Ed van der Elsken; De verliefde camera – In het Stedelijk Museum Amsterdam

Gezien op 26 februari 2017

Toen ik zo’n jaar of zeventien was, nam mijn vriend Chi een Nikon voor mij mee uit Hongkong. Japanse fototoestellen waren daar aanmerkelijk goedkoper dan hier. Zo kwam ik aan mijn eerste spiegelreflexcamera. Ik was er enorm trots op. Samen trokken Chi en ik erop uit om foto’s te gaan schieten. Gewoon op straat. Midden in de stad, in het Vondelpark het Oosterpark, het maakte niet uit. Als je maar goed keek en op het juiste moment afdrukte dan had je de ideale foto. Meer was het niet. Ik zelf was niet zo heel erg ambitieus. Natuurlijk wilde ik mooie en leuke foto’s maken, maar echte ambitie om het in de fotografie te gaan maken, had ik niet. Ik vond het leuk om naar beeldende kunst te kijken, maar dat was ook alles. Ik zag mezelf niet als een talentvol fotograaf. Dat was anders met mijn vriend Chi. Zijn ambities waren groot. Hij fotografeerde ook veel meer dan ik. Heel veel meer.

Wat mij overviel als ik met mijn camera over straat liep, was dat ik het helemaal niet zo makkelijk vond om mijn camera op iemand te richten. Ik vroeg me af wat ze ervan zouden vinden en omdat ik zelf helemaal niet en nergens op de foto wilde, kon ik me dat van een ander ook goed voorstellen. Daarom hield ik het bij objecten. Dat was best een beetje saai. Keek je in mijn hart dat wilde ik mooie meiden vastleggen, maar dat deed ik dus niet. Chi had er aanmerkelijk minder moeite mee. Hij kreeg zelfs meiden zover dat ze voor hem kwamen poseren. Aangekleed. Dat wel. Soms een beetje doorzichtig. En altijd in gezelschap van een vriendin.

Favoriete fotograaf in die dagen was Ed van der Elsken. Chi en ik zeiden tegen elkaar dat we eigenlijk tien jaar te laat geboren waren. In de jaren zestig gebeurde het. Ed van der Elsken zagen we als een typische adept van de jaren zestig. Vrij in alles wat hij deed. Hij maakte wereldreis na wereldreis en iedereen was gek op zijn foto’s. En ook wij zagen die kwaliteit. Maar aan de andere kant leek het ook allemaal zo gewoon. Drie meisjes die de straat overstaken in minirok. Twee meisjes en een madame gefotografeerd in Parijs. Zo terloops. Zo toevallig, leek het. Maar kortgeleden is Van der Elskens fotoarchief geconserveerd en gerestaureerd. De Volkskrant kon beroemde foto’s reconstrueren. Hele filmrollen kwamen beschikbaar waarop ook de foto’s stonden die uiteindelijk in één van zijn boeken terecht waren gekomen. Op die filmrol meerdere foto’s van bijvoorbeeld de twee meisjes met de madame. Ed van der Elsken cirkelde rond de vrouwen en knipte en knipte net zolang totdat hij de ideale plaat had. Niks toeval. Zoeken naar het ideale plaatje, dat deed hij. Weliswaar waren de mensen op het plaatje daar toevallig, maar Van der Elsken zocht net zolang totdat hij de goede hoek en de juiste compositie had. Fantastisch om te zien en jammer dat de Volkskrant er niet mee doorgegaan is.

In het Stedelijk museum een overzichtstentoonstelling van deze bijzondere fotograaf. Dat heeft ervoor gezorgd dat het ineens ongekend druk is in het Stedelijk. Ik dacht dat alles zich concentreerde rond Jordan Wolfson, maar dat bleek echt niet zo te zijn. Iedereen komt voor Van der Elsken en terecht. Zelden zoveel werken van één kunstenaar op een plek zien hangen en elke foto is van een ongelofelijke kwaliteit. Naast de foto’s ook veel projecties van zijn films. Want hij maakte ook eigenzinnige documentaires die later tot de canon zijn gaan behoren van de Nederlandse cultuur. Neem bijvoorbeeld de film die hij maakte over Karel Appel. Die film waarin Appel het laatste krediet verspeelde bij het klootjesvolk. Waar hij verlekkerd zijn penseel roert in de dikke natte verf die hij juist daarvoor tegen het doek gesmeten heeft. Niemand kan dat zo goed in beeld brengen als Ed van der Elsken.

Ed van der Elsken wist niet alleen de ideale plaatjes te schieten, hij legde ook de tijdgeest vast. De jaren vijftig in Parijs. In dé stad van het licht. Waar elke kunstenaar naartoe trok. Daar maakte hij zijn eerste boek dat hem beroemd zou maken: Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés. Best sombere maar ook heerlijk mooie en verliefde foto’s. Natuurlijk in zwart-wit. Vali Myers is de hoofdpersoon. Met diep zwart omrande ogen. Jong en verleidelijk. Slechts één foto in kleur en dat had hij beter niet kunnen doen. Ook in die Parijse jaren een foto van een jong balletdanseresje. Later werd ze beroemd als Brigitte Bardot. Toen was ze nog een gewoon meisje in een achterstandswijk van Parijs.

Ed van der Elsken hield van jonge mensen. Van mooie meisjes en tegendraadse jongeren. Ook mijn tijd komt langs. De tijd toen ik samen met Chi door de stad liep met onze fotocamera’s in de aanslag. Ook die tijd heeft Van der Elsken gefotografeerd. Ook gefilmd trouwens. Gek genoeg herken ik meteen mijn generatie jongeren. Ik raak ervan ontroerd. Zo dicht zit hij de jongeren van toen op de huid dat het herkenbare mensen worden. Abstracties van herkenbare mensen. Punkers. Mensen met een sterke doodswens hoewel ze dat zelf niet in de gaten hebben. En mooie meisjes. Jongens wat waren de meisjes toen verleidelijk. Van der Elsken weet dat gevoel van toen makkelijk weer op te roepen.

Na Van der Elsken nog even naar Jordan Wolfson geweest. Even over de tentoonstelling rondgelopen. De verleidelijke maar enge hightech dames kreeg ik niet te zien; daar schijn je je weken van tevoren voor te moeten inschrijven. Wel wat ander werk. Wel aardig, maar toch behoorlijk in de schaduw van één van onze grootste fotografen: Ed van der Elsken. Een heerlijke tentoonstelling en ben je een beetje vroeg, dan valt de rij wel mee. Ik kon gewoon doorlopen…zoals ik gewend was in het Stedelijk Museum.

Jamie Oliver kan niet koken!

Jamie Olivier was leuk maar begint een ware plaag te worden. Helemaal op zenders als 24kitchen. Ik was gek op 24Kitchen. Ik ben een enthousiast kokkereller dus kon ik mijn hart ophalen. Ik heb mijn ogen uitgekeken in dat eerste jaar dat de zender in de lucht was. Rudolf van Veen bakte de prachtigste dingen. Maar Rudolf van Veen en Angelique Smeenk en al die anderen zijn verdwenen. Het is nu Jamie Oliver op elk uur van de dag. Natuurlijk, ook hij bakt en kookt heel enthousiast. En…wat hij maakt en hoe hij het maakt is erg… bijzonder.

In één van zijn vele programma’s kookt hij in de tuin. Een gigantische tuin. Een grote stenen houtoven; een open vuur. Jamie bakt op open vuur de uien en de knoflook en het eerste deel van de groente en vervolgens gaat de pan de oven in. Allemaal lekker wild. Als multimiljonair kan je je wel zulke dingen permitteren, maar als gewoon kantoorpikkie? Dan zit je in je doorsneekeuken. Met je doorsnee fornuis en je doorsnee oven. Niks geen knappend vuurtje. Dat maakt de kookbeleving meteen al een stuk minder. Maar Jamie staat ook regelmatig in de keuken, dat moet gezegd. Vooral als hij wereldrecords snelkoken gaat verbeteren. Een volledige maaltijd in 30 minuten; een volledige maaltijd in 15 minuten. Ik word er behoorlijk nerveus van als ik alles zie. Maar als het een lekkere maaltijd wordt…wie ben ik dan?

Maar kookt die Jamie Oliver wel zo lekker? Als hij een hap in zijn mond steekt en verlekkert kauwt en ‘amazing’ zegt, dan ga je dat wel geloven. Maar deze jongen die hier dit stukje zit te schrijven kookt dagelijks en is zeer leergierig. Als er een beroemde kok  – zoals Jamie Oliver – op de televisie komt, dan let hij goed op. En wat valt er dan als eerste op…olijfolie. Tot slot een druppeltje olijfolie om het helemaal af te maken, zegt Jamie en vervolgens verdrinkt hij zijn gerecht in olijfolie. Een druppeltje olijfolie in de hete pan…Jamie maakt er zowaar bijna een gefrituurd gerecht van. Bij geen enkele kok zie ik de liters olie zo makkelijk uitgegoten worden als bij Jamie Oliver. De vettigheid geeft al bij het zien een glibberig mondgevoel.

Een ander ingrediënt waar Oliver wel heel kwistig mee omspringt is rode pepers. Rode pepers zijn heet. Als je, als niet zuid-oost-Aziaat, een pitje in je mond krijgt, dan heb je het gevoel dat je mond afbrandt. Dat je de rest van je leven met opgezette lippen verder moet. Goed, een half pepertje waaruit je de zaadlijstjes hebt verwijderd, dat is best te doen. Maar meer ook niet. Jamie Oliver denkt daar heel anders over.  Om zijn salade wat meer pit te geven snijdt hij twee pepers in stukjes. In zijn roerbakschotel mikt hij nog even drie grof gehakte rode pepers. Man, dat overleef je niet. Zeker niet als kopjes thee lurkende Engelsman. Je maakt het mij niet wijs!

Laatst maakte hij een vissoep van verschillende vissen die zojuist gevangen waren. Fileren van de vis vond hij voor de dommen. De vissen werden zo op de groente in de pan gemikt. Een stuk of wat middelgrote vissen. Toevallige soorten. Een litertje zeewater erop en wat zoet water. Uurtje laten sudderen. Onderwijl vertelde Jamie dat het zo zonde was dat iedereen visfilet wilde eten want in de graten zat zoveel smaak. Toen ging de pan open en Jamie schepte zichzelf een kop soep op. Met een groot stuk vis erin. Verlekkerd nam hij de eerste hap. ‘Amazing’ verzuchtte hij. Maar ik wist wel beter… Als hij een stuk vis zou nemen had hij een mond vol graten. Een mondgevoel van helemaal niets. Niet voor niets leer je als (amateur)kok dat je van de graten de bouillon trekt en dat je de filet in de soep stopt. Jamie Oliver; volgens mij kan hij niet koken!