Francis Bacon(1909-1992) – Study for a portrait of Van Gogh II (1957)

Bacon Vincent

Toen ik zo rond de 20 was (heel erg lang geleden dus), ging ik met een aantal vrienden naar Keulen. Duitsland dus. Dat was heel wat minder vanzelfsprekend dan het nu is, naar Duitsland gaan. Nu nauwelijks nog voor te stellen. De Duitse antipathie was me met de paplepel ingegoten. Slechte Kenmerken werden toen (niet alleen door mij dus) moeiteloos aan een hele natie toegeschreven in plaats van aan een persoon. Achteraf eigenlijk niet goed te praten. Maar ook onze intelligentsia ging mee in dit sentiment. Harry Mulisch zag ik in oude tv opnamen ‘Claus Raus’ roepen. Alsof prins Claus in zijn eentje schuldig was aan de tweede wereldoorlog. Gelukkig hebben we dit nu volledig achter ons gelaten!

Ik ging kortom met Vrienden naar Keulen. Daar werd een Kunstmesse gehouden. We gingen drie dagen naar Keulen en drie dagen lang bezochten we deze beurs. Hoe ik ook zoek op internet, ik kan niets over deze beurs vinden. Toch hing daar toen het crème de la crème van de moderne beeldende kunst. Dat is wat ik me ervan herinner. Die tentoonstelling heeft destijds een verpletterende indruk op mij gemaakt. Maar in hoeverre is mijn herinnering vertekend?

Ik wilde graag een catalogus of een beschrijving vinden zodat ik dat mijn geheugen kan toetsen aan de werkelijkheid. Ik herinner me namelijk dat er kunstwerken hingen die nu nauwelijks het museum uitkomen. Echte topwerken. Ik denk gewoon dat mijn herinnering mooier is dan de werkelijkheid van toen.

Waarvan ik heel erg zeker ben dat het werk er hing was deze ‘Study for a portrait of Van Gogh II’. In mijn herinnering hing de hele serie studies er, maar dat laat ik dus even in het midden. De studie nummer twee, hier afgebeeld, hing er zeker. Dit schilderij was gebruikt voor de poster. Die poster had ik mee naar huis genomen en die heeft een paar jaar bij mij aan de muur gehangen! Ik kan me herinneren dat ik de schilderijen ogenblikkelijk associeerde met Vincent van Gogh nog voor ik de titel had gelezen. Bacon geeft de ziel van Van Gogh weer. Ik probeer te achterhalen wat dat dan precies is, maar kom er niet helemaal uit. Wellicht de gele hoed of de veeg geel en rood op de achtergrond. Ik weet het niet. Somberheid en eenzaamheid, en leven voor de kunst, dat zijn de woorden die bij mij opkomen als ik dit schilderij bekijk; ik voel haast de getormenteerde ziel.

Bacon baseerde zijn studies op een schilderij van Van Gogh dat niet meer bestaat en dat heeft toch weer alles te maken met de tweede wereldoorlog. Van Gogh schilderde in 1888 zichzelf op het schilderij: De Schilder op de weg naar Tarascon. Tijdens het bombardement van Londen in de tweede wereldoorlog, verbrandde het schilderij. Wat ervan over is, zijn een paar foto’s. Dit schilderij heeft Bacon opnieuw geschilderd maar dan in de stijl van Francis Bacon. Daarmee probeerde hij de ziel van Vincent van Gogh te pakken te krijgen. Een eenzame man met een schilderskist op zijn rug, een wandelstok en een strooien hoed op, lopend op een weg. Een zware slagschaduw op de weg. Het gezicht gehuld in het duister. Kortom, een echte Bacon, deze studie van Vincent van Gogh!

Jan Veth (1864 – 1925) – Portret van Cornelia, Clara en Johanna Veth (1885)

SK-A-4862

De kunstenaar heeft dit portret van zijn drie zusjes geschilderd toen hij eenentwintig was. Ik vraag me af hoe de zussen zichzelf zagen en hoe Jan Veth ze zag en wat hij met het schilderij wilde zeggen. De zussen zien er zurig uit. Alsof het leven hen niet gebracht heeft wat ze er van verwacht hadden. Bedoelde Jan Veth dat? Of wilde hij hun zedigheid benadrukken? Of, had hij literaire bedoelingen met zoals hij zijn zusjes heeft geportretteerd? Hoe dan ook; Drie seks- en humorloze dames. Prachtig geschilderd! De middelste, jongste zus verbindt de twee oudere zussen door een hand op de schouder van de één en een ingehaakte arm bij de ander. Dit maakt de compositie erg fraai.

Wat mij erg vertederd, is het bijschrift bij dit schilderij in het Rijksmuseum. Er staat namelijk een citaat uit een brief van Jan Veth’s vader (en dus ook de vader van zijn drie afgebeelde zussen). Vader schreef dat hij verbluft was door de fantastische gelijkenis. Zijn dochters leken dus prima op wat zoonlief had geschilderd. Maar…zo schreef vader, wellicht dat Jan de trekken van zijn zussen wat had kunnen verzachten. Kortom, minder kunnen laten lijken op zichzelf!

Mijn stelling is dat Jan Veth zijn zussen willens en wetens als drie zurige oude vrijsters heeft neergezet. De kunstenaar heeft die keuze gemaakt en wij mogen het interpreteren. Wij mogen bedenken wat de schilder uiteindelijk met dit schilderij wilde zeggen. Jan Veth was een bijzonder intelligente man. Naast een zeer gevierd portretschilder was hij ook dichter. Was een van de tachtigers. Eindigde als hoogleraar. Kortom echt geen domme man die heel goed geweten moet hebben hoe hij zijn zussen schilderde.

De zussen van Jan Veth moeten slimme vrouwen zijn geweest. Hun mogelijkheden voor ontplooiing waren gering in die dagen. De tijd van Freud en de hysterica. Slimme vrouwen waren gedoemd het huishouden te doen en kinderen groot te brengen. In dezelfde periode dat dit schilderij werd gemaakt, schreef Anton Tsjechow ‘Drie Zusters’. Over drie zussen die in een provinciestadje wonen en hopen om binnenkort naar Moskou te gaan en daar het ‘grote’ leven te gaan leven. Komt niets van terecht, dus.

Een tijdje later zou Frederik van Eden ‘Van de koele meren des doods’ schrijven… Alweer over een slimme vrouw die zich geen raad weet met ambities en dromen in dat benauwde tijdsgewricht. Ik denk dat Jan Veth dat gevoel van vastzitten in nooit te realiseren ambities, heeft willen schilderen in de portretten van zijn zussen. Dat maakt het zo somber en maakt de ogen van de dames zo dof; geen perspectief. Dat tezamen met de grauwe achtergrond en de donkere kleren, maakt hen haast tot levende doden.

De conclusie…Wat wilde Jan Veth precies vertellen met dit schilderij. Volgens mij geeft hij op een perfecte manier de tijdgeest weer. Laat hij zien wat het lot van vrouwen is in de middenklasse op dat punt in de geschiedenis. Talentvol maar zonder mogelijkheden om dat talent te gebruiken. Perspectiefloos thuiszitten, verder niets. Rond die tijd was dat een veel uitgewerkt thema in de literatuur.

Rembrandt van Rijn(1606-1669) – Elsje Chistiaens aan de galg (1664)

Elsje Christiaens aan de Galg

Op 20 februari van dit jaar heb ik dit tekeningetje in het echt gezien! Op de tentoonstelling van de Late Rembrandt in het Rijksmuseum. Het tekeningetje is gemaakt vlak na 1 mei 1664. Op die datum werd het 18 jarige Deense meisje Elsje Christiaens op de Dam gewurgd. Vervolgens kreeg het dode lichaam een paar klappen met de bijl (het moordwapen) op haar hoofd. Daarna werd het lijk overgebracht naar het galgenveld ‘De Volenwijck’ aan de andere kant van het IJ. Daar werd ze opgehangen aan een paal: ‘…om van locht ende het gevogelte verteert te werden,…

Rembrandt was even oud als ik nu, 56 jaar, toen hij zich naar het galgenveld liet overzetten. Twee tekeningetjes maakte hij van het lijkje aan de galg: Eén frontaal (hiernaast) en de ander en profiel. Daarna liet hij zich weer terugroeien. Na veel omzwervingen (denk ik) zijn de twee tekeningetjes in New York terechtgekomen in het Metropolitan Museum of Art. Voor de tentoonstelling ‘late Rembrandt’ stak het werkje de oceaan over en kon ik het in het echt zien! En dat heb ik gedaan! Net zo lang gewacht tot ik er pontificaal voor kon staan en me toen een tijdje niet opzij laten dringen!

Het blijft fascinerend en sensationeel zo’n ter dood gebracht iemand. Zelfs nu nog wil je er meer van weten, hoewel ze al ruim 350 jaar dood is. Ik heb nog steeds last van sensatiedrift! Ik weet dat anderen dat ook hebben. Dat is de reden, vermoed ik, dat ik honderden tekeningen van Rembrandt niet ken, maar deze juist wel. Veel eerder kende ik het dan toen ik er in de Kleine Geschiedenis van Amsterdam van Geert Mak over las. Uit dat hoofdstuk zijn mij twee dingen erg bijgebleven.

Mak vertelt dat men eerst moeite had met de datering. Op grond van kunsthistorische argumenten had men het gedateerd tot zo rond 1655. Toen kwam op een dag iemand op het lumineuze idee om het archief van Amsterdam te raadplegen. En ja hoor, in het hele leven van Rembrandt was slechts 1 vrouw ter dood veroordeelt; Elsje Christiaens op 1 mei 1664.

Het tweede dat mij in dat hoofdstuk getroffen heeft is dat het verhaal van dit meisje zoveel overeenkomsten heeft met stromen immigranten die nu Nederland binnenstromen. Waar je geboren wordt daar zijn geen mogelijkheden om een leven op te bouwen. Je pakt, na veel wikken en wegen, je spullen en vertrekt naar gebieden waar die mogelijkheden wel lijken te zijn. In de 17e eeuw was het rijke Amsterdam dé plek waar gelukzoekers het wilde proberen. Nu is dat heel noord west Europa. Heel West Europa is vele malen rijker dan Amsterdam toen was.

1664…Rembrandt was oud en berooid. Hendrickje Stoffels was het jaar daarvoor overleden. Hoogstwaarschijnlijk aan de pest. Een ideale romanfiguur, kortom. Elsje Christieaens, volkomen anoniem gebleven al de grote schilder haar niet getekend had. Een 18 jarig gelukszoekertje in haar eentje in het 17e eeuwse Amsterdam. Doordat ze haar hospita met een bijl doodsloeg zijn haar laatste dagen goed gedocumenteerd. Ook een roman waard! Margriet de Moor heeft Rembrandt en Elsje samengebracht in een heerlijke roman: ‘De schilder en het meisje’. Echt een aanrader! Wellicht is de titel niet helemaal goed gekozen; het geeft het idee van een romance terwijl dat echt niet het geval is.

Egon Schiele (1890-1918) – Der Tod und das Mädchen. (1915)

1280px-Egon_Schiele_012

In 2009 waren we tijdens de vakantie een paar dagen in Wenen. We stonden op een idyllische camping vrijwel in ons eentje. Een voormalig zwembad in een Weense buitenwijk. Om in het centrum te komen, moesten we een halfuur met de tram en dan nog een stuk met de metro. Maar dat maakte allemaal niet uit. Wij kwamen er voor de muziek. Mozart, Beethoven, Schubert; hun geboorte-, woon- en sterfhuizen; wij hebben ze bezocht! Op de begraafplaats van Wenen heb ik een verzameling graffoto’s van beroemde componisten aangelegd. Muziek, muziek en nog eens muziek. In het Theatermuseum, dichtbij de opera, zag ik de waarde die men toekende aan de paar jaar dat Gustav Mahler directeur van de opera was geweest. Die impact was enorm. Hij kreeg zeker twee keer de aandacht dan de andere beroemde en grote directeuren. Gustav Mahler; een symfonie van hem is een avontuur waar je gelouterd uit komt. Hij markeert de overgang naar een nieuwe tijd.

Op dezelfde plek in tijd en ruimte als Gustav Mahler, bloeide de beeldende kunst.

Toen wij in Wenen waren in 2009, wilden we graag ‘De Kus’ van Klimt zien en daarvoor gingen we naar het Leopold museum. Wat we toen niet wisten was, dat dat schilderij daar helemaal niet hing. We vonden daar wel Egon Schiele. Een tijdgenoot van Gustav Mahler en Gustav Klimt. In het Leopold museum dus geen Kus van Klimt, maar wel een tentoonstelling van het werk van Egon Schiele. Fascinerend! Een hele eigen stijl. Zijn doeken zijn eigenlijk tekeningen op doek die ingekleurd zijn. Veel zelfportretten en veel blote vrouwen, wijdbeens getekend. De tekeningen en schilderijen stralen vooral eenzaamheid uit en angst of verlangen naar de dood. Hoe kleurig vaak ook, eenzaamheid en de dood spelen de hoofdrol. Dat geldt ook voor de afgebeelde blote vrouwen.

Der Tod und das Mädchen vonden we ook niet in het Leopoldmuseum. In 2013 waren we nogmaals in Wenen en toen iets beter gedocumenteerd. We wilden hoe dan ook De Kus van Gustav Klimt in het echt zien. Die hing dus in het Belvederemuseum. In de buurt van De Kus kwamen we het schilderij Der Tod und das Mädchen tegen. Terwijl het onweer losbarstte boven Wenen en het Belvederepaleis, bekeken wij de schilderijen. Ik wilde een kussende selfie maken met De Kus op de achtergrond, maar helaas, ik werd hard terecht gewezen. Dan te bedenken dat het veel te donker was om een mooie foto te maken!

Ook Der Tod und das Mädchen de typische stijl van Schiele; een vrouw in omhelzing met de dood. In de dood herkennen we het gezicht van de kunstenaar. Harde getekende lijnen die later, zo lijkt het, zijn ingekleurd. Bijna een karikatuur. Maar dan een karikatuur zonder humor. De titel van het schilderij verwijst duidelijk naar het prachtige strijkkwartet van Franz Schubert. Gezien het jaar waarin het doek geschilderd werd, was de dood een absolute aanwezige in het dagelijkse leven in Wenen. Hoe verwerkte men op dat moment de slachtpartij? Door schilderijen te maken als deze, denk ik.

Ook Egon Schiele ontkwam niet aan de oorlog. Hij werd opgeroepen om toe te treden tot het leger van de keizer. Hij hoefde echter niet naar het front; hij kreeg een kantoorbaan. Zo overleefde hij de oorlog. In het eerste vredesjaar echter, kwam een volgende massamoordenaar; de spaanse griep. Zowel zijn vrouw als hij bezweken er aan. Slechts 28 jaar oud. Maar wat laat hij een speciaal oeuvre na!

Barnett Newman (1905-1970) – who’s afraid of red yellow and blue (1967/1968)

redyellowandblue

Een heel groot rood vlak met een streepje geel en een streepje blauw. Ik vind het fantastisch. Ik weet alleen niet waarom… maar moet het wel steeds uitleggen aan mijn minder kunstminnende vrienden en…zonen. Tsja, waarom is dit kunst? Waarom raakt het mij? Waarom roept het zoveel agressie op?

Ik ga eerst even zeggen wat ik niet ga doen; mezelf verdedigen. Dit schilderij, en trouwens ook de andere schilderijen van deze schilder die in het Stedelijk Museum hangen, doen mij heel veel. Wat ze me ‘doen’, is een belevenis. Dat wil ik graag vertellen. Dat kan zweverig zijn of in ieder geval niet zakelijk, maar het is wel wat ik er aan beleef en waarom ik het een geweldig kunstwerk vind. Dus…als iemand het niet mooi vindt, het geen kunst vindt of het met gemak zelf kan maken (geef me maar eens een doek van tweeënhalf bij vijfenhalf, een verfroller, wat afplakband en een pot rode, blauwe en gele verf…), even goede vrienden! Maar val mij er niet mee lastig! Als je het niet mooi wilt vinden, dan ga ik je er niet toe dwingen. Omdat ik een sociaal wezen ben, vind ik het wel jammer voor je want je mist de sensatie die ik voel als ik me omringt weet door dit schilderij.

Maar toch de vraag: Is dit nou kunst. Antwoord: Ja, want het hangt in een museum en veel mensen die ervoor hebben doorgeleerd, zeggen dat dit kunst is. (dooddoener!!!) Kunnen zij zich vergist hebben? Tuurlijk kunnen zij zich vergist hebben. De geschiedenis van de aarde en de mensheid is een lange reeks van gecorrigeerde en bijgestuurde vergissingen. Deze vraag wordt natuurlijk ingegeven door het feit dat er een onmogelijk groot bedrag betaald is voor het restaureren van het schilderij. Honderdvijfentwintig miljoen dollar is niet niks. Was dat het wel waard? Daar heb ik geen oordeel over. Ik weet dat er vele afwegingen zijn gemaakt en dat men dit werk toch dermate belangrijk vond, dat restauratie gerechtvaardigd was. Ik ben het daarmee eens.

Nu de bekentenis…Alle bovenstaande vragen heb ik net zo goed ook gehad. Ook dezelfde gedachten; dat kan ik ook maken; is dat nou kunst; et cetera, et cetera. Je moet je er voor openstellen, zoals voor de meeste kunst. Dan moet je doen wat Barnett Newman suggereert; heel dicht bij het schilderij gaan staan en dan kijken wat het schilderij met je doet.

Veel critici zeggen dat het schilderij voor eeuwig verpest is na de restauratie die zoveel geld gekost heeft. Ik vind dat moeilijk te bepalen. Dat het schilderrij met een verfroller is overschilderd+ ik zie het niet. Ook zie ik niet dat de kleur rood niet meer de oude kleur rood is. Ik zie het gewoon niet. Ik ben wel, na de restauratie, voor het schilderij gaan staan. Ongewijzigd ervaarde ik de sensatie van het schilderij. Voor mij is de restauratie dus geslaagd, maar ik ben dan ook geen kunsthistoricus.

Barnett Newman zet zich af tegen het werk van Piet Mondriaan. Dat vond ik heel apart om te horen. Ik zie juist veel verwantschap. Ook Mondriaan was bezig met een metafysische wereld. Hij zag chaos in de zichtbare schijnwereld, maar geloofde in een perfect in harmonie verkerende echte wereld. Die perfecte harmonie schilderde hij. Wat ik er van begreep was, dat Newman vond dat Mondriaan de kleuren opsloot. Dat klopt natuurlijk wel, want Mondriaan heeft zwarte lijnen langs de elementaire kleuren, terwijl Newman de kleuren tegen elkaar aanlegt. Ik kan dat nou niet echt belangrijk vinden. Ook schilders mogen een mening hebben over elkaars werk! Ik hou ook van het werk van Mondriaan. Newman is voor mij directer en explosiever.

Adriaen Coorte (1683? – 1707?) – Een takje kruisbessen op een stenen plint (1699)

coorteLouter toeval lijkt het

dat de kern zich ledigt,
zich uitspreekt
in zijn varianten.

Voor altijd zich verwijderend

om wat hem dierbaar wordt,
al inkerend tot zichzelf.
Eerst zichtbaar geworden
wordt het verstaan:

het in zijn nu verblijvend hier.

De kruisbes is niet nederiger
dan de aardbei; een hop niet

onwezenlijker dan een pelikaan.

Uit: Lichtval, Amsterdam, De Bezige Bij, 1981. Hans Favery

Pure schoonheid. Intussen, in onze tijd, eindeloos nagedaan. Maar niets haalt het bij het origineel. Gisteren was ik in het Rijksmuseum en heb stil genoten van dit meesterwerk. Niet sensationeel. Klein en niet opvallend. Geen drommen mensen die je de blik op het schilderij ontnemen. Het hangt tussen de asperges, aardbeien, perziken en abrikozen. Allemaal van dezelfde schilder, allemaal op dezelfde stenen plint. Loop je naar de museumwinkel dan krijg je toch weer een ander beeld over zijn populariteit. Coorte’s asperges op servetten, dienstbladen, kaarten en posters; het schreeuwt je tegemoet. Mijn conclusie: Het werk van Adriaen Coorte leent zich erg goed voor merchandising terwijl het origineel niet bekeken wordt. Is dat niet apart?

Loop je door de buurt bij de Nieuwe Spiegelstraat in Amsterdam en kijk je in de etalages van de verschillende galerieën, dan kom je al snel Coorte’s na-apers tegen. Er is een markt voor; een schaaltje aardbeien, een appel op een plank of een takje aalbes. Heel precies geschilderd. Maar heeft het dezelfde kracht als het werk van Adriaen Coorte? Nee natuurlijk.

Meer dan twee blokken colleges heb ik niet gehad van de dichter Rein Bloem toen ik Nederlands en Geschiedenis studeerde aan d’Witte Lelie zo rond 1980. Ik was niet bepaald gek op hem en ik heb van zijn colleges niet veel opgestoken. Gek genoeg heeft hij mij op een paar dingen attent gemaakt en die zijn me mijn hele leven bijgebleven. Eerst natuurlijk de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. In die periode honderdduizend keer minder bekend dan nu. Hij vertelde over de culturele impact die de route heeft gehad op West-Europa. Ik was er, met mijn hang naar spiritualiteit, meteen al enthousiast over en ik was zeker van plan om deze route eens te gaan lopen. Ik heb de tocht gemaakt, niet lopend maar op de fiets en sindsdien kan ik er nog veel beter over vertellen dan Rein (denk ik).

Het tweede waar hij ons op wees was het werk van Adriaen Coorte. Dat had alles te maken met een tentoonstelling die er was geweest rond die tijd en die Coorte ineens hot had gemaakt. Deze tentoonstelling had diepe indruk gemaakt op Rein Bloem, maar ook op zijn vriend en dichter Hans Favery. In die jaren kwam Favery’s dichtbundel ‘Lichtval’ uit, helemaal in het teken van Adriaen Coorte. Hiernaast het vijfde gedicht in de reeks.

Nou heb ik wel een tijdje nederlands gestudeerd, maar gedichten verklaren is echt niet mijn sterkste punt. Wat Favery lijkt te zeggen, en dat herkent hij ook in het werk van Coorte, is dat er een kern is die zichtbaar gemaakt moet worden maar dat de uiterlijke vorm niet uitmaakt. Of hij nou een kruisbes of een aardbei schildert, of een hop of een pelikaan, het maakt niet uit, hij heeft de kern zichtbaar gemaakt. Maar…moeilijk gedicht. Vond ik toen al, ook toen Rein Bloem het voorlas en besprak.

Het is mij wel duidelijk dat Adriaen Coorte een nieuwe weg is ingeslagen met het stilleven. Pure soberheid. Dat in tegenstelling van de weelderige voedsel stillevens die zo kenmerkend zijn voor de 17e eeuw. Neem bijvoorbeeld het eerder besproken schilderij van Clara Peeters.

Coorte heeft meerdere kruisbessen geschilderd. Het lijkt alsof hij door wilde dringen tot de kern. Een velletje waar doorheen je het vruchtvlees en de pitjes kunt zien zitten maar overdekt met een harig laagje. Daarnaast zitten aan een rijp takje kruisbessen tussen de donker gele altijd een paar groen gele. Het licht strijkt langs de blaadjes en laten de bessen oplichten.

Everaert Van Orley (?) – De St Rochuspanelen in de St. Jacobskerk in Antwerpen (1519?)

rochus 7panelenRochus

Dit gaat niet om één schilderij, maar om twaalf! Twaalf beschilderde panelen met het heiligenleven van St. Rochus die hangen in de St Jacobskerk in Antwerpen. De beste afbeeldingen die ik kon vinden staat hiernaast. Ik heb ze één keer in mijn leven gezien (en er meteen helemaal verknocht aan geraakt) en ik heb drie mislukte pogingen gedaan om de panelen nog een keer te zien. Ik heb ze voor een groot deel gefotografeerd, maar de meeste foto’s zijn mislukt. De enige waar in ieder geval nog iets op te herkennen valt, staat hiernaast.

Naar de schilder wordt geraden; men weet het niet zeker. Nu ik in Amsterdam ben, zie ik op internet dat de panelen weer hangen; gerestaureerd in de gerestaureerde St. Jacobskerk.

In 2004 begonnen we een project dat drie jaar zou duren; onze fietstocht naar Santiago de Compostella. Deze pelgrimstocht voert naar het graf van de apostel Jacob (de meerdere). In kerken is deze apostel makkelijk te herkennen tussen de anderen apostelen, omdat hij gekleed gaat als een pelgrim: Een breed gerande hoed met een St.Jacobsschelp, een staf met een kruikje eraan en een pelgrimsmantel om.

We kwamen veel in kerken en gezien ons project, hadden we speciale aandacht voor de genoemde apostel. Maar, we vergisten ons ook. Sint Jacob bleek een dubbelganger te hebben. Nog een pelgrimheilige! Het verschil was dat deze laatste heilige wees naar een bult op zijn been en afgebeeld werd met een hondje met een steen in zijn bek. We kwamen erachter dat dit de pestheilige Sint Rochus was. De bult die hij aanwees was een pestbuil en het hondje had een brood in zijn bek in plaats van de steen.

Sint Jacobskerken trokken in die periode speciaal onze aandacht omdat daarin vaak aandacht was voor de pelgrimstocht die wij aan het maken waren. In 2005 waren we in Antwerpen en lekker over de grote winkelstraat de Meier, toen we in een zijstraat de Sint Jacobskerk vonden. Toeristisch belangrijk omdat Peter Paul Rubens daar begraven is. Dat graf hebben we nog nooit gezien doordat we afgeleid werden door de Sint Rochuspanelen. Wat een leuke, mooie en bijzondere schilderijen!

In het kort het leven van Rochus. Hij werd in een rijke familie geboren in Montpeliers. Toen hij twintig was verloor hij zijn ouders. Hij gaf zijn geld weg aan de armen en het beheer over zijn goederen in handen van zijn oom en begon aan zijn pelgrimstocht naar Rome. Onderweg kwam hij langs streken waar de pest heerste. Daar verpleegde hij de zieken of genas ze door het maken van het kruisteken. Uiteindelijk kwam hij in Rome. Daar bleef hij een paar vjaar. Op zijn terugreis, kwam hij weer op plekken waar de pest heerste. Weer verzorgde hij de zieken. Nu werd hij echter ook besmet. Hij trok zich terug in het bos. Een hond bracht hem, gezonden door een engel, elke dag brood. Rochus herstelde van de pest en ging weer naar huis. Daar woedde een burgeroorlog en hij werd niet herkend, ook niet door zijn oom. Hij werd als spion in de gevangenis geworpen. Na vijf jaar overleed Rochus en toen werd pas zijn ware identiteit bekend.

Dat Rochus genas van de pest, dat hij een pelgrim was en pestlijders verzorgde en genas, dat maakte hem tot de pestheilige pur sang. In heel veel kerken kom je deze belangrijke heilige tegen.

Op de panelen wordt dit leven afgebeeld. Hoewel het op het afgebeelde paneel allemaal niet zo duidelijk is, zien we twee vrouwen die hun mond en neus beschermen tegen de besmettelijkheid van de pest en tegen de stank. Een moeder houdt haar kind beschermend vast. Sint Rochus met zijn rode mantel staat gebogen over een stervende man en maakt het kruisteken. Op de voorgrond een oudere man met berusting in zijn ogen.

Een aanrader om de Sint Jacobskerk te gaan bezoeken, zeker nu deze kerk gerestaureerd is. Bezoek het graf van Rubens maar vergeet de Rochuspanelen zeker niet.

Clara Peeters (1594 – 1657?) – Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen (1615?)

clarapeeters

Ik hou verschrikkelijk van lekker eten. Misschien dat ik daarom zo gek ben op dit soort stillevens. Eigenlijk werden ze in deze vorm alleen in de 17e eeuw zo geschilderd. De bedoeling was dat het zo echt leek, dat je er honger van kreeg. Visuele grapjes moeten dat gevoel van ‘echtheid’ versterken. Eén van die grapjes is het voorwerp dat over de rand van de tafel cq schilderij naar buiten komt. Vaak is dat een schotel. In dit schilderij is het een mes dat uit het schilderij dreigt te vallen.

Zoals gezegd heb ik een grote liefde voor dit genre. Dit schilderij hangt in het Mauritshuis. Het museum was behoorlijk druk toen we er waren. Het was net weer geopend na een grondige renovatie. Ook het weer was een beetje triest kan ik me herinneren. Een goede dag, kortom, om naar het museum te gaan. Dat zorgt er, helaas, meteen voor dat je de schilderijen helemaal niet goed kunt bekijken.

Gelukkig! Het Mauritshuis heeft het schilderij met een heel hoge resolutie op haar site gezet. Daarom kun je het goed bestuderen en gaan je allerhande leuke dingen opvallen.

Zoom je bijvoorbeeld in op het mes. Dan zie je daarop de naam van de kunstenares gegrafeerd staan. Alsof dat het merk van het mes is!

Een ander leuk detail zit in de halve kaas. De kaas is namelijk doorgesneden zodat je precies kunt zien waar de keurmeester een gat geprikt heeft om de kaas te keuren. Hij heeft een gat geboord; een stukje geproefd en daarna het gat weer dichtgestopt.

Nog een leuk detail. Zoom in op de deksel van de kruik achter de grote kaas. Een petieterig portretje van de kunstenares in een weerspiegeling. Ze draagt een kanten kapje, zo te zien.

De vorm van de krakelingen vind ik atypisch. Meestal is de vorm anders. Meestal kruisen de twee uiteinden en komen ze terug op de basis.

Een zelfde soort schilderij hangt in de eregalerij van het Rijksmuseum. Stilleven met kazen van Floris Claesz. Van Dijck heeft echt veel overeenkomsten. Ik kreeg vanuit de vereniging Slow Food een culinaire rondleiding door het Rijksmuseum. We hebben toen een tijd stilgestaan bij dit werk. Rene Zanderink vertelde toen over de harde groene kaas die bovenop ligt. De soort kaas die, volgens mij, ook op het Clara Peeters schilderij staat, maar dan vooraan. Volgens Rene Zanderink was deze kaas een vermaarde Texelse schapenkaas. De groene kleur kreeg hij door schapenmest die door de melk werd gemengd. Ik kon dat in eerste instantie niet geloven maar na enig onderzoek bleek dat toch echt correct. Wat ook bleek tijdens dat onderzoekje was dat het maken van deze kaas in de 19e eeuw verboden werd vanwege de gevaren voor de volksgezondheid. De soort kaas was toen al in populariteit gedaald omdat bij het grote publiek langzaam bekend werd hoe hij gemaakt werd.

In de catalogus van het Mauritshuis wordt de groene kaas op het Clara Peeters schilderij ook benoemd. Echter daar schrijft men dat het om een Edammer kaas gaat. Ik heb de conservator een brief geschreven met de vraag of dit toch niet de Texelse schapenkaas was. Ze stuurde mij een artikel waarin ze schreef dat een kaasexpert op grond van de vorm van de kaas had besloten dat het een edammer kaas was en dat de groene kleur afkomstig was van kruiden. (De conservator was er trouwens in eerste instantie ook vanuit gegaan dat we hier te maken hebben met de poepkaas!)

Zo, dan mijn conclusie: Die kaasexpert heeft ongelijk! Ik heb het plaatje van de kaas naar Rene Zanderink gestuurd. Hij vertelde dat niet alleen op Texel dit soort kaas gemaakt werd, maar ook op andere plekken in Nederland. De ’s Gravenlandse kaas, bijvoorbeeld. Deze kaassoort was ongehoord populair in die tijd. Het is daarom onwaarschijnlijk dat we met een ‘gewone’ met kruiden gekleurde edammer kaas te maken hebben.

Ik had graag, en dat meen ik serieus, een stukje van deze groene kaas geproefd. Ik denk dat de schapenmest er een pittig smaakje aan geeft!

Gustave Courbet (1819 – 1877) L’Origine du Monde (1866)

originedumonde

Hoe kijk je daar nou naar, naar zo’n schilderij in een deftig museum in Parijs? In de 19e eeuw voelde het gênant, denk ik, om er naar te kijken. Nu is het nog steeds gênant. Wat mij opviel was dat heel veel mensen juist niet keken naar dit schilderij. Ook ik niet. Ik heb het gezien, maar om nou te zeggen dat ik in het Parijse Musee d’Orsay alle details heb bestudeerd en even goed heb gekeken…kan ik moeilijk beweren. Vraag die ik aan mezelf stel: Wat gebeurd er met je als je zo’n schilderij tegenkomt. In hoeverre heeft dit met je omgeving te maken? Wat ik ook wil weten (kijken of ik er iets over kan vinden op Internet) is hoe het schilderij ontvangen werd destijds.

Eerst eventjes terug naar februari van dit jaar. Met zonen en aanhang waren we met z’n allen in Parijs voor een lang weekend. Ongelofelijk fijn! We waren samen maar tegelijkertijd lieten we elkaar vrij in wat we wilden zien of bezoeken. Met een subgroep togen wij naar het Musee d’Orsay. Daar had ik van lang geleden bijzonder goede herinneringen aan. Die herinneringen bleken niet vertekend. Eigenlijk was het nog mooier dan ik me kon herinneren. Dan te bedenken dat ik alleen op de begane grond ben gebleven!

Sta je met je rug naar de ingang, dan hangen de werken van Courbet links achterin het museum. Grote werken zijn me bijgebleven. Ik heb erg lang staan kijken naar de Begrafenis in Ornans. Een enorm werk van 3 bij 6 meter. Een hyperrealistisch weergave van…een begrafenis. Dat realisme is fascinerend omdat elk persoon zijn of haar eigen emoties heeft. De personages zijn met erg veel liefde op het doek gezet en vertellen allemaal hun eigen verhaal. Eigenlijk is het een niet bijzondere gebeurtenis die weergegeven wordt als iets heel speciaals.

In de volgende zaal een jachttafereel van Courbet en… de kut, zullen we maar zeggen…

Hoewel het best druk was in het zaaltje en voor elk schilderij een paar mensen stonden te kijken, had echt helemaal niemand aandacht voor dit schilderij, zo leek het. Ik merkte dat ik me daaraan irriteerde. Leven we in de 21e eeuw, waarin de porno uit het internet spat uit kaalgeschoren lichamen zodat alles goed zichtbaar is maar durven we geeneens naar een schilderij dat 150 jaar geleden geschilderd is te kijken! Het is ook behoorlijk intiem. Ik heb me vermand en ben er voor gaan staan. Maar omdat ik me zo geneerde heb ik er te weinig van gezien.

Het is namelijk een prachtig schilderij met een overweldigende compositie. Dit schilderij heeft helemaal niets met porno te maken hoewel je het wel aanstootgevend kan noemen. Met veel gevoel voor detail is het met veel liefde geschilderd. De schilder heeft zijn moeder geschilderd of zijn oma maar in ieder geval een moeder. Zonder erotiek. Dit schilderij is er niet om op te winden. Dat valt mij op. Dit schilderij wil laten zien wat de oorsprong is van ons allemaal. Een zacht vlezig lichaam dat troost brengt in deze harde wereld. Een zacht gewelfde buik en warme billen. Borsten om tegenaan te kruipen. Troost is het, pure troost. Hoewel het ons aller moeder voorstelt, lijkt het lichaam niet geschonden. Geen sporen van zwangerschap.

Hoe werd het schilderij ontvangen in de tijd dat het vervaardigd werd? Internet (de site van het museum) geeft daar een kort maar krachtig antwoord op; het werd niet ontvangen in het openbaar. Het schilderij werd besteld door de Turkse diplomaat Khalil-Bey die het aan zijn verzameling erotische kunst toevoegde. Na zijn faillissement belandde het bij de psychoanalyticus Jacques Lacan die het uiteindelijk aan het museum schonk of verkocht. Het is dus nooit in de openbaarheid geweest in de periode dat het geschilderd werd.

Zo, een heel verhaal over een schilderij waarvan ik het origineel dus juist niet goed bekeken heb! Omdat ik me zo geneerde! Shame on you! Trouwens…maakt die gouden lijst het niet extra gênant om er in het museum voor te gaan staan?

Nederlands Filharmonisch Orkest – Verdi: Messa da Requiem

11 september 2015 – Concertgebouw

Is het Requiem van Verdi nou kerkmuziek of operamuziek? De vraag die overal gesteld wordt als het over dit requiem gaat. Eigenlijk is dat niet zo’n interessante vraag omdat het niet uitgevoerd wordt in een kerk en ook niet in een operahuis. Dit requiem wordt alleen maar uitgevoerd in de concertzaal. Is dus een concert. Maakt niet uit of het naar opera riekt of naar een religieus stuk. Het is een Verdi stuk; dat is in ieder geval wel duidelijk.

Ik zal een jaar of zeventien geweest zijn. Mijn vader woonde in Cuijk. Soms was ik daar een weekend. Zo’n weekend duurde heel kort, maar je maakte van alles mee en aan het eind was je uitgeput. Moeilijke weekenden die me in verwarring brachten. Ik wou ze ook niet missen. Ik voelde een diepe verbondenheid met mijn vader en verlangde altijd erg heftig naar hem. De momenten dat ik hem voor mij alleen had, waren zeldzaam. Er was altijd onrust om hem heen. Waren we alleen dan luisterden we samen naar muziek. Daarin hadden we elkaar gevonden.

De grote stad in de buurt van Cuijk is Nijmegen. We kwamen er niet vaak, maar ik herinner me dat hij me een keer in Nijmegen van de trein kwam halen en dat we toen de stad in gingen. Naar V&D. Daar hielden ze uitverkoop van platen. Veel klassieke. Mijn vader had net geld gehad, en dat brandde bij hem in zijn zak. Een hele stapel platen. Kocht hij. Bij hem thuis gingen we ze luisteren. Het Requiem van Verdi. Keurde mijn vader meteen af. Niet goed opgenomen. Slechte stemmen. In ieder geval, er ontbrak van alles aan. Hij bood hem mij aan. ‘Anders gooi ik hem weg’. Zonde, vond ik. Daarom nam ik hem mee naar huis. Inderdaad had ik zelden zo’n slechte opname gehoord. De alt kraste zich door het Christe Eleison heen. Bij de grote trom kon de microfoon het niet meer aan. Nee, geen beste uitvoering en opname. Toch heb ik hem grijsgedraaid en heb ik door de makke heen de muziek van Verdi enorm leren waarderen.

Gisteren in het concertgebouw geen last van een slechte opname. Recht van keel en instrument naar mijn oor. Dat was een grote sensatie. Zelfs toen bleek dat het kwartet solisten getroffen was door ziekte. Zowel de sopraan Krassimira Stoyanova als de bas Vitalij Kowaljow werden vervangen. Respectievelijk door Camilla Nylund en Roberto Tagliavini. Nou kende ik de zieke twee niet en hun vervangers had ik ook nog nooit gehoord, dus in die zin maakte het voor mij niet uit. Hoe dan ook, ze zongen fantastisch! Het Mors stupebit is voor mij het meetpunt van de bas. Indrukwekkend; de dood en de verschrikking sloegen ervan af.

De leeftijdsverdeling van het publiek was voor het moyenne van het concertgebouw gunstig. Dat zakte weer een paar jaartjes. Zie je normaliter vele grijze hoofden; nu zat er veel jong grut. Eén van de hoogtepunten is toch wel voor het Dies Irae. In dit stuk, dat ook een paar keer terugkomt, speelt de grote trom de hoofdrol. Om de doden wakker te schudden en om de krochten van de hel weer te geven. Apart om de slagwerker op zijn hardst op de trom te zien slaan. Ik heb een keertje gehoord dat een dirigent van zijn podium viel omdat de grote trom juist niet sloeg toen het wel moest en de dirigent er zo op gerekend had.

Een erg mooie uitvoering en ik heb een heerlijke avond gehad!

Blog van Frits de Klerk