Tagarchief: Economie

Sander Heijne en Hendrik Noten – Fantoomgroei; het opent je ogen.

In 2008 stortte de bank in waar ik tussen 1998 tot 2001 gedetacheerd heb gewerkt. De bank kon in 2008 alleen maar gered worden door de staat: de bank werd genationaliseerd. Er werd, zo gezegd, cowboytje gespeeld op de effectenbeurzen. Er werd belegd in allerhande derivaten. Producten die geen mens meer begreep. Niet wat voor waarde zo’n derivaat had, maar ook niet waar het toe diende. Uiteindelijk ontstond er een steeds grotere zeepbel met producten waaraan theoretische waarde werd toegekend, maar die in feite niets waard bleken. In 2008 zei de zeepbel…plop… Net voordat Rijkman Groenink daar de hoogste baas werd werkte ik bij die bank. Die man werd later de grote graaier genoemd en heus, ik pleit hem niet vrij want onder zijn leiding werd op het onverantwoordelijk graaien nog een schepje extra gedaan, maar ook in die pre-Rijkman Groenink tijd was het graaien bij de bank al behoorlijk heftig.

Ik werkte daar aan software die de beurstransacties moest matchen met de bankoverschrijvingen. Omdat in dat programmaatje dat ik schreef zowel de hoeveelheid opties, futures – of hoe die producten ook allemaal mochten heten – het aankoopbedrag en de dagelijkse koersen stonden, was heel goed te berekenen hoeveel de winst en verlies precies was in die dagen. Laat ik dit zeggen, het ging alleen om winst. Astronomische winsten. Die beurskoersen stegen dag na dag en week na week. Met mijn collega – die van oorsprong beeldhouwer was en net als ik omgeschoold tot computerprogrammeur –  beredeneerden we dat als ‘wij, de bank’ zoveel geld verdiende, iemand anders dan evenveel verlies moest maken. Je hebt, zo dachten wij, één grote zak geld en als de bank een groot deel weg graait, dan moet een ander wel met te weinig genoegen nemen. Maar zo werkt het niet legde een economisch geschoolde collega uit; de waarde ‘groeit’. Dat gaat vanzelf en we worden er allemaal beter van want onze ingekochte producten worden meer waard zonder dat het iemand anders geld kost. Maar in 2002 spatte de eerste zeepbel uiteen…en ik werd ontslagen. De economische groei in 2002 was 0% terwijl de groei In 2001 nog 4% was maar dreef op een gigantische zeepbel van niet verdiende waardevermeerdering van nutteloze producten.

Over het bovenstaande fenomeen en nog veel meer rare bubbels in de economie gaat het boekje ‘Fantoomgroei’ van Sander Heijne en Hendrik Noten. De titel Fantoomgroei gaat over het verschil tussen enerzijds de groei van de economie die gemeten wordt aan de hand van het Bruto Binnenlands Product en anderzijds de groei van de lonen. In de afgelopen twintig jaar is het BBP zo’n slordige 30% gegroeid terwijl de lonen nauwelijks gestegen zijn. Waar is die groei dan precies naartoe gegaan? Wie hebben ervan geprofiteerd? Waarom doet de regering er, met algemene middelen die door de burgers opgebracht zijn, zoveel moeite voor om de economische groei te bevorderen terwijl die groei nauwelijks gunstige gevolgen heeft voor de burger. Het feit dat de economische groei boven nul is geeft ons een fijn gevoel want ‘het’ lijkt goed te gaan met ons, maar in hoeverre is dat gevoel terecht? Als het dan zo goed met ons gaat, waarom is er dan zoveel ontevredenheid en trekt men zo makkelijk naar populisten die eigenlijk alleen maar problemen verschuiven en antwoorden hebben die geen enkel probleem oplossen? Voor iedereen die niet al te veel verstand van de economie heeft maar er wel in geïnteresseerd is en die zich, net als ik afvraagt hoe het kan dat waarde stijgt zonder dat de gemiddelde patser daar iets voor hoeft te doen en die zich afvraagt of economische groei alleen zaligmakend is, raad ik dit boek aan.

Niet alleen vertellen de auteurs wat er verkeerd gaat in de maatschappij als je de groei van het BBP als uitgangspunt neemt, maar ze bieden ook – goed gedocumenteerd en beargumenteerd – hoe het beter kan. Zo kwamen ze met het idee, dat schijnbaar in Nieuw Zeeland al gebruikt wordt, om de groei van de welvaart niet meer te meten met het BBP, maar die af te meten aan verschillende ijkpunten. Dat is veel ingewikkelder en moeilijke te begrijpen dan één zo’n mooi getal, maar het geeft wel een adequater beeld van de staat van het land. Je zou beter kunnen kijken naar de mate van geluk en welzijn van de burger en de duurzame ontwikkelingen. Ze schrijven: “Te veel mensen werken tegenwoordig voor het bbp, in plaats van andersom. En de trends zijn negatief. De kloof tussen arm en rijk neemt toe, en de samenleving ontwikkelt zich steeds verder in een richting waarin het voor individuele burgers eten of gegeten worden is. En net als voor de verdeling van de welvaart die we creëren, moet het bbp het antwoord schuldig blijven op de problemen waarvoor klimaatverandering ons stelt.”

Erg leuk vond ik het om te lezen hoe opvattingen en de maatschappelijke ontwikkelingen invloed hadden op een bedrijf als Philips. De auteurs schrijven hoe de eerste meneer Philips zijn bedrijf opzette in een klein stadje (Eindhoven, dus) met een groot potentieel aan goedkope arbeidskrachten. Dat hij revolutie en opstand buiten de deur hield door een grote rol te gaan spelen in de welvaart en het welzijn van zijn arbeiders en dus de stad. Hij liet huizen bouwen, richtte verenigingen op, gaf de arbeiders scholingsmogelijkheden, gaf ze een behoorlijk loon, gaf hun kinderen de kans om te studeren. De fabrikant als weldoener, maar die de winstgedachte zeker niet uit het oog verloor. Maar dit alles ging vanaf de jaren ’90 van de vorige eeuw verloren. Onder invloed van de steeds kleiner wordende aardbol waardoor fabricaten over de hele wereld gingen kijken waar de goedkoopste onderdelen konden worden geproduceerd en ingekocht zodat de winsten, en daarmee de aandelen, konden stijgen. Ook onder invloed van neoliberale opvattingen die onder Wim Kok tot bloei kwamen en tot aan de huidige coronacrisis heilig zijn verklaard. Met de schrijvers hoop ik dat met de coronacrisis in die opvattingen verandering komt.

Ik vond het een zeer lezenswaardig boekje dat mijn ogen geopend heeft. Je weet wel dat economische groei niet alles is, maar probeer er maar eens argumenten tegenin te brengen! Dat leert dit boekje! Een aanrader.

De calorie-index

Eén van de opvallendste dingen die je tegenkomt als je op vakantie gaat is de prijs die je voor alles betaalt. Zo waren wij bijvoorbeeld met heel veel geld afgereisd naar Iran. Maar wat we ook kochten en wat we ook deden, ons geld wilde gewoon niet op. We konden er alles kopen wat we maar wilden zonder dat we ons ook maar enige zorgen maakten. In een andere vakantie deden we de plaats Basel aan. In Zwitserland. Ineens voelde we ons zo arm als ratten. De prijs voor een kopje koffie was buitensporig in onze ogen. Als ik de mensen in Iran vergelijk met de mensen in Zwitserland dan kan ik nauwelijks beweren dat de Zwitsers zoveel rijker zijn dan de Iraniërs. De meeste mensen hebben een huis om in te wonen, voldoende geld om voedsel te kopen en kleren aan hun lijf die voldoet aan de mode die in het land heerst. Er heerst in Zwitserland niet veel opzichtige armoe maar ook in Iran niet. Alleen de toerist voelt de verschillen.

Een aantal jaren gingen wij in Tsjechië op vakantie met het gezin. We waren nog niet zo heel rijk maar daar, in dat voormalige Oostblokland konden we ons geld laten rollen zonder dat het ons pijn deed. Met het hele gezin uit eten gaan in Husineč bijvoorbeeld, diep in Bohemen. In Nederland zouden we daar met een vergelijkbare kaart zo’n slordige honderdvijftig euro aan kwijt zijn geweest. Nu betaalden we in totaal dertig euro waarbij onze jongetjes onbezorgd nieuwe coca colaatjes mochten laten aanrukken en een fikse sorbet als toetje kregen. Niet dat ik ze gezien heb, maar ik kan me voorstellen dat Tsjechen ons daar zagen zitten en hoofdschuddend wegliepen over zoveel rijkdom in het buitenland: Met z’n vijven zo chique uit eten gaan! Ik kwam er toen al achter dat de prijzen voor van alles en nog wat, niets zeggen over de staat van de economie. Dat we Tsjechië kunnen leegkopen en in Noorwegen net in onze levensbehoeften kunnen voorzien komt door het evenwicht in het betreffende land tussen lonen en prijzen. Als toerist profiteer je of heb je pech door rare, alleen door economen te begrijpen zaken op de wereldmarkt. Als er niet zoiets als wereldhandel bestond, dan zou je in elk land evenveel betalen voor je spullen. Dat is toch een rare gedachte omdat je de neiging hebt om te denken dat mensen in Noorwegen veel rijker zijn dan wij en dat Spanjaarden veel armer zijn. Maar dat is niet zo.

Geld blijkt gewoon niet het juiste middel om rijkdom te meten. Je moet de koopkracht (lelijk woord!) met elkaar vergelijken want met die koopkrachtplaatjes (een nog veel lelijker woord!) kan je pas echt goed vergelijken hoe de rijkdom in de wereld verdeeld is. Ik zelf dacht aan een calorie-index. Bereken van een doorsnee aan volks-voedingsmiddelen in een land de gemiddelde prijs en het gemiddelde aantal calorieën en deel die door elkaar. Bepaal vervolgens het gemiddelde salaris van de inwoners van een land en deel dat door de prijs van een calorie. Het cijfer dat daaruit komt kan iets zeggen over de rijkdom van het land. Maar natuurlijk…mensen luisteren niet naar mij! The economist bedacht de hamburger-index; hoeveel dubbele cheeseburgers kan men voor het inkomen dat men gemiddeld in een land verdient kopen? Dat moet wel een Amerikaans blad zijn… Maar het kan nog erger lees ik vandaag in de krant: De beauty price index; hoe duur kost het om je eens lekker te laten knippen en scheren en je gezicht te laten masseren en je wenkbrauwen te epileren?

Mijn calorie-index is zo gek nog niet! Beetje saai misschien…geef ik toe…

 

Globalisering en tegenstemmers

Het volk heeft de afgelopen tijd een aantal keren gekozen tegen de koers die de wereld vaart. Het lijkt alsof de wereld een koers volgt die vergelijkbaar is met het stromen van een rivier; het water zoekt van nature de laagste plekken. Men doet het voorkomen alsof haar koers te beïnvloeden is met behulp van wat dammen en stuwen, maar dat het uiteindelijk de loop van de rivier nauwelijks verandert; hoogstens wordt hij wat bevaarbaarder. De algemene analyse over het ‘tegenstemmen’ van het volk is dat de globalisering ervoor zorgt dat er een beeld is ontstaan van een economie waarop nauwelijks vat is. Een economie die haar eigen koers vaart. Een economie die verschrikkelijk veel onzekerheid met zich meebrengt voor de gewone burger. Een economie ook, die maar een paar mensen gelukkig maakt maar velen in onzekerheid achterlaat. Een economie die bedrijven over onze rug winst laat maken, maar er ook niet voor terugdeinst ons voor hun verliezen te laten opdraaien. Het neoliberalisme.

Eergisteren werd er voor de televisie een mevrouw geïnterviewd die in een paar woorden vertelde waar velen in de wereld naar verlangen: Garantie van een basisinkomen, rust en vrede. Het deed bij mij het idee groeien dat de koers, die de nu wereld vaart, helemaal niet zo natuurlijk is. Dat die koers een keuze is. Een keuze van destijds die ons in eerste instantie heel veel rijkdom heeft gebracht, maar dat we nu tegen haar keerzijde oplopen. Was het zo dat we eerst een keus met z’n allen maakten voor de neo-liberale koers, het voortzetten van die koers wordt vooral gedragen door diegenen die ongekend hebben geprofiteerd van het neoliberalisme.

Vandaag schrijft Lodewijk Asscher in de Volkskrant over zijn visie op ‘tegenstemmers’ en hoe hij denkt dat hij het tij kan keren. Wat mij betreft lijken zijn plannen op het plaatsen van een kapotte stuw in een onstuimige rivier. Hij wil wat nieuwe spelregels die de scherpe kantjes van de neoliberale economie halen. Hij wil dat mensen uit lagelonenlanden in Europa in Nederland hetzelfde gaan verdienen als de Nederlandse collega’s. Geen valse concurrentie, dus. Hij wil dat allerhande belastingontwijkingsroutes worden aangepakt en afgeschaft. Wat mij betreft zet dat nauwelijks zoden aan de dijk.

We moeten er nog eens goed over nadenken. Wat willen we precies? Welke kant willen we op? Hoe verleggen we de stroom van de rivier zodat velen ervan profiteren? Asschers plan om met wat regeltjes wat gaten te dichten lijkt mij niet het juiste antwoord. Trump en andere populistische krachten lijken de open handelsbetrekkingen in de wereld te willen vervangen door een systeem van protectionisme. Is dat dan de oplossing? En…is die oplossing nog wel te realiseren in de huidige wereld? Ik weet het niet. Ik voel me als IT’er best bedreigd door spotgoedkope IT’ers in India die zomaar mijn werk kunnen overnemen… Of is dat een ander probleem?

Einde van Europa?

Soms besef ik me hoe kort na de oorlog ik geboren ben. Veertien en een half jaar. Dat lijkt lang, maar is verschrikkelijk kort. Het trauma van de oorlog zat er toen nog goed in. Alle volwassenen die op dat moment leefden, hadden de oorlog meegemaakt. De oorlog was nog steeds het gesprek van de dag. Of er werd schreeuwend over gezwegen. Op zondagochtend gingen wij vaak op bezoek bij opa en oma van mijn vaders kant. Het was daar knus en warm. Mijn zachte oma verwende mij met een glaasje kinderbier en een koek. Ik herinner me vooral winterse zondagen. Dan bewonderde ik een berg gloeiende kolen in de kachel. Het rood van de gloed golfde over de kolen heen. Ik hoorde de volwassenen praten. Mijn opa voerde altijd het hoogste woord. Verhalen vertelde hij die zich altijd ‘voor-de-oorlog’ of ‘in-de-oorlog’ afspeelde. Mijn oren waren gespitst want aan de sfeer proefde ik dat mijn opa een oorlogsheld was. Ik begreep weinig van de verhalen. Voor-de-oorlog en in-de-oorlog bleven als zin in mijn hoofd hangen.

Ook op school werd er veel over de oorlog gesproken. Vooral over hoe we zo’n oorlog in de toekomst zouden kunnen voorkomen. Samenwerken en gezamenlijke belangen was toen het antwoord. Daarom, zo werd ons geleerd, richtte verschillende landen allerhande samenwerkingsverbanden op. Eén van die samenwerkingsverbanden groeide uit tot het Europa van nu. Een duurzaam samenwerkingsverband dat een einde moest maken aan rampzalige oorlogen die de eerste helft van de twintigste eeuw teisterden. Succesvol, want oorlogen binnen dat verenigde Europa hielden op. Bovendien legde Europa ons geen windeieren. Het bleek zeer lucratief om samen te werken. Europa werd schatrijk.

Maar de oorlog werd langzamerhand geschiedenis. Op dit moment is er nauwelijks nog iemand in leven die echt de oorlog heeft meegemaakt. De laatste oorlogshelden zijn dood of stervende. Het is niet anders. Daarmee verdwijnt ook de idealistische kant van een samenwerkend Europa. Het gevolg is dat alleen de economische argumenten overblijven. Dat is te weinig naar nu blijkt. Als er geen goede idealistische redenen zijn om bij elkaar te blijven, waarom zou je dan niet weer apart gaan? Het sentiment voedt nu vooral het idee dat we weer ‘zeggenschap over onszelf’ willen hebben. Daartegen kunnen de voorstanders van een verenigd Europa alleen maar economische voordelen inbrengen. Maar die argumenten maken niemand warm. Dat soort argumenten zijn ingewikkeld en ondoorzichtig en schijn bedriegt. Brengen we bijvoorbeeld bergen geld naar de Grieken? Of brengen we bergen geld naar de Grieken zodat de Grieken onze banken kunnen betalen. De banken weer rijk worden en ons werk geven waardoor we met zijn allen rijk worden? Complex, allemaal.

De tegenstanders van Europa hebben inmiddels ontdekt dat het vrij gemakkelijk is om Europese verdragen te dwarsbomen. Zelfs als (bijna) alle regeringen het eens zijn over een verdrag, lukt het niet om verdragen te sluiten. Het Oekraïne verdrag bijvoorbeeld. Dat zal niet doorgaan. Het CETA verdrag ook niet. Zelfs als de Waalse regering het goedkeurt, dan zal het toch niet lukken om het ingevoerd te krijgen. Via referenda zal het worden afgewezen. Europa zal nooit meer in staat zijn om een gezamenlijk verdrag af te sluiten. Dat betekent dat Europa langzamerhand aan het afsterven is. Europa gaat dood net als de mensen die de oorlog nog hebben meegemaakt.

Column van Arnon Grunberg

Ik lees de ‘Voetnoot’ van Arnon Grunberg dagelijks. Dagelijks herinner ik me dat Grunberg geweldige romans heeft geschreven en ongetwijfeld nog zal schrijven. Dat troost me als ik teleurgesteld ben over zijn column. De columns van Grunberg zijn doorgaans slecht. Er is geen touw aan vast te knopen. Hij bazelt wat en dat is dat. Ik heb een tijd gehad dat ik dacht dat mijn denkraam niet groot genoeg was; dat ik ze niet begreep, die columns, maar daar ben ik vanaf gestapt; Grunbergs columns zijn slecht. Vaak grootdoenerij, vaak onsamenhangend. Meestal wordt niet duidelijk waar hij naartoe wil. Ik ben geen fan van de columns van Arnon Grunberg.

Vandaag lijkt hij een redenering neer te zetten. Met heuse argumenten. Die argumenten lijken ergens heen te voeren, maar dan komt Grunberg bij een conclusie…Geen idee hoe hij daaraan komt. Zijn conclusie heeft weinig met de argumenten te maken.

Grunberg schrijft over een artikel van Peter de Waard vrijdag in de Volkskrant. Wat beweert De Waard: Als economie de wetenschap van de schaarste is, dan heeft die wetenschap het moeilijk, want er is geen schaarste meer. Grunberg beantwoordt deze stelling met dat het menselijk verlangen algemeen is. Dat er altijd verlangen is en dus dat er altijd schaarste is. Een redenering die ik nog wel kan volgen. In tegenstelling tot Peter de Waard ziet Grunberg een glorieuze toekomst voor de wetenschap economie omdat er schaarste was, is en altijd zal blijven. Is er geen schaarste aan geld, dan wel aan iets anders… Ik vraag me af of Peter de Waard ergens anders over schrijft dan geld…

Peter de Waard zou ook beweerd hebben dat doordat er geen schaarste is, maar wel overvloed, mensen zich moeten leren verweren tegen bedrog en manipulatie; anderen zullen altijd uit zijn op die overvloed. Vanaf dat moment ontspoort Grunberg, want hij stelt dat mensen zich dus moeten verdedigen tegen taal. Dat lijkt op geen enkele manier in overeenstemming met De Waards bewering. Grunberg gaat echter vol door op deze foute aanname. Bovendien komt hij daardoor (hoe, is volkomen duister) op de zieke stelling dat taal ontstond omdat mensen, zonder toepassing van fysiek geweld, over elkaar macht willen uitoefenen. Hij eindigt met het stellen dat mensen elkaar altijd aan het manipuleren zijn.

Het is zo simpel. Peter de Waard beweert dat doordat we in overvloed leven, er altijd kapers op de kust zijn, en dat we ons daartegen moeten leren verdedigen. Niets meer en niets minder. Heeft helemaal niets te maken met taal als zodanig. Bij vrijwel elk menselijk handelen gebruiken we taal; dat is niet beperkt tot manipulatie of bedrog. De stelling dat we zijn gemaakt om te manipuleren, is erg ver gezocht. Volgens mij manipuleer ik mijn geliefde niet als ik haar vraag of ze lekker geslapen heeft…

Afgelopen zomer heb ik ‘De man zonder ziekte’ gelezen. Zo’n sterke roman! Die columns…ik ben er geen fan van. Ik gun Grunberg zijn inkomsten, maar hij bezoedelt zijn eigen naam.

Waarom lees ik die column eigenlijk? Omdat ik zo van zijn romans hou!