De Eerste van Mahler en een heel mooi lied van die ander…

Gezien en gehoord in het Concertgebouw van Amsterdam op 29 oktober 2022

De toegift gisterenavond zo vlak voor de pauze was het ideale bruggetje tussen het religieuze Gloria met al haar onverwachte harmonieën, melodieën en spanning van Francis Poulenc en Gustav Mahlers eerste symfonie. Richard Strauss gezongen door de Amerikaanse sopraan Erin Morley. Je kunt mij dag en nacht wakker maken voor de orkestliederen van Richard Strauss. Ik denk dat ik ze allemaal wel van noot tot noot ken. De levens van Strauss en Mahler kruisten elkaar. Ze kenden elkaar en hun beider echtgenoten hadden de pest aan elkaar. Alma Mahler, de absolute schoonheid waar veel kunstenaars voor in katzwijm vielen, maar een betrekkelijk ongelukkig huwelijk had met Gustav Mahler. Haar werd verboden om naam te maken als componist terwijl ze wel degelijk potentie had. Pauline Strauss de beroemde sopraan waarvoor – zo zou je denken – haar echtgenoot al die prachtige liederen geschreven heeft…en opera’s waarbij doorgaans een sopraan (Pauline?) de hoofdrol zong. Richard Strauss zette de mooiste gedichten op muziek. ‘Morgen’ is een wonderschoon gedicht van John Henry Mackay die de van liefde vervulde stilte beschrijft bij zonsopgang. Is dat zo? Nee, het is mijn interpretatie. Maar over de stilte gaat het zeker en dat moet voor Richard Strauss de ideale stimulans zijn geweest om het op muziek te zetten en in de muziek verstilling te bereiken. Dat lijkt met elkaar in tegenspraak., maar luister er maar eens naar; het is muzikale stilte! Het lied wordt begeleid door viool en harp. Maar dan ga je verder fantaseren…stilte en Pauline Strauss…dat is, volgens Alma Mahler compleet in tegenspraak met elkaar. Dat mens hield nooit haar mond en zocht met iedereen ruzie. Vooral met haar man. Volgens Alma zat de arme Richard Strauss geweldig onder de plak van zijn bazige echtgenoot Pauline. Maar toch heeft hij het lied hoogstwaarschijnlijk voor haar gecomponeerd en heeft zij het waarschijnlijk de eerste keer gezongen… Gisterenavond in het Concertgebouw werd het lied ons dus als toegift geschonken. Dirigent Viotti spon het lied tot het maximum uit. Wat mij betreft net iets te langzaam en daardoor best stroperig, maar dit tempo kon ook. Liefde, stilte zonsopgang…alleen voor dit lied had ik het concert al niet willen missen!

Richard Strauss en Gustav Mahler kenden elkaar en kenden ook elkaars werk. Ik weet dat ze best kritiek hadden maar elkaars composities ook erg waardeerden. Met deze twee componisten stappen we de moderniteit in. In beider werk kom je soms al een vleugje atonaliteit tegen maar toch bleven ze in zekere zin op het traditionele pad. Strauss keerde zelfs op dat traditionele pad terug; want, neem het hier vlak voor besproken lied; dat is wat betreft de muziek, traditioneler dan Brahms. Van de twee componisten bleef Strauss het traditioneelst en dat werd hem – alweer volgens Alma Mahler – stevig ingepeperd door zijn vrouw Pauline.

Als zo rond de jaarwisseling het programma van het Nederlands Philharmonisch Orkest voor het volgende seizoen uitkomt, dan ga ik meteen op zoek naar Mahler. Van deze grote componist wordt elk jaar wel een symfonie uitgevoerd en die zet ik als eerste op mijn lijstje. Het maakt niet uit welke symfonie, deze jongen wil in de zaal zitten als ze Gustav Mahler uitvoeren. Gelukkig gaan ze zelden boven de zesde symfonie want de symfonieën boven de zes ken ik niet. ‘Leer ze dan kennen’ zou je denken, maar dat is bij de latere symfonieën van Mahler niet zo makkelijk. Elke symfonie van deze componist is een avontuur waar je instapt en waarvoor je in toenemende mate moeite moet doen om bij de les te blijven. Lukt je dat dan heb je een absoluut geweldige avond. Van alle Mahler symfonieën zijn de eerste en de vierde wat mij betreft de meest toegankelijke. Gisteren dus de eerste. Pas vanaf mijn twintigste ben ik de muziek van Mahler gaan waarderen, maar toen was het ook meteen helemaal raak. De eerste en de vierde symfonie heb ik helemaal grijsgedraaid (wat toen nog kon), daarna één voor één de andere symfonieën. Van de eerste symfonie vond ik vooral het derde deel erg bijzonder: Vader Jacob in mineur. De onvolprezen Leonard Bernstein heeft tijdenlang op de televisie programma’s gemaakt over muziek. Door hem heb ik de klezmerklanken leren herkennen in het eerste deel maar ook andere klankkleuren die rechtstreeks uit de joodse traditie komen. De eerste van Mahler was gisterenavond een genot om naar te mogen luisteren.

Voor de pauze dus het Gloria van Francis Poulenc. Zoals het meeste werk van Poulenc vrijwel onbekend bij mij. De muzikale ontwikkeling tussen Frankrijk en de rest van Europa is zo verschillend. Terwijl Poulenc in dezelfde tijd leefde als Strauss en Mahler, is zijn muziek zo anders dan van die twee. Ik heb er te weinig naar geluisterd en dat is waarschijnlijk de reden dat ik er wel heel weinig raad mee weet. Ik kan niet zeggen of ik het mooi of niet mooi vond. De jurk van de zangeres en voor zover ik kon zien, ook de zangeres waren oogverblindend en – heus dat begrijp ik ook wel – dat zegt niet zo heel veel over de muziek. Het koor van de Nationale Opera klonk bijzonder professioneel.

En dan toch nog even over Lorenzo Viotti. Het is echt een bekwaam dirigent en hij zal vast uitgroeien tot een hele grote. Waar ik echter helemaal niet aan kan wennen is dat de dirigent, nadat hij op de bok geklommen is, een verhaaltje gaat houden over waar hij trots op is in het orkest en hoe de muziek straks gaat klinken. Dat hij ook nog eventjes voor zingt wat de thema’s straks zijn. Ik weet het niet. Als de dirigent de trap af loopt onderweg naar het podium, dan concentreer ik me op de muziek die komen gaat; dat dirigenten praatje verstoort dat enorm. Misschien ben ik daar uniek in en bindt juist dat praatje veel jonge muziekliefhebbers aan de muziek die het Nedpho op het podium brengt. Misschien is het dat en moet ik er niet zo vaak over zeuren.

Ik heb weer eens een heerlijke avond in het concertgebouw gehad.

Pieter Waterdrinker – Biecht aan mijn vrouw; leest lekker weg

Achteraf zullen we pas weten hoe belangrijk de coronapandemie is. Gelukkig lijkt hij nu goeddeels voorbij al ga ik morgen de zoveelste vaccinatie halen. Het was een ongewone tijd met misschien wel desastreuze gevolgen. Er gaan verhalen dat de inval in Oekraïne en de oorlog, een gevolg zijn van de angst voor het virus van Vladimir Poetin. Lijkt mij, eerlijk gezegd wat ver gezocht. Dat de pandemie met zijn lockdowns gevolgen heeft, is wel duidelijk. In de laatste twee romans die ik gelezen heb, zijn de theaters, de horeca en de winkels goeddeels gesloten en spreken we elkaar vanachter een mondkapje. Wat genieten we ervan dat alles weer open is en we elkaars gezicht volledig en onbekommerd kunnen zien. Deze nieuwe roman van Pieter Waterdrinker is de tweede die ik van hem lees. Ik was diep onder de indruk van ’De rat van Amsterdam’. Vlot en boeiende geschreven en het speelt in kringen die ik niet goed ken; steenrijke mensen die onder het mom van ‘goed doen’ de boel aan alle kanten oplichten om steenrijk te worden. Eigenlijk is dat het enige doel in hun leven; rijk worden. Het maakt hun niets uit op wat voor manier dat gebeurd.

Ook in de nieuwe roman van Waterdrinker speelt een man die ‘rijk worden’ als levensdoel heeft een belangrijke rol. In deze roman wordt de hoofdpersoon, als in zijn vorige roman, meegesleept met die persoon ook al beseft hij dat het niet goed is. Alles keert uiteindelijk voor de hoofdpersoon weer ten goede. In ‘Biecht aan mijn vrouw’ is een wat verwarrende disclaimer opgenomen: Aan de ene kant spreekt hij over een ‘kleine autobiografische roman’ terwijl hij dat autobiografische meteen in de volgende zin ontkracht: “Overeenkomsten tussen personen, situaties en locaties binnen het boek met personen, situaties en locaties buiten het boek berusten op louter toeval.” In dezelfde verantwoording schrijft hij dat hij in de ‘Schrijversresidentie’ verbleven heeft in het najaar van 2020…en ook dat komt met de romanwerkelijkheid overeen. De ‘ik’ in de roman heet Pieter Waterdrinker en hij is getrouwd met Julia. Ik denk dat we het beste deze roman als een fictieve roman kunnen beschouwen met een autobiografisch decor.

Hoofdpersoon Pieter Waterdrinker verblijft in de schrijversresidentie op het Spui. Hij woont in Rusland samen met zijn Russische vrouw Julia. Op het moment dat het verhaal begint, verblijft Julia in Frankrijk om vakantie te vieren terwijl de hoofdpersoon dus in Amsterdam is omdat hij een paar lezingen gaat geven. Maar, de lockdown wordt ingesteld en op één na worden alle lezingen afgezegd. Aan de overkant op het Spui ziet hij alle middenstand gesloten  worden. Als hij op een dag weer terugkomt in zijn appartement, blijkt dat de knappe jonge Jeva Harms binnen is. Zij heeft samengewoond met de vorige tijdelijke bewoner van de schrijversresidentie – de rapdichter Winston Wow – en ze heeft nog een reservesleutel van het appartement. Ze is door de opkomende pandemie verstoken van inkomsten en omdat de relatie met de dichter beëindigd is, en ze uit haar eigen appartement gezet is, vraagt ze of ze even tijdelijk bij de hoofdpersoon mag logeren. Dat staat hij toe. Maar iedere keer als zijn vrouw Julia video belt, mag ze zich niet laten zien. In het Bungehuis, waar Waterdrinker nog gestudeerd heeft (en ik trouwens ook) is nu een exclusief hotel annex club gekomen. De hoofdpersoon heeft daar een afspraak met zijn uitgever om over zijn volgende roman te spreken. Daar komt hij zijn jeugdvriend Otto Brons tegen. Ze zaten samen op de middelbare school. Otto vertelde de hoofdpersoon destijds dat hij uit is op slechts één ding: Rijk worden. Dat is hem gelukt. Otto dringt zich in het leven van de hoofdpersoon omdat hij een geheim met hem wil delen… Schrijver Pieter Waterdrinker, de hoofdpersoon in de roman, dus, herinnert zich zijn hopeloze eenzijdige verliefdheid op Vivian Wertheim op de middelbare school.

De romans van Pieter Waterdrinker lezen heerlijk weg. Je wordt zijn wereld binnengetrokken. In deze roman wel een buitensporige worsteling met alcohol. Het neemt haast A. F. Th.van der Heijden-trekjes aan. Heeft hij niet zoiets als een kater dan gaat het wel langzaam richting dronkenschap. Hoewel het weinig scheelt, belazert hij zijn vrouw… laat maar zitten. Ik vond het een lekkere roman om te lezen!

Don Carlo in Osnabrück; leuk!

Gezien op 16 oktober in het Theater van Osnabrück.
Hier in Osnabrück loop ik tegen een dilemma aan. Een dilemma over het Nederlandse cultuurbeleid. Waarom Osnabrück en waarom cultuurbeleid in Nederland? We gingen gisteren naar de Osnabrückse opera. Don Carlo. Een opera die ruim drie uur duurt, een groot orkest nodig heeft, een enorm koor en een vijftiental solisten. Dat even afgezien van regisseurs, dirigenten, decorbouwers, kaartjesverkopers enzovoort. De kaartjes kostte ons 55 euro per persoon en dat waren de allerduurste kaartjes die we konden krijgen. De zaal was redelijk gevuld, ergo, we hebben op kosten van de Duitse belastingbetaler een leuke avond gehad in Osnabrück. Elke provincieplaats heeft hier in Duitsland haar eigen operahuis en overal zijn de toegangskaarten niet onbetaalbaar. Duitsland is wat zuiniger op haar culturele sector dan Nederland, want in datzelfde Osnabrückse theater wordt ook op professioneel niveau toneel gebracht door de plaatselijke toneelgroep en professionele concerten gegeven door het plaatselijke professionele (opera)orkest en ballet opgevoerd door een professionele troupe. In Nederland is de koek die aan cultuur wordt uitgegeven erg klein. Moet Nederland meer het Duitse voorbeeld volgen en veel scheutiger zijn met cultuuruitgaven? Zie daar het dilemma! Cultuur is voor iedereen, maar aan de andere kant maakt er maar een heel select publiek gebruik van. Vaak het publiek dat eigenlijk de dure kaartjes best betalen kan. Aan de andere kant…nou ja, een dilemma dus.

Viel er te genieten van die zwaar gesubsidieerde Don Carlo in het theater van Osnabrück? Jazeker! Al met al was het een leuke voorstelling. Ik moet toegeven dat de bedoelingen van de regisseur me niet altijd even duidelijk werd, en wat betreft de fraaie muziek had ik misschien wat andere keuzes gemaakt, maar over het algemeen heb ik een leuke middag gehad. In het programmaboekje zie je wel wat Duits chauvinisme doorschemeren. Misschien ook wel terecht want Verdi nam een toneelstuk van Schiller als uitgangspunt en zowel in Verdi’s opera als in het toneelstuk van Schiller gaat het over het streven naar vrijheid ten opzichte van de tirannie. In deze opera wordt Filips II opgevoerd als de tiran, maar die wordt door de grootinquisiteur tot tirannieke hoogte opgezweept. Daartegenover staat zoon Don Carlo die het voor de naar vrijheid strevende Vlamingen(!) opneemt. Daartussendoor speelt ook nog eens de liefde. Elisabeth van Valois was als kind beloofd aan Don Carlo, maar daar kwam zijn vader Filips en ging er met het jonge blaadje vandoor. Elisabetta had daar zelf uiteraard geen stem in, want haar liefde voor Carlo bleef ongebroken overeind. En Carlo…die was kennelijk al op jonge leeftijd helemaal hoteldebotel op de jonge Française.

Filips II (Erik Rousi) was uitermate goed gecast; een enorme kerel die makkelijk de trekken van een tiran kreeg. Dat liet hem ook heel mooi instorten want dat doen tirannen nu eenmaal (dus: pas op Poetin!). De rol van Don Carlo werd gezongen door een absolute heldentenor. Helaas was voor hem de zaal wat te klein; de man had te veel volume. Met gemak zong hij het volledig koor en orkest naar huis. Dat lijkt misschien mooi, maar dat is het niet omdat het in muziek om harmonie gaat, en die was met deze tenor niet of nauwelijks te vinden. Dat mooie duet van de twee vrienden die vertellen hoe ze samen voor de vrijheid zullen strijden, werd een solo voor Don Carlo en een playbackende Rodrigo; Don Carlo (James Edgar Knight) had zoveel volume dat Rodrigo(Dmitry Lavrov) niet meer te horen was. Mijn buurvrouw op leeftijd, drukte ook voortdurend haar oren dicht als Don Carlo aanzette… Jammer van dat mooie duet. Ook gelukkig misschien, want dat duet heeft de neiging om zich in je oren en hoofd te nestelen en probeer het er dan nog maar eens uit te krijgen! Elisabetta (Susann Vent-Wunderlich) was misschien ietsje te oud om nog geloofwaardig over te komen als jong blaadje; maar dat heb je nou eenmaal met opera; ze zong haar partij prima.

Ik geloof niet dat ik ooit iets over de belichting heb gezegd, maar nu dus dan maar voor het eerst: Die was soms heel raar. Het toneel werd vaak keihard van onderen uitgelicht. Gevolg waren grote, dubbele slagschaduwen tegen de achterwand. Dat kan misschien soms functioneel zijn, maar dat kon ik er nu niet in ontdekken. Het zag er gewoon vreemd uit.

Het koor juicht tiran Filips II toe. De regisseur geeft de koorleden het uiterlijk van extreemrechts. Veel rechtse kretologie. ‘Eigen volk eerst’ van dat soort dingen. De regisseur had even moeten komen kijken wat voor kreten sommige boeren op hun trekkers schreven. Daar vielen de leuzen van het operakoor bij in het niet. Maar ook de bisonman zien we en daarmee ook weer wat verwarring bij me; Trump was wel ondemocratisch en lapte alle regels aan zijn laars, maar hij ontpopte zich nog niet als dictator zoals Filips II was. Het blijft ook moeilijk; niet alle slechts van rechts kan je over een kam scheren.

Felix Nussbaum.

In ‘ons’ museum gaan we een tentoonstelling maken over uitgeverij de Telg. Een kleine uitgeverij die zijn oorsprong vindt in het verzet tijdens de oorlog en na de oorlog nog een paar jaar heeft bestaan. Aldus doe ik onderzoek naar een van de meest donkere periodes van mijn familiegeschiedenis want wat familie was betrokken bij De Telg. De combinatie joods en socialist was, in de jaren ’30 volkomen logisch binnen onze familie, maar erg ongezond tijdens de tweede wereldoorlog. Nou ja, ongezond… Veel familieleden overleefden het niet. Mensen die in die ellendige tijd in de kracht van hun leven waren en zich konden verstoppen of die sterk genoeg waren voor de ontberingen konden overleven, die redde het. De rest stierf een akelige dood. Op de een of andere manier ondervinden we in toenemende mate weerstand om over deze verschrikkelijke geschiedenis te praten. Jodenvervolging mag je nog maar nauwelijks als racistisch fenomeen benoemen terwijl de holocaust racisme in optima forma was. Racisme met de extreemste uitwassen vindt plaats tussen groepen mensen die niet van elkaar te onderscheiden zijn. In het verleden tussen Europese joden en andere Europeanen. Er ‘joods’ uitzien, waar joden en niet-joden het vaak over hebben, bestaat niet. Als je weet dat iemand joods is, dan ziet hij er joods uit, niet andersom. Mensen in klederdracht, met baard en hoge hoed, die zijn makkelijk herkenbaar, maar die willen ook graag als jood herkenbaar zijn. De meeste mensen wilden dat niet; de meeste mensen met een joodse achtergrond wilden alleen maar deel uitmaken van de samenleving waarbinnen ze functioneerden. Zo ook Felix Nussbaum.

Voor een korte vakantie zijn we neergestreken in het stadje Osnabrück. In een tijd dat ik me toch al constant bezighoudt met Jodenvervolging in de tweede wereldoorlog, is de stad Osnabrück verbonden met de schilder Felix Nussbaum die hier een eigen museum heeft. We bezochten gisteren het Nussbaumhaus. Er zijn weinig kunstenaars die het vluchtelingenbestaan zo intens geschilderd hebben als Felix Nussbaum. Zijn vluchtelingenbestaan gaat nog net ietsje verder, want terwijl tegenwoordig vluchtelingen een veilige haven vinden, vond hij nergens een plek waar het veilig was. Toen de nazi’s de macht overnamen in Duitsland, zat hij in Italië. Dus kon hij, omdat hij van joodse komaf was, niet meer naar huis terug. Hij vestigde zich in Oostende. Toen de nazi’s ook een aanval op België deden, werd Nussbaum als Duitser geïnterneerd in een Belgisch concentratiekamp. Na zijn vrijlating werd hij bedreigd en achtervolgd door de Duitse nazibezetter en verstopt ergens in Brussel wist hij het tot laat in 1944 te redden. Toen werden hij en zijn vrouw alsnog gepakt en met het laatste transport naar Auschwitz vervoerd en aldaar vermoord. Een dramatisch leven dat hij op grandioze wijze in zijn werk uitte. Wat zou hij ervoor over gehad hebben om niet vervolgd in Osnabrück met zijn geliefde zijn tijd door te brengen? We weten het niet. Hem werd weinig tijd gegund.

Zelfportret met Jodenpas in het Felix Nussbaumhuis in Osnabrück.

Ik weet het, dit is zijn beroemdste schilderij. Dat is het niet voor niets want het vat alles samen. Het is een ommuurd zelfportret. Boven de muur zie je nog net dat het buiten beter is. In het museum is dit schilderij zelfs voor blinden te zien. Naast het schilderij staat de beschrijving ook in braille en het schilderij in reliëf. Voor de zienden hoef ik er verder niets aan toe te voegen…

Ilja Leonard Pfeiffer – Monterosso mon amour; een heerlijk boek!

Ach, alleen al bij de gedachten aan die prachtige film ‘Dood in Venetië’ zwelt de muziek van Gustav Mahler in je hoofd aan. Vooral dat Adagietto; het deel dat werkelijk iedereen inmiddels kent, maar toch, als je het in het concertgebouw hoort je wereld doet veranderen. De kleuren worden helderder, het kanongebulder verstomt, de zon gaat schijnen…alles wordt mooier op de klanken van de muziek die golft en zwelt en zich dan weer terugtrekt. Hoe wreed is de terugkeer op aarde als de laatste klanken geklonken hebben of, in het geval van de film, het licht langzaam aangaat tijdens de aftiteling? Al die gedachten komen bij je op als hoofdpersoon Carmen haar man achterlaat voor een korte vakantie en slechts één boek in haar rolkoffertje heeft: ‘Dood in Venetië’ van Thomas Mann. Ze gaat een schijnbaar onzinnige belofte inlossen na zoveel jaar; terugkeren naar de plek waar ze destijds haar eerste vakantieliefde beleefde en bij hem terugkomen. Dat alles in de novelle ‘Monterosso mon amour’ van Ilja Leonard Pfeiffer dat ik maanden geleden kreeg als boekenweekgeschenk maar dat ik nu pas kon lezen. Wat een heerlijke novelle! En ja, een beetje van dat gevoel van het Adagietto of die fantastische film overspoelt je ook tijdens het lezen van dit boek!

Als vrouw van een diplomaat wiens ambities groter waren dan zijn carrière heeft Carmen op plekken over de hele wereld gewoond en aldaar ontdekt dat de sherry en de tennisbanen en de mensen waar ze mee omging overal hetzelfde zijn. Ze wonen nu in het stadje L… en de pensionado diplomaat wil niet veel meer. Op vakantie gaan ze nooit meer want hij heeft al zoveel gereisd en hij zit nu liever thuis. Carmen is vrijwilligster in de bibliotheek en organiseert culturele evenementen. Ze nodigt (jaja) de schrijver Ilja Leonard Pfeiffer uit voor een literair evenement in de bibliotheek. Ze heeft een – eenzijdige – speciale band met deze schrijver want ze hebben in dezelfde klas van de lagere school gezeten en hij heeft over haar geschreven want hij schreef dat hij verliefd was op het mooiste meisje van de klas, en dat was dus Carmen. Pfeiffer beschrijft zelfs de straat waar ze toen, als meisje woonde; ze weet dus zeker dat dat stukje in die roman over haar ging. De schrijver herkent haar niet na zoveel jaar als hij voor zijn lezing in de bibliotheek is, en zij houdt haar mond erover. Zijn verhaal gaat over het massatoerisme in Italië. Dat brengt haar herinnering op gang over haar eerste liefde die ze in Monterosso tijdens de vakantie met haar ouders als meisje beleefde. Ze deed de belofte aan haar geliefde om terug te komen. Ze beseft wel dat het allemaal onzin is na zoveel jaar, maar ze wil er graag weer eens op uit en aldus boekt ze een vliegreis naar Italië en een kamer in een Bed & Breakfast in de Italiaanse badplaats.

Het gaat, met de vakantie uiteraard helemaal anders lopen dan ze van te voren heeft bedacht. Bovendien, als je ‘Dood in Venetië’ van Thomas Mann als enige roman in je koffertje  hebt in een literair verhaal, dan zou je kunnen vermoeden dat een epidemie een rol gaat spelen. Al helemaal als de corona pandemie nog zo vers in het geheugen ligt en eigenlijk ook nog niet eens helemaal voorbij is. Oke, geen cholera gelukkig waaraan de componist in Visconti’s film zwetend en met doorgelopen schmink ten onder gaat, maar toch.

Al met al een heel leuk boek om te lezen; ik heb ervan genoten. De ontmoetingen met schrijver Ilja Leonard Pfeifer in de roman geven de schrijver de mogelijkheid om ironisch naar zichzelf te kijken en dat doet hij, zo te lezen, met heel veel plezier!