Tagarchief: vrouwen

Oek de Jong – Zwarte Schuur; Boeiend en spannend!

Oek de Jong heeft iets dat ik niet heb. Nee, niet goed, klopt niet. Overnieuw. De mannelijke hoofdpersonen in de romans van Oek de Jong (en dus niet Oek de Jong zelf) hebben iets dat ik niet heb; een enorme aantrekkingskracht op vrouwen. In Pier en Oceaan waren de vrouwen al niet van zijn lijf te slaan, maar ook in zijn nieuwste roman Zwarte Schuur heeft de hoofdpersoon moeite om alle vrouwelijke opdringerigheid te weerstaan of in ieder geval in goede banen te leiden. Kon ik maar een klein beetje sexappeal, een klein beetje zelfverzekerde behoedzaamheid ten opzichte van vrouwen van die hoofdpersonen overnemen. Nu niet, maar meer in het verleden. Het had mijn leven een boel aangenamer gemaakt en zeker minder tobberig. Die vrouwen die allemaal uit zijn op de gunsten van de hoofdpersoon vind ik wat moeilijk verteerbaar (ja, oké, jaloezie…) maar voor de rest is Zwarte Schuur een boek waar je doorheen vliegt en waarvan het jammer is als je het uit hebt. Een heerlijk boek waarin niets is zoals het lijkt. Ik heb het boek in één ruk uitgelezen en kan niet anders zeggen dat het van het begin tot het einde boeide.

Het boek begint met de opening van een grote overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam over het werk van de hoofdpersoon Maris. Maris is rond de zestig, is een beroemd beeldend kunstenaar en is getrouwd met Fran. Dat huwelijk lijkt zijn laatste fase in te zijn gegaan. Ze kunnen niets meer van elkaar hebben. Juist als het huwelijk zich op een dieptepunt bevindt en zijn succes als schilder torenhoog, verschijnt er in een tijdschrift een schokkend verhaal over het verleden van de hoofdpersoon; er is iets schokkends en afgrijselijke gebeurd toen Maris veertien jaar was en toen hij nog met zijn ouders in Zeeland woonde. Wat dat schokkende is, wordt in latere hoofdstukken uit de doeken gedaan. Of datgene wat verteld wordt ook de ‘waarheid’ is, waag ik te betwijfelen. De tragedie wordt verteld vanuit de hoofdpersoon. Kijk ik vanuit dat perspectief mee, dan is er sprake van een tragisch ongeluk. Kijk ik naar de gevolgen van dat ‘tragische ongeluk’ dan moet er sprake zijn geweest van opzet en dus van schuld. Maar dat is dus aan de lezer. Deze gebeurtenis in zijn jeugd beheerst zijn leven. Deze gebeurtenis illustreert in zekere zin ook zijn verhouding met vrouwen waarin vrouwen hem ten koste van alles willen en hij zwakke pogingen onderneemt om ze van zijn lijf af te houden.

De roman speelt zich af in drie tijdvakken. Het ‘heden’, waarin, zoals gezegd, de hoofdpersoon zo’n jaar of zestig is, een gevierd schilder is en getrouwd met Fran. Het tweede tijdvak is de schilder op veertienjarige leeftijd en waarin de gebeurtenis en tragedie met vriendinnetje Matty plaatsvindt die hem zijn hele leven zal achtervolgen. In het derde tijdvak vertelt de dan zo’n dertigjarige Maris aan geliefde Sigi wat hem overkomen is op veertienjarige leeftijd. Sigi trekt dat niet en verlaat hem. Het verdriet over haar vertrek zorgt ervoor dat hij niet meer schilderen kan. Een boek over het altaar van Isenheim en de schilder Grunewald brengt hem weer tot leven.

Vrouwen zijn vehikels waarop herinneringen over de fatale gebeurtenis in het verleden boven komen. Het gaat in die gevalen om vrouwen die van oorsprong uit de streek in Zeeland komen. Ze dringen de hoofdpersoon een verhouding op die hij niet wil. Allereerst ontmoet hij junk Ilse als hij op dertigjarige leeftijd terugrijdt van Colmar waar hij het Isenheimer altaar heeft gezien. Zij kende slachtoffer Matty en is Zeeland ontvlucht. Maris lijkt en blijkt haar laatste strohalm. Ook Albertina dringt zich op. Dat doet ze in het ‘heden’ van de schrijver als zijn huwelijk met Fran lijkt te stranden. Zonder het te weten zorgt Albertina ervoor dat er een ommekeer komt in de verhoudingen.

Wat ik een onbegrijpelijk en merkwaardig trekje vind in de romans van Oek de Jong is de verhouding tussen hoofdpersoon en zijn ouders. De manier waarop de hoofdpersoon naar zijn ouders kijkt lijkt verschrikkelijk plat en oppervlakkig. Was het in Pier en Oceaan nog zo dat pa geen goed kon doen, in de roman Zwarte Schuur is het de moeder die ongenuanceerd niets goed kan doen. In Pier en Oceaan las ik juist over de zo neergesabelde vader, hoe verschrikkelijk hij begaan was met de wereld en hoe hij altijd klaar stond voor anderen. Er was kortom best een verschil tussen de vader zoals de hoofdpersoon hem zag en beoordeelde of zoals de lezer hem kon afleiden uit wat er geschreven stond. In deze roman ontbreekt deze nuancering; moeder is overheersend en opdringerig. Ze heeft de hoofdpersoon laten vallen nadat het fatale ongeluk was gebeurd. Zij vader is compleet onderhorig aan de grillen en bazigheid van zijn vrouw. Het beeld dat van de moeder geschetst wordt vind ik erg plat en verwacht je niet bij een schrijver die zo genuanceerd schrijft. Zijn moeder past aan de andere kant wel in het rijtje van vrouwen die het over hem voor het zeggen hebben.

Het is onmogelijk om ook maar enigszins compleet te schrijven over deze roman. Er zitten best wat uithoeken en lagen in die ik compleet onbesproken laat. Dat is dus maar zo. Wat mij betreft wel een enorme aanrader deze roman.

Een verschrikkelijke man

De lente kan voor ons niet beginnen als er geen muziek van Bach geklonken heeft. Speciale muziek; passiemuziek. Het moet of de Mattheuspassion of de Johannespassion zijn. Sinds mijn geliefde en ik bij elkaar zijn, hebben we geen jaar overgeslagen. Maar ook voordat we elkaar kenden, was het elke lente raak. We hebben echt een heleboel uitvoeringen gehoord en gezien. Lang selecteerden we de goedkoopste uitvoering in het Concertgebouw; een slechte uitvoering vonden we in ieder geval beter dan geen uitvoering. Maar langzamerhand kwamen we wat in betere doen en sindsdien nemen we een uitvoering die ons bevalt.

In de loop der jaren zagen we diverse passie-modes voorbijkomen. We begonnen met twee enorme orkesten met ieder een eigen klavecinist. Daarna uitvoeringen op originele instrumenten, met minimale bezetting of alleen maar mannen. Die uitvoering met alleen maar mannen (uitgezonderd de zware sopraansolo’s) werd zo’n vijftien jaar geleden geleid door een toen nog redelijk onbekende Pieter Jan Leusink.

Een hele speciale uitvoering was het. Jongetjes vanaf een jaar of tien op het podium. Allemaal met dezelfde soort kleren aan. De allerjongsten playbackte wat mee. De andere kinderen en de volwassen mannen maakte er samen met het orkest een mooie uitvoering van. Tenminste ik heb die avond echt genoten en ook Josien was erg onder de indruk. Wat we ook leuk vonden was dat Leusink een nieuwe cultuur wilde beginnen van kinderkoren waar ook echt wat van gevraagd werd. Geen sinterklaasliedjes met een discostamp eronder. Nee, echte, serieuze muziek. Bach. Ik denk dat Leusink om zijn aanpak enorm geprezen is.

Terwijl wij hoopten dat Leusink doorging op het ingeslagen pad, gebeurde dit niet. Hij ging meer traditioneel bemenste uitvoeringen geven. Met mannen en vrouwen, dus. Volwassenen. Waar je geil op wordt. Waar hij geil op werd. Bovendien verloor hij ineens de nederigheid die hoort bij het uitvoeren van de muziek van Bach. Die Leusink raakte nogal vol van zichzelf. Bovendien ontdekte hij kennelijk de zakenman in zichzelf. Wij gingen naar een uitvoering van Leusink op zijn nieuwe manier en wij vonden de uitvoering grotendeels waardeloos. De roem was hem kennelijk compleet naar het hoofd gestegen. Naar nu blijkt, uit dit zich ook in zijn contacten met vrouwen die hij onder zijn bewind heeft. Werk in de klassieke muzieksector is schaars sinds Halbe Zijlstra een bijna geslaagde poging deed om de hele cultuursector om zeep te brengen. Werkgevers in die sector zijn daardoor oppermachtig. Dat maakt musici kwetsbaar. Helemaal vrouwen. Het schijnt dat Leusink zich al billen en borsten knijpend en in broekjes voelend wentelt in zijn macht. Verschrikkelijk. En ondertussen is het ook nog eens zoeken naar een mooie uitvoering van de Mattheus naast al dat passiegeweld van Leusink; hij heeft zo’n beetje het hele passieseizoen het concertgebouw afgehuurd. Met agressieve campagnes lokt hij zijn publiek; Een verschrikkelijke man.

Voorhoedemeiden in Iran

Moedige mensen geven mij het gevoel een slappeling te zijn. Dat ik niets durf en bang ben voor alles. Dat ik niet voor mijn recht durf op te komen. Maar dat is niet zo. Ik ben gewoon een gemiddeld mens. Heus, in veilige situaties kom ik graag voor mijn rechten op en als ik geen klappen hoef te verwachten, heb ik gerust een afwijkende mening van de rest, als het zo uitkomt. Maar mensen die geweld voor lief nemen om hun mening te ventileren of om voor hun recht op te komen, die heb ik zeer hoog zitten. Mensen die niet voor tirannen zwichten, zullen we maar zeggen want ‘Een volk dat voor tirannen zwicht zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht, dichtte van Randwijk en lezen we op het Weteringscircuit. Ik vrees dat Van Randwijk ongelijk had; de moedigerd is niet het volk, maar de enkeling. Helaas. En ik ben in dit verband geen enkeling. Ook niet toen ik nog vol protest en rechtvaardigheidsgevoel zat.

Josien en ik liepen enkele jaren geleden samen door de straten van Teheran. We voelden ons daar volkomen vervreemd maar zo verschrikkelijk welkom. Terwijl we voor ons gevoel nauwelijks verschilden van andere mensen die daar rondliepen, werden we overal herkend als buitenlanders en probeerde iedereen een praatje te maken. Ook best vermoeiend, trouwens. Met het geld dat ze daar hadden, wisten we ons geen raad. Het telde in honderdduizenden maar men handelde in duizenden. Dus, zei men driehonderd dan kon het net zo goed dertigduizend zijn. Daarom hielden we, als we iets kochten, in wanhoop een pak papiergeld in de lucht waaruit de betreffende koopman de juiste biljetten trok. Als we (heel soms) de zaak op onze hotelkamer narekende, dan wisten we dat we zeker niet opgelicht waren. Aardige mensen. Maar, en helaas moet dat gezegd, geregeerd door tirannen. De portretten van de leiders hingen hoog aan de gebouwen en we wisten, kwam je met hen negatief in aanraking dan was dat niet best. Onze vrienden schaamde zich een beetje voor hen, zagen we. Ze wilde moderne mensen zijn en op de één of andere manier werden ze daar door de Iraanse leiders in tegengewerkt. Binnenshuis vertelden ze hoe ze stiekem alle regels overtraden.

Eén van de vervelendste regels die in Iran gelden zijn de kledingvoorschriften. Eerlijk gezegd waren we best bang om het fout te doen. Vooral Josien. En heus, niks positiefs over onderdrukkende hoofddoeken, maar wat stond die over haar hoofd gedrapeerde sjaal haar goed. Zeker, ik ben blij dat ze nu weer lekker met wapperende haren op de fiets zit, maar daar in Teheran, met haar hoofddoek…het stond haar goed. Voor even mijn oosterse prinses. Maar, zo werd ons door onze vrienden duidelijk gemaakt, vrouwen in Teheran willen helemaal geen oosterse prinsessen zijn; ze willen mens zijn en zich vrij voelen. Onze lieve vriendin vreesde niets zo erg als de zedenpolitie.

In Iran, foto gepubliceerd in de Volkskrant van 1 februari

Vandaag in de krant foto’s van hele moedige vrouwen. Vrouwen die opkomen voor hun recht om vrije mensen te zijn. Ik bewonder ze. Op de drukste pleinen van Teheran (en die zijn heel erg verschrikkelijk druk) gaan ze op een verhoging staan, doen hun hoofddoek af en laten de hoofddoek als een vlag aan een stok wapperen. Dat is zo verschrikkelijk moedig in een land als Iran. Wat hoop ik dat deze moedige voorhoedemeiden iets kunnen betekenen voor al die lieve mensen die we daar in Teheran hebben ontmoet.

Doktertje spelen

Als pre-puber heb ik ervan gedroomd; Ron O. heeft het waargemaakt! Hij stond gisteren voor de rechter meldde de Volkskrant. Als vadsige dikke veertiger heeft hij gedaan waarvan ik als prille puber droomde en een hele reeks domme vrouwen is er met open ogen ingetuind!

Laatst in het Openluchtmuseum kreeg ik een Ron O. deja vu. Ze hebben  daar een gebouw van de GGD neergezet met een inrichting uit de jaren vijftig. Ze sproeien daar dagelijks een geringe hoeveelheid lysol zodat de geur overeenkomt met destijds. Als pre-puber kregen we allemaal een onderzoek. In het Openluchtmuseum zag ik me onderzocht worden, destijds. Gek genoeg kan ik mijn moeder erbij niet herinneren; ik moet erg jong zijn geweest. Een jaar of elf twaalf. Ik had wat vragen moeten beantwoorden bij een verpleegster. Duidelijk herkenbaar aan haar kapje. Daarna werd ik naar een kleedkamertje geleid. Die bleek twee deuren te hebben: Eentje van de verpleegster af en eentje naar de dokter toe. Er tussenin moest ik me uitkleden. Alles moest uit behalve mijn onderbroek. In mijn onderbroek moest ik wachten tot het lampje ging branden. Ik voelde me zo bloot, eenzaam en koud in dat hokje en ik hoopte dat dat lampje ging branden zodat ik er snel vanaf was. Ik had geen idee wat mij ging overkomen.

Het moment dat de arts het elastiek van mijn onderbroek aanraakte en mijn onderbroek opentrok, ging er een schok door me heen. De arts keek naar mijn zakie terwijl ik hard op mijn pols moest blazen. De vernedering was toen nog niet compleet want met zijn vingers voelde hij vervolgens aan mijn ballen. Heel, heel erg bloot mocht ik weer naar het kleedhokje terug. Met elk kledingstuk dat ik aandeed voelde ik me weer mezelf worden. De volgende dag vroeg mijn vriendje, die eerder aan de beurt was geweest dan ik, hoe het was geweest bij de ‘ballenwipper’. Die naam had ik al eerder gehoord maar nooit beseft waar dat op sloeg. Toen dus wel.

Maar ’s avonds in bed dacht ik aan het mooiste meisje van de klas. Ik was een beetje verliefd op d’r. Joyce. Terwijl ik lag te bedenken hoe het was om samen ‘iets’ te hebben, kwam bij mij de gedachte op dat ook zij naar de ballenwipper was geweest. Wat had hij met haar gedaan? Had hij ook in haar onderbroek gekeken? Had hij ook haar ‘daar’ aangeraakt? Ik raakte daar zowaar best opgewonden van. Ik fantaseerde dat ik zelf arts was. Op mijn bureau de knopjes waarmee ik de lampjes in de kleedhokjes aan en uit kon doen. En toen ik een schakelaartje omzette, ging één van de kleedkamertjes open en liep Joyce, in haar onderbroekje naar me toe. Als elfjarige had ik een rijke fantasie! (Of was ik soms niet de enige jongen die dit fantaseerde?)

Ron O. moet die fantasie ook gehad hebben. Hij maakte hem waar. Niet als prille tiener maar als dikke veertiger. Niet bij klasgenootjes waar hij nog veel meer omheen fantaseerde…nee, bij volwassen vrouwen. Bij hem thuis. Ze kleedde zich voor hem uit en gingen op zijn ‘behandeltafel’ liggen en vervolgens bevingerde, bevoelde, betaste hij alle lichaamsopeningen en -rondingen van de vrouwen. Ik was er natuurlijk niet bij en wat weet ik ervan, maar zo op het eerste gezicht heb ik wel een oordeel: Wat een oliedomme vrouwen! Zo crimineel kan ik Ron O. niet vinden… Laat de rechter daar maar over beslissen!

Venustrafobie

Vandaag heb ik geleerd dat ook ik psychisch niet helemaal je dat ben. Ik lijd aan Venustrafobie. Of…’lijd’…dat weet ik niet. Lijd ik eronder? Wel een beetje. Want stuntelen en blozen in gezelschap dat voelt niet lekker. Zeker niet als oudere kerel. Als oudere man wil je zeker overkomen. Doorgaans kom je ook zeker over. Ik heb al zoveel gezien en zoveel gedaan; wat kan me nog verbazen? Wat kan me nog van mijn stuk brengen? Juist ja… mooie vrouwen. Venustrafobie. Ik las het zojuist bij Max Pam. Nog nooit van het woord of de fobie gehoord maar nu ik het lees, weet ik zeker dat ik daaraan lijd. Vroeger had ik er meer last van dan tegenwoordig, maar ik lijd er nog steeds aan. Sommige van mijn kennissen lijden aan van alles maar juist niet aan Venustrafobie. Hen bewonder ik zo enorm. Bewonderen? Is bewonderen wel het juiste woord? Eigenlijk ben ik verschrikkelijk jaloers op hen. Ik wil dat ook zijn: De man zonder (vrouwen)vrees!

Met collega S. bezocht ik een avond met lezingen. Vooraf een diner. Een lopend buffet. Dienstertjes hielpen de gasten waar nodig. Collega S. en ik wilden niet meteen op het eten losgaan maar even eerst een kopje koffie drinken. Het was een erg ingewikkeld koffieapparaat. Niet zo één met een paar duidelijke knoppen. Nee, ergens moest een dingetje in, en dan moest je een keuze maken en dan…etc. Zelfs als ervaren IT’ers wisten we er ons geen raad mee. Een meisje zag ons klungelen. Ze kwam naar ons toe om ons te helpen. En ik keek in haar ogen en ik voelde me vanbinnen helemaal week worden. In haar ogen dreigde ik al meteen te verdrinken. Ik wist me zelf met pijn en moeite uit haar ogen te redden en zag toen haar gezicht. Een prachtige bos zwarte krullen danste om haar gezicht. Een eindeloos lief gezicht. Ik wilde dat ze me niet ging helpen, maar ze deed het toch. Nu zou uitkomen wat voor kluns ik was. Wat een fantastische meid om te zien. Alleen dat hoofd al…ik durfde geeneens naar de rest van dat goddelijke lichaam te kijken en ik wist dat iedereen zou zien hoe ik blozend naar adem zat te happen en dat ik als ik wegliep over van alles en nog wat zou struikelen. Mijn hele pubertijd kwam boven. En toch kon ik het niet laten om naar haar te kijken. En ik wilde wel wat zeggen, maar mijn keel zat dichtgeschroefd. (Een duidelijk geval van Venustrafobie dus). Maar collega S. had daar dus helemaal geen last van. ‘Sjonge,’ zei hij: ‘door jou wil ik wel geholpen worden! Ik laat me graag helpen door knappe vrouwen. Jammer dat ik getrouwd ben maar anders vroeg ik je mee uit.’ Babbelde hij. En zijn toon was goed, want ze smolt. En ik bewonderde collega S. zo verschrikkelijk. Ik was jaloers op hem. Waarom stotter ik en lijkt hij zo zelfverzekerd. Wat was ze nou helemaal? Een wicht van net in de twintig waar ik nooit iets mee zou willen… Ze studeerde vast nog en had hier een bijbaantje. Ik had haar pappa kunnen zijn. Met gemak!

Ik heb er altijd al last van gehad van die ellendige fobie. Die ziekte heeft ertoe geleid dat ik veel erotiek heb moeten mislopen. Het heeft ertoe geleid dat ik ongewild de lachers op mijn hand kreeg. Denk er niet te licht over! Het heeft mijn leven bepaald; Ik wilde zo graag maar mijn fobie hield me tegen.

En Josien dan? Gelukkig had ik er niet altijd op elk moment bij elke aantrekkelijke vrouw last van.  Gelukkig niet. Ik heb ook mijn moedige momenten gehad…bij vrouwen. Gelukkig!

Vrouwen hebben niets te verliezen dan hun ketenen!

Eergisteren, werd Marx’ stelling dat godsdienst opium voor het volk is, bevestigd. Op de televisie, deze keer. Tijdens het programma Zembla van 22 november, zond men een documentaire uit die alles wat ik al dacht, bevestigde. Ik ben geen gelukkige gelijkhebber, maar het is toch zo. Godsdienst zorgt ervoor dat mensen niet voor hun rechten opkomen en hun persoonlijke ontwikkeling staken. Godsdienst zorgt ervoor dat emancipatie in de kiem gesmoord wordt. Godsdienst zorgt ervoor dat mensen dommer blijven dan ze zijn. Godsdienst houdt de bestaande verhoudingen in stand terwijl ze, ook in onze tijd, flink veranderd zouden moeten worden.

De documentaire ging erover of moskeeën en imams zich aan de Deense wet hielden. Daarom werden eerst bestuursleden van de moskee geïnterviewd en daarna werd met een verborgen camera onderzocht in hoeverre het woord van de moskeebestuurder (‘natuurlijk houden wij ons aan de wet’) klopte met wat de imam van de moskee verkondigde.

Met een verborgen camera in haar handtas ging de vrouw de moskee binnen en filmde daar wat er gebeurde. De vrouw ging advies vragen bij de imam. Ze vertelde dat ze thuis ruzie hadden. Een slecht huwelijk hadden. Haar man sloeg haar tijdens die ruzies. Daarom wilde ze niets meer van hem weten. Ze wilde al helemaal geen seks meer met hem. Omdat de man zo ontevreden was, had hij besloten om een tweede vrouw te nemen. Daarom wilde ze scheiden van haar man. Mocht dat? Het antwoord van de imam was voorspelbaar: Ze moest terug naar haar man en ‘geduld’ met hem hebben. Seks weigeren was uit den boze en als hij een extra vrouw wilde, dan was dat zijn goed recht. Kortom: Schik je in je onderdanige positie en laat met je sollen; je hebt geen rechten en je mag niets.

In onze moderne tijd kan er geen verschil meer zijn tussen de rechten van mannen en vrouwen. Onze westerse samenleving zou niet ver komen als vrouwen stelselmatig achtergesteld werden ten opzichte van mannen. De maatschappij heeft de talenten van iedereen nodig. Iedereen brengt de samenleving verder. Dat proces van participatie van iedereen is hier in het westen lang geleden ingezet en kan niet omgekeerd worden zonder dat alles daar verschrikkelijk onder lijdt. We kunnen en we mogen niet terug.
In landen hier ver vandaan, waar die participatie van iedereen nog niet zover gevorderd is, zie je dan ook dat met jaloezie naar het westen gekeken wordt. We zijn steenrijk geworden. De straten lijken geplaveid met goud. Dat heeft, onder anderen, te maken met de plaats die vrouwen hier in de samenleving innemen. Onze maatschappij vaart wel bij het inzetten van de talenten van iedereen. Vrouwen en mannen zijn in alles gelijkwaardig aan de man en als dat, voor sommige aspecten, nog niet helemaal het geval is, dan is de beweging al wel duidelijk.

Eigenlijk had het voorspelbare antwoord van de imams niet eens uitgezonden hoeven worden; het was iedereen duidelijk dat zij alles tegenhouden wat de maatschappij, en de vrouwen, verder zou kunnen brengen. We moeten ons afkeren van mensen die godsdienst verkondigen, van imams en predikers en we moeten ons richten op de vrouwen die zich zo gedwee laten adviseren door hun godsdienst. We moeten vrouwen ervan overtuigen dat ze niets te verliezen hebben dat hun ketenen; de ketenen van de Godsdienst; de ketenen van de imam! Vrouwen bevrijdt jezelf!

De laatste Candy

We waren opgewonden, Stein, Pim, Marcel, Mark en ik, toen we tijdens de eerste pauze de school uitliepen. We zette koers naar de Gerrit van der Veenstraat. Tegenover de Gerrit van der Veenschool was een plantsoentje en in dat plantsoentje stonden banken en één van die banken was ons doel. Daar ging Stein ons iets heel bijzonders laten zien, had hij verteld; erg geil.  We verkneukelden ons, onderweg. Pim deed een poging om Marcel pootje te haken, maar niet Marcel raakte uit evenwicht, maar juist Pim zelf. We lachten hem uit. Pim gaf mij een zet zodat ik tegen Marc aan liep. Allemaal erg ingewikkeld, maar zo gaat het met jongens van dertien die iets heel geils tegemoet lopen. We kwamen bij het bankje. Stein keek spiedend om zich heen. Wij ook, al wisten we niet precies waarom. Maar toen de kust veilig was, haalde hij een halve stoeptegel weg. Die halve stoeptegel bedekte een gat en in dat gat ontwaarden wij een plastic tasje met inhoud. Stein pakte het tasje en we zagen langwerpige boekjes in dat tasje. Met veel gevoel voor theater pakte Stein het bovenste boekje eruit en opende het boekje zomaar op een pagina en toen viel mijn mond open.

We waren er allemaal even heel erg stil van. Wat we daar zagen was behoorlijk…nieuw. Een vrouw zat helemaal in haar blootje wijdbeens op een man met een stijve piemel. Die piemel verdween in haar volle bos schaamhaar. De vrouw keek alsof ze in hoger sferen was. De man z’n gezicht was verborgen achter de vrouw, maar zijn hand was wel zichtbaar en die omvatte één van haar borsten. We keken. En we keken. En toen griste Pim het boekje uit Steins hand. ‘Even van dichtbij bekijken’, zei hij. En hij hield het blaadje voor zijn neus. ‘Wat een grote tieten!’ Riep hij.  Ik slikte wat opgehoopt speeksel weg en hervond mijn evenwicht en mijn stem. ‘Candy’ heette die boekjes. Porno in de jaren zeventig! De Candy…ik was diep geschokt…en heel erg nieuwsgierig naar meer. Heel veel meer!

Vandaag lees ik dat de allerlaatste Candy aan het eind van deze maand verschijnt. Het blad houdt ermee op. De hoofdredactrice vertelt dat de foto’s die ze in het laatste nummer heeft geplaatst, oud zijn. Bijna tien jaar geleden genomen. Al jaren is het crisis in de porno-industrie voor mannen, vertelt de redactrice. Dat komt, volgens haar, doordat de vrouw is opgerukt. De vrouw heeft haar eigen seksualiteit ontdekt. De mannelijke seksualiteit is verdrongen en de porno richt zich niet meer op de man. De porno is voor de vrouw.

Ik denk dat het de analyse is van een teleurgestelde redactrice die haar blad teloor ziet gaan. De man heeft heus nog evenveel behoefte als toen. En hoewel het best zo zal zijn dat vrouwen porno hebben ontdekt, mannen blijven geil. Dat verandert niet zomaar. De weg naar de seksshop of het tankstation wordt ons mannen nu bespaard. Met één klik met je muis heb je dezelfde porno op je beeldscherm. Eigenlijk nog veel beter. Want je kan vinden wat je wilt. Anoniem en vrijwel zonder veel moeite. Maar dan ook nog eens in duizendvoud. En gratis, helemaal gratis. De wereld verandert en in de veranderde wereld past geen Candy meer. Ik denk dat het zo zit.

Het filmfestival van Rotterdam

Eergisteren waren Josien en ik naar Rotterdam. Naar het filmfestival aldaar op uitnodiging. Naar de Colombiaanse film Oscuro Animal van Felipe Guerrero. De film wil laten zien wat oorlog met vrouwen doet. Daarvoor verfilmde Guerrero drie verhalen van vrouwen die vanuit de jungle van Colombia – waar ook daadwerkelijk een oorlog woedt – naar de stad vluchten. Zonder dialogen. Compleet geen tekst. Wel veel geluid.

Ik miste dialogen. Eigenlijk miste ik de tekst en uitleg en daardoor zat ik veel te puzzelen. Je wilt het verhaal begrijpen…tenminste zo ben ik. Als mensen helemaal niet spreken, dan valt het je vooral op dat we in het dagelijkse leven zo veel spreken en wat voor centrale rol taal speelt. De regisseur, die vooraf aan de voorstelling geïnterviewd werd, beweerde dat hij taal voor zijn film niet nodig had. Ik ben het niet met hem eens. In de film ontstonden ronduit geforceerde situaties waarbij het gek en vreemd was dat er niet gesproken werd. Daardoor waren scenes niet meer geloofwaardig. Film draait om geloofwaardigheid. Je mag kabouters, dwergen, heksen, maanmannetjes laten zien, maar het moet geloofwaardig zijn.

Vrouwen hebben het zwaar in oorlogstijd, lijkt de regisseur te willen zeggen. Als je daarvan uitgaat dan mis je vijftig procent van de waarheid. Ook mannen hebben het moeilijk. Focus je je alleen op vrouwen, dan blijft er voor de man de rol van bad guy over. Dat voegt niets toe aan de analyse van het probleem van ontmenselijking. In deze film zijn vrouwen de slachtoffers en mannen de daders. Was het hele leven maar zo simpel!

In een oorlog worden tegenstrijdige dingen van jonge mannen verwacht. Extreme en tegenstrijdige dingen. Mannen moeten doden, maar zelf overleven. Ze moeten de vijand verpletteren, maar tegelijkertijd de vijand respecteren. Dat lijkt me dus onmogelijk. Dat kan je van een mens niet vragen. Geef de soldaat een vijandbeeld en laat het daarbij. De soldaat zal er alles aan doen om zijn taak uit te voeren; de vijand doden. Daarom zal de vijand er alles aan doen om de soldaat als eerste te doden. Een soldaat kijkt altijd de dood in de ogen. Vraag de soldaat niet om de vrouwen van de vijand te respecteren. Dat gaat niet lukken. De vijand is de vijand. Neuk je de vrouw van de vijand dat hem je hem onder controle.

Als je wilt dat jonge mannen geen oorlogsmisdaden plegen, voer dan geen oorlog. Zorg voor samenwerking en harmonie. Die samenwerking en harmonie is na de tweede wereldoorlog in Europa goed gelukt! Daarom maak ik me heel veel zorgen over de sentimenten tegen Europese samenwerking van nu.

Dat filmfestival van Rotterdam was een leuk dagje uit. Oscuro Animal geeft je veel stof tot nadenken. Ik hoop dat de regisseur ook nog eens nadenkt over deze film. Vooral over zijn analyses. De film liep een beetje mank.

Als Amsterdammer ga ik steeds meer van Rotterdam houden, merk ik; samenwerking en harmonie in Nederland! (Vandaag speelt Ajax tegen Feijenoord!)