Tagarchief: werk

Op de fiets naar je werk.

Ik ben weer forens geworden. Nee, dat vind ik niet leuk. Ik heb jarenlang moeten reizen om op mijn werk te komen. Ben een echte leaseautoman geweest. Ik moest daar eerst nog naartoe groeien. Ik kreeg een baan waarin ik door het arbeidsbureau gedwongen was. Ik had geen idee over de waarde van wat ik kon voor een bedrijf. Ik had me koud ingeschreven bij het arbeidsbureau of zij kwamen op de proppen. Jong als ik was had ik geen idee dat ik best verder mocht kijken of dat ik ook best mocht solliciteren naar hele andere banen. En zo kwam ik terecht bij mijn eerste forenzenbaan. Elke dag op en neer naar Zoetermeer. Doorgaans met de trein en soms, als het niet anders kon, met de auto. Al mijn reiskosten moest ik voorschieten en als ik met de auto ging dan kreeg ik maar een fractie terug van wat ik aan benzinekosten gemaakt had. Ik begreep eigenlijk nog helemaal niets van geld verdienen. Wat ik in Zoetermeer wel leerde was dat ik een heleboel collega’s had die op dezelfde basis gedetacheerd waren bij dat semi-overheidsbedrijf. Alleen hun reiskosten…dat ging dus heel erg anders. Mijn gedetacheerde collega’s hadden stuk voor stuk de beschikking over een leaseauto. Ik niet. Ik dacht dat dat helemaal niet voor mij weggelegd was. Een leasebak. Ikke…? Ja, ik. En zo werd ik dus hartstikke ontevreden en solliciteerde ik bij een paar detacheringsbureau’s. Allemaal wilde ze me graag in dienst nemen. Onbegrijpelijk. Ze deden stuk voor stuk hun best om mij binnen te halen. En ik kreeg er een auto bij!

En zo werd ik in mijn eigen stad gedetacheerd en had een auto tot mijn beschikking terwijl ik geeneens hoefde te reizen. Heel erg apart. Op de veelvuldige gezellige avonden die voor ons, personeel, georganiseerd werd, hadden we het onderling eigenlijk alleen maar over…auto’s. Wat de ene voor voordelen had boven de andere. Een leaseauto terwijl ik helemaal niet hoefde te forenzen. In de weekends reed ik met de mijnen het hele land door en als het even meezat, pikte ik ook wat buitenland mee. Allemaal gratis. En dat ik het milieu aan het vervuilen was, acht, dat wist ik wel, maar stond er echt niet bij stil. Maar helaas, er kwam een crisis en hup, deze jongen werd ontslagen. Moest ik ook mijn auto inleveren. Op de een of andere manier was mijn ontslag bitter – want wie wordt nou graag ontslagen? – maar ook een schot in de roos want op het moment dat mijn ontslag definitief rond was en er een fiks bedrag werd uitgekeerd, werd ik elders aangenomen. Ik liet mijn nieuwe leaseauto bezorgen op de plek en het uur dat ik mijn oude moest inleveren. Zo werd mij een ritje met het openbaar vervoer bespaard. Aan de andere kant was het nu wel uit met wel een leaseauto en toch niet reizen. Ik reed de volgende vier jaar dagelijks naar Gouda heen en terug en daarna nog drie jaar van en naar Woerden. En toen had ik er helemaal genoeg van van al dat gereis.

Dus ging ik alleen nog maar solliciteren op banen in mijn eigen stadje. Ik wilde FIETSEN. Elke dag op de fiets naar mijn werk. Omdat ik een beroep heb dat vrij makkelijk in de markt ligt, duurde het niet lang voordat ik een nieuwe baan had. In Amsterdam. Te bereiken op de fiets. En elke dag reed ik op de fiets naar mijn werk. Maar helaas, mijn bedrijf bleek een kleine vis – hoewel ik nog nooit bij zo’n groot bedrijf gewerkt had – en mijn kleine vis werd overgenomen door een grotere vis en die grotere vis zetelt in een andere grote stad… En dus heb ik nu van mijn nieuwe baas een OV- businesskaart gekregen. Met het openbaar vervoer kan ik het hele land door. Gratis en voor niets. Voorlopig is dat het enige voordeel, want jemig wat mis ik nu dat lekkere stuk fietsen naar mijn werk.

Gelijk hebben en gelijk krijgen

Ik behoor te weinig tot de mensen die niet alleen gelijk hebben, maar het ook nog krijgen. Ja, soms achteraf. ‘Nu ik er nog eens naar kijk, met alle kennis van nu, dan moet ik wel toegeven dat je een half jaar geleden gelijk had.’ Als iemand dat tegen me zegt, word ik daar niet meer gelukkig van. Natuurlijk gaat er even een zwak lichtje van zie-je-wel-zo-dom-ben-ik-niet branden. Maar dat dooft meteen weer want een half jaar geleden, toen het ertoe deed, verloor ik de slag; ik had wel gelijk, maar ik kreeg het niet, en nu zitten we met de ellende die we samen moeten oplossen.

Op mijn werk ben ik altijd samen met collega’s aan het klooien aan software. Ja, klooien. Onverbrekelijk verbonden aan software zijn bugs. Fouten. Grote fouten en kleine fouten. Software zonder fouten bestaat niet. Ontwikkelaars moeten rekening houden met te veel omstandigheden. Dat leidt onherroepelijk tot fouten. Bugs zijn lastig voor gebruikers. Gebruikers doen gewoon hun werk en doen volgens hen zelf niets fout, maar de software heeft geen rekening gehouden met wat ze doen. ‘Fout’ zegt de software in het gunstigste geval, helemaal niets zegt de software in het ergste geval. Wat veel collega’s na verloop van tijd zeggen is: ‘We moeten helemaal opnieuw beginnen en de software overnieuw bouwen en zorgen dat we de fouten die we nu gemaakt hebben vermijden. Bovendien moeten we het in een modernere taal programmeren.’ Ik vind dat vaak een heilloze weg. Mijn collega’s hebben gelijk dat de oude fouten vermeden worden (maar die hadden we in de oude software natuurlijk ook allemaal al opgelost) maar helaas, in de nieuwe software maken we weer nieuwe fouten. De software blijft even vol fouten als eerst, maar de fouten zijn anders. Meestal is de oude software stabieler dan de nieuwe.

Op mijn werk wisten de ‘overnieuw-bouwers’ een jaar geleden van me te winnen. We hadden testsoftware die haperde en waar we van alles steeds aan moesten corrigeren. Toen kwam iemand met het idee om de zooi overnieuw te bouwen in een nieuwe, modernere ontwikkeltool. We zijn een jaar verder. Geen enkel onderdeel van de nieuwgebouwde software krijgen we enigszins stabiel aan de praat… Eén van mijn collega’s gaf ruiterlijk toe dat ik een jaar geleden gelijk had… Maar we zitten wel met de gebakken peren. Ik had gelijk; geef me dan ook gelijk! …Op het juiste moment.

Heel soms gebeurt het dat ik volgens mijn opponent ongelijk heb maar dat hij mij gelijk geeft. Dat is me laatst overkomen met de parkeerdienst van Amsterdam. Ik heb een parkeervergunning voor mijn auto. Tijdelijk had ik een leenauto en ik had de parkeervergunning gewijzigd voor de leenauto. Toen kreeg ik mijn eigen auto weer terug. Op vrijdagmiddag vijf uur ’s middags. Zo snel mogelijk wijzigde ik op de website het kenteken op mijn parkeervergunning terug naar mijn eigen auto. ‘Goed gedaan, ga maar lekker slapen’, antwoordde de website van de gemeentelijke parkeerdienst. Die zondag werd er gecontroleerd en ja hoor, parkeerbon. Wat bleek, een ambtenaar moest nog ‘iets’ doen alvorens mijn wijziging geldig werd, en die ambtenaar was al met weekendverlof op vrijdagmiddag. De dienstdoende ambtenaar schreef, in antwoord op mijn beroep tegen de parkeerboete, dat ik me aan geen enkele regel had gehouden en dus ONGELIJK had, maar omdat ik nog nooit eerder zo’n ongelooflijk stomme, idiote, criminele fout had begaan, zagen ze het deze keer door de vingers. Gelijk krijgen zonder dat er toegegeven wordt dat je ook gelijk hebt, voelt veel minder lekker… Ik wil veel liever gelijk krijgen en van hun horen dat ik ook gelijk had.

Zo weet iedereen van tijd tot tijd je feestje te bederven…

Staatsloterij en de jackpot.

Ik verdiende inmiddels wat meer. We konden ons wel wat permitteren. Niet rijk. Heus niet. Maar we konden ons ineens, na jaren van armoede, wel wat permitteren. Tegelijkertijd was ik door mijn detacherende werkgever op een opdracht gezet bij een grote bank. Ik zat daar toen nog niet lekker. Een bureau had men even niet voor me en ik was daarom, met een stapel mappen met documentatie, aan wat vergadertafels in het midden van de kantoortuin gezet. Met mappen documentatie kan je eigenlijk helemaal niets. Maar ik zat daar al een week of twee. Ik deed al een week of twee helemaal niets. Dat voelde helemaal niet fijn omdat ik daar voor een behoorlijk uurtarief was weggezet. Achter mij zat de man die mij aanstuurde (aansturen…een woord voor mijn lelijke woorden lijst, jekkie!). Hij vloekte en tierde de hele dag. “Hij kan er helemaal niets van! Wat een etterbak! Op wat voor school heeft hij gezeten?” Ik dacht dat het over mij ging. Ik zat daar echt niet lekker terwijl ik wel goed verdiende.

Ik nam een abonnement op de staatsloterij. Dat betekende dat ik elke maand automatisch een lot kocht en dat ik dan kans maakte op de jackpot. De jackpot is een bedrag van miljoenen. Toen ik de eerste keer meedeed was dat twaalf miljoen. En met mijn eerste eigen lot werd het de negende van de maand en ik zat verschrikkelijk niet op mijn plaats op mijn werk en ik hoopte dat ik ervan verlost zou worden. Op de tiende van de maand vond de trekking plaats. Toen ik ’s avonds in bed wakker lag en Josien al lekker sliep naast me, bedacht ik wat ik allemaal kon doen met twaalf miljoen gulden. Zodra ik wist dat ik gewonnen had, zou ik opstaan bij mijn opdrachtgever, even zwaaien met mijn hand en weglopen. Ik zou mijn detacheerder opbellen dat ik per direct ontslag nam. Ik zou een huis kopen voor ons. Geen groot huis. Een passend huis met een gigantische tuin. Echt enorm. Eigenlijk meer een huis met een natuurgebied rondom. Ondoordringbaar voor anderen. Met een grote moestuin waar wij ons eigen groente teelden. En ik zou eindeloos door mijn eigen privébossen kunnen dwalen. Met een rugzak met tentje. En ik zou mijn tentje opzetten in het bos. Mijn eigen bos. En ik zou een konijn vangen en villen en roosteren boven een vuurtje. En dan kroop ik mijn tent in. Diep in de nacht want ik zag wel wanneer ik de volgende ochtend wakker werd; ik hoefde niets en ik moest niets. En daar lag mijn geliefde, want wat is dromen van een mooi leven zonder geile seks? En zo dromend kreeg ik mezelf in slaap.

Maar de volgende dag…geeneens een klein prijsje. Helemaal niets. Nada. Weg droom. De jackpot was niet gevallen. Niet dat ik dat begreep want in mijn naïeve beeld van de werkelijkheid werden alle verkochte loten in een grote pot gegooid, geroerd en er dan één uitgehaald en dus kon hij logischerwijs nooit niet vallen. De jackpot werd wel aanzienlijk groter. Nieuwe kans volgende maand. Maar de volgende maand won ik weer niets. Ik begon ik te beseffen dat ik eigenlijk maar een heel kleine kans maakte om iets te winnen. 0,000000016% Kans. Ja, wel een kans….maar wel een heel erg kleine. En ik verzoende me ermee. En ik was te lamlendig om mijn abonnement op te zeggen. Daardoor won ik gisteren een prijs! Zeven euro vijftig! Yes!

Die vloekende chef bij mijn opdrachtgever? Hij had het moeilijk met iedereen en bovenal met zichzelf. Na enkele weken wilde hij geen chef meer zijn. Ik kon best goed met hem opschieten, later; chef of niet.