Gezien op zaterdag 28 maart 2026 in het concertgebouw
Uitgevoerd door: Nederlands Kamerorkest olv Ivor Bolton en Nationaal Gemengd Jeugdkoor en Nationaal Jongenskoor
Hoe vaak heb ik hier, op deze website al iets geschreven over de lente en de Mattheus Passion. Waarschijnlijk al meer dan tien keer, want ik ben deze blog al meer dan tien jaar geleden begonnen en één van Bachs passies is een jaarlijks ritueel. Nou klinkt ‘ritueel’ wat rigide in de trant van ‘het moet en het zal’ omdat het zo hoort, maar dat is het zeker niet; ik ga er jaarlijks met heel erg veel plezier naartoe en geniet er intens van en als het me niet meer zou boeien zou ik er meteen mee stoppen. Maar stoppen is voor mij nog altijd niet aan de orde; ik vind het heerlijk en dus zaten we gisteren in het Concertgebouw om naar de hemelse muziek van Bach te luisteren. Maar deze keer was het anders… Nu met een verbeterd gehoor. In de loop van de jaren, zo bleek, waren de hogere tonen langzaam verdwenen uit mijn gehoorspectrum. Daar merk je niet veel van. Ik dacht dat ik weinig miste van concerten. Alleen het verstaan van mensen ging steeds moeizamer. Nu dus een gehoorapparaat, en dat maakt alles anders. Ik bleek al erg lang een heleboel niet te horen in de concertzaal… Gisteren was niet mijn eerste concert met gehoorapparaat, maar wel mijn eerste Matheus.
Dat was dus wel even wennen. Het klinkt anders. Intenser, maar vooral anders. De muziek wordt er heel erg veel rijker van maar je hoort ook allerhande bijgeluiden die me vorig jaar niet dwars zaten, gewoon omdat ik ze niet hoorde. Een nieuwe luisterervaring omdat ik me de muziek van vroeger niet op de manier kan herinneren uit de tijd dat mijn oren nog fris en fruitig functioneerde. Het viel me op dat ik weinig vermoeid was toen het slotkoor inzette. Voorheen begon het bij de basaria erg zwaar te worden: ‘Ich will Jesum selbst begraben’ kon me niet kort genoeg duren. En dan weet je dat het een mooie aria is. Het leek me wel eens een goed idee om de Matheus achterstevoren op te voeren zodat je eens wat meer aandacht kreeg voor het laatste deel in plaats van dat je dan vooral de zadelpijn voelt. Maar gisteren had ik daar helemaal geen last van. Tot aan de laatste toon heb ik geboeid geluisterd en ik denk dat het aan de voor mij nieuwe klanken lag.
Een uitvoering met bijzondere koren; Het volwassenenkoor was gedeeltelijk een voortzetting van het kinderkoor en het oudste koorlid was onder de dertig. Hele jonge stemmen van talentvolle en ambitieuze mensen. Dat is, zo bleek, een fantastische combinatie. De leden van het Nationaal gemengd jeugdkoor zijn voor een deel ex-leden van het Nationaal Jongenskoor nadat ze de baard in hun keel kregen. Tenminste ik ga ervan uit dat in het Nationaal jongenskoor geen meisjes zitten. Een groot deel van de meisjes komt weer van andere kinderkoren. Kortom allemaal jong, talentvol, gemotiveerd en ambitieus en bovendien ervaren, en dat hoorde je! Ook alle kleinere solisten kwamen uit het koor en uiteindelijk vond ik dat ze bij het applaus ietsje te weinig eer kregen; in ieder geval veel minder dan ze verdiende. Zo’n koor toont aan dat nog niet alle toekomst van de westerse klassieke muziek verloren is zoals je misschien mocht denken als je de vaak wel erg woke subsidietoewijzingen ziet.
Kom ik bij de aria’s; de solisten. De vrouwenstemmen en de bas klonken in mijn gerestaureerde gehoor prima. De evangelist, die ook de tenoraria’s zong, klonk ietwat te scherp en teveel vibrato en wat moeilijk in de hoogte, vond ik. De tenoraria’s daarentegen zijn gecomponeerde bronnen van onrust; die onrust is ook de kracht. Neem bijvoorbeeld: ‘O Schmerz! wie zittert das gequälte Herz’. Enorme tempowisselingen tussen solist en koor. Het duurde lang voordat ik deze aria kon waarderen; ik werd er altijd bloednerveus van. Maar wat een gigantische compositie! Die aria ging dan ook erg goed met deze solist.
Verder? Het was gewoon genieten zoals elk jaar!