftien centimeter groot. Klein, maar klein zoals je ze wel vaker ziet. Bij die beeldjes gaat het om de kwaliteit en de detaillering. Die is enorm. Beeldjes van Maria Magdalena bijvoorbeeld van zo’n tien centimeter groot. Een prachtig uitgesneden jurk die in plooien om haar heen valt. Devoot kijkt ze naar de hemel. Maar ook een uit buxushout gesneden kerststalletje. Zo trefzeker zie je ze zelden. Adam en Eva als gladde jonge goden met gewelfde buikjes. Klein maar fijn. Wat opvalt is dat de beeldensnijder Eva een echte vrouw laat zijn. Niet alleen het piemeltje van Adam is bloot, maar ook de schaamlippen van Eva. Dat zie je zelden. Vrouwen zijn in oudere kunst glad tussen hun benen; alsof daar helemaal niets zit. Bij deze Eva een uitgewerkte vulva. Eerlijke kunst; ik hou daar wel van. Bij een ander beeldje van net vijftien centimeter hoog, heeft de devote heilige handschoenen aan. Wat een wonder om te zien hoe de beeldensnijder het gelukt is om een beeldje van maar zo groot handschoenen aan te geven. Ik word daar stil van. Aan het eind van deze kamer van kleine beeldjes een klein vertrek met een gebedsnoot. Op de muur uitvergroot wat je in de vitrine zou moeten kunnen zien.

Eva als vrouw; met alles erop en d’r aan…

Je tuurt naar dat kleine bolletje ter grootte van een walnoot en je ziet een voorstelling in een notendop maar je hebt moeite om je ogen scherp te krijgen op zoveel kleins. Je ziet tal van personen op miniatuurformaat. Je ziet paarden. Een gekruisigde Jezus. En ja, op de uitvergroting op de muur constateer je dat Jezus herkenbare handen heeft die aan een kruis zijn gespijkerd. Of verzin ik de spijkers? In ieder geval is er de suggestie van spijkers. Ook lansen zie je. Je vraagt je af hoe iemand zoiets heeft kunnen maken. Je moet niet alleen heel erg artistiek begaafd zijn, maar je moet ook nog eens over hele goede ogen beschikken en over hele vaste handen. Een lans is niet veel minder dan een splinter hout. Maar deze lans lijkt niet op een splinter, maar op een lans. Hoe krijg je dat voor elkaar. Ik stond een lange tijd vol bewondering naar die ene noot te kijken. Toen ik de ruimte verliet ontdekte ik dat er nog een ruimte was…vol met gebedsnoten. En rozenkransen en andere miniatuur beeldjes.

Men vermoedt dat al dat kleins uit één en hetzelfde atelier afkomstig is. Uit wat summiere gegevens denkt men te weten, met heel veel slagen om de arm, dat de Delftse beeldhouwer Adam Dircksz de maker is van al het tentoongestelde kleins. Men weet het absoluut niet zeker. Het lijkt wel duidelijk dat de beeldjes en gebedsnoten afkomstig zijn uit één atelier. Qua stijl lijken ze erg op elkaar.

Aan het eind van de tentoonstelling staat één van de hoogtepunten. Uit één stuk hout een beeld met verschillende scenes uit het verhaal van Sint Joris en de Draak. Zo verfijnd en zo gedetailleerd…en…je moet zelf maar gaan kijken!

Tenslotte mijn strategie om meer te zien dan ik met het bebrilde en door een loep geholpen blote oog…foto’s maken. Hopen dat die foto’s zo scherp zijn dat alle details thuis duidelijk worden. Dat is me dus maar één keer gelukt. De rest was scherp genoeg als kiekje, maar niet om de details naar voren te brengen.

Mijn zelf gefotografeerde gebedsnoot.

Eigenaar van een mens

Ik ben op zoek gegaan naar slavernij en Nederland in Amsterdamse musea. Niet zozeer een vergeten hoofdstuk als wel een nieuw hoofdstuk in de Nederlandse geschiedenis. Op zich kende Nederland nooit veel slavernij. In Nederland waren voldoende goedkope arbeidskrachten, daarvoor hoefde men niet elders naar oplossingen te zoeken. Bovendien, zo las ik bij P.C. Emmer, was slavernij iets dat op gespannen voet stond met de calvinistische leer. Op den duur en heel ver weg wist men zich daar wel overheen te zetten, maar helemaal koosjer was het niet volgens de calvinisten. Wellicht dat daarom zoveel planters in Suriname een joodse achtergrond hadden. Slavernij is pas echt onderdeel van de Nederlandse geschiedenis geworden sinds de zwarte Surinamers emancipeerden. En dat is pas sinds kort. Om te kunnen emanciperen moet je je thuis voelen in een land. Ik kan me voorstellen dat men daar een tijd over gedaan heeft in Nederland. Misschien is de onthulling van het slavernijmonument in het Oosterpark wel de ommekeer geweest.

In het Tropenmuseum kwam ik in een donker hoekje iets over het verleden van Suriname tegen. Onooglijk opgesteld. Net alsof je het niet mag zien. Een heel klein stukje over slavernij. Het biedt geen enkel inzicht in wat daar toen speelde. Met het stukje Suriname maakt het Tropenmuseum een slechte beurt. Een hele afdeling, badend in het licht en vol met glitter over landen als India en maar een klein donker hoekje over Suriname. Als je het mij vraagt zou het in het Tropenmuseum moeten gaan over het Nederlandse verleden in Tropische streken. Nederland en Indonesië. Nederland en Suriname. Nederland en Sri Lanka wellicht of Zuid-Afrika. Niet dat kleine beetje aandacht dat Suriname nu krijgt. In het Tropenmuseum een stel diorama’s die het leven van alledag in Suriname laten zien. Verder een deel van een boot. Waarschijnlijk een slavenboot. Maar dat zie je nergens aan af. Over het Tropenmuseum kan ik niet echt enthousiast worden.

Slavendans van Gerrit Schouten

Ook in het Rijksmuseum geven ze ietsje aandacht aan het koloniale slavernij verleden. Een heel klein beetje om te zien hoe het daaraantoe ging, maar doorgaans toch gewoon omdat het toevallig op een mooi schilderij aan de orde komt. Bijvoorbeeld in de schilderijen die Frans Post maakte over Brazilië. Heel kortstondig een kolonie van Nederland. Post schilderde vooral het landschap en de dieren. Haast terloops ook plantages met slaven. Hij gaf daarmee de werkelijkheid van zijn tijd weer; op plantages werkten slaven. Punt. Datzelfde kom je ook tegen in een stel diorama’s die Gerrit Schouten heeft gemaakt. Een soort natuurlijke aanvaarding van het feit dat mensen tot slaaf waren gemaakt. Je ziet blanke mensen. Ze dragen westerse kleren – weliswaar ouderwets – maar toch heel herkenbaar en je ziet slaven. Heel anders gekleed. Doorgaans met niet veel meer dan een schaamlap. En dat leeft naast elkaar alsof het nooit anders is geweest. Alsof het de natuurlijke orde der dingen is. Iedereen lijkt gelukkig met de situatie. Zo is er een diorama waarin slaven lekker aan het dansen zijn… Slavernij als natuurlijk gegeven. Met mijn brein kan ik daar maar moeilijk bij; hoe kan je je eigenaar voelen van een mens? Onbegrijpelijk!

Slavernij tentoonstelling in 2020

Het duurt nog even, maar komen gaat het: Een tentoonstelling over het Nederlandse slavernijverleden in het Rijksmuseum. In de krant van vandaag wordt deze tentoonstelling voor 2020 aangekondigd. Een tentoonstelling waar ik zeker naar toe ga. Ik heb beweerd dat Nederland geen slavernijverleden heeft. Oké, daarin overdreef ik een beetje. Nederland heeft in mijn ogen een klein slavernijverleden. In tegenstelling tot Suriname. Suriname = slavernijverleden. Punt. Suriname was een Nederlandse kolonie. Nederlanders emigreerden naar Suriname en zette daar plantages op. Voor die plantages waren arbeidskrachten nodig. Daarom werden er mensen in Afrika gevangengenomen en verhandeld om vervolgens in Suriname op de plantages tewerkgesteld te worden. Dit tegen kost en inwoning, verder niets. Zonder vrijheid en overgeleverd aan de willekeur van eigenaren. Vanuit onze humanistische optiek van nu, volkomen verwerpelijk. Wij vinden dat je nooit eigenaar kunt zijn van een mens. Dat is anders geweest. Eigenlijk is dat inzicht nog niet zolang geleden in Nederland en Amerika gemeengoed geworden. Daarvóór waren slaven net zo gewoon als honden en katten. Gek genoeg niet in Nederland. In Nederland zijn eigenlijk nooit veel slaven geweest. Er is nooit vraag geweest naar goedkope arbeidskrachten van buiten; die hadden we zelf al hier. Arme sloebers genoeg!

Het Nederlandse slavernijverleden bestaat uit slavenhandel: Nederlandse schepen vervoerden slaven van de Afrikaanse kusten naar Amerika. Handel dus. Men kocht goedkoop mensen in om ze elders in Amerika weer duur te verkopen. De gezagvoerders en handelaren op de schepen waren Nederlanders, de bemanning bestond uit arme sloebers en avonturiers die overal en nergens geronseld waren. Nederlanders verdienden aan de slavenhandel en onbewust zal de Nederlandse bevolking daarvan hebben meegeprofiteerd. Het aan slavenhandel verdiende geld werd vast hier in Nederland geïnvesteerd en wie weet werd er wat belasting over betaald.

Een andere Nederlandse betrokkenheid bij de slavenhandel waren de mensen die naar Suriname emigreerden en daar plantages runden. Ze waren van oorsprong Nederlanders en vielen uiteindelijk onder Nederlands gezag. Waarschijnlijk zullen ze geld hebben gestuurd naar hun familie in Nederland. Daarvan zal Nederland in zijn geheel hebben geprofiteerd. Maar de mensen die emigreerden waren natuurlijk na één generatie nauwelijks nog Nederlanders; dat waren Surinamers geworden. Blanke Surinamers die zwarte Surinamers als slaaf hielden. Vanuit ons eenentwintigste-eeuwse perspectief een volslagen immorele situatie. Maar…een Surinaamse situatie.

Toen Suriname in de jaren zeventig van de vorige eeuw een eigen land werd, kwamen er veel Surinamers naar Nederland. Daardoor kreeg Nederland een slavernijverleden; een Surinaams slavernijverleden. Dat verleden zat in de naar Nederland geëmigreerde Surinamers. Daarom vind ik het fantastisch dat Keti Koti gevierd wordt. Ik vind slavernij volkomen verwerpelijk en mensen wiens voorouders daaronder geleden hebben, moeten de wereld kunnen zeggen: Nooit meer! En ik, eenentwintigste-eeuwse Nederlander is het daar helemaal eens…Nooit meer! Ik vier het feest van de gebroken ketenen graag mee! Ik ben tegen onrecht.

Ik kijk uit naar de tentoonstelling over slavernij in 2020. Dat is nog heel veel nachtjes slapen!