Tagarchief: vader

Vechtscheidingen en de rechtbank

Vandaag is er in de krant veel plaats ingeruimd voor Bas van ’t Hoff. Hij is één partij in een stereotype vechtscheiding. Wat hem uniek maakt is dat hij de juridische strijd die hij sinds het jaar 2000 voert, niet opgeeft. De man roept bij mij tegenstrijdige gevoelens op. Zolang doorgaan met rechtszaken doet vermoeden dat de man rechtlijnig is en overtuigd van eigen gelijk. Aan de andere kant geeft de rechter hem regelmatig gelijk maar lost dat feitelijk niets op omdat instanties en de tegenpartij de rechterlijke uitspraak naast zich neerleggen. Alles bij elkaar denk ik dat je niet moet beginnen aan een (v)echtscheiding. Ik begrijp best waarom kerk en maatschappij het lang onmogelijk hebben gemaakt om ouders van elkaar te laten scheiden. Een scheiding, zelfs een heel erg rustige, is niet goed voor kinderen. Denk ik.

Mijn ouders scheidde toen ik acht jaar oud was. Meneer Van ’t Hoff voert een eindeloze juridische strijd tegen zijn vrouw om de kinderen te zien. In zijn plaats had ik wel een juridisch gevecht willen aangaan tegen mijn vader om hém te mogen zien. Dat mijn ouders uit elkaar gingen, vond ik absoluut niet leuk, maar dat mijn vader even later volkomen van de aardbodem verdween, was voor mij onverteerbaar. Dat hij daarnaast ook nog gezinsvijand numero uno werd, maakte me zo’n beetje schizofreen.

Mijn vader kwam destijds nog regelmatig over de vloer. Op een keer hadden mijn ouders hevige ruzie. In mijn hoofd hoor ik de zware basstem van mijn vader en het huilen van mijn moeder. Mijn moeder wilde iemand opbellen maar toen greep mijn pa mijn ma aan haar haren en sleepte haar weg en gaf haar een klap in d’r gezicht. Mijn broer en ik waren daarbij. Toen mijn vader woedend wegging nam hij afscheid van ons. Ik liet me zijn omhelzing welgevallen, maar mijn broer gaf hem een schop tegen zijn enkels. Enkele dagen later moesten mijn moeder en ik ergens naartoe. Ik zat achter op de fiets bij mijn moeder op het pleintje voor ons huis. Net toen mijn moeder wilde opstappen, kwam mijn vader aanlopen. Dat werd daar op het pleintje weer ruzie. Uiteindelijk zwaaide pa met de huissleutel terwijl hij riep dat hij kwam en ging wanneer hem dat uitkwam. Vanaf dat moment was mijn pa de gevaarlijkste man op aarde. Onze deur werd voorzien van diverse schuiven en grendels en een nieuw slot. Mijn ma was zo bang voor mijn dreigende pa dat we, ondanks alle versterkingen van onze woning, met zijn allen naar oma en opa verhuisden voor een tijdje. Mijn pa moest dus wel een heel gevaarlijke man zijn. Zo werd ik doodsbang voor de man die ik oneindig liefhad terwijl ik de situatie van voor de scheiding wilde herstellen. Dat was een gedachten- en gevoelens dilemma waar ik niet mee uit de voeten kon. Ik werd volkomen apathisch. Ik keek op school uit het raam en verder deed ik niet veel. Ik kon aan niets anders denken dan aan…hoe komt alles weer goed. Een jaar lang. Ik heb dat jaar echt geleden.

Toch, had ik de juridische mogelijkheden van Van ’t Hoff gehad, het had mij niets geholpen. Net als het Van ’t Hoff niet geholpen heeft. Liefde en genegenheid laten zich niet door de rechter opleggen. Pas zeven jaar na de scheiding vond ik mijn pa weer. Schizofreen denken en voelen over mijn vader is nooit meer overgegaan, ben ik bang.

Eerste ontmoeting na jaren

Destijds moest ik een gesprek voeren met opa. Over mijn vader. Het was goed bedoeld en kwam voort uit bezorgdheid om mij. Ze wilden mij beschermen tegen mijn pa’s kwalijke invloeden. Maar dat is onmogelijk. Vanaf mijn conceptie beïnvloedde hij mij, of je wilt of niet. Dat heb je te aanvaarden. Maar opa vroeg: ‘Wat zie je in die man’, en daarop wist ik eigenlijk geen goed antwoord omdat ik hem al jaren niet gezien had. Maar ook op de vraag: ‘Wat verwacht je van hem’ had ik geen antwoord. Want wat verwacht je van je vader? Gewoon dat hij er is. Nou misschien ietsje meer. Ik was net over de eerste schok van de prepubertijd heen en ik wilde nu echt weleens wat met een meid. Ik zoemde als een bijtje rond de bloemetjes zonder dat ik echt durfde te gaan zitten op de kelk, laat staan dat ik de honing uit de diepte van de bloem durfde te zuigen. Vaag dacht ik dat mijn gebrek aan moed te maken had met het ontbreken van een vaderlijke hand die mij leidde. Maar wat ik nou echt in hem zocht…Misschien zocht ik mijn vader van vroeger. Mijn vader die met me ging voetballen en oorlogje spelen. Die de krant bezorgde bij Johan Cruyff in Betondorp en die daarna gebakken hom en kuit kocht. Mijn vader die een molen aan de Gein schilderde…Die vader zocht ik. Maar hoe leg je dat uit? Zeker als dat gesprek meer leek op een kruisverhoor. Met de beste bedoelingen, heus, wat dat betreft geen kwade herinneringen. En achteraf begrijp ik mijn familie wel. Mijn pa was gewoon geen lekkertje, integendeel. Ik denk dat ik mijn eigen kinderen ook wel tegen zo’n man had willen beschermen. Maar dat is achteraf praten. Ook opa begreep wel dat het gesprek vruchteloos zou blijven; hij stelde zijn vragen zonder veel overtuiging. Maar toch kwetste ze me destijds, ondanks… (wat een gedraai!)

En dus gaven ze me na het gesprek met opa zijn adres. Ik schreef hem een briefje, denk ik, want ik weet het niet meer. Op de dag van de afspraak zagen we mijn vader, vanuit ons huis, staan op de plaats waar we afgesproken hadden, naast een donkerblauwe Renault 4. Het was een mooie dag in de begin jaren zeventig. Ik weet haast zeker dat Joop den Uyl onze minister-president was. En toen ik tegenover mijn vader stond keerde er een rust in mijn hoofd terug die er jaren niet was geweest. Die pa van mij voelde zo vertrouwd en zo verschrikkelijk van mij. Zonder dat hij iets speciaals zei, voelde ik me aanvaard zoals ik was. Voelde ik me erkend als persoon. Bij voorbaat aanvaarde ik alles van hem. Alles! Nog nooit zo’n puinzooi in een auto gezien. Lege pakjes shag en lege koekpapieren en soms niet eens helemaal leeg. De bijrijder stoel moest even vrijgemaakt zodat ik er kon zitten. En ik vond het geweldig. En zo reden we naar flat Egeldonk in de Bijlmer en toen we beneden stonden zei mijn vader dat de puinhoop in de auto (want dat zag hij zelf heus wel) gelijk was aan de puinhoop in zijn huis. En dat was ook zo. En ik vond het geweldig. Mijn pa! Niks geen saaie Piet. En ik was veertien en mijn vader vond het vanzelfsprekend dat we met z’n tweeën sigaretjes zaten te roken. Hij bood me ook een pilsje aan, maar ik wilde liever koffie. Hij ook, zei hij.

Ik denk dat ik verliefd was, die dag. Verliefd zonder seks of erotiek. Maar wel met een hersenvernauwing. Dat wel. Sjonge wat was ik gek op die man na mijn eerste ontmoeting. Trouwens daarvoor ook. Ook later, tegen beter weten in. Ik kan er helemaal niets aan doen. Ging helemaal vanzelf.

Vandaag ga ik met iemand over míjn pa en háár moeder praten…heel erg spannend!

 

Spuistraat 59

Elke dag als ik naar mijn werk fiets, rij ik door de Spuistraat. De Spuistraat is een bijzondere straat omdat hij een beetje chique oogt maar dat eigenlijk niet waar maakt. Vooral in het begin van de straat zijn wat ‘ramen’. Ramen waar doorgaans hoeren achter zitten. De ‘ramen’ in de Spuistraat maken onderdeel uit van een stukje red-light-zone dat de Gemeente in haar laatste hoeren-opruimwoede intact heeft gelaten. Achter de Spuistraat zijn de vrouwen wat ouder en verlopen, in de Spuistraat daarentegen een stuk jonger en aantrekkelijker. Als ik in het weekend naar de stad ga, zie ik de vrouwen zitten. Ik kan het gewoon niet laten om even te kijken en te bepalen of ik ‘het’ met één van hen zou willen doen. Soms is het ‘ja’, maar ik ben te schijterig.

’s Ochtends als ik naar mijn werk fiets, wordt er vaak schoongemaakt. Hoewel de rode lampen dag en nacht blijven branden, zijn alle verhullende gordijnen opengedaan om beter te bij alle hoekjes te kunnen komen met stofzuiger en poetslap. Je ziet het fonteintje en het bed met een plastic omtrek om het matras. Zeepautomaat naast het fonteintje en papieren handdoekjes. Dat ontnuchtert. Tenminste zo vergaat het mij. Daarmee wordt het laatste schimpje liefde of gevoel van de seks ontdaan. Het gaat om zo snel mogelijk sperma en daarna wegwezen. Ik heb daar moeite mee, denk ik, met zo weinig menselijks bij mijn dierlijke driften. Gelukkig ben ik veel te schijterig om ook maar iets met zo’n vrouw te durven.

Nummer 59 in de Spuistraat. Ik twijfel of het nog ‘ramen’ zijn. Ik heb er al heel lang geen vrouw meer zien zitten. ’s Ochtends, onderweg naar mijn werk niet, maar overdag ook niet. De kenmerkende rode lampen branden er niet. Wel rode gordijnen. Sinds enkele jaren weet ik wat daar gebeurd is en ik hoop zo verschrikkelijk dat de zaak nu opgelost is. Je hoort het niet altijd, maar ik hoop zo dat ze de dader hebben gevonden. Toen ik van de misdaad hoorde, was het inmiddels al een cold-case.

Het ging om een jonge vrouw. Uit Frankrijk. Eigenlijk nog maar een meisje. Op drift. Ze kon het niet goed eens worden met het leven dat ze had gekregen. Ze zwierf door Europa en was in Amsterdam terecht gekomen. Daar smaakte de heroïne naar meer. Bij zo’n verhaal komt de vader in mij boven en ik besef me dan dat je je allerlei voorstellingen maakt over je toekomstige kind als de buik van je geliefde bolt maar als het eenmaal geboren is, komt er van jouw voorstelling niets terecht. Je kunt een ongelukkig kind krijgen en hoe je ook je best doet het helpt dat kind niet veel. Maar dat neemt niet weg dat je liefde voor dat kind onvoorwaardelijk is en totaal. Ik denk dat die ouders in Frankrijk ook zo voelde over hun dochter die in Amsterdam had ontdekt dat heroïne de ellende voor even verdrijft. Ik weet het zelfs zeker, want haar ouders werden geïnterviewd op de televisie…

Om haar verslaving te kunnen betalen huurde ze het souterrain van Spuistraat 59. Daar speelde ze de hoer. Toen kwam er iemand met een uitbeenmes en stak haar dood. Niet met één steek op de goede plek, maar met heel veel steken. Ze werd zo hard gestoken dat het mes helemaal verbogen was. Dat beeld van dat bebloede, verbogen mes dat ze op de televisie toonden, staat op mijn netvlies gebrand. Ik hoop zo dat ze de dader hebben. Voor die ouders. Je hebt het soms best zwaar met een ongelukkig kind, maar met een ongelukkig dat vermoord is valt haast niet te leven. Spuistraat 59. Voor haar ouders kijk ik altijd even naar de dichtgetrokken rode gordijnen. Ik hoop zo dat deze zaak opgelost is. Maar ik vrees het niet.

Metamorfose

We stonden op het pleintje bij ons huis. Mijn moeder tilde mijn zusje in het stoeltje achter op haar fiets. Ik had mijn eigen fiets. Toen we wilden wegfietsen, kwam de auto van mijn vader de hoek om. Mijn moeder was duidelijk geërgerd; wil je net opstappen, komt hij weer langs. Ik was wél blij, want sinds hij niet meer thuis woonde, miste ik hem verschrikkelijk. Mijn vader stapte uit. Het gesprek tussen mijn ouders ontaardde al snel in heftige ruzie. Midden op straat. Ik vond het niet fijn dat mijn ouders, voor iedereen zichtbaar, stonden ruzie te maken. Bovendien vervulde me dat met angstige voorgevoelens. De laatste ruzie binnenshuis was rottig afgelopen. Mijn moeder had een fikse klap in haar gezicht gekregen. Omdat ze daarna de politie wilde bellen, sleepte mijn vader mijn moeder aan haar haren van de telefoon weg. Huilend en krijsend. Dat beeld verdween maar niet van mijn netvlies. Ik heb geen idee waar die ruzie midden op straat over ging, maar de ruzie eindigde ermee dat mijn vader de huissleutel uit zijn zak haalde en triomfantelijk in de lucht hield: ‘Ik kom en ga wanneer ik wil, begrijp je dat?’

Daarna stapte hij in zijn auto en reed woest weg. Op dat moment onderging mijn vader een metamorfose. Hij veranderde van geliefde vader in een ware bedreiging. Een gevaar. Hét gevaar. Er was niets ergers meer dan mijn vader die het huis binnen zou dringen. De gebeurtenissen volgden elkaar snel op. Mijn moeder kocht grote schroefogen en hangsloten. De buurman werd er met zijn boormachine bijgehaald om de huisdeur met schroefogen en de hangsloten te beveiligen. Mijn moeder bibberde van angst. Eén nacht brachten we zo door. Met een hele bange moeder. Bang voor de gewelddadige krachten van mijn vader. Toen gingen we met het hele gezin naar opa en oma. De stretchers in mijn opa’s studeerkamer werden voorlopig onze slaapplek. Ik moest naar de buurtschool in Westzaan. Tussen allemaal vreemde kinderen. Boerenkinderen. Veel slimmer dan de kinderen in mijn eigen klas, dacht ik, want er werden dingen in die klas behandeld waar ik nog nooit van gehoord had. Ik moest erg goed opletten want de meester die ik kreeg was niet erg blij met mij. Dat voelde ik wel. Ik deed mijn uiterste best. Ik kreeg zelfs een beetje verkering in die klas, maar daarover later misschien meer.

Na veertien dagen gingen we terug naar huis. Opa bracht ons naar huis. Mijn opa had zware schuiven gekocht die hij voor ons op de deur bevestigde. Die vervingen de hangsloten. En toen voelde mijn moeder zich veilig genoeg. Voor het slapengaan werden de schuiven op de deur geschoven en nog eens extra gecontroleerd.

Ik had ooit een vader waar ik gek op was. Die vader was zomaar veranderd in een gewelddadig monster waartegen we beschermd moesten worden. Dat was een ommezwaai waar je best een lenige geest voor nodig hebt. Een heel lenige geest. Die had ik niet. Teruggekomen op school verviel ik in apathie. Ik deed mijn best om van dat monster dat mijn vader was geworden niet te houden. Maar dat ging vanzelf fout. Want ik dacht aan voetballen samen. Ik dacht aan stoeien en zijn stevige handen die me vastpakte. Ik dacht aan muziek luisteren bij hem op schoot. Ik was gek op die kerel waar we zo verschrikkelijk bang voor waren. Daarover dacht ik de hele dag na en verder deed ik niets. Helemaal niets. Zeker niet op school.

 

Scheidingsperikelen

Ik vond het helemaal niet gemeen. Echt niet. Maar inderdaad, een kind van zes doe je dat niet aan. Ik zie mijn vader nog zo zitten. Ietwat onderuitgezakt en duidelijk in zijn nopjes. Een jonge lentedag. De zon scheen dwars door het zijraampje in de woonkamer. Het licht viel op de vloer naast de rotanstoel waar mijn vader op zat. Er trilde stofdeeltjes in de baan van licht. Ik dacht dat het licht die deeltjes had opgetild. Mijn moeder deed iets in de keuken. Ik voelde me erg gelukkig, want mijn vader leek blij. Mijn vader en moeder waren niet vaak blij. Als zij blij waren, dan was ik dat ook. Naast hem op de grond een fles. Ik liep naar zijn stoel toe en leunde ertegenaan. Ik vroeg wat hij dronk. ‘Water’, antwoordde hij: ‘Wil je ook een slokje?’ Ik zei daar geen nee tegen. Ik nam een fikse teug uit dat kleine glaasje. Ik wist niet wat me overkwam. Mijn mond, mijn keel en mijn slokdarm voelde ik in de fik vliegen. Mijn vader moest lachen. Maar het lachen verging hem toen mijn moeder de kamer binnenstormde.

De brand was zo weer verdwenen, maar de sfeer was wel compleet verpest. Daaraan had ik schuld. Waarom moest ik zo nodig een slok nemen? Dat, terwijl de verhouding tussen mijn ouders toch al zo broos was. Om het minste geringste brak er oorlog uit. Mijn vader kon heel hard schreeuwen en eng boos kijken en mijn moeder kon heel stil maar intens huilen. Met veel tranen. Ik vond dat allemaal niet leuk. Ik ben van nature iemand die op zoek is naar harmonie. Vandaar dat ik ook zo gek ben op ‘Zicht op Delft’ van Johannes Vermeer. Maar dat terzijde. De harmonie was ver te zoeken in het huwelijk van mijn ouders. Het ging van hard tegen zacht. Maar zacht zou uiteindelijk overwinnen, tenminste als je het vertrek van mijn vader een overwinning kunt noemen.

Voor mij was het in ieder geval geen overwinning maar een groot verlies. Desalniettemin: De oorlog vond haar absolute hoogtepunt op een dag in de winter. Mijn ouders hadden heftige ruzie. Mijn broer en ik zaten op ons kamertje. Het huis was een enorme puinhoop. Mijn vader was zijn fiets aan het repareren geweest in de huiskamer. Hij was daar weliswaar mee klaar, maar alles stond er nog. Het meubilair had hij verschoven en het gereedschap lag over de vloer verspreid. Het voelde niet fijn zo’n rommel. Maar mijn ouders trokken zich daar weinig van aan. Mijn broer en ik wisten niet wat te doen en uiteindelijk gingen we toch maar naar de huiskamer. Juist op dat moment kwam de ruzie tot een hoogtepunt. Mijn vader haalde uit en mijn moeder greep naar haar wang. Hij sloeg haar. Gillend holde mijn moeder naar de telefoon: ‘Ik bel de politie’, riep ze. Met grote stappen stapte mijn vader naar haar toe en sleurde haar aan haar haar van de telefoon weg.

Ik voelde een golf van misselijkheid opkomen. Mijn moeder..een klap…aan haar haren…de politie…mijn lieve vader… Alles spookte door mij heen. Door dat sleuren kwam mijn vader ietsje tot zichzelf. Mijn moeder lag snikkend op de bank. Toen zagen ze ons. ‘Geef een kusje want ik moet weg’, zei mijn vader. Werktuigelijk deed ik wat hij zei. Maar mijn broer, die ietsje anders in elkaar zit dan ik, liep naar hem toe en gaf hem op zijn hardst een schop tegen zijn schenen. Daar had mijn vader niet van terug en ik vond mijn broer een rotzak. Maar achteraf…oké achteraf…had hij natuurlijk wel gelijk, die broer van mij.

Om me heen overal scheidingsperikelen…ik moest dit even kwijt.

Wanneer houdt het eens op?

Mijn pa was geen lekkertje. Hij zoop als een beest en bij het bevredigen van zijn behoeftes liet hij zich aan niets gelegen liggen. Na een extreem leven stierf hij toen hij net de vijftig was gepasseerd. Een enkeling had verdriet; de meesten niet. Ik wist niet wat ik toen moest voelen en dat weet ik nog steeds niet. Ik ben altijd heen en weer geslingerd tussen uitersten als het over mijn vader ging. Als goede zoon heb ik voor een uitvaart gezorgd die er mocht wezen. Samen met mijn zus en broer. Hij is netjes afgeleverd aan de hemel- of hellepoort. Ik ben daar best trots op want toen hij dood ging kenden wij hem nauwelijks meer. Als persoon. Ik ben altijd met hem bezig geweest. In mijn hoofd. Mijn brein voerde eindeloze dialogen met hem.

Soms piept hij over de rand van de dood. Dan gebeurt er wat en dan gaan al mijn sensoren op scherp…

In de vroege jaren tachtig had ik veel contact met mijn vader. Hij was in Cuijk aan de Maas gaan wonen. In de bajes had hij oplichter B. leren kennen. Kennelijk vertelde B. vol liefde over zijn woonplaats, want mijn vader volgde hem. Weliswaar was B. een oplichter, maar in Cuijk bleek B. ook nog eens een doodsaaie oplichter. Eigenlijk niets voor mijn vader. B. lag vooral amechtig op de bank en liet zich colaatjes vieux inschenken door zijn slaafse dochters.

Daarom kwam mijn vader al snel in contact met de familie N. Ze woonden vlak bij hem om de hoek en hielden zich bezig met van alles en nog wat. Veel in het verborgene. Bij daglicht bouwden ze crossauto’s waarin zoon F. wedstrijden reed. Een soort kooigevechten maar dan met voertuigen. In die kringen heb ik dus ietsje, eventjes, heel erg kort, meegelopen. Men accepteerde mij als zoon van… Heus ik werd overal buitengehouden, maar ik werd goed behandeld. Ik kreeg een pilsje, een patatje en een kroket samen met de anderen. De familie N. was berucht in Cuijk. Ik hoorde dat pas later toen mijn moeder de Cuijkse politie nodig had.

In Cuijk hebben ze gisteren een vloer opengebroken van een kapperszaak. Ze doen onderzoek naar een dubbele verdwijning annex moord in Cuijk. Op de plek waar nu die kapperszaak gevestigd is, was vroeger een antiekzaakje. Dat zaakje werd gerund door twee 61-jarige mensen die plotsklaps van de aardbodem verdwenen. Men vermoedt nu dat ze onder de grond zijn gestopt in hun eigen zaak. Gisteren was het een item op het journaal. Mijn sensoren sprongen allemaal tegelijk aan…Cuijk…cold case….

De camera was gefocust op het puin van de betonnen vloer uit de kapperszaak. Daarna draaide de camera en zag je een glimp van de buurt. Ik dacht de buurt te herkennen waar de familie N. woonde en mijn pa. Meteen begon ik te rekenen…1989. Het jaar van Rinkes geboorte. Ik wilde een kaartje naar mijn vader sturen daarom zocht ik zijn adres. Niet te vinden in Cuijk. Na lang zoeken bleek hij ineens weer in Amsterdam te wonen. Mijn pa kan niets met die verdwijning te maken hebben; godzijdank! Zo blijf je eeuwig met je vader bezig…wanneer houdt het eens op?

Bedankt, pa!

Ik ben nu tweeëntwintig jaar Richard Wagner-fan. Dat schreef ik gisteren. Mijn alcoholische vader overleed tweeëntwintig jaar geleden. Bij de notaris hadden we een akte getekend waarbij we de erfenis van mijn vader weigerde. Wij vreesden dat wij op moesten draaien voor de alimentatie die hij niet voor ons had betaald, bijvoorbeeld. We hadden mijn vader al veel gegeven en zelden wat gekregen. Daarom namen we, ondanks onze akte, zijn muziek mee. In die verzameling een cassette grammofoonplaten met Siegfried van Richard Wagner.

Het was de tijd van de walkman. Van de draagbare cassettespeler. De voorloper van de mp3-speler, zullen we maar zeggen. Ik zette de grammofoonplaten op cassettebandjes. Vanaf dat moment klonk immer Siegfried uit mijn walkman. Ik rookte nog sigaretjes in het computer- en rookkamertje en ik had onderwijl jochies op schoot. Vooral Sandor in die tijd. We programmeerden een rekenmachientje samen en ik was zijn held. En ondertussen speelde Wagner. Siegfried vloeide en donderde in dat kamertje. En Sandor wilde natuurlijk weten wat er gebeurde. Waarover zingen die mannen en die vrouwen? ‘Wie sah mijn Vater wohl aus? – Ha, gewiss wie ich selbst!’ zingt Siegfried en ik vertelde dat Siegfried in het bos zit te mijmeren over wie hij is en wat hij wil worden en dat Mime hem in het bos gebracht heeft om de draak te verslaan.

Als Fafners diepe bas klonk: ‘Trinken wollt’ ich: nun treff’ ich auch Frass!’ dan hoefde ik weinig meer uit te leggen. Van top tot teen gelukzalig stroomde het epische gevecht tussen held en draak door zijn tienjarige oortjes naar zijn brein. Hij voelde en zag de held in zichzelf die streed voor de goede zaak. Als het in die dagen had gekund dan had hij de gevechtsscene op eindeloos herhalen gezet….zo fantastisch vond hij dat. Ik ook, trouwens. Maar ik kon ook verschrikkelijk genieten van de liefdesduetten in de laatste akte. Dat hoefde van hem niet zo; gaf hem maar het gevecht met de draak.

En toen dachten Pierre Audi en de Nederlandse opera: Wat zullen we eens gaan spelen. En het werd de Ring des Nibelungen. Met natuurlijk Siegfried als derde opera in de reeks. Alleen al het idee dat we daar naartoe konden, maakten Sandor en mij al blij. Het was toen nog een rib uit mijn lijf, maar ik kocht twee kaartjes voor de zondagmatinee. Ik zie Sandor en mij nog staan in de foyer met onze meegenomen pakjes brood in een plastic tasje op die heerlijke zomerse dag. Sindsdien heb ik nauwelijks ooit meer zulke mooie plaatsen in de Stopera gehad. Op rij één op het eerste balkon een beetje aan de zijkant. Dertienjarige Sandor en ik konden alles zien. Vlakbij het bed waarop Mime ligt op het moment dat de opera begint. Vlak boven het aambeeld waarop Siegfried anderhalf uur later onder jubelend gezang zijn eigen zwaard smeedt. Daar dus!

En toen begon de opera. Het magische spel met de fantastische muziek. Ademloos genot. Zo verschrikkelijk mooi! Na vijf uur kwamen vader en zoon gelouterd uit de Stopera. Sandor hield het bij één Wagneropera; Siegfried. Bij hem moest er veel House, Acid en Rock naast. Bij mij paste er nog heel veel Wagner bij. Maar Siegfried zijn we beiden trouw gebleven. We zijn samen naar diverse uitvoeringen geweest in binnen- en buitenland. Maar de eerste uitvoering blijft toch de mooiste.

Bij nader inzien hebben Sandor en ik wel wat van mijn vader gekregen; Liefde voor Siegfried! Bedankt, pa!

Richard Wagner-fan

Ik kan precies aangeven vanaf welk moment ik een fan ben geworden van de muziek van Richard Wagner. Dat was vlak na het overlijden van mijn vader. Aanstaande juni ben ik tweeëntwintig jaar Wagner-fan! Sindsdien heb ik al zijn opera’s leren kennen op één na. Eigenlijk op drie na, want zijn twee jeugdopera’s ken ik ook niet. Der Meistersinger heb ik wel gehoord, maar die is nooit goed tot me doorgedrongen. De anderen ken ik goed of heel erg goed.

Toen mijn vader in 1994 overleed liet hij een enorme puinhoop achter. We wisten, qua erfenis, echt niet wat ons te wachten stond. Schulden maakte hij even makkelijk als kinderen. Hij beschouwde kinderen ook op dezelfde manier als schulden; je maakt ze en je kijkt er nooit meer naar om. Dat was mijn vader. (Dan te bedenken dat ik geeneens boos op hem ben.) Broers, zus en ik waren na zijn overlijden naar de notaris gestapt en lieten een akte opstellen waarin we verklaarden van de erfenis af te zien. Veel hadden we al van hem geërfd; daar hoefden zijn schulden niet bij. De notaris bezwoer ons dat we niets uit zijn huis mochten halen.

Aan die regel hadden we ons meteen al niet gehouden want in zijn huis leefde nog poes Maria Magdalena. Veertien dagen voor mijn vaders dood waren we opgetrommeld. Mijn vaders familie hoopte dat wij, als kinderen, zijn glijpartij richting de dood konden keren. Nee, dus. We maakten wel kennis met zijn kat. Volgens mijn vader een allemanshoer. Maria Magdalene kwam bij ons en voor de zekerheid hernoemde Josien haar naar Emmeke; dat had Marieken van Nimweghen tenslotte ook gered.

Maar we lapten de notaris nog verder aan onze laars. Muziek vormde het lichtpuntje in mijn relatie met mijn vader en dat lichtpuntje liet ik mij niet afnemen. Zijn platen en zijn cd verzameling heb ik meegenomen. Ook zijn muziekinstallatie. Die ging naar mijn broer. Mijn zus wat schilderijen van zijn hand en verder niets. Het was een bijzonder goor karweitje om die spullen uit dat huis te halen. Huizen zoals het huis van mijn vader zie je vooral in freak-shows. Je kan je niet voorstellen hoe vies. Maar zijn muziek namen we dus mee.

Thuis bij mijn moeder werd Richard Wagner geassocieerd met Duitse Hoempapa muziek en antisemitisme. Geassocieerd met de foutste kant van de tweede wereldoorlog. Wagner was gewoon fout. Niet naar luisteren dus. Dat had ik meegekregen. Maar Wagner was wel aanwezig in mijn vaders verzameling. In onbeschadigde cassettes vond ik Lohengrin en Siegfried. De naald had het vinyl amper geraakt… De eerst tonen van Siegfried klonken… Ik was volkomen verkocht. Wat een muziek!

Ik heb nog vaak proberen te horen waarom deze muziek zo ‘typisch Duits’ gevonden werd terwijl Beethoven, toch ook een volbloed Duitser, dat etiket niet kreeg. Zijn muziek is zo heftig en subtiel tegelijk. En zo vernieuwend in zijn tijd. Ik weet niet wat ‘typisch Duitse’ muziek is. Als Wagner dat is, dan moet het een compliment zijn. Voor mij zit Wagner op een gelijk niveau met Beethoven en Mozart. Dat vond hij zelf trouwens ook. Wagner had geen last van bescheidenheid.

Foto

Centraal op de foto, mijn pa. Hij schept eten op het bord van mijn kleine zusje. Ze heeft een blauwe strik in d’r haar en heeft erg veel plezier. Net als mijn broertje; hij trekt een gekke bek. Gekke bekken trekken hoorde bij mijn broertje. Ik sta ook op de foto. Nog net. Met maar een half gezicht. Ik heb ook plezier. Mijn nieuwe bril op mijn neus. Die had ik nog maar net. Ik was de hemel te rijk met mijn nieuwe bril. Een wereld vol details was zomaar voor mij opengegaan! De enige die serieus kijkt is mijn pa. Ik schat hem zo’n achtentwintig jaar. Hij was jong vader geworden, die pa van mij. Wat ging er toen in zijn hoofd om?

In het huis van opa en oma pasten niet veel mensen. Een heel kleine etagewoning aan het Javaplein midden in de Indische buurt in Amsterdam-oost met uitzicht op het badhuis. De keuken was zo klein dat er geen twee mensen tegelijk in konden. Als oma het eten kookte, draaide ze tussen pollepels, kraan en fornuis; zonder een stap te verzetten kon ze overal bij. Over de salontafel in de huiskamer had oma een tafelkleed gelegd en daaraan aten we. Op het moment dat de foto genomen werd, waren we gelukkig; echt gelukkig. Het was wel vervelend dat mijn vader niet meer bij ons thuis woonde, maar dat leed leek geleden; we hadden er een iets leukere vader voor teruggekregen. Was het voordien nog zo, dat hij ook wel kwaad en sacherijnig was, dat was hij nu niet meer. Hij leek altijd blij als hij ons zag.

De foto is jaren weggeweest. Ik wist dat opa hem gemaakt had maar hoe ik ook zocht, hij was niet te vinden. Totdat enkele jaren geleden oma overleed. Mijn tante had bakken met dia’s gevonden in oma d’r huis en die had ze aan mijn broer gegeven. Toen kwam de foto dus tevoorschijn. Nu hangt hij boven mijn bureau.

Wat heb je toen gedacht, pa? Met wat voor ideeën in je hoofd heb je toen de aardappels op onze borden geschept?

In zijn gammele auto, die maar zelden vanzelf wilde starten, reden we naar huis. We waren uitgestapt en mijn vader belde aan. Met z’n drieën stonden we aan onze voordeur. Mijn moeder deed open en we riepen naar boven dat we nog even afscheid wilden nemen. Eén voor één drukte mijn vader ons aan zijn borst en gaf ons een kriebelige zoen. Was dat intenser en inniger dan anders? Ik weet het niet. Toen stapte hij in zijn lelijke eend en reed weg. Weg uit ons leven. Ik geloof niet dat hij nog omgekeken heeft.

Ik probeer het gezicht op de foto te lezen, maar het lukt me niet. Ondoorgrondelijk.

Ik heb jaren naar mijn pa gezocht en hem pas acht jaar later weer teruggevonden. Die foto deed er veel langer over om gevonden te worden.