Tagarchief: Richard Wagner

Parsifal en Rubens

Op één dag na, precies 20 jaar geleden, kreeg ik een fantastische uitvoering van Parsifal van Josien op CD cadeau. Ik was al helemaal gegrepen door Wagners Siegfried en Lohengrin, maar Parsifal was nieuw. De ouverture is zo sacraal. De hemel breekt open op de muziek van Parsifal. De ouverture duurt meer dan een kwartier. Nog niemand heeft er iets gezegd of gezongen en toch is alles al duidelijk. Alles wat Richard Wagner wilde zeggen. De woorden die hij bij zijn opera schreef zijn een slap aftreksel van de muziek. De woorden vertellen een schier onbegrijpelijk verhaal over een reine dwaas. Maar de muziek… De muziek is hemels. Was je nog niet spiritueel dan word je het wel als de koperblazers inzetten. Prachtig. Omdat ik die eerste kant van de CD zo mooi vond, draaide ik hem keer op keer opnieuw en steeds weer trof me dat geweldige gevoel van even niet meer op de wereld te zijn en één te worden met het al.

Een paar weken later hadden Josien en ik ons weekendje zonder kinderen gepland. Naar Antwerpen. De jongens verheugden zich er enorm op om of bij oma of bij grootmoeder te mogen logeren. Wij verheugden ons enorm in een weekendje zonder dat we jongetjes moesten verzorgen. En zo togen wij, met de muziek van Wagner in de autoradio naar Antwerpen en zette wij onze tent op op de stadscamping. Dat het sanitair best bar en boos was, kon ons even helemaal niet deren.

Met z’n tweetjes wandelden we naar de Kathedraal en hadden er graag wat franken voor over om hem van binnen te bezichtigen. En toen stuitte we op twee onvergetelijke doeken van Rubens. Aan de linkerkant voor het koor de Kruisoprichting en aan de rechterkant van het koor de kruisafname. Wat een schilderijen! Zo midden in de actie geschilderd. Het zweet in de oksel van de kale krachtpatser bij de Kruisoprichting kan je ruiken. Jezus verbijt de pijn en verwacht nog meer pijn als hij rechtop staat. Wagners muziek zwelt aan en schiet naar onverwachte hoogte terwijl het tempo steeds gedragen blijft. Je voelt Jezus sidderen van angst en pijn; ook Jezus was (voor even) maar een mens! En vervolgens door naar de kruisafname. Even het koor oversteken in de kathedraal… Nooit zo’n absoluut lijk gezien op een schilderij. Morsdood is jezus en iedereen treurt. Voorzichtig laten ze het lichaam zakken. Ondertussen neemt de intensiteit van de muziek weer af maar zo prachtig, zo verschrikkelijk mooi, zo hemels. Parsifal en de twee doeken in de kathedraal van Antwerpen zijn voor immer met elkaar verbonden.

We zijn nu op vakantie in Saumur aan de Loire. We bezochten net de plaatselijke Petruskerk. De schilder van het schilderij dat in deze kerk hangt, was zo te zien ook erg getroffen door de doeken in de Antwerpse kathedraal… Bij mij gaat in mijn hoofd geen Parsifal spelen als ik dit doek zie, maar grappig is het wel.

De kruisafname in de Petruskerk in Saumur

Beethovens vioolconcert en Mendelssohns Schotse

Nederlands Philharmonisch Orkest met: Ivor Bolton, dirigent, Veronika Eberle, viool

Gezien en gehoord op 17 september 2016 in het Concertgebouw in Amsterdam.

Aan de ene hand Beethoven en aan de andere hand Mendelssohn. Aan de ene hand een genie en aan de andere hand een wonderkind. Moscheles zat precies tussen die twee grootheden in. Hij was de grootste pianovirtuoos van zijn tijd en hij componeerde ook. De pianovirtuoos is vergankelijk terwijl de componist dat niet is. Heeft Ignaz Moscheles dat ook zo gevoeld? Hij was dikke vrienden met Ludwig van Beethoven en met Felix Mendelssohn-Bartholdy. Ik vraag me af wat het zelfbeeld was van Ignaz Moscheles. Hoe keek Beethoven naar hem en hoe Mendelssohn? De beide componisten zullen zijn werk hebben gezien en gespeeld. Hoe stonden zij ertegenover? Zagen ze dat Moscheles een derderangs componist was maar een eersterangs pianist? Zag Moscheles het genie van Beethoven en Mendelssohn? Hoe gingen ze daarmee om?

Ik denk dat ze vrienden waren in een gelijke leefwereld; de muziek. En dat was alles. Moscheles, Beethoven en Mendelssohn behoorden tot de top van de toenmalige muziekwereld. Ik denk dat ze elkaar inspireerden en stimuleerden.

In onze eenentwintigste eeuw zijn vriendschappen en pianovirtuozen van toen vergaan en vergeten en blijven er slechts opgeschreven composities over. Dan valt op dat Moscheles als componist, een ruime tree lager staat dan Beethoven en Mendelssohn. Zijn Ouverture Jeanne d’Arc was verdienstelijk. Niet meer dan dat. Verdienstelijk; dat is een rotwoord. Voor mij betekent het zoiets als: Ik viel niet direct in slaap, maar wakker blijven was best veel gevraagd. Het had niet veel om het lijf die ouverture van Moscheles en het was niet veel aan.

Dat gevoel veranderde toen violiste Veronika Eberle op het podium stond. Zij speelde zonder meer de sterren van de hemel. Het vioolconcert van Beethoven is één van de moeilijkste vioolconcerten om te spelen. De violiste moet zo lang wachten voor zij kan inzetten. Dat moet een enorme opgave zijn. Alle thema’s worden al door Beethoven voorbereid en zij staat daar maar. In het middelpunt van de aandacht, maar ze mag nog niets… Als de viool eenmaal aan de beurt is, dan blijft zij aan het woord; het hele concert. Ze gaat op in een geniale dialoog met het orkest. Wat een fantastisch stuk muziek.

Het spel van violiste Eberle leed er nauwelijks onder, maar ze had een iets andere dirigent verdiend dan ze nu kreeg met Ivor Bolton. Dat had het concert nog mooier gemaakt dan het nu was. De eerste twee delen van het vioolconcert zette hij, naar mijn idee, te traag en te bombastisch in. Beethoven is al geen vrolijke gast, maar als je hem speelt zoals Bolton hem speelde, dan wordt het wel een heel zwaar verhaal. Te traag en te bombastisch in de baspartijen. In het derde deel mocht Veronika Eberle het tempo bepalen; en dat was goed. Meteen al bij haar inzet van het derde deel kwam alles vrij wat Beethoven tot genie maakt en Veronika Eberle tot een groot violiste in de dop. Bolton kon, geleid door violiste en Beethoven, meevaren. Een beetje zoals Moscheles meevoer met Beethoven en Mendelssohn.

Eberle gaf een wonderschone toegift. Geen idee wát ze speelde, maar háár horen spelen is sowieso al een feest!

Na de pauze de derde symfonie van Mendelssohn. Wat ik wel heb horen zeggen is dat het hele antisemitisme van Richard Wagner één grote jaloerse actie was, gericht tegen een componist die technisch veel sterker was dan hijzelf; Felix Mendelssohn-Bartoldy. Het schijnt dat Mendelssohns techniek ongeëvenaard is. Dat zijn modulaties bijvoorbeeld geniaal zijn. Mij valt dat niet op in de muziek, ik weet dat niet. Ik ben geen musicoloog. Wat ik wel hoor, is dat de muziek van Mendelssohn relatief makkelijk in het gehoor ligt. Het heeft iets lichtvoetigs. De eerste maten van de Italiaanse symfonie vergeet je niet snel. Eén en al vrolijkheid. De Schotse, derde, symfonie is wel niet zo vrolijk en opgeruimd, maar vergelijk je het met Parsifal van Richard Wagner, dan is zijn symfonie zo licht als helium. Gisterenavond dus de derde symfonie van Mendelssohn. Een lekkere symfonie. Meeslepende muziek. Wellicht heeft Bolton iets meer met de wat luchtigere Mendelssohn dan met de zwaarmoedige en dieper doorwrochte Beethoven. Hoe het ook zij, de Schotse symfonie was een heerlijke afsluiting van een mooie avond.

Richard Wagner-fan

Ik kan precies aangeven vanaf welk moment ik een fan ben geworden van de muziek van Richard Wagner. Dat was vlak na het overlijden van mijn vader. Aanstaande juni ben ik tweeëntwintig jaar Wagner-fan! Sindsdien heb ik al zijn opera’s leren kennen op één na. Eigenlijk op drie na, want zijn twee jeugdopera’s ken ik ook niet. Der Meistersinger heb ik wel gehoord, maar die is nooit goed tot me doorgedrongen. De anderen ken ik goed of heel erg goed.

Toen mijn vader in 1994 overleed liet hij een enorme puinhoop achter. We wisten, qua erfenis, echt niet wat ons te wachten stond. Schulden maakte hij even makkelijk als kinderen. Hij beschouwde kinderen ook op dezelfde manier als schulden; je maakt ze en je kijkt er nooit meer naar om. Dat was mijn vader. (Dan te bedenken dat ik geeneens boos op hem ben.) Broers, zus en ik waren na zijn overlijden naar de notaris gestapt en lieten een akte opstellen waarin we verklaarden van de erfenis af te zien. Veel hadden we al van hem geërfd; daar hoefden zijn schulden niet bij. De notaris bezwoer ons dat we niets uit zijn huis mochten halen.

Aan die regel hadden we ons meteen al niet gehouden want in zijn huis leefde nog poes Maria Magdalena. Veertien dagen voor mijn vaders dood waren we opgetrommeld. Mijn vaders familie hoopte dat wij, als kinderen, zijn glijpartij richting de dood konden keren. Nee, dus. We maakten wel kennis met zijn kat. Volgens mijn vader een allemanshoer. Maria Magdalene kwam bij ons en voor de zekerheid hernoemde Josien haar naar Emmeke; dat had Marieken van Nimweghen tenslotte ook gered.

Maar we lapten de notaris nog verder aan onze laars. Muziek vormde het lichtpuntje in mijn relatie met mijn vader en dat lichtpuntje liet ik mij niet afnemen. Zijn platen en zijn cd verzameling heb ik meegenomen. Ook zijn muziekinstallatie. Die ging naar mijn broer. Mijn zus wat schilderijen van zijn hand en verder niets. Het was een bijzonder goor karweitje om die spullen uit dat huis te halen. Huizen zoals het huis van mijn vader zie je vooral in freak-shows. Je kan je niet voorstellen hoe vies. Maar zijn muziek namen we dus mee.

Thuis bij mijn moeder werd Richard Wagner geassocieerd met Duitse Hoempapa muziek en antisemitisme. Geassocieerd met de foutste kant van de tweede wereldoorlog. Wagner was gewoon fout. Niet naar luisteren dus. Dat had ik meegekregen. Maar Wagner was wel aanwezig in mijn vaders verzameling. In onbeschadigde cassettes vond ik Lohengrin en Siegfried. De naald had het vinyl amper geraakt… De eerst tonen van Siegfried klonken… Ik was volkomen verkocht. Wat een muziek!

Ik heb nog vaak proberen te horen waarom deze muziek zo ‘typisch Duits’ gevonden werd terwijl Beethoven, toch ook een volbloed Duitser, dat etiket niet kreeg. Zijn muziek is zo heftig en subtiel tegelijk. En zo vernieuwend in zijn tijd. Ik weet niet wat ‘typisch Duitse’ muziek is. Als Wagner dat is, dan moet het een compliment zijn. Voor mij zit Wagner op een gelijk niveau met Beethoven en Mozart. Dat vond hij zelf trouwens ook. Wagner had geen last van bescheidenheid.