Adriaen Coorte (1683? – 1707?) – Een takje kruisbessen op een stenen plint (1699)

coorteLouter toeval lijkt het

dat de kern zich ledigt,
zich uitspreekt
in zijn varianten.

Voor altijd zich verwijderend

om wat hem dierbaar wordt,
al inkerend tot zichzelf.
Eerst zichtbaar geworden
wordt het verstaan:

het in zijn nu verblijvend hier.

De kruisbes is niet nederiger
dan de aardbei; een hop niet

onwezenlijker dan een pelikaan.

Uit: Lichtval, Amsterdam, De Bezige Bij, 1981. Hans Favery

Pure schoonheid. Intussen, in onze tijd, eindeloos nagedaan. Maar niets haalt het bij het origineel. Gisteren was ik in het Rijksmuseum en heb stil genoten van dit meesterwerk. Niet sensationeel. Klein en niet opvallend. Geen drommen mensen die je de blik op het schilderij ontnemen. Het hangt tussen de asperges, aardbeien, perziken en abrikozen. Allemaal van dezelfde schilder, allemaal op dezelfde stenen plint. Loop je naar de museumwinkel dan krijg je toch weer een ander beeld over zijn populariteit. Coorte’s asperges op servetten, dienstbladen, kaarten en posters; het schreeuwt je tegemoet. Mijn conclusie: Het werk van Adriaen Coorte leent zich erg goed voor merchandising terwijl het origineel niet bekeken wordt. Is dat niet apart?

Loop je door de buurt bij de Nieuwe Spiegelstraat in Amsterdam en kijk je in de etalages van de verschillende galerieën, dan kom je al snel Coorte’s na-apers tegen. Er is een markt voor; een schaaltje aardbeien, een appel op een plank of een takje aalbes. Heel precies geschilderd. Maar heeft het dezelfde kracht als het werk van Adriaen Coorte? Nee natuurlijk.

Meer dan twee blokken colleges heb ik niet gehad van de dichter Rein Bloem toen ik Nederlands en Geschiedenis studeerde aan d’Witte Lelie zo rond 1980. Ik was niet bepaald gek op hem en ik heb van zijn colleges niet veel opgestoken. Gek genoeg heeft hij mij op een paar dingen attent gemaakt en die zijn me mijn hele leven bijgebleven. Eerst natuurlijk de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. In die periode honderdduizend keer minder bekend dan nu. Hij vertelde over de culturele impact die de route heeft gehad op West-Europa. Ik was er, met mijn hang naar spiritualiteit, meteen al enthousiast over en ik was zeker van plan om deze route eens te gaan lopen. Ik heb de tocht gemaakt, niet lopend maar op de fiets en sindsdien kan ik er nog veel beter over vertellen dan Rein (denk ik).

Het tweede waar hij ons op wees was het werk van Adriaen Coorte. Dat had alles te maken met een tentoonstelling die er was geweest rond die tijd en die Coorte ineens hot had gemaakt. Deze tentoonstelling had diepe indruk gemaakt op Rein Bloem, maar ook op zijn vriend en dichter Hans Favery. In die jaren kwam Favery’s dichtbundel ‘Lichtval’ uit, helemaal in het teken van Adriaen Coorte. Hiernaast het vijfde gedicht in de reeks.

Nou heb ik wel een tijdje nederlands gestudeerd, maar gedichten verklaren is echt niet mijn sterkste punt. Wat Favery lijkt te zeggen, en dat herkent hij ook in het werk van Coorte, is dat er een kern is die zichtbaar gemaakt moet worden maar dat de uiterlijke vorm niet uitmaakt. Of hij nou een kruisbes of een aardbei schildert, of een hop of een pelikaan, het maakt niet uit, hij heeft de kern zichtbaar gemaakt. Maar…moeilijk gedicht. Vond ik toen al, ook toen Rein Bloem het voorlas en besprak.

Het is mij wel duidelijk dat Adriaen Coorte een nieuwe weg is ingeslagen met het stilleven. Pure soberheid. Dat in tegenstelling van de weelderige voedsel stillevens die zo kenmerkend zijn voor de 17e eeuw. Neem bijvoorbeeld het eerder besproken schilderij van Clara Peeters.

Coorte heeft meerdere kruisbessen geschilderd. Het lijkt alsof hij door wilde dringen tot de kern. Een velletje waar doorheen je het vruchtvlees en de pitjes kunt zien zitten maar overdekt met een harig laagje. Daarnaast zitten aan een rijp takje kruisbessen tussen de donker gele altijd een paar groen gele. Het licht strijkt langs de blaadjes en laten de bessen oplichten.

Everaert Van Orley (?) – De St Rochuspanelen in de St. Jacobskerk in Antwerpen (1519?)

rochus 7panelenRochus

Dit gaat niet om één schilderij, maar om twaalf! Twaalf beschilderde panelen met het heiligenleven van St. Rochus die hangen in de St Jacobskerk in Antwerpen. De beste afbeeldingen die ik kon vinden staat hiernaast. Ik heb ze één keer in mijn leven gezien (en er meteen helemaal verknocht aan geraakt) en ik heb drie mislukte pogingen gedaan om de panelen nog een keer te zien. Ik heb ze voor een groot deel gefotografeerd, maar de meeste foto’s zijn mislukt. De enige waar in ieder geval nog iets op te herkennen valt, staat hiernaast.

Naar de schilder wordt geraden; men weet het niet zeker. Nu ik in Amsterdam ben, zie ik op internet dat de panelen weer hangen; gerestaureerd in de gerestaureerde St. Jacobskerk.

In 2004 begonnen we een project dat drie jaar zou duren; onze fietstocht naar Santiago de Compostella. Deze pelgrimstocht voert naar het graf van de apostel Jacob (de meerdere). In kerken is deze apostel makkelijk te herkennen tussen de anderen apostelen, omdat hij gekleed gaat als een pelgrim: Een breed gerande hoed met een St.Jacobsschelp, een staf met een kruikje eraan en een pelgrimsmantel om.

We kwamen veel in kerken en gezien ons project, hadden we speciale aandacht voor de genoemde apostel. Maar, we vergisten ons ook. Sint Jacob bleek een dubbelganger te hebben. Nog een pelgrimheilige! Het verschil was dat deze laatste heilige wees naar een bult op zijn been en afgebeeld werd met een hondje met een steen in zijn bek. We kwamen erachter dat dit de pestheilige Sint Rochus was. De bult die hij aanwees was een pestbuil en het hondje had een brood in zijn bek in plaats van de steen.

Sint Jacobskerken trokken in die periode speciaal onze aandacht omdat daarin vaak aandacht was voor de pelgrimstocht die wij aan het maken waren. In 2005 waren we in Antwerpen en lekker over de grote winkelstraat de Meier, toen we in een zijstraat de Sint Jacobskerk vonden. Toeristisch belangrijk omdat Peter Paul Rubens daar begraven is. Dat graf hebben we nog nooit gezien doordat we afgeleid werden door de Sint Rochuspanelen. Wat een leuke, mooie en bijzondere schilderijen!

In het kort het leven van Rochus. Hij werd in een rijke familie geboren in Montpeliers. Toen hij twintig was verloor hij zijn ouders. Hij gaf zijn geld weg aan de armen en het beheer over zijn goederen in handen van zijn oom en begon aan zijn pelgrimstocht naar Rome. Onderweg kwam hij langs streken waar de pest heerste. Daar verpleegde hij de zieken of genas ze door het maken van het kruisteken. Uiteindelijk kwam hij in Rome. Daar bleef hij een paar vjaar. Op zijn terugreis, kwam hij weer op plekken waar de pest heerste. Weer verzorgde hij de zieken. Nu werd hij echter ook besmet. Hij trok zich terug in het bos. Een hond bracht hem, gezonden door een engel, elke dag brood. Rochus herstelde van de pest en ging weer naar huis. Daar woedde een burgeroorlog en hij werd niet herkend, ook niet door zijn oom. Hij werd als spion in de gevangenis geworpen. Na vijf jaar overleed Rochus en toen werd pas zijn ware identiteit bekend.

Dat Rochus genas van de pest, dat hij een pelgrim was en pestlijders verzorgde en genas, dat maakte hem tot de pestheilige pur sang. In heel veel kerken kom je deze belangrijke heilige tegen.

Op de panelen wordt dit leven afgebeeld. Hoewel het op het afgebeelde paneel allemaal niet zo duidelijk is, zien we twee vrouwen die hun mond en neus beschermen tegen de besmettelijkheid van de pest en tegen de stank. Een moeder houdt haar kind beschermend vast. Sint Rochus met zijn rode mantel staat gebogen over een stervende man en maakt het kruisteken. Op de voorgrond een oudere man met berusting in zijn ogen.

Een aanrader om de Sint Jacobskerk te gaan bezoeken, zeker nu deze kerk gerestaureerd is. Bezoek het graf van Rubens maar vergeet de Rochuspanelen zeker niet.

Clara Peeters (1594 – 1657?) – Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen (1615?)

clarapeeters

Ik hou verschrikkelijk van lekker eten. Misschien dat ik daarom zo gek ben op dit soort stillevens. Eigenlijk werden ze in deze vorm alleen in de 17e eeuw zo geschilderd. De bedoeling was dat het zo echt leek, dat je er honger van kreeg. Visuele grapjes moeten dat gevoel van ‘echtheid’ versterken. Eén van die grapjes is het voorwerp dat over de rand van de tafel cq schilderij naar buiten komt. Vaak is dat een schotel. In dit schilderij is het een mes dat uit het schilderij dreigt te vallen.

Zoals gezegd heb ik een grote liefde voor dit genre. Dit schilderij hangt in het Mauritshuis. Het museum was behoorlijk druk toen we er waren. Het was net weer geopend na een grondige renovatie. Ook het weer was een beetje triest kan ik me herinneren. Een goede dag, kortom, om naar het museum te gaan. Dat zorgt er, helaas, meteen voor dat je de schilderijen helemaal niet goed kunt bekijken.

Gelukkig! Het Mauritshuis heeft het schilderij met een heel hoge resolutie op haar site gezet. Daarom kun je het goed bestuderen en gaan je allerhande leuke dingen opvallen.

Zoom je bijvoorbeeld in op het mes. Dan zie je daarop de naam van de kunstenares gegrafeerd staan. Alsof dat het merk van het mes is!

Een ander leuk detail zit in de halve kaas. De kaas is namelijk doorgesneden zodat je precies kunt zien waar de keurmeester een gat geprikt heeft om de kaas te keuren. Hij heeft een gat geboord; een stukje geproefd en daarna het gat weer dichtgestopt.

Nog een leuk detail. Zoom in op de deksel van de kruik achter de grote kaas. Een petieterig portretje van de kunstenares in een weerspiegeling. Ze draagt een kanten kapje, zo te zien.

De vorm van de krakelingen vind ik atypisch. Meestal is de vorm anders. Meestal kruisen de twee uiteinden en komen ze terug op de basis.

Een zelfde soort schilderij hangt in de eregalerij van het Rijksmuseum. Stilleven met kazen van Floris Claesz. Van Dijck heeft echt veel overeenkomsten. Ik kreeg vanuit de vereniging Slow Food een culinaire rondleiding door het Rijksmuseum. We hebben toen een tijd stilgestaan bij dit werk. Rene Zanderink vertelde toen over de harde groene kaas die bovenop ligt. De soort kaas die, volgens mij, ook op het Clara Peeters schilderij staat, maar dan vooraan. Volgens Rene Zanderink was deze kaas een vermaarde Texelse schapenkaas. De groene kleur kreeg hij door schapenmest die door de melk werd gemengd. Ik kon dat in eerste instantie niet geloven maar na enig onderzoek bleek dat toch echt correct. Wat ook bleek tijdens dat onderzoekje was dat het maken van deze kaas in de 19e eeuw verboden werd vanwege de gevaren voor de volksgezondheid. De soort kaas was toen al in populariteit gedaald omdat bij het grote publiek langzaam bekend werd hoe hij gemaakt werd.

In de catalogus van het Mauritshuis wordt de groene kaas op het Clara Peeters schilderij ook benoemd. Echter daar schrijft men dat het om een Edammer kaas gaat. Ik heb de conservator een brief geschreven met de vraag of dit toch niet de Texelse schapenkaas was. Ze stuurde mij een artikel waarin ze schreef dat een kaasexpert op grond van de vorm van de kaas had besloten dat het een edammer kaas was en dat de groene kleur afkomstig was van kruiden. (De conservator was er trouwens in eerste instantie ook vanuit gegaan dat we hier te maken hebben met de poepkaas!)

Zo, dan mijn conclusie: Die kaasexpert heeft ongelijk! Ik heb het plaatje van de kaas naar Rene Zanderink gestuurd. Hij vertelde dat niet alleen op Texel dit soort kaas gemaakt werd, maar ook op andere plekken in Nederland. De ’s Gravenlandse kaas, bijvoorbeeld. Deze kaassoort was ongehoord populair in die tijd. Het is daarom onwaarschijnlijk dat we met een ‘gewone’ met kruiden gekleurde edammer kaas te maken hebben.

Ik had graag, en dat meen ik serieus, een stukje van deze groene kaas geproefd. Ik denk dat de schapenmest er een pittig smaakje aan geeft!

Gustave Courbet (1819 – 1877) L’Origine du Monde (1866)

originedumonde

Hoe kijk je daar nou naar, naar zo’n schilderij in een deftig museum in Parijs? In de 19e eeuw voelde het gênant, denk ik, om er naar te kijken. Nu is het nog steeds gênant. Wat mij opviel was dat heel veel mensen juist niet keken naar dit schilderij. Ook ik niet. Ik heb het gezien, maar om nou te zeggen dat ik in het Parijse Musee d’Orsay alle details heb bestudeerd en even goed heb gekeken…kan ik moeilijk beweren. Vraag die ik aan mezelf stel: Wat gebeurd er met je als je zo’n schilderij tegenkomt. In hoeverre heeft dit met je omgeving te maken? Wat ik ook wil weten (kijken of ik er iets over kan vinden op Internet) is hoe het schilderij ontvangen werd destijds.

Eerst eventjes terug naar februari van dit jaar. Met zonen en aanhang waren we met z’n allen in Parijs voor een lang weekend. Ongelofelijk fijn! We waren samen maar tegelijkertijd lieten we elkaar vrij in wat we wilden zien of bezoeken. Met een subgroep togen wij naar het Musee d’Orsay. Daar had ik van lang geleden bijzonder goede herinneringen aan. Die herinneringen bleken niet vertekend. Eigenlijk was het nog mooier dan ik me kon herinneren. Dan te bedenken dat ik alleen op de begane grond ben gebleven!

Sta je met je rug naar de ingang, dan hangen de werken van Courbet links achterin het museum. Grote werken zijn me bijgebleven. Ik heb erg lang staan kijken naar de Begrafenis in Ornans. Een enorm werk van 3 bij 6 meter. Een hyperrealistisch weergave van…een begrafenis. Dat realisme is fascinerend omdat elk persoon zijn of haar eigen emoties heeft. De personages zijn met erg veel liefde op het doek gezet en vertellen allemaal hun eigen verhaal. Eigenlijk is het een niet bijzondere gebeurtenis die weergegeven wordt als iets heel speciaals.

In de volgende zaal een jachttafereel van Courbet en… de kut, zullen we maar zeggen…

Hoewel het best druk was in het zaaltje en voor elk schilderij een paar mensen stonden te kijken, had echt helemaal niemand aandacht voor dit schilderij, zo leek het. Ik merkte dat ik me daaraan irriteerde. Leven we in de 21e eeuw, waarin de porno uit het internet spat uit kaalgeschoren lichamen zodat alles goed zichtbaar is maar durven we geeneens naar een schilderij dat 150 jaar geleden geschilderd is te kijken! Het is ook behoorlijk intiem. Ik heb me vermand en ben er voor gaan staan. Maar omdat ik me zo geneerde heb ik er te weinig van gezien.

Het is namelijk een prachtig schilderij met een overweldigende compositie. Dit schilderij heeft helemaal niets met porno te maken hoewel je het wel aanstootgevend kan noemen. Met veel gevoel voor detail is het met veel liefde geschilderd. De schilder heeft zijn moeder geschilderd of zijn oma maar in ieder geval een moeder. Zonder erotiek. Dit schilderij is er niet om op te winden. Dat valt mij op. Dit schilderij wil laten zien wat de oorsprong is van ons allemaal. Een zacht vlezig lichaam dat troost brengt in deze harde wereld. Een zacht gewelfde buik en warme billen. Borsten om tegenaan te kruipen. Troost is het, pure troost. Hoewel het ons aller moeder voorstelt, lijkt het lichaam niet geschonden. Geen sporen van zwangerschap.

Hoe werd het schilderij ontvangen in de tijd dat het vervaardigd werd? Internet (de site van het museum) geeft daar een kort maar krachtig antwoord op; het werd niet ontvangen in het openbaar. Het schilderij werd besteld door de Turkse diplomaat Khalil-Bey die het aan zijn verzameling erotische kunst toevoegde. Na zijn faillissement belandde het bij de psychoanalyticus Jacques Lacan die het uiteindelijk aan het museum schonk of verkocht. Het is dus nooit in de openbaarheid geweest in de periode dat het geschilderd werd.

Zo, een heel verhaal over een schilderij waarvan ik het origineel dus juist niet goed bekeken heb! Omdat ik me zo geneerde! Shame on you! Trouwens…maakt die gouden lijst het niet extra gênant om er in het museum voor te gaan staan?

Nederlands Filharmonisch Orkest – Verdi: Messa da Requiem

11 september 2015 – Concertgebouw

Is het Requiem van Verdi nou kerkmuziek of operamuziek? De vraag die overal gesteld wordt als het over dit requiem gaat. Eigenlijk is dat niet zo’n interessante vraag omdat het niet uitgevoerd wordt in een kerk en ook niet in een operahuis. Dit requiem wordt alleen maar uitgevoerd in de concertzaal. Is dus een concert. Maakt niet uit of het naar opera riekt of naar een religieus stuk. Het is een Verdi stuk; dat is in ieder geval wel duidelijk.

Ik zal een jaar of zeventien geweest zijn. Mijn vader woonde in Cuijk. Soms was ik daar een weekend. Zo’n weekend duurde heel kort, maar je maakte van alles mee en aan het eind was je uitgeput. Moeilijke weekenden die me in verwarring brachten. Ik wou ze ook niet missen. Ik voelde een diepe verbondenheid met mijn vader en verlangde altijd erg heftig naar hem. De momenten dat ik hem voor mij alleen had, waren zeldzaam. Er was altijd onrust om hem heen. Waren we alleen dan luisterden we samen naar muziek. Daarin hadden we elkaar gevonden.

De grote stad in de buurt van Cuijk is Nijmegen. We kwamen er niet vaak, maar ik herinner me dat hij me een keer in Nijmegen van de trein kwam halen en dat we toen de stad in gingen. Naar V&D. Daar hielden ze uitverkoop van platen. Veel klassieke. Mijn vader had net geld gehad, en dat brandde bij hem in zijn zak. Een hele stapel platen. Kocht hij. Bij hem thuis gingen we ze luisteren. Het Requiem van Verdi. Keurde mijn vader meteen af. Niet goed opgenomen. Slechte stemmen. In ieder geval, er ontbrak van alles aan. Hij bood hem mij aan. ‘Anders gooi ik hem weg’. Zonde, vond ik. Daarom nam ik hem mee naar huis. Inderdaad had ik zelden zo’n slechte opname gehoord. De alt kraste zich door het Christe Eleison heen. Bij de grote trom kon de microfoon het niet meer aan. Nee, geen beste uitvoering en opname. Toch heb ik hem grijsgedraaid en heb ik door de makke heen de muziek van Verdi enorm leren waarderen.

Gisteren in het concertgebouw geen last van een slechte opname. Recht van keel en instrument naar mijn oor. Dat was een grote sensatie. Zelfs toen bleek dat het kwartet solisten getroffen was door ziekte. Zowel de sopraan Krassimira Stoyanova als de bas Vitalij Kowaljow werden vervangen. Respectievelijk door Camilla Nylund en Roberto Tagliavini. Nou kende ik de zieke twee niet en hun vervangers had ik ook nog nooit gehoord, dus in die zin maakte het voor mij niet uit. Hoe dan ook, ze zongen fantastisch! Het Mors stupebit is voor mij het meetpunt van de bas. Indrukwekkend; de dood en de verschrikking sloegen ervan af.

De leeftijdsverdeling van het publiek was voor het moyenne van het concertgebouw gunstig. Dat zakte weer een paar jaartjes. Zie je normaliter vele grijze hoofden; nu zat er veel jong grut. Eén van de hoogtepunten is toch wel voor het Dies Irae. In dit stuk, dat ook een paar keer terugkomt, speelt de grote trom de hoofdrol. Om de doden wakker te schudden en om de krochten van de hel weer te geven. Apart om de slagwerker op zijn hardst op de trom te zien slaan. Ik heb een keertje gehoord dat een dirigent van zijn podium viel omdat de grote trom juist niet sloeg toen het wel moest en de dirigent er zo op gerekend had.

Een erg mooie uitvoering en ik heb een heerlijke avond gehad!

Isaac Israels (1865-1934) – Transport der Kolonialen (1884)

transportderkolonialen

Toen ik dit schilderij voor het eerst zag heb ik er misschien wel een kwartier naar gekeken. Er valt zoveel te zien! Arme sloebers, dat zijn het. Dat heeft Israels ook willen schilderen. De onderkant van de samenleving. Stumperds, slecht vermomd als soldaten, klaar om uit onze maatschappij weggevoerd te worden. In de miezerregen op een brug in Rotterdam. Is dit nou sociaal realisme? Voor mij in optima forma!

Isaac Israels was 18 jaar toen hij dit schilderij maakte. Geheel onder invloed van zijn vader Jozef. Dit schilderij blijkt een van de laatste in deze stijl. Daarna is de schilder zich gaan ontwikkelen tot impressionist. In het Kroller-Muller hangt ook Mata Hari van zijn hand. Impressionistisch. Ook indrukwekkend, maar het heeft niet de kracht van het transport van de kolonialen, vind ik.

Het decor van het tafereel is een stuk binnenstad van Rotterdam dat (waarschijnlijk) sinds de tweede wereldoorlog niet meer bestaat. Het is de Koningsbrug. Een brug met (Nederlandse konings-) leeuwen naast de toegang naar de brug. Het lijkt droog, maar het heeft wel geregend; de plassen staan op straat. De mensen zijn warm aangekleed; het lijkt een herfstdag. De bomen hebben nog wat gele blaadjes maar tonen kaal. De toeschouwers aan de rechterkant van het schilderij hebben een rode neus, dikke sjaal en handen in de zakken van een schijnbaar dikke overjas. Geen best weer!

Wat verwacht je van soldaten en hoe wordt dat hier weergegeven? Je verwacht van soldaten dat ze in het gelid lopen met onberispelijke uniformen en gepoetste laarzen. Dat is dus hier helemaal niet het geval. Je zou zelfs kunnen vermoeden dat deze soldaten niet vrijwillig gaan. Het lijkt erop dat er twee groepen soldaten geschilderd zijn; een paar soldaten met rode epauletten en een heleboel zonder. Lijkt wel alsof de epauletten de niet-epauletten bewaken. De epauletten zijn ook gewapend in tegenstelling tot de niet-epauletten. Dat versterkt bij mij het gevoel dat de kolonialen weggevoerd worden als schooiers; ongewensten in de samenleving.

Recht onder de poot van rechter leeuw loopt een dikke man. Hij ontkracht het bovenstaande verhaal. Hoewel hij duidelijk bij de niet-epauletten hoort, ziet hij er goed doorvoed uit, heeft hij onderscheidingen op zijn borst en gouden strepen op zijn mouw. Is hij de bevelhebber? Waarom loopt hij dan niet voorop in de buurt van de trommelslager en de fluitist? Hoewel hij zich onderscheidt van de rest, lijkt hij geen rol te pakken maar zich, zoals de rest, mee te laten voeren.

Rechts een jongetje met een (bakkers?)mand over zijn schouder. Het jongetje roept naar iemand. Die ‘iemand’ lijkt de zwaaiende soldaat in het midden van het schilderij. Deze soldaat ziet er qua uniform dramatisch uit; Openhangende jas zonder riem, een slobberbroek en kapotte schoenen. Ik fantaseer dat het zijn vader is die vertrekt. Hoe moet dat jongetje het zonder vader gaan redden?

Naast de zwaaiende man aan de linkerkant een bleek jochie. Ook hij mist onderdelen van zijn uniform. Je krijgt het gevoel dat hij de eerste kilometers van de lange reis al niet gaat overleven.

Het Kroller-Muller museum wijst op de rechterkant van de zwaaiende soldaat waar een wat gezette man praat met een haveloze vrouw met kind aan de hand. In de beschrijving staat dat het zijn vrouw is die afscheid neemt. Dat zal ingegeven zijn doordat ze een kind aan de hand heeft. Ik denk daar toch anders over. Ik vind de vrouw te oud om zijn vrouw te zijn. Stukken ouder dan de soldaat waarmee ze praat. Ik denk in eerste instantie veel meer aan een moeder die afscheid neemt van haar zoon. Hoe zit het dan met het kind? Zou dat een nichtje of nakomertje/zusje kunnen zijn?

De kolonialen nemen hier voor altijd afscheid van het rijke Nederland; van de regen, van de miezerige herfst. Ze gaan niet vrijwillig. De hoogste man in rang is tussen fluitist en trommelaar weergegeven; hij ziet toe dat het zootje ongeregeld op de boot komt en voorgoed vertrekt.

Albrecht Dürer (1471-1528) – The Great Piece of Turf/ Das große Rasenstück (1503)

DeGroteGraspol

Deze aquarel van Albrecht Dürer vond ik op een website van The National Gallery of Art in Washington. Daar was een tentoonstelling geweest (maart tot juni 2013) waarin een groot aantal werken van Albrecht Dürer aan het publiek werden getoond. Deze werken zijn afkomstig uit het Albertina Museum in Wenen. Dit museum herbergt een van de grootste verzamelingen van Albrecht Dürer’s werk ter wereld.

Gek genoeg kan ik de titel van het werk niet goed vertalen. Google translate blijft in gebreke. ‘De grote graspol’ komt denk ik het dichtst in de buurt.

Als ik naar deze aquarel kijk zie ik harmonie en tijdloosheid. De graspol kan gisteren geschilderd zijn. Of…is hij wel geschilderd. Onbevooroordeeld en niet gehinderd door kennis stuitte ik op dit werk toen ik op zoek was naar een geschikte plaat voor de nieuwsbrief van onze moestuin vereniging. Ik was er in eerste instantie van overtuigd dat het een foto was. Een hele mooie foto, dat wel, maar toch een foto. Zo precies als elk stengeltje is geschilderd. Ongelofelijk! Pas toen ik de foto isoleerde in Google en ik iets van een beschrijving zag, begreep ik dat het een werk van deze 15e / 16e eeuwse meester was. Dacht ik eerst nog dat het een olieverf schilderij op paneel was, maar bleek het later een aquarel. Deze aquarel is anders dan zo’n beetje alle aquarellen die ik verder ken. De precisie van de lijnen bijvoorbeeld. In de meeste aquarellen gaat het niet om het detail. In deze aquarel is juist het detail het belangrijkst.

Ik denk dat deze aquareltechniek het werk zo’n doorschijnend broze uitstraling geeft. Bescheiden tussen de olieverfschilderijen; bijna doorzichtig. Geen schilderij waarvoor iedereen meteen naar het museum holt. Niet sensationeel. Alsof het stilletjes in een hoekje zit te genieten van eigen schoonheid. Zo tevreden met zichzelf en zo erop uit om niet opvallend te zijn. Misschien dat ik er daarom zo ongegeneerd van kan genieten. Ik heb haar schoonheid in al haar eenvoud ontdekt! Niemand hoefde mij te vertellen dat dit het beroemde werk van Dürer was; ik viel er gewoon voor; liefde op het eerste gezicht. Als het toen, bij die eerste ervaring een foto had gebleken in plaats van een aquarel, dan was ik er net zo hard voor gevallen. Anderen lopen er zo voorbij.

 

Toch vind ik het fijn dat anderen ook de schoonheid zien van dit werkje. Op de omslag van de tentoonstellingscatalogus staat dit werk uitvergroot. Daardoor wordt de kaft groener maar gaat de harmonie van het schilderij achteruit.

Met harmonie bedoel ik de compositie. Die is subliem. De planten vormen een puntige skyline, waarbij het hoogste punt ietsje naar links staat. Vanaf dat hoogste punt loopt de lijn stijl naar beneden aan de linkerkant en minder stijl aan de rechterkant. Het tegenovergestelde geldt voor de onderkant daar loopt een geleidelijke lijn van boven naar beneden aan de linkerkant en een stijlere lijn aan de rechterkant. Hierdoor staat de afbeelding in een ruit en zit er een soort spiegeling in de compositie.

 

Elk plantje is zo precies geschilderd, met zoveel oog voor detail, dat ik denk dat een gemiddelde veldbioloog elk afgebeeld plantje kan determineren. Dat maakt het schilderij ook zo tijdloos; de plantjes zou je nu ook nog tegen kunnen komen (denk ik) terwijl het schilder toch al 500 jaar oud is!

Blog van Frits de Klerk