Tagarchief: tweede wereldoorlog

Els Florijn – Het meisje dat verdween; het is het net niet

Er is iets met deze roman. Op de één of andere manier is hij niet helemaal eerlijk. Niet dat de schrijfster een leugenaar is, dat bedoel ik niet. Het heeft iets van…nee, het is het net niet. Moeilijk te omschrijven. Misschien moet ik toch een poging wagen. De roman is losjes gebaseerd op de dingen die een familie van vlees en bloed in het echt heeft meegemaakt tijdens de tweede wereldoorlog. Als je op zo’n manier een roman schrijft, brengt dat allerhande problemen met zich mee. Je gaat je als lezer afvragen wat precies ‘echt’ gebeurd is en wat de schrijver verzonnen heeft. Zuig je iets geheel en al uit je duim dan heb je alle mogelijkheden om uit te leggen waarom mensen doen zoals ze doen in de roman. Beschrijf je dingen die mensen in het echt hebben meegemaakt en gedaan, dan is het de taak van de schrijver om de gedachtegang van de personages erbij te verzinnen. Zit er dan onvoldoende causaliteit tussen verzonnen gedachten en wat ze ooit ‘in het echt’ hebben gedaan, dan rammelt het. Die oorzakelijkheid moet helemaal kloppen, anders gaat de geloofwaardigheid van de roman verloren. In de details mis ik mensen die volledig als mensen handelen en rammelt het een beetje. De roman ontroert en is erg boeiend maar laat het je toch met een leeg gevoel achter. Ik denk dat dat het is.

Aan de roman gaat veel vooraf: Op 4 mei 2008 werd de documentaire ‘De andere familie Frank’ uitgezonden. Die andere familie Frank was een joods gezin (en dus niet de familie Frank van Anne) dat voor de oorlog floreerde in het Betuwse plaatsje Ochten. De vader in het gezin was een verwoed filmamateur en bleek veel van het ‘gewone’ leven te hebben vastgelegd. In Ochten had hij een grote modezaak die bijzonder goed draaide. Hij was een gezien figuur in het verenigingsleven van het stadje en een sponsor van alles en nog wat. In het naburige plaatsje Lienden woonde de neef van de filmende man uit Ochten. In de documentaire wordt ook het verhaal van deze familie uit de doeken gedaan omdat de dochtertjes van beide families regelmatig bij elkaar over de vloer kwamen en ze dan gefilmd werden. Om deze, nog weer, andere familie Frank in Lienden gaat het in de roman van Els Florijn. Waar de Ochtense familie bewust niet onderdook met hun dochtertjes en dus getroffen werd door het noodlot van de Europese joden en vermoord werd, wist het grootste deel van de Liendense tak te overleven door onder te duiken. Daarbij werd het jongste dochtertje, verschrikkelijk onbedoeld, opgeofferd. Hoewel de schrijfster uitdrukkelijk stelt dat ze alles verzonnen heeft, wijst ze de lezer op de aflevering van ‘Andere tijden’, en schrijft ze een verantwoording achter in het boek. Het probleem van wat ‘echt’ is en wat verzonnen, wordt daarmee nog eens extra benadrukt en bij de lezer neergelegd. Bovendien gaat de lezer zich daardoor afvragen waarom de schrijfster in haar roman ingrepen doet op het ‘echte’ verhaal. Niet eenvoudig allemaal.

Het romanverhaal: Als de in  Lienden wonende joodse familie een oproep krijgt om naar een werkkamp te gaan, besluiten ze onder te duiken. Het gezin bestaat op dat moment uit vader en moeder plus de aangenomen puberdochter Lotte en hun eigen peuter dochtertje Ditte. De boer waarmee de vader een onderduikdeal heeft gesloten, vindt het peutertje te gevaarlijk als onderduikster. Met het idee dat men zo’n peutertje toch niets zal aandoen en in het vertrouwen dat het dienstmeisje – dat al een sterke band met Ditte heeft – voor het kind zal gaan zorgen zolang de onderduik duurt, laat de familie de jongste achter in haar bedje, terwijl de familie in de nacht vertrekt naar hun onderduikadres. Hoewel het dienstmeisje graag voor Ditte wil zorgen, lijkt het of de moeder van het dienstmeisje het kind niet in huis wil hebben. De burgemeester met de plaatselijke politieagent, komen het kind halen en brengen het naar de ‘schouwburg’ ergens in een stad. Vandaar wordt het kind, onder de hoede van een toevallige andere moeder, naar een vernietigingskamp gebracht en vermoord. Ondertussen wordt het andere deel van de familie uit de onderduik-boerderij gezet omdat het geld om de boer te betalen op is. Na een barre en bange voettocht weten ze een betrouwbare onderduik te krijgen in een pastorie. Daar krijgt het gezin te horen dat Ditte al na een paar dagen in verkeerde handen gevallen is. De familie moet dat, onder benarde omstandigheden zien te verwerken. Als de oorlog afgelopen is valt het gezin door schuldgevoelens en verwijten snel uit elkaar.

Beurtelings wordt het verhaal vertelt vanuit het perspectief van de twee zusjes Ditte en Lotte.

Ik moet zeggen dat ik de roman, met wat enge gevoelens, in één ruk heb uitgelezen. Op veel plaatsen ontroerde de roman me ook. Het is werkelijk heel boeiend. Ook heel tragisch. Maar desalniettemin laat het je ook achter met een beetje raar, onecht, gevoel. De karakters zijn aan de platte kant en soms klopt het verband tussen wat mensen denken en wat ze doen niet helemaal. Niet dat je kunt zeggen het ‘klopt niet’, maar soms heb je het gevoel dat er wat zand tussen de regels gestrooid is. Net niet.

Willem Frederik Hermans – Herinneringen van een engelbewaarder; De wolk van niet weten.

Herlezen is eigenlijk niets voor mij. Ik doe het maar heel zelden.  Ik heb een vrij goed geheugen., vind ik, dus waarom zou ik ook. Inderdaad heb ik best een goed geheugen, maar lang niet zo goed als ik vaak placht te denken. Laat ik eigenlijk maar eerlijk zijn; een roman moet wel heel veel indruk maken wil ik me er na een jaar nog iets van herinneren. Vandaar dat ik best content ben met al die recensies op deze site. Op de een of andere manier is het best jammer, vind ik, om al die moeite die auteurs gestopt hebben in hun boeken,  in de lezer weg te zien drijven als een takje in een rivier. In mijn Fré Cohen onderzoek kwam ik te schrijven over de Duitse inval op 10 mei 1940. Dat het een dramatische bladzijde is in onze vaderlandse geschiedenis, behoeft geen betoog, maar hoe geef je precies de wanhoop die de mensen toen moeten hebben gevoeld weer? Hoe maak je het voor de lezer invoelbaar. We hadden daar binnen ons clubje wat discussie over. Inhoudelijk waren we het wel eens, maar hoe schrijf je het precies op… toen herinnerde ik me een roman die ik zo’n veertig jaar geleden gelezen had. Een roman die kennelijk een overweldigende indruk op me gemaakt heeft want ik herinnerde me iets van de inhoud en de sfeer. ‘Herinneringen van een engelbewaarder ‘ van Willem  Frederik Hermans.  Dus ging ik op zoek naar deze roman. Als e-book uiteraard. Maar helaas, niet te krijgen. Nooit als e-book uitgegeven. Wel al zijn andere boeken zijn in dat formaat verkrijgbaar, maar deze niet. Hermans beschouwde deze roman als een van zijn beste, maar daar waren kennelijk maar weinig lezers het mee eens. Gelukkig vond ik het boek, tweedehands bij de uit haar as herrezen De Slegte. Dat de roman destijds zoveel indruk maakte, vind ik niet zo gek, want ook na herlezing blijkt de roman een parel. Een sombere parel, weliswaar, maar ook een fantastische.

Op 9 mei 1940 brengt officier van justitie  Bert Alberegt zijn uit Duitsland gevluchte joodse liefje, waarmee hij een aantal maanden heeft samengewoond, naar de boot in Hoek van Holland. Zij wil een nieuw leven, zonder dreiging voor vervolging beginnen in Amerika en vaart daarvoor eerst naar Engeland. Alberegt wil niet met haar mee, omdat hij dan zijn comfortabele leven als officier van justitie moet achterlaten. Vanaf Hoek van Holland heeft hij verschrikkelijke haast om terug te rijden, want een rechtszitting wacht op hem. Om zijn weg te verkorten neemt hij een kortere weg over een stille eenrichtingsverkeer weg maar rijdt hem vanaf de verkeerde kant in.  Halverwege de weg botst hij op een meisje dat op slag dood is. In zijn haast gooit hij het dode kind in.de struiken en rijdt snel door. Hij is op tijd voor de rechtszaak tegen journalist Van Dam. De journalist is aangeklaagd vanwege het beledigen van een bevriend staatshoofd…Adolf Hitler,  dus. Alberegt vindt dat de journalist veroordeeld moet worden maar haast buiten zichzelf om eist hij ontslag van  rechtsvervolging.  Dit alles blijkt de opmaat naar een vlucht naar Engeland die er nooit zou komen. Wil hij bij nader inzien toch verder samen met zijn joodse liefje en haar achterna reizen? Wil hij vluchten en daarmee de misdaad van het doodrijden van het meisje verhullen? Wil hij vluchten voor de Duitsers nu hij als officier van justitie een man heeft vrijgesproken van het beledigen van Hitler? In ieder geval dat laatste niet, want dat gebruikt hij vooral als argument om te ‘mogen’ vluchten.

Belangrijk in zijn leven is zijn beste vriend Erik. Erik is een zeer geslaagde uitgever die het middelpunt lijkt te vormen in een netwerk dat vluchtelingen uit Duitsland helpt. Alberegt is via hem ook in contact gekomen met zijn Duits-joodse liefje Sysy. Erik is getrouwd met Mimi en dat is Alberegts vroegere verloofde. Erik heeft er ook voor gezorgd dat het oudere echtpaar Leikowits in Nederland onderdak kreeg. Ze kregen wel de zorgen over het meisje Ottla Lindenbaum wiens ouders gevangen zitten in een concentratiekamp. Ottla Lindenbaum is het meisje dat Alberegt doodrijdt. Via vriend Erik, die naarstig op zoek is naar Ottla, blijft Alberegt geconfronteerd worden met zijn misdaad. Erik is in vele opzichten de betere Alberegt. Erik is het wel gelukt om met Mimi iets op te bouwen. Erik is een jonge vrouwen verslinder zonder dat Mimi er last van lijkt te hebben. Erik is rijk. Erik zorgt voor joodse mensen terwijl Erik ze doodrijdt. Of joodse mensen heel veel zorgen bezorgt (Leikowits) of profiteert van haar situatie (Sysy). Niet alles volledig bewust of expres, maar hij doet het desondanks wel.

Broer Rense is kunstenaar en Alberegt vindt de kunst die Rense maakt helemaal niets. Het zijn effen gekleurde schilderijen. Alberegt krijgt van zijn collega te horen dat in een neergeschoten Duits vliegtuig een lijst personen is gevonden die de Duitsers willen arresteren zodra ze Nederland bezet hebben. Op die lijst zou broer Rense staan. Door hem te waarschuwen hoopt Alberegt dat zijn broer, wellicht samen met hem, zal vluchten, maar ook Rense weigert…en dat heeft gevolgen.

Willem Frederik Hermans heeft een behoorlijke stempel op de literatuurtheorie gedrukt. In één van zijn vele essays vertelt hij hoe een klassieke roman in elkaar moet zitten. Alles wat in de roman voorkomt moet op één of andere manier een functie hebben. Hij introduceerde het begrip ‘witte pater’. Als ik me niet vergis kwamen er tijdens de opnamen van de film ‘Als twee druppels water’ naar de roman ‘De donkere kamer van Damocles’ per ongeluk witte paters in beeld die geen enkele functie in het verhaal hadden. Een ‘witte pater’ is een stijlfout, volgens Hermans. In de romans van Hermans zouden geen witte paters moeten zitten. Dat is dus een uitdaging. Ik vond wel wat dingen waarvan ik me afvroeg waarom het erin zat. Laten we zeggen geen witte paters maar dat ik zaken heb gevonden waarvan ik de functie niet gevonden of begrepen heb. Neem bijvoorbeeld dit: Alberegt rijdt het meisje Ottla dood terwijl ze een brief wil posten. Alberegt neemt de brief mee en leest hem. Hij is opgesteld in het Tsjechisch en ondertekend met ‘Veverka’. Eekhoorn betekent dat. Ik begrijp de functie van eekhoorn niet. Klaarblijkelijk is het wel belangrijk want het komt regelmatig terug in de roman. Nee, geen witte pater, ik zou dat niet zo durven benoemen bij een auteur als Willem Frederik Hermans.

Ik denk dat ik deze roman één van zijn sterkste vind. Jammer dat hij nog niet elektronisch is uitgebracht!

PS Oke, die naam Alberegt. Beetje flauw een Officier van justitie de naam Al berecht te geven. Sysy is ook zo’n naam. Geen idee of dat nog betekenis heeft in de roman. Er blijven nog aardig wat raadsels over.

De Paasheuvel

Op dit moment bivakkeer ik, in mijn eentje in Vierhouten. Twee nachtjes in een hotel, zodat ik een hele dag kan fietsen. Die ‘hele’ dag fietsen is voor de helft voorbij. Het werd een ochtend fietsen, en daarna was deze jongen moe. Bovendien is het warm en klam. Dus zit ik nu in de tuin van het hotel te typen. Vierhouten is de plek waar mijn oma regelmatig naartoe ging. In ieder geval in 1934. Met Pinksteren was ze er voor het grote herdenkingsfeest op de Paasheuvel. Ik heb haar toegangspas van destijds eventjes in bewaring. Ook deze AJC-toegangspas was, zoals bijna al het AJC-drukwerk, uiteraard ontworpen door Fre Cohen. Mijn joodse socialistische oma moet hier op de Paasheuvel vaak geweest zijn. Naar verluidt heeft ze er de tijd van haar leven gehad. Al haar vriendinnen zaten bij de AJC. Ze leerde haar man kennen bij de AJC. De AJC was haar leven. Het absolute centrum van de AJC lag op de Paasheuvel in Vierhouten. Toen oma eind 1943 begin 1944 moederziel alleen door Amsterdam zwierf, moet ze vaak aan haar tijd op de Paasheuvel in Vierhouten gedacht hebben. Ze ging van het ene onderduikadres naar het andere. Haar man had ze verloren – hoewel ze niet wist of hij leefde of dood was – en haar kind – mijn moeder – had ze ‘ergens’ in bewaring gegeven. De Paasheuvel symboliseerde voor haar ongetwijfeld het goede in het leven.

Maar, zo lees ik vandaag, de Paasheuvel was in die tijd ingenomen door de Duitsers. Ze hadden er een ss-hoofdkwartier ingericht. Iets geheel en al de Paasheuvel-onwaardigs. Vanochtend fietste ik naar het ‘Verscholen dorp’. In het hotel waar ik logeer hebben ze er een kleine tentoonstelling over ingericht. Onderweg ernaartoe kwam ik langs een gedenkplaats waarbij de naam van de Paasheuvel negatief naar voren kwam. Ik denk dat ik heb kunnen reconstrueren wat daar op die gedenkplaats gebeurd is en hoe de Paasheuvel erbij betrokken was…

In 1944 gingen twee Landwachters (twee politieachtige NSB’ers, dus) in de bossen bij Vierhouten jagen. Op dieren en dus niet op joden. Op een brandgang tussen twee bospercelen, zagen ze iemand die water had getapt bij een pomp. Een pomp, midden in het bos. Ze konden de watertappende man te pakken krijgen en vroegen hem naar de pomp. Een pomp voor jagers en boswachters, probeerde de ongelukkige de Landwachters wijs te maken. Deze ontdekking van de pomp door NSB’ers zorgde voor groot alarm bij nazi’s op de…Paasheuvel en bij een stel ongelukkigen. Vlakbij zaten namelijk ongeveer honderd mannen, vrouwen en kinderen verstopt in nauwelijks bovengrondse hutten voor een regime dat hen naar het leven stond. Iedereen maakte dat hij wegkwam. Acht mensen lukte dit niet. De eerste werd ter plekke, tijdens de arrestatie doodgeschoten. Het hart van zijn vrouw, die het voor haar ogen zag gebeuren, moet ter plekke gebroken zijn. Ze overleed niet meteen. De zeven overgeblevenen werden naar de Paasheuvel(!!!) gebracht en in de kelder opgesloten. Daar overleed de echtgenote van de doodgeschoten man. De zes anderen werden naar een plek in het bos geleid. Ze werden op een rijtje gezet en moesten een kuil graven. Er zat een jochie van zes tussen. Wisten ze dat de kuil die ze groeven, hun graf zou zijn? Ik denk het wel. Hoe graaf je je eigen grafkuil? Wat gaat er dan door je heen? Heeft dat kleine jochie ook zijn eigen kuil moeten graven? Dat wordt niet verteld.

Wat dachten de soldaten, SS’ers, NSB’ers of wie het dan ook waren. Wat dachten ze dat er stond te gebeuren als de kuilen diep genoeg waren. Waar dachten de toekomstige daders aan? Aan ‘slachten’? Aan straffen? Aan een goede daad verrichten? Ik weet het niet. Ik kan het aan niemand meer vragen. Zomaar mensen doodschieten omdat het toevallig joden zijn… Een jongetje van zes een pistool op zijn hoofd zetten en de trekker overhalen… Zo makkelijk doe je dat niet. De daders moeten hun slachtoffers op de een of andere manier ontmenselijkt hebben. Ik begrijp er helemaal niets van en hoe ouder ik word des te moeilijker wordt het me om het me voor te stellen.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 7: Angst.

Alle aanwezige joodse werknemers van het bedrijf Hollandia-Kattenburg werden op 11 november 1942 gearresteerd. Een twintigjarig meisje wees in het geniep aan wie van de joodse medewerkers socialist of communist was. De socialisten en de communisten werden afgevoerd naar de strafgevangenis van Scheveningen alwaar ze verder ‘verhoord’ werden. Met de personeelsadministratie bij de hand werden diezelfde dag de familieleden van de joodse werknemers opgehaald en samen met hen naar kamp Westerbork gebracht. Het toeval wil dat mijn omaatje met mijn toen bijna vierjarige kleutermoeder niet thuis waren toen er zwaar op hun deur – De Nigellestraat nummer 85 – gebonkt werd. Ik ben er pas geleden naar toe geweest: Een beetje een straat maar meer een pleintje. Ik heb er de rust geproefd die er nu heerst. Een paradijselijk pleintje met lage huizen; lucht en ruimte en groen te over; de ideale plek om als kind uit de arbeidersklasse op te groeien.

Mijn opa en oma waren socialisten van het eerste uur. De AJC was hun alles. Voor mijn oma is godsdienst altijd opium voor het volk gebleven; ze moest er niets van hebben. Ze hadden niets met het jodendom. Uitzonderingen: Kippensoep en Peren met Koegel. En vast nog wel meer gerechten, maar meer toch niet. Varkensvlees consumeerden ze met veel plezier en volgens mijn omaatje konden alleen kapitalisten zich de koosjere keuken permitteren. De oorlog en de nazi’s hebben joden van hen gemaakt. En dus waren ze bang toen de nazi’s het hier voor het zeggen kregen. Toen mijn grootvader opgepakt was, werd de nachtmerrie werkelijkheid. Ik probeer me in te leven in mijn omaatje van toen. Wat moet ze toen gevoeld hebben. Verdriet en angst zullen gestreden hebben om de boventoon. Sta je er ineens helemaal alleen voor met je kleuter terwijl je van alle kanten wordt bedreigd. Niemand om je diepste angsten mee te delen; eigenlijk is je diepste angst uitgekomen. Waar naar toe nu je eigen huis geen veilige plek bleek…

Voor zover ik weet heeft mijn oma een tijdje met mijn moeder van veilig adres naar veilig adres gezworven. Toen heeft ze besloten mijn moeder bij vrienden onder te brengen zodat ze zelf meer armslag had. Mijn kleutermoeder kwam via via bij bloembollenbaron en barones Van Santen terecht alwaar ze het gelukkige leventje ging leiden van een rijk gereformeerd meisje.

Mijn grootvader werd naar Scheveningen afgevoerd. Geen pretje. Het staat op het kaartje van de Joodse Raad. Er zijn veel getuigenissen over hoe het er in die gevangenis aan toe ging. Van wat mijn grootvader daar heeft moeten ondergaan kan ik me alleen maar een voorstelling maken, weten doe ik niets. Ik projecteer mijn angst voor pijn op hem en weet me met mijn angst geen raad.

De angst die we wel bijna kunnen ruiken, is de angst van Martha Korthagen; dat twintigjarige meisje die in het geniep de socialisten en de communisten aanwees. Zij wist dat ze iets heel erg fout had gedaan. Dat ik daar nu mild over oordeel – twintig jaar, zwaar bedreigd etc. – maakt voor haar weinig uit. Ze was doodsbang voor de gevolgen van haar verraad en besloot te vluchten. Ze vroeg een paspoort aan en  vluchtte naar Duitsland waar ze zich veilig waande voor de wraak van het verzet.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 5: De leider van de NVM

Als je dat verhaal wat ik aan het vertellen ben over mijn grootvader, probeert te volgen, dan moet je nu wel aardig wanhopig zijn. Op z’n minst moet je al je motivatie om verder te lezen wel verloren hebben. Een hele maand zit er tussen het vorige stukje over de verliefde Martha en wat ik hier en nu zit te schrijven. Dat is zo stroperig en zo langzaam… Ik wilde wel, maar het ging niet. Bij mij was de inspiratie om te schrijven helemaal weg. Laat ik proberen om de draad weer op te pakken. Laten we onze focus terugzetten op die tasjesdief die zich in oktober 1942 op het politiebureau zomaar door zijn hoofd schoot. Nou ja, ‘zo maar’… We gaan het zien.

Het is opmerkelijk als een arrestant  zich door het hoofd schiet. Het in bezit hebben van een pistool is al vreemd. En dan jezelf door het hoofdschieten. Om een luttel gestolen tasje. Daar moest meer aan de hand zijn, moeten de onverschrokken helden van de politie gedacht hebben. De dienders doorzochten alles wat de man bij zich had en vonden in één van zijn zakken een textielbon. Op die bon een naam: Dormits. Samuel Zacharias Dormits! Sally Dormits! En toen rinkelden alle nazistische-politie-alarmbellen, want die man werd gezocht! Na een brandstichting in een opslagplaats van de Wehrmacht in Den Haag waarbij de stro- en hooivoorraad volledig verloren was gegaan, had men via een in de haast achtergelaten fiets kunnen achterhalen dat Sally Dormits betrokken was bij de aanslag. En…de groep rond Dormits werd verdacht van diverse andere – in meer of mindere mate geslaagde – aanslagen. Geruchtmakend was de aanslag op een spoorbrug in Rotterdam. Het was dat hij mislukte, maar als de aanslag geslaagd was, dan waren er een hoop Duitse soldaten omgekomen. Het koste de rechercheurs niet veel moeite om aan het onderduikadres van Sally Dormits te vinden.

Dormits was een strijdbare communist die onder anderen had meegevochten in de Spaanse burgeroorlog. Terug in Nederland en geconfronteerd met de Duitse bezetting, was het wel duidelijk dat hij verzet zou plegen. Kennelijk wilde hij zich niet aansluiten bij de Communistische Partij Nederland, maar wilde hij een eigen groep. De CPN had vanaf het begin al meteen de hoogste veiligheidsmaatregelen genomen. Zo werden namen en adressen met de hoogst mogelijke voorzichtigheid bewaard. Dat vond Sally Dormits niet echt nodig. (Even tussen haakjes; zoek je echt een schuldige voor wat mijn grootvader uiteindelijk overkwam…de ijdelheid van een communistische splintergroep die zwaar amateuristisch te werk ging! Maar dat is ook weer niet eerlijk, want uiteindelijk waren het natuurlijk de nazi’s…). Toen het onderduikadres van Sally Dormits gevonden was vond men de ledenlijsten van de door hem geleidde Nederlandse Volksmilitie, de NVM. Die lijsten waren weliswaar gecodeerd, maar die codering hadden de jongens van de meteen opgeroepen Sicherheitsdienst in no-time gekraakt. En toen hadden de nazi’s een mooi en schoon lijstje voor huisbezoek en het duurde niet lang of de hele NVM, inclusief de adspirantleden, waren opgepakt, gemarteld en vermoord…meteen of op termijn. Nog voor het eind van oktober 1942.

Die gecodeerde ledenlijst was niet het enige op dat onderduikadres; men vond er ook een notitieboekje. In dat notitieboekje stond een naam die de politie naar een meisje in Amsterdam Noord leidde. Naar haar adres: Sperwerlaan 11…

Ze moet er toch van geweten hebben?

Wist ze het of…had ze het kunnen weten? Dat zijn vragen die ik mezelf stel als de NSB voorbijkomt. En als ze het geweten heeft, hoe reageerde ze daar dan op? Was zij in staat om afwijzend te reageren of liep ze dan gevaar? De afgelopen dagen kwam de NSB vaak voorbij. En dan ga ik piekeren: Hoe kan een zo geliefd, onafhankelijk denkend mens, lid zijn geweest van de NSB. Hoe kan dat. Ik kan er voor mezelf haast niet mee wegkomen dat ik het accepteer. Niet met mijn familiegeschiedenis. Niet helemaal mijn eigen geschiedenis misschien, maar toch komt het heel dichtbij.

Toen ik, vijftien jaar na de oorlog, geboren werd, was de oorlog nog een periode die bij iedereen vers in het geheugen zat. Hoewel de ketels van de gaarkeuken allang waren opgeruimd, knaagde het hongergevoel nog steeds. Bij mij op school was er een sterk bewustzijn over wat goed en wat fout was geweest in de oorlog. Wisten we dat iemand een nazaat was uit een fout gezin, dan waren we niet vergevingsgezind; terwijl er niets te vergeven viel. De afkomst straalde af op de persoon. Elke misstap of vermeende misstap van de persoon werd in verband gebracht met de familie waar hij uit voortkwam. De NSB was het kwaad. Duitsers waren schuldig. Daders. Zelfs toen ik de twintig al gepasseerd was had ik nog moeite met Duitsland. Met enorme tegenzin verbleef ik een paar dagen in Keulen omdat daar een fantastische kunstbeurs was. Wat had ik destijds graag gewild dat die beurs elders gehouden werd!

Maar dat verblijf in Keulen veranderde toch wel wat in me. Niet veel later keek ik in de ogen van mijn geliefde. Zij maakte de hele wereld milder. Ze sleep de scherpe kantjes van het bestaan. Bovendien leefden we toen in een tijd dat alles ‘moest kunnen’. En toen bekende mijn schoonmoeder dat ze uit een NSB-gezin kwam. Moest kunnen, dus, dacht en vond ik. Maar het voelde heel anders. Maar ik was ook erg nieuwsgierig. Ik wilde alles weten en hoorde haar helemaal uit. Ik kwam erachter dat bij hun thuis de NSB even gewoon en vanzelfsprekend was, als bij mijn moeder en oma het jodendom en het socialisme. Het was de realiteit van alledag en aan die realiteit van alledag viel weinig te veranderen. Er was geen keus; het was er gewoon. Anderen maakten een keus. Ze is nu een paar jaar geleden overleden, die schoonmoeder van me en ik merk dat ik haar enorm mis. Net als de rest van de familie. Een zeer geliefd en eigenzinnig persoon; we hielden van d’r.

Maar dat neemt niet weg dat ik in deze periode van herdenkingen toch soms terugval in oude gewoontes. Op de televisie werd verteld over de invoering van de Jodenster zeventig jaar geleden. Nederlanders steunden de joodse bevolking met de Februaristaking en met het opzichtig groeten van joodse medeburgers en het negeren van NSB’ers. Het programma toonde een cartoon uit NSB-kringen waar de houding van verzet werd uitgelegd als dat Nederlanders kropen voor de gemene jood. En toen dacht ik: Ze moet er toch van geweten hebben? Ze moet toch gezien hebben hoe racistisch de NSB was? En dan kan ik er niet over uit dat een zo geliefd mens zo fout dacht!

Einde van Europa?

Soms besef ik me hoe kort na de oorlog ik geboren ben. Veertien en een half jaar. Dat lijkt lang, maar is verschrikkelijk kort. Het trauma van de oorlog zat er toen nog goed in. Alle volwassenen die op dat moment leefden, hadden de oorlog meegemaakt. De oorlog was nog steeds het gesprek van de dag. Of er werd schreeuwend over gezwegen. Op zondagochtend gingen wij vaak op bezoek bij opa en oma van mijn vaders kant. Het was daar knus en warm. Mijn zachte oma verwende mij met een glaasje kinderbier en een koek. Ik herinner me vooral winterse zondagen. Dan bewonderde ik een berg gloeiende kolen in de kachel. Het rood van de gloed golfde over de kolen heen. Ik hoorde de volwassenen praten. Mijn opa voerde altijd het hoogste woord. Verhalen vertelde hij die zich altijd ‘voor-de-oorlog’ of ‘in-de-oorlog’ afspeelde. Mijn oren waren gespitst want aan de sfeer proefde ik dat mijn opa een oorlogsheld was. Ik begreep weinig van de verhalen. Voor-de-oorlog en in-de-oorlog bleven als zin in mijn hoofd hangen.

Ook op school werd er veel over de oorlog gesproken. Vooral over hoe we zo’n oorlog in de toekomst zouden kunnen voorkomen. Samenwerken en gezamenlijke belangen was toen het antwoord. Daarom, zo werd ons geleerd, richtte verschillende landen allerhande samenwerkingsverbanden op. Eén van die samenwerkingsverbanden groeide uit tot het Europa van nu. Een duurzaam samenwerkingsverband dat een einde moest maken aan rampzalige oorlogen die de eerste helft van de twintigste eeuw teisterden. Succesvol, want oorlogen binnen dat verenigde Europa hielden op. Bovendien legde Europa ons geen windeieren. Het bleek zeer lucratief om samen te werken. Europa werd schatrijk.

Maar de oorlog werd langzamerhand geschiedenis. Op dit moment is er nauwelijks nog iemand in leven die echt de oorlog heeft meegemaakt. De laatste oorlogshelden zijn dood of stervende. Het is niet anders. Daarmee verdwijnt ook de idealistische kant van een samenwerkend Europa. Het gevolg is dat alleen de economische argumenten overblijven. Dat is te weinig naar nu blijkt. Als er geen goede idealistische redenen zijn om bij elkaar te blijven, waarom zou je dan niet weer apart gaan? Het sentiment voedt nu vooral het idee dat we weer ‘zeggenschap over onszelf’ willen hebben. Daartegen kunnen de voorstanders van een verenigd Europa alleen maar economische voordelen inbrengen. Maar die argumenten maken niemand warm. Dat soort argumenten zijn ingewikkeld en ondoorzichtig en schijn bedriegt. Brengen we bijvoorbeeld bergen geld naar de Grieken? Of brengen we bergen geld naar de Grieken zodat de Grieken onze banken kunnen betalen. De banken weer rijk worden en ons werk geven waardoor we met zijn allen rijk worden? Complex, allemaal.

De tegenstanders van Europa hebben inmiddels ontdekt dat het vrij gemakkelijk is om Europese verdragen te dwarsbomen. Zelfs als (bijna) alle regeringen het eens zijn over een verdrag, lukt het niet om verdragen te sluiten. Het Oekraïne verdrag bijvoorbeeld. Dat zal niet doorgaan. Het CETA verdrag ook niet. Zelfs als de Waalse regering het goedkeurt, dan zal het toch niet lukken om het ingevoerd te krijgen. Via referenda zal het worden afgewezen. Europa zal nooit meer in staat zijn om een gezamenlijk verdrag af te sluiten. Dat betekent dat Europa langzamerhand aan het afsterven is. Europa gaat dood net als de mensen die de oorlog nog hebben meegemaakt.

De vredelievende twintigste eeuw

Wellicht ga ik het laatste nummer van Nature kopen. Er staat een verslag in over een zeer belangwekkend onderzoek. Onverwachte resultaten ook. Het gaat over de mate van moordzuchtigheid van de mens in vergelijking tot andere dieren en wat de meest moorddadige periode in de menselijke geschiedenis is geweest. Vandaag doet Cor Speksnijder in de Volkskrant verslag van dat onderzoek. Bij dat verslag een intrigerend lijstje. In welke periode in de geschiedenis zijn de meeste mensen door menselijk geweld overleden?

Ik dacht altijd dat de afgelopen eeuw de meest gewelddadige eeuw was die er ooit geweest is.  De twintigste eeuw met twee wereldoorlogen, tal van bloedige bevrijdingsoorlogen en enkele wrede revolutionaire oorlogen. Miljoenen doden. Een eeuw waarin mensen fabrieksmatig werden vermoord. Hoe kan die eeuw met betrekking tot intermenselijk geweld overtroffen worden door andere perioden in de geschiedenis? Voor de zekerheid er ook nog een lijstje bijgehaald. Over de doden die in de tweede wereldoorlog gevallen zijn. Dat slaat de schrik je om het hart. Procentueel heeft Polen het meeste doden te betreuren: Een slordige twintig procent van de Polen heeft de oorlog niet overleefd; één op de vijf. Haast niet voor te stellen. Hele gebieden moeten ontvolkt zijn geraakt. Maar dat zegt nog niets over absolute aantallen mensen. Dan is de voormalige Sovjet-Unie de kampioen: Een kleine vierentwintig miljoen mensen lieten daar het leven. Zo’n vijftien procent van de bevolking. Wat een boel mensen. De Benelux zou volledig ontvolkt zijn als die doden hier gevallen waren.

Terug naar het lijstje in de Volkskrant. Is mijn aanname juist dat in de laatste eeuw de meeste mensen door menselijk geweld zijn omgekomen of niet. Mijn aanname lijkt onjuist. In de twintigste eeuw kwam slechts anderhalf procent van de wereldbevolking door geweld om het leven. Daarmee is dat het laagste percentage in het lijstje. In de moderne tijd werd maar liefst tweeëneenhalf procent van de mensen door mensen van het leven beroofd. Maar daar gaat het wel weer om een periode die vier keer zo lang is: Van 1500 tot 1900. De middeleeuwen lijken in het lijstje het aller gewelddadigst. Twaalf procent van de mensen vond een onnatuurlijk einde. Een periode van duizend jaar. Maar ook tijdens de 800 jaar van de IJzertijd was niet mis: Zes procent van de mensen kwam om door mensenhanden.

De eeuw waarin ik geboren ben is een periode in de geschiedenis van pais en vree als je het vergelijkt met andere perioden.  Ik kijk ervan op, maar kan er niet onderuit. Ik ga ervan uit dat het een degelijk onderzoek is geweest. Dat de Middeleeuwen een gewelddadige periode is geweest waarin het mensenleven niet erg telde, dat wist ik. Maar ik had altijd aangenomen dat dit geweld op kleine schaal was. Iemand onthoofden of ophangen of een oorlog uitvechten met knots en bijl leek mij niet zoveel zoden aan de dijk te zetten. In ieder geval niet vergelijkbaar bij de lijken-productie in de verschillende vernietigingskampen in de tweede wereldoorlog. Toen werden er echt meters gemaakt op de geweldsindex, zou je zeggen. Maar nee dus: De twintig miljoen Chinezen en de vijfentwintig miljoen Sovjets, Zeven miljoen Duitsers die omkwamen…(om maar eens de kampioenen te noemen), het maakt de twintigste eeuw tot een eeuw die gekenmerkt werd door vredelievendheid en zachtmoedigheid…volgens de statistieken.

Een gevaarlijk teken aan de wand.

Ik ben ‘De Welwillenden’ van Jonathan Littell aan het lezen. Dat zijn erg veel bladzijden. Je mag gerust zeggen…heel erg veel bladzijden. Het gaat over de tweede wereldoorlog vanuit het perspectief van Maximiliaan Aue. Een SS’er die achter de frontlinies opereert om mogelijke aanvallen in de rug te voorkomen. Daarvoor is hij (in het deel dat ik nu lees) in Oekraïne. Mensen die de Wehrmacht in de rug zouden kunnen aanvallen zijn communisten, maar vooral joden. Daarom heeft hij als doel om de veroverde dorpjes jodenvrij te maken. Vanuit zijn perspectief een zware klus. Het moet gebeuren en iemand moet het doen.

Ik zie de wereld van de tweede wereldoorlog nu inmiddels enkele honderden bladzijden door de ogen van Aue en ik begin er genoeg van te krijgen. Gek genoeg kwam dat vrij snel nadat ik las dat de schrijver een Amerikaan was van joodse afkomst. Op de één of andere manier doorbrak dat voor mij de authenticiteit en daarmee de lust om het boek te lezen. De jodenvervolging is iets dat nooit in Amerika heeft gespeeld. Van de ene op de andere dag was het ‘plezier’ in het lezen over. En dan worden de slordige duizend pagina’s een hele berg. Voor mij kreeg het boek de lading van propaganda.

Als iemand het gevoel geeft zich uit eigenbelang zieliger voor te doen dat hij in werkelijkheid is, dan stuit mij dat enorm tegen de borst. Als een jonge Duitse auteur het boek geschreven had, had ik er wellicht anders tegenaan gekeken.

Datzelfde gevoel van niet-authentiek gedrag overviel me na de staatsgreep tegen Erdogan. De stunteligste staatsgreep ooit. (Nou ja, op die van Antonio Tejero in Spanje 1981 na, dan). Het leek er haast op dat de staatsgreep werd gepleegd om te mislukken. Een mislukte staatsgreep is een fantastische zet in de rug van de partij tegen wie de staatsgreep werd gepleegd. In dit geval Erdogan. Het geeft Erdogan de mogelijkheid om al zijn politieke tegenstanders uit te schakelen. Dat gebeurt nu dus ook op grote schaal. Kennelijk lagen de plannen al klaar want enkele uren na het mislukken van de staatsgreep werden er duizenden mensen opgepakt. Dat is een operatie van heb-ik-jou-daar. Dat kan niet zonder voorbereiding. Daarom is het voor mij duidelijk; Erdogan heeft zijn eigen staatsgreep geregisseerd. Daarbij heeft hij handig gebruik gemaakt van de domheid en het ontbreken van politieke antennes bij sommige militairen. Net als bij Littell is Erdogans authenticiteit ter discussie komen te staan.

Ik had voor een lange tijd het gevoel dat alleenheersers en machtswellustigen vooral leefden in Zuid-Amerika en Afrika en een enkeling in Azie. Maar nu zie ik dergelijke figuren hard hollend naar Europa komen. Turkije heeft weliswaar maar een klein stukje Europa, maar toch… Ook Poetin gaat door roeien en ruiten om de alleenheerschappij te krijgen. Beide dictators doen dit via de democratie en vooral…via het volk. Een gevaarlijk teken aan de wand.

Allemaal dood

Ik heb er moeite mee dat de tweede wereldoorlog en de Jodenvervolging voor mijn zonen heel gewone geschiedenis is. Dat ze niet voelen dat de geschiedenis van de Jodenvervolging iets meer met hun te maken heeft. Omdat ik een joodse moeder heb. En een joodse oma had die wonder boven wonder is teruggekeerd uit Auschwitz. Dat ik een biologisch opa had die vermoord is, en een ‘echte’ opa had die als Amsterdammer rap Fries sprak omdat hij in Friesland ondergedoken heeft gezeten. Dat telt voor mijn zonen nauwelijks. Het is het verleden; het verre verleden. De hertog van Alva, Johan Rudolph Thorbecke of Joop den Uyl betekenen voor hun net zoveel als de tweede wereldoorlog met de moord op een groot deel van hun voorouders. Daarbij komt dat mijn bèta-mannen geschiedenis zo’n beetje het saaiste vak vinden wat er op de middelbare school gegeven werd; geef hun maar sommen; zelfs sommen die een normaal mens niet kan oplossen, vinden zij leuker dan geschiedenis. Het doet mij pijn, merk ik, meer dan ik wil.

Ik vraag me af of ik het allemaal te veel push. Misschien ben ik te opdringerig en zetten ze hun hakken in het zand. Op school werd bij mijn zonen het Dagboek van Anne Frank behandeld. Daar raakte ik destijds enthousiast over. Ik wilde mijn mannen van alles vertellen. Als opdracht van school moesten ze het dagboek lezen. Dat dagboek waarvan iedereen zegt dat het door een geniaal meisje geschreven is. Het dagboek dat in zo’n beetje alle talen vertaald is. Kortom, de wereld houdt van het Dagboek van Anne Frank. Maar mijn zonen lazen ‘Lieve Kitty’ en dat waren meteen de laatste woorden die ze lazen. Een meidenboek. Had dus niets met hun belevingswereld te maken. Klaar uit. Voor dat meidengezever hadden ze geen geduld. Ze sloegen het dagboek dicht en hebben het alleen beroepshalve (ze waren scholier) weer geopend. Met tegenzin. Dat het op school verplichte kost was, oké, maar dan wilden ze er ook niet nog eens thuis mee lastig gevallen worden. Daar zat deze pappa met al zijn leuke verhalen.

Pasgeleden stuurde mijn moeder mij een link naar het pas opgerichte Joods Monument. Meteen zocht ik mijn biologische grootvader op. Zijn ‘grafsteen’ had mijn moeder al helemaal opgetuigd. Hoewel ze haar vader nooit gekend heeft, speelt hij een grote rol in haar leven. De link naar de grafsteen van mijn biologisch opa stuurde ik naar mijn zoons. Ik vroeg er gisteren naar. Ja, ze hadden mijn mailtje voorbij zien komen. Ze lachten meewarig; aan dat soort dingen gingen ze geen aandacht besteden… Een beetje triest word ik daarvan.

Oké, wat betreft de tweede wereldoorlog en de jodenvervolging zijn mijn volwassen zoontjes niet perfect. Voor de rest zijn ze mijn licht, mijn leven en mijn alles en zijn ze inmiddels verantwoordelijke wereldburgers geworden die het hunne willen bijdragen aan het heil van de mensheid. Omdat ik het Joods monument niet kwijt kan bij mijn zoons, dan maar op mijn blog. Wie weet kijken anderen ernaar!

Het Joods Monument

Mijn biologische opa

Allemaal dood. Maar mijn zoons leven…en hoe!