Tagarchief: oorlog

Op vakantie in Putten

Monument 2 october 1942 in Putten

Als je in Putten op vakantie bent – en dat zijn wij – dan bezoek je het monument. Het monument bestaat uit een beeld van Marie Andriessen en stelt een rouwende vrouw in Puttense klederdracht voor wiens mannelijke familieleden werden weggevoerd naar ellende en dood. Ze staat er sober en helder in een klein herdenkingsparkje en het schrijnende verdriet druipt van haar af. Ik vind het een mooi beeld en een gepast monument ter nagedachtenis aan de meedogenloze terreurdaad die door de nazi’s in de laatste periode van de tweede wereldoorlog werd begaan. In het nabijgelegen bezoekerscentrum wordt het verhaal van de razzia van 2 oktober 1944 verteld. Zeker een indrukwekkend verhaal.

Rond de tijd van de mislukte slag om ‘The bridge too far’ in Arnhem, waren de relatief ongeorganiseerde Nederlandse verzetslieden door koningin Wilhelmina op afstand gevormd tot een ware gevechtseenheid onder leiding van prins Bernhard. Een van de verzetsgroepen had de opdracht gekregen om een auto met Duitse hoge officieren op te wachten en alle inzittenden te doden. Na gedane arbeid had de auto, inclusief lijken, verdonkeremaand moeten worden zodat niemand te weten zou komen hoe of waar. Maar helaas, de aanslag liep niet zoals voorbereid en drie van de vier inzittenden van de auto in kwestie, wisten te ontsnappen. Verdonkeremanen van auto en lijk had daardoor weinig zin en de verzetsgroep maakte dat ze weg kwam en dus bleef de doorzeefde auto op de weg vlakbij Putten staan. Dit had best grote gevolgen…

Het dorp Putten werd omsingeld. Alle mensen werden uit hun huizen gehaald. Alle mannen tussen de zeventien en vijftig – een slordige zeshonderdvijftig mannen – werden overgedragen aan de SS die hen verder transporteerde naar noord Duitsland waar ze in het concentratiekamp Neuengamme werden opgesloten. Daar werden ze gedwongen om zich onder erbarmelijke omstandigheden dood te werken. De vrouwen en kinderen en ouderen werd gesommeerd het dorp te verlaten. Putten werd platgebrand. Terecht wordt hier heel veel aandacht aan geschonken. In het plaatselijke museumpje ‘Tien malen’ dat wij bezochten, worden brieven tentoongesteld van koningin Wilhelmina die de rouwende weduwen, zussen en moeders enige troost moesten bieden. Indrukwekkend!

Maar toch…Ik kan het niet laten…(kan je leed vergelijken?)…

Op 11 november 1942 werd de confectiefabriek Hollandia-Kattenburg omsingeld. Alle joodse werknemers werden gearresteerd; ongeveer de helft van de mensen die daar werkten. Ondertussen waren de gezinnen van de gevangengenomen werknemers ook opgehaald. Samen werden ze naar Westerbork vervoerd en vandaar naar de dood in Polen. Dat waren een slordige achthonderdvijftig mensen. Maar joden, dus. Anders dan Puttenaren, denk ik. Een van de werknemers was mijn grootvader (die dus nooit mijn opa is geworden). Oma en mijn moeder waren niet thuis toen de joden-ophaaldienst aanbelde…Enige troost van koninklijke zijde kwam afgelopen 5 mei; een slordige tachtig jaar na dato…treurende weduwe-oma was toen al achttien jaar overleden.

Brief van koningin Wilhelmina ter ondersteuning van een Puttense weduwe.

De (on)zekerheden over Kamp Westerbork

We fietsen een rondje door Drenthe. Zo’n slordige honderdvijftig geplande kilometers, maar in werkelijkheid een stuk meer. Verspreid over drie dagen. De auto hebben we in Giethoorn geparkeerd en vandaaruit zijn we eergisteren naar Assen gefietst. Daar had ik een appartementje gehuurd voor een nacht. Dat bleek een fantastisch tuinhuisje te zijn waar we zeer welkom werden onthaald. Vandaar zijn we gisteren naar Hollandseveld gereden, in het echt een gehucht daaronder: Nieuw Moscou. Onderweg kwamen we herinneringscentrum Kamp Westerbork tegen. Daar kon deze jongen niet zomaar langs fietsen. Helemaal niet omdat ik gehoord had dat de commandantswoning geconserveerd was en ik dat graag wilde zien. De laatste keer dat ik Kamp Westerbork bezocht, was die woning een bijzonder fascinerend krot dat elk moment van ellende in elkaar kon storten.

De commandantswoning

Over de woning bleek een glazen overkoepeling te zijn gebouwd. Het maakte het huis nog bizarder dan het al was. Een beetje een sprookjeshuis; een huis waarin ik graag zou willen wonen. Grotendeels van hout. Met een grote waranda en veel ruimte om het huis. Maar ja, het huis werd juist bewoond in een periode dat het volledig uitzicht had op een plek des onheils. Laten we zeggen uitzicht op het voorgeborchte van de hel. Hoewel…als je de afloop nog niet kent van de mensen die daar verbleven, had je makkelijk kunnen denken dat dit kamp al de hel was. Duizenden mensen van huis en haard verdreven opgesloten in een kamp zonder enige privacy. Zou ik op dit moment in zo’n kamp zitten, dan zou ik denken dat ik in de hel zat… Maar het was het voorgeborchte. Dat voelde men waarschijnlijk ook wel zo want velen deden hun best om niet op de trein gezet te worden naar het oosten.

Hoe dachten de mensen die in dat nu geconserveerde huis woonden over dat kamp waarop ze uitzicht hadden? Wisten zij wat het lot was van de mensen die vanuit het kamp op de trein richting het oosten werden gezet? Rondom de geconserveerde commandantswoning staan borden die verschillende personeelsleden bespreken…

een van de beulen?

Zo ook secretaresse Elisabeth Hassel-Mullender. Gezien mijn gedeeltelijk joodse achtergrond en gezien de manier waarop ik grootgebracht ben, heb ik een gevormde blik om tegen dit soort verhalen aan te kijken. Maar gelukkig is daar bijzonder graag discussiërende zoon R. die mij uitdaagt om alles met een open blik te bekijken. Het verhaal wat er op het bord staat zou ik vroeger als zoete koek geslikt hebben, nu vraag ik me af wat de betekenis is van zinsneden als: ‘In het kamp staat ze bekend als…’ of ‘Gezegd wordt dat…’ Vaagheden, kortom. Ook de getuigenis van Aad van As, dat op hetzelfde bord als bewijs wordt opgevoerd, brengt geen soelaas. De man was zelf onderdeel van het vervolgingsapparaat en diende aan te tonen dat de ‘anderen’ veel slechter waren dan hijzelf… Haal ik alle negatieve nauwelijks bewezen opsmuk uit het verhaal, dan blijft er een ongelukkig getrouwde vrouw achter die haar minnaar Gemmeker achterna reisde en samen met hem een tijd gelukkig was in de commandantswoning van Westerbork. Hoe zij tegen dat kamp aangekeken heeft destijds en de arme sloebers die daar gevangen zaten…ik weet het niet en de conservators van herinneringscentrum Kamp Westerbork klaarblijkelijk ook niet.

Oma en Fré Cohen

We zitten nog net in de eerste helft van mei. Een periode waarin teruggekeken wordt naar de eerste helft van de twintigste eeuw. Vijftig jaar die ongekend bloederig zijn geweest. Er zijn altijd in de geschiedenis wel oorlogen geweest en er heeft altijd wel bloed gevloeid, maar de eerste vijftig jaar van de twintigste eeuw zijn ongekend geweest wat dat betreft. Toch is het ook een periode waar ik heel graag naar kijk omdat er tegelijkertijd een ongekende bloei was van kunst en cultuur. Soms tegelijkertijd met uitspattingen van wreedheid, maar vaker als er luwte was in het bloedvergieten. En dat er tussen alle ellendige periodes door mensen bleven geloven in de goedheid van de mensheid en hun ideaal probeerden te verwezenlijken van gelijke kansen voor iedereen. Eén van de personen waarbij zowel de ellende, de cultuur en het idealisme samenkomen is Fré Cohen. Over Fré Cohen gaat een tentoonstelling komen in ‘ons’ museum. Fré Cohen zette mij op een speurtocht die me onverwacht heel erg dicht langs mijn eigen familie leidde…

Tekening van Fré Cohen – ‘Tevje der Milchman’ – aan de muur bij mijn moeder

Ik ging namelijk bij mijn moeder eten en vond deze tekening aan de muur. Een erfstuk van mijn oma. Mijn oma en Fré Cohen waren enthousiaste leden van de AJC; de Arbeiders Jeugd Centrale. Na de eerste wereldoorlog hoopten ze dat de wereld zou genezen van de verschrikkelijke wond die de oorlogsellende had veroorzaakt. Ze wisten niet wat hun, joden, nog te wachten stond. Hun onwetendheid is achteraf gezien een gelukkige omstandigheid want daardoor hebben ze nog wat jaren kunnen geloven in al het goeds dat het leven voor hen in petto had. Van Fre Cohen weet ik dat het grootste deel van haar werk in deze periode ontstond. Mijn oma had de tijd van haar leven. Ze was wat jaartjes jonger dan Fré Cohen maar minstens zo enthousiast voor de AJC. Mijn oma moet de tekening van Fré Cohen gekregen hebben en er totaal niet bij stil gestaan hebben wie of wat – anders dan een mede-AJC’er – Fré was. Mijn moeder vertelde dat ze de tekeningen na oma’s overlijden vond tussen heel veel andere papieren met punaisegaatjes en resten van plakband op de hoeken.

Die luwte in de wereld tussen de twee wereldoorlogen in fascineert me enorm. Dat geloven in de goedheid van de mensheid. Geloven in de mogelijkheid van het opvoeden van de mens tot een fantastisch wezen dat net als zij niets dan goeds voorheeft met de wereld. Weliswaar joods – en heus dat bleef altijd een zekere rol spelen – maar fel tegen religie omdat dat de mensen dom zou houden; opium voor het volk. Tussen de spulletjes van oma vond ik veel foto’s. Ook deze foto. Natuurlijk heb ik mijn oma zo nooit gekend. Zelfs van mijn moeder was nog in geen velden of wegen sprake toen deze foto gemaakt werd. Maar haar gezichtsuitdrukking…dat heb ik nooit meer zo gezien. Een gezichtsuitdrukking, ontspannen en vol verwachting, diep gelukkig en onbevreesd. Oma als naïeve lieve puber. Mijn oma hield iets van de dood in haar ogen nadat ze terugkeerde uit Auschwitz. Heus, ze heeft nog wel gelukkige momenten gehad, maar dood en verderf en algehele ondergang lagen altijd op de loer. Voor Fré Cohen eindigde de oorlog anders; ze pleegde zelfmoord voordat ze gedeporteerd kon worden.

The Vietnam War; geschiedschrijving van de bovenste plank!

Ik zat in de brugklas. Het was tijdens de les aardrijkskunde dat één van mijn klasgenootjes vroeg of we mochten staken voor de Vietnamoorlog. ‘Als je staakt, dan staak je,’ antwoordde onze leraar: ’Als je wilt staken vraag je niet om toestemming, maar dat doe je.’ Wij konden onze oren niet geloven. We voelden ons zo voor vol aangezien! En toen gingen we allemaal de straat op. Naar de grote demonstratie. Ik had op het nieuws wel gezien wat er zo’n beetje speelde op dat moment in dat land heel ver weg. Enorme bombardementen werden er uitgevoerd op de Ho Tsji Min route. Ik was tegen oorlog omdat oorlog verschrikkelijk slecht was, had ik meegekregen. Maar verder…geen idee. En dus demonstreerde ik tegen de oorlog in Vietnam en riep zo hard als ik kon ‘Nixon moordenaar!’ Mijn eerste demonstratie. En we waren trots dat we dit deden en ik was opgelucht omdat de les Frans nu niet doorging waarvoor ik mijn huiswerk niet had gemaakt.

Niet dat er enig verband bestond tussen onze leerlingenstaking en de gebeurtenissen in Vietnam, maar niet veel later sloten Amerika en Vietnam een wapenstilstand en trok Amerika al haar troepen terug uit Vietnam. Er werd niet meer gebombardeerd. Dat Henry Kissinger en Le Doc Tho later de Nobelprijs voor de vrede kregen, vond ik nergens op slaan. Zeker Henry Kissinger verdiende die prijs niet omdat hij het land vertegenwoordigde dat de bevolking in Zuid-Oost Azie zo verschrikkelijk veel leed had aangedaan. Dat Amerika de oorlog had verloren, drong pas veel later tot me door. Ik heb nog een tijd gedacht dat de twee landen een eervolle deal hadden gesloten, maar toen de beelden de wereld over gingen van de Amerikaanse ambassade en de overhaaste vlucht van de Amerikanen, maar vooral toen er een helikopter overboord werd gegooid om maar meer mensen op het schip kwijt te kunnen, begreep ik dat de Amerikaanse nederlaag gigantisch was. Amerika had verschrikkelijk veel soldaten verloren en was daarmee niets opgeschoten. Ze hadden geen centimeter terrein gewonnen (en ook niet verloren, trouwens); hun aanwezigheid had niets opgeleverd. Een paar jaar later kwam ‘Apocalypse now’ uit. De film liet een gedemoraliseerd Amerikaans leger zien met een gigantische vuurkracht. Ze vernietigde alles was ze tegenkwamen. Vietnamezen werden vooral als slachtoffers getoond of als de onzichtbare vijand. Maar, en als je daarover nadenkt wel heel vreemd, Amerikanen zijn in deze film de wreedste tegenstanders van Amerikanen.

Ik vroeg me al heel lang af wat er nu werkelijk was gebeurd in dat land vol ongerepte jungle. Hoe heeft de oorlog zich ontwikkeld en wat waren de politieke besluiten die eraan ten grondslag lagen. Vanaf wanneer wist men dat de oorlog door de Amerikanen niet te winnen viel en welke conclusies trok men daaruit?  Hoe keken de soldaten zelf tegen deze oorlog aan? Netflix geeft antwoord op al je vragen over de Vietnamoorlog in de fantastische documentaire reeks The Vietnam War. Het is even een zit (tien afleveringen van anderhalf uur) maar dan heb je wel wat; een zeer gedetailleerd verslag van de Vietnamoorlog. Van het ontstaan van de bevrijdingsoorlog tegen de Fransen tot aan het Vietnammonument in Washington.

Stap voor stap zie je hoe de Verenigde Staten in het moeras zakken. Hoe ze, overtuigd van hun militaire superioriteit het zonder enig strijdplan opnemen tegen een nationalistische Vietnamese strijdgroep die door de jaren heen steeds meer onder invloed raakt van het communisme. Onbegrijpelijke politieke keuzes lijken aan de Amerikaanse inmenging ten grondslag te liggen. Vanaf het begin van de oorlog waren er al, invloedrijke, stemmen te horen die zeiden dat de oorlog zinloos zou zijn en niet te winnen en dat Amerika alleen maar in staat zou zijn tot massale vernietiging van het land zonder dat daarmee de oorlog te winnen was. Amerikanen huldigden niet het idee dat het land veroverd moest worden, want dat zou ze in het jungleland niet lukken. Amerikanen hadden het idee dat als de vijand enorme verliezen zou lijden ze op den duur geen mensen meer overhielden om de strijd te voeren. Het succes van de Amerikanen werd afgeleid uit het tellen van vijandelijke dode lichamen. Een strategie die nergens op sloeg maar die bij mij wel heel veel teweegbrengt.

Wie van geschiedenis en geschiedschrijving houdt, zal smullen van deze reeks. Heel veel zaken heb je wel van horen zeggen, maar de details ontbreken. Deze documentaire vult alle details in en laat de soldaten vertellen wat het voor hen betekende. Bovendien is er een goed evenwicht tussen het Amerikaanse verhaal en het Vietnamese. Dat de Amerikaanse soldaat kritisch kijkt naar de beslissingen die op politiek niveau genomen zijn, is bijna politiek correct, maar dat ook de Vietnamezen kritisch kijken naar beslissingen die de Vietnamese overheid nam, lijkt niet zo erg voor de hand te liggen, maar gebeurt wel.

Gezien het feit dat de Vietnamoorlog een oorlog was die bijna live op de televisie werd uitgezonden, is er aan beroerde oorlogsfilm geen gebrek. De ellende wordt aan elkaar geregen en niet iedereen kan daar tegen. Voor de geschiedenisliefhebber (zoals ik) is de documentair reeks een must. Ik heb zitten smullen van de ellende van het verleden; vijftien uur lang!

Wie zonder zonde is…

Mij wordt vaak verweten dat ik veel te mild denk over daders. Ik denk dat dat mijn calvinistische culturele achtergrond is (waarvan ik vaak denk dat ik die niet heb). Een beetje een gemankeerde calvinistische achtergrond. Zeg maar, dat kleine stukje van die leer waarin beweerd wordt dat we allemaal zondig zijn. Waar calvinisten dan streng gaan vervolgen denk ik…tsja, misschien had ik zelf ook wel graag die zonde begaan. Maar…het klopt. Ik denk mild over daders. Dat komt omdat ik denk dat we allemaal potentiele daders zijn. We zijn in wezen allemaal goed, maar worden makkelijk verleid tot het kwade. Het kwade heeft vrijwel altijd te maken met lust. En verleid worden tot een beetje lust, ja, daar kan ik over meepraten. Ik leef me dan ook graag in in de wereld van de dader.

Neem bijvoorbeeld Rijkman-Groenink. De ex-CEO van de ABN-AMRO. Een niet veroordeelde boef van het zuiverste water. Een exhibitionistische graaier van het eerste uur. Mede door zijn toedoen was de overheid gedwongen om de bank te nationaliseren. Dat heeft de belastingbetaler miljarden gekost. Ondertussen was hij er, nota bene legaal, met zo waanzinnig veel geld vandoor dat hij wel een hele knappe big spender moest zijn om dat er in één mensenleven doorheen te kunnen jassen. De boef zit nu legaal op zijn krent te genieten van ik weet niet wat. Ik zeg dat allemaal vrij plat en vrij heftig, maar ik had graag Rijkman-Groenink willen wezen en mijn leventje vol zwoegen, proberen, falen, uithuilen en opnieuw beginnen achter me gelaten en ingeruild voor een leventje elders in een immer warm oord met knappe jonge vrouwen die me op z’n tijd een koel drankje kwamen serveren. Ik bedoel maar.

Veel schrijnender zijn de hulpverleners in ontwikkelingslanden. In door oorlog, honger en ellende geteisterd gebied. Een gebied waar elke moraal op vakantie is. Als hulpverlener zie je daar de meest walgelijke dingen. Je hebt een enorme machtpositie alleen al doordat je honderd keer zo rijk bent als de omgeving waarin je verkeert. Bovendien kan je naar je eigen veilige kacheltje in je ‘echte’ land zodra je dat wil. Kortom: Als hulpverlener zit je in een omgeving van radeloze mensen die elke moraal vaarwel hebben gezegd en die alles in ruil doen voor ‘iets’. Zit je een beetje lustig in elkaar (deze man kijkt in de spiegel), hoe verleidelijk is het dan om jezelf op een pijpbeurt te trakteren als iemand graag een half gesneden wit wil. Ik noem maar wat. En dan kan je het allemaal nog heel goed verantwoorden ook, want dat sekswerkertje heb je toch maar mooi even geholpen. Wat had ze moeten eten als jij er niet was geweest? En…een paar minuutjes, dat is toch helemaal niet erg? Je hebt je zo weer boven Jan geluld want heus, je lusten botvieren in zo’n situatie knaagt best aan je geweten, denk ik. Dat is dan ook precies waarom je deze jongen niet onder de hulpverleners van welke organisatie dan ook in een rampgebied zal aantreffen. Omdat ik flink naar mezelf kijk, vind ik het behoorlijk lullig dat de hulpverleners voor de verleiding zijn bezweken, maar wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. Ik trek mijn gulle donaties ook niet terug. Ik vind het niet fraai, maar ja…wie zonder zonden is…

Er zijn ook daden die zo ver van mij afstaan dat de walging overwint. Daar heb ik het dan ook meteen erg moeilijk mee. De lust die leidde tot de daad is mij vreemd en de slachtoffers zijn er erg aan toe. Ik hou dan maar liever mijn mond. Ik weet niet. Ik weet niet of ik dan mild ben.

Requiem…

Op 10 oktober 1989 overleed mijn opa. Een mijlpaal. In het jaar dat onze jongste geboren werd, overleed de eerste mens bij mij in de familie. Het overlijden van mijn opa was meteen ook het heftigste overlijden dat ik ooit heb meegemaakt. Mijn opa had op geen enkele manier zijn dood aangekondigd. Hij was zo gezond als een vis. Hij tuinierde, fietste, liep, at, deed leuke dingen, las zich helemaal suf en was bijzonder bij de pinken. Helemaal niets aan de hand. Bovendien was hij nog helemaal niet zo oud. Net in de zeventig. Ik denk dat mijn omaatje onbewust had gedacht dat zij haar portie lijken in d’r leven wel gehad had en dat de dood daarom aan haar huis voorbij zou gaan. De oorlog en de joden, je weet wel. Toen mijn opa overleed kon oma niet meer ophouden met jammeren en gillen. Niets kon haar kalmeren, terwijl wij net zo goed tot op ons bot geschokt waren, en verdrietig. Ik was gek op mijn opa. We deelden veel. Onze liefde voor tuinieren, literatuur, schrijven, politiek, geschiedenis. Hoewel we heel veel deelden gold dat helemaal niet voor onze genen. Daarin deelden we helemaal niets. Toen de de Zyklon B na de oorlog optrok, trouwde men opnieuw met de mensen die nog over waren. Mijn oma dus met mijn opa. Ik had geen andere opa kunnen wensen, denk ik. Bijna precies achtentwintig jaar geleden overleed hij en de schok die het bij mij teweeg bracht werd nog versterkt door mijn arme omaatje die volslagen hysterisch werd.

Mijn opa kreeg niet de crematie die hij verdiend heeft. Zelf had hij wat dat betreft geen wensen, heus niet, maar achteraf gezien hebben we hem op een liefdeloze manier achter gelaten in het crematorium. Ik zit best vol zelfverwijt. Ik moest toen nog leren om te gaan met de onvermijdelijke dood van geliefde personen; geen idee toen hoe dat moest. Hoe geef je uiting aan je verdriet? Waarschijnlijk had mijn moeder het voortouw moeten nemen, maar dat kon ze niet. Om iemand op een goede manier achter te laten in het niets heb je liefde nodig; je moet om iemand geven. Mijn moeder gaf helemaal niets om hem, reconstrueer ik nu. Niemand kan haar dat verwijten. Voor mijn moeder moet mijn opa die vreemde kerel zijn geweest die de plaats van haar vader innam. Als er iemand is die dergelijke gevoelens kent, dan ben ik dat. Mijn moeder trouwde met Theo toen ik tien was en Theo paste bij mij als een dikke drol; die moest eruit. Hoewel mijn moeder erg mild over mij is, heb ik er alles aan gedaan om die gozer uit ons huis te pesten; wat haatte ik hem. Mijn moeder moet mijn opa gehaat hebben. Volkomen onredelijk moet ze hem gehaat hebben omdat hij de plaats innam van haar vader. Haar vader die al bij een van de eerste razzia’s was opgepakt, afgevoerd en vermoord. Wat zal mijn moeder hem gemist hebben. Wat zal ze zijn plaatsvervanger gehaat hebben terwijl ze dat zichzelf volslagen verbood. Arme opa. Als ik iemand nog vaak mis, dan is hij het. Wat hebben we veel gekletst, samen.

De haat van mijn moeder voor mijn opa verzin ik. Verzinnen is misschien niet het juiste woord. Ik leid het af. Toen omaatje uiteindelijk ook de geest gaf en haar gecremeerde resten een plekje nodig had, werd ze op het urnenveld bijgezet. Met een bordje erbij die de as een naam gaf. Opa, waarmee oma ruim veertig jaar haar leven gedeeld had, werd op dat bordje niet genoemd, wel haar in 1942 overleden vader.

Opa, ik mis je.

Ook wij zijn dan niet meer veilig

Ik heb veel gedreigd in mijn leven. Tegen mijn broer en zus toen ik klein was, en later tegen mijn klasgenoten op school en ook wel tegen mijn kinderen. Het bleek een strategie waarmee je weinig bereikt. Eigenlijk bereik je er zelden iets mee. Meestal was dat voor mijn tegenstrevers juist een reden om door te gaan met het gedrag dat ik niet wilde: ‘Kom maar op dan!’, zeiden ze dan voordat ze me preventief een klap voor mijn kop gaven. Later, bij mijn eigen kinderen, sorteerde dreigen met straf wel enig effect omdat ze daarmee straf konden ontlopen. Maar dat wilde ik dus helemaal niet. Ik wilde niet dat ze hun best deden om straf te ontlopen, maar dat ze hun gedrag veranderden. Maar daar moest ik wel op gewezen worden; mijn geliefde zag wat er gebeurde met het gedrag van onze kinderen als ik dreigde. Ze wees me erop. En omgekeerd zag ik het bij haar net zo goed gebeuren. Dreigen doe je niet vanuit je ratio maar vanuit je emotie. Op de één of andere manier maakt emotie je blind. Je ziet niet dat het effect van je dreigementen vrijwel nihil is, maar het lucht je wel op. Flink dreigen geeft je het bevrijdende gevoel dat je er iets aan doet. Eén van de problemen van dreigen is dat je je dreigement gewicht moet geven. De bedreigde moet het idee hebben dat jij in staat bent om het dreigement uit te voeren. Is dat niet zo, dan sta je feitelijk met lege handen en wordt je stevig uitgelachen. Dreig je kinderen dus nooit met vijf maanden eenzame opsluiting op water en brood want dat heeft geen zin.

In sommige landen is het naar verluidt heel gewoon dat je voortdurend bedreigd wordt. Noord-Korea, bijvoorbeeld. Ik moet het doen met wat ik gehoord heb, maar als ik geloof wat ik gehoord heb, dan is het er bar en boos. Mensen leven daar onder voortdurende dreiging. Ze kunnen worden opgesloten, gemarteld of gedood als ze iets doen wat de machthebbers niet zint. De machthebbers van Noord-Korea zint veel niet, zo heb ik me laten vertellen. Ze schijnen daar niet alleen te dreigen om te zorgen dat je dingen niet doet, maar ook om je dingen juist wel te laten doen. Dat is nog even een tandje erger. Zo dwingen ze je om die lelijke kop van hun leider te zien als het zonnetje in huis. Dat valt niet mee. Omdat ik weet dat dreigen heel weinig zin heeft en dat het slechts het vermijden van straf is, denk ik dat weinigen in Noord-Korea in dat verschrikkelijke hoofd van Kim Jong-Un ook maar iets positiefs zien. Dat het regime van deze ‘goddelijke’ leider de ene gruwelijke misstap maakt na de andere, maakt de gewone Noord-Koreaan die alleen maar bezig is om straf te ontlopen, niet slecht.

Op dit moment zitten we met de idiote situatie dat een leider van Noord-Korea die zijn eigen bevolking bedreigd op zijn beurt zwaar bedreigd wordt door Donald Trump. Niet alleen het regime wordt bedreigd, maar het hele volk en het hele land. Een bedreiging die voortkomt uit de emoties van Donald Trump. Omdat Kim Jong-Un ook best machtig is – hij heeft ook de beschikking over verschrikkelijke wapens – dreigt hij steevast terug. Omdat dreigen zonder dat je dat kunt waarmaken een lachertje is, leven we door twee idioten op dit moment op het randje van de afgrond; je denkt dat het ver weg is, maar een oorlog kent haar eigen onvoorspelbare dynamiek…ook wij zijn dan niet meer veilig.

Afghanistan; een mislukt land…

Er zijn landen waar ooit oorlog is gevoerd. Die oorlog bleek tevens de geboorte van het welvarende land dat het nu is. Er zijn ook landen waar het ooit vrede was maar toen het land een staat wilde vormen brak er een oorlog uit die nooit meer ophield. Een oorlog waarvan je je soms afvraagt waar ze de mensen vandaan halen om hem te voeren, want zoveel doden kan geen land of volk lijden. Een mislukt land, zou je kunnen zeggen. Soms komt er na een lange bloedige strijd een partij bovendrijven. Dat regime is zo doortrokken van het bevochten eigen gelijk en zo bezig met het behouden van de macht dat het al snel terreur uitoefent op de eigen bevolking of zo dreigend is naar andere staten, dat het regime snel weer omver geworpen wordt. Daarna weer een nieuwe strijd van jaren om de volgende bovenliggende partij aan de macht te helpen. Zo’n land is Afghanistan. Een mislukt land.

Niet alleen een mislukt land. Ook een land met een mislukte cultuur. Door oorlog en geweld is er voor de bevolking al weinig tijd geweest voor scholing. Het aantal mensen met iets van een opleiding is behoorlijk beperkt. In de streken waar elementair onderwijs wel mogelijk is en de lokale bevolking het voor het zeggen heeft, gaan de meisjes niet naar school omdat men vindt dat vrouwen minderwaardig zijn. Daarom worden ze op jonge leeftijd met liefde verkocht en vervolgens verkracht. Afghanistan is geen land waar je als meisje geboren wil worden. Ook als jongetje trouwens niet. Hoogstens als Johnnie Rambo. Maar wie wordt er als ijzervreter geboren? Afghanistan heeft niet alleen de cultuur en de mensen tegen, ook het land zelf lijkt niet veel soeps. Voor zover ik er iets van weet is het een rotsig droog deel van de aarde waar vooral papavers goed groeien. Sadet Karabulut schrijft in Trouw op 7 september dat de westerse wereld moet stoppen om daar een zinloze oorlog te voeren. Ik ben het met haar eens. Ik zeg het niet snel, maar ik denk dat de westerse wereld Afghanistan aan haar lot over moet laten. Er is één zekerheid als het westen zich volledig terugtrekt: De Afghaanse oorlog gaat gewoon door. Het verschil is dat er dan een partij minder is in de strijd. Een partij die er eigenlijk niets te zoeken heeft. Een partij die voor een groot deel uit humanitaire overwegingen meedeed aan de strijd. Om te zorgen dat er in een deel van het land geen oorlog woedt. Dat de kinderen daar naar school kunnen. Inclusief de meisjes.

Een aan zijn lot overgelaten Afghanistan leidt mensen op die de Afghaanse oorlog exporteren naar andere landen. Daarom…een muur eromheen. Laten we Afghanistan opgeven. Richt ons op de landen waar we wel wat kunnen betekenen. Muur erom en vergeten…

Wat een puinhoop!

Killing machines

Eén van de mooiste scenes uit de film Terminator II is als uit de vloer, bij de koffiemachine in een politiebureau, de terminator zich losmaakt en achter de koffiedrinkende agent opduikt. De agent is weerloos tegen de geavanceerde cyborg. Hoewel de film nog in de vorige eeuw gemaakt werd, is de trucage onovertroffen. Niets zo vergankelijk als special effects in films. Toch blijft deze scene helemaal overeind. Meerdere scenes, trouwens. Vooral de in tweede film uit de reeks. Meestal is een vervolg op een succesvolle film een slap aftreksel van het origineel. Niet bij Terminator. Het tweede deel is sterker dan deel één. Terminator is een film die ons een denkbeeldige blik op de toekomst wil geven. In deze film is dat een donkere blik. We zullen oorlog voeren waarbij machines uit zijn op de vernietiging van de menselijke soort. Een guerrillaoorlog wordt er gevoerd tegen machines. Eigenlijk is de hele een wereld één grote puinhoop en groepjes gewapenden hebben de strijd opgenomen tegen de machines. De machines ontwikkelen zichzelf en worden steeds beter in het bestrijden van de mensheid. Zo hebben ze mensen nagebouwd. Cyborgs. Een menselijke buitenkant met een schier onvernietigbare robot binnenkant.

Kern van de hele film is dat er op een dag een ommekeer is gekomen. Mensen maakten robotwapens. Die wapens werden steeds geavanceerder en op een dag lieten de robots zich niets meer gelegen liggen aan de mensen. Ze gingen zichzelf verder ontwikkelen en namen het roer volledig over. Sterker nog, ze gingen de mensheid als vijanden zien en ze bestrijden. Een verzonnen werkelijkheid waar we veel plezier aan beleefden in de bioscoop.

Eén van de uitvindingen in de toekomst is reizen door de tijd. De machinewereld wil het verzet breken door haar leider al in een vroeg stadium, als kind, uit te schakelen. Daarvoor sturen ze de meest geavanceerde cyborg terug in de tijd. De in de klem zittende mensheid stuurt een geherprogrammeerde cyborg terug in de tijd om haar toekomstige leider te beschermen. De strijd tussen aanvallende cyborg en de geherprogrammeerde cyborg vindt plaats in het heden; onze tijd. Zie daar het verhaal. Zie daar de actie. De zwarte toekomst is nu al onder ons…maar we weten het niet.

Die toekomst blijkt toch ineens heel dichtbij. Verschillende grootindustrielen hebben een petitie ondertekend met het klemmende verzoek om zelfdenkende wapensystemen niet verder te ontwikkelen. Een beslissing om aan te vallen en mensen te doden zou alleen door een mens genomen moeten mogen worden, zo is de redenering. Dat lijkt me een moreel juist standpunt. Alleen is het de vraag in hoeverre we al dat punt gepasseerd zijn. Hebben mensen het nog voor het zeggen? De mensheid neemt beslissing op grond van informatie. Heel veel informatie komt uit computers. Ook conclusies worden getrokken door computers. Zeker in het leger. Misschien halen computers nog niet de trekker over maar de beslissing om de trekker over te halen, komt al lang van machines. De machines hebben het al overgenomen. Vooralsnog zijn machines altijd door mensen gebouwd en hebben ze zich nog niet tegen ons gekeerd. Een schrale troost in een bedreigende wereld…

Het vernietigde paradijs

Mij hoor je niemand iets verwijten en je hoort mij zeker niet klagen, maar ik ben opgegroeid in de schaduw van de tweede wereldoorlog. Over mijn kindertijd lag een deken van Auschwitz, jodenvervolging, uithongering en gaskamers. Een doem van mensen die er niet meer waren maar er wel hadden horen te zijn. En over dat alles werd niet gesproken want dat zou maar oude wonden openrijten. Maar als we andere ouderen tegenkwamen met de mensonterende tatoeages op hun arm, dan wisten we dat ze bij ons hoorden. Bij hen die over onnoemelijk verdriet in de familie beschikten. Elk boek, elke film en elke foto over jodenvervolging was belangrijk, vonden we, maar erover praten deed je niet. Zo zat het met mij en mijn familie. En al dat lijden gaf ons ook nog het gevoel ergens bij te horen; de vervolgde joodse gemeenschap. Maar, omdat mijn ma hartstikke verliefd werd op een goy (mijn pa), en samen met hem, onder anderen, mij kreeg, had ik ook een niet vervolgde kant.

Mijn omaatje had Auschwitz overleefd. Meteen na de oorlog had ze haar tatoeages laten wegsnijden. Alsof ze Auschwitz uit haar herinnering wilde verwijderen. Maar voor de tatoeages in de plaats kreeg ze een lelijk litteken. Omaatje maakte ons wijs dat het een brandwond was geweest en lange tijd heb ik dat ook gedacht.

Mijn opa, en mijn ma en mijn oma en wij waren best in een identiteit-chaos beland. Opa is veertig jaar met mijn omaatje getrouwd geweest en was zonder meer mijn echte opa. Maar in het licht van genen en DNA heeft hij weer niets met ons te maken. Maar wie boeit dat wat? Mijn ma, dus. Zij kijkt vooral naar de man die al in 1942 vermoord werd. Met hem was omaatje maar enkele jaartjes getrouwd. Wie is er dan belangrijker? Het boeit inderdaad niet, maar het speelt wel een rol. Sinds zijn dood vijfentwintig jaar geleden, mis ik mijn opa. Ik heb eindeloze gesprekken met hem gevoerd over kunst, politiek en vooral de literatuur.

Ik woonde net op mezelf en opa en oma gingen op vakantie. Of ik poes Joepje wilde verzorgen. Natuurlijk wilde ik dat. Op 4 mei zouden ze Joepje komen brengen. Rond acht uur hadden we afgesproken. Geen idee waarom we juist op die dag op dat moment hadden afgesproken. Ik had de televisie aanstaan toen ze de poes kwamen brengen. Opa en oma verheugden zich op de vakantie, merkte ik. Ze wilden de poes afleveren en weer weggaan. Maar ze zagen dat acht uur en de stilte eraan kwamen. “Nou goed dan”, zei omaatje onwillig toen de trompettist de trompet aan zijn mond zette. Oma en opa gingen even zitten. Ongeduldig wachtte ze de stilte af. “Ik denk er altijd aan”, zei oma: “Wat maakt die twee minuten dan uit?” Op dat moment wist ik niets van oma. Helemaal niets. Ja, dood en verderf en dat weggesneden kampnummer. En we bleven tegen elkaar zwijgen. Tegen oma en ook tegen opa.

Opa’s oorlogsjaren kwam ik pas in de autobiografie van Ies Jacobs tegen. Ik bladerde door het boek Overleven een kunst en stond ineens keihard oog in oog met een jeugdfoto van mijn lang geleden overleden opa. Ies en hij hadden zich samen met succes door de oorlog geworsteld en ik wist daar niets van.

Met mijn omaatje heb ik wel gesproken. Toen ze al heel oud was trok ik de stoute schoenen aan. Ik vroeg naar wat ze had meegemaakt. Zij was zo gelukkig dat ik haar ernaar vroeg. Het is één van de beste dingen die ik ooit heb gedaan, want daardoor ken ik haar verhaal. Het verhaal van voor de oorlog was veel belangrijker dan het verhaal van de jodenvervolging tijdens de oorlog, ontdekte ik. Ze leefde niet zozeer met de herinneringen aan de hel van Auschwitz, maar meer met het paradijs dat door Auschwitz werd vernietigd.