Tagarchief: tweede wereldoorlog

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 5: De leider van de NVM

Als je dat verhaal wat ik aan het vertellen ben over mijn grootvader, probeert te volgen, dan moet je nu wel aardig wanhopig zijn. Op z’n minst moet je al je motivatie om verder te lezen wel verloren hebben. Een hele maand zit er tussen het vorige stukje over de verliefde Martha en wat ik hier en nu zit te schrijven. Dat is zo stroperig en zo langzaam… Ik wilde wel, maar het ging niet. Bij mij was de inspiratie om te schrijven helemaal weg. Laat ik proberen om de draad weer op te pakken. Laten we onze focus terugzetten op die tasjesdief die zich in oktober 1942 op het politiebureau zomaar door zijn hoofd schoot. Nou ja, ‘zo maar’… We gaan het zien.

Het is opmerkelijk als een arrestant  zich door het hoofd schiet. Het in bezit hebben van een pistool is al vreemd. En dan jezelf door het hoofdschieten. Om een luttel gestolen tasje. Daar moest meer aan de hand zijn, moeten de onverschrokken helden van de politie gedacht hebben. De dienders doorzochten alles wat de man bij zich had en vonden in één van zijn zakken een textielbon. Op die bon een naam: Dormits. Samuel Zacharias Dormits! Sally Dormits! En toen rinkelden alle nazistische-politie-alarmbellen, want die man werd gezocht! Na een brandstichting in een opslagplaats van de Wehrmacht in Den Haag waarbij de stro- en hooivoorraad volledig verloren was gegaan, had men via een in de haast achtergelaten fiets kunnen achterhalen dat Sally Dormits betrokken was bij de aanslag. En…de groep rond Dormits werd verdacht van diverse andere – in meer of mindere mate geslaagde – aanslagen. Geruchtmakend was de aanslag op een spoorbrug in Rotterdam. Het was dat hij mislukte, maar als de aanslag geslaagd was, dan waren er een hoop Duitse soldaten omgekomen. Het koste de rechercheurs niet veel moeite om aan het onderduikadres van Sally Dormits te vinden.

Dormits was een strijdbare communist die onder anderen had meegevochten in de Spaanse burgeroorlog. Terug in Nederland en geconfronteerd met de Duitse bezetting, was het wel duidelijk dat hij verzet zou plegen. Kennelijk wilde hij zich niet aansluiten bij de Communistische Partij Nederland, maar wilde hij een eigen groep. De CPN had vanaf het begin al meteen de hoogste veiligheidsmaatregelen genomen. Zo werden namen en adressen met de hoogst mogelijke voorzichtigheid bewaard. Dat vond Sally Dormits niet echt nodig. (Even tussen haakjes; zoek je echt een schuldige voor wat mijn grootvader uiteindelijk overkwam…de ijdelheid van een communistische splintergroep die zwaar amateuristisch te werk ging! Maar dat is ook weer niet eerlijk, want uiteindelijk waren het natuurlijk de nazi’s…). Toen het onderduikadres van Sally Dormits gevonden was vond men de ledenlijsten van de door hem geleidde Nederlandse Volksmilitie, de NVM. Die lijsten waren weliswaar gecodeerd, maar die codering hadden de jongens van de meteen opgeroepen Sicherheitsdienst in no-time gekraakt. En toen hadden de nazi’s een mooi en schoon lijstje voor huisbezoek en het duurde niet lang of de hele NVM, inclusief de adspirantleden, waren opgepakt, gemarteld en vermoord…meteen of op termijn. Nog voor het eind van oktober 1942.

Die gecodeerde ledenlijst was niet het enige op dat onderduikadres; men vond er ook een notitieboekje. In dat notitieboekje stond een naam die de politie naar een meisje in Amsterdam Noord leidde. Naar haar adres: Sperwerlaan 11…

Ze moet er toch van geweten hebben?

Wist ze het of…had ze het kunnen weten? Dat zijn vragen die ik mezelf stel als de NSB voorbijkomt. En als ze het geweten heeft, hoe reageerde ze daar dan op? Was zij in staat om afwijzend te reageren of liep ze dan gevaar? De afgelopen dagen kwam de NSB vaak voorbij. En dan ga ik piekeren: Hoe kan een zo geliefd, onafhankelijk denkend mens, lid zijn geweest van de NSB. Hoe kan dat. Ik kan er voor mezelf haast niet mee wegkomen dat ik het accepteer. Niet met mijn familiegeschiedenis. Niet helemaal mijn eigen geschiedenis misschien, maar toch komt het heel dichtbij.

Toen ik, vijftien jaar na de oorlog, geboren werd, was de oorlog nog een periode die bij iedereen vers in het geheugen zat. Hoewel de ketels van de gaarkeuken allang waren opgeruimd, knaagde het hongergevoel nog steeds. Bij mij op school was er een sterk bewustzijn over wat goed en wat fout was geweest in de oorlog. Wisten we dat iemand een nazaat was uit een fout gezin, dan waren we niet vergevingsgezind; terwijl er niets te vergeven viel. De afkomst straalde af op de persoon. Elke misstap of vermeende misstap van de persoon werd in verband gebracht met de familie waar hij uit voortkwam. De NSB was het kwaad. Duitsers waren schuldig. Daders. Zelfs toen ik de twintig al gepasseerd was had ik nog moeite met Duitsland. Met enorme tegenzin verbleef ik een paar dagen in Keulen omdat daar een fantastische kunstbeurs was. Wat had ik destijds graag gewild dat die beurs elders gehouden werd!

Maar dat verblijf in Keulen veranderde toch wel wat in me. Niet veel later keek ik in de ogen van mijn geliefde. Zij maakte de hele wereld milder. Ze sleep de scherpe kantjes van het bestaan. Bovendien leefden we toen in een tijd dat alles ‘moest kunnen’. En toen bekende mijn schoonmoeder dat ze uit een NSB-gezin kwam. Moest kunnen, dus, dacht en vond ik. Maar het voelde heel anders. Maar ik was ook erg nieuwsgierig. Ik wilde alles weten en hoorde haar helemaal uit. Ik kwam erachter dat bij hun thuis de NSB even gewoon en vanzelfsprekend was, als bij mijn moeder en oma het jodendom en het socialisme. Het was de realiteit van alledag en aan die realiteit van alledag viel weinig te veranderen. Er was geen keus; het was er gewoon. Anderen maakten een keus. Ze is nu een paar jaar geleden overleden, die schoonmoeder van me en ik merk dat ik haar enorm mis. Net als de rest van de familie. Een zeer geliefd en eigenzinnig persoon; we hielden van d’r.

Maar dat neemt niet weg dat ik in deze periode van herdenkingen toch soms terugval in oude gewoontes. Op de televisie werd verteld over de invoering van de Jodenster zeventig jaar geleden. Nederlanders steunden de joodse bevolking met de Februaristaking en met het opzichtig groeten van joodse medeburgers en het negeren van NSB’ers. Het programma toonde een cartoon uit NSB-kringen waar de houding van verzet werd uitgelegd als dat Nederlanders kropen voor de gemene jood. En toen dacht ik: Ze moet er toch van geweten hebben? Ze moet toch gezien hebben hoe racistisch de NSB was? En dan kan ik er niet over uit dat een zo geliefd mens zo fout dacht!

Einde van Europa?

Soms besef ik me hoe kort na de oorlog ik geboren ben. Veertien en een half jaar. Dat lijkt lang, maar is verschrikkelijk kort. Het trauma van de oorlog zat er toen nog goed in. Alle volwassenen die op dat moment leefden, hadden de oorlog meegemaakt. De oorlog was nog steeds het gesprek van de dag. Of er werd schreeuwend over gezwegen. Op zondagochtend gingen wij vaak op bezoek bij opa en oma van mijn vaders kant. Het was daar knus en warm. Mijn zachte oma verwende mij met een glaasje kinderbier en een koek. Ik herinner me vooral winterse zondagen. Dan bewonderde ik een berg gloeiende kolen in de kachel. Het rood van de gloed golfde over de kolen heen. Ik hoorde de volwassenen praten. Mijn opa voerde altijd het hoogste woord. Verhalen vertelde hij die zich altijd ‘voor-de-oorlog’ of ‘in-de-oorlog’ afspeelde. Mijn oren waren gespitst want aan de sfeer proefde ik dat mijn opa een oorlogsheld was. Ik begreep weinig van de verhalen. Voor-de-oorlog en in-de-oorlog bleven als zin in mijn hoofd hangen.

Ook op school werd er veel over de oorlog gesproken. Vooral over hoe we zo’n oorlog in de toekomst zouden kunnen voorkomen. Samenwerken en gezamenlijke belangen was toen het antwoord. Daarom, zo werd ons geleerd, richtte verschillende landen allerhande samenwerkingsverbanden op. Eén van die samenwerkingsverbanden groeide uit tot het Europa van nu. Een duurzaam samenwerkingsverband dat een einde moest maken aan rampzalige oorlogen die de eerste helft van de twintigste eeuw teisterden. Succesvol, want oorlogen binnen dat verenigde Europa hielden op. Bovendien legde Europa ons geen windeieren. Het bleek zeer lucratief om samen te werken. Europa werd schatrijk.

Maar de oorlog werd langzamerhand geschiedenis. Op dit moment is er nauwelijks nog iemand in leven die echt de oorlog heeft meegemaakt. De laatste oorlogshelden zijn dood of stervende. Het is niet anders. Daarmee verdwijnt ook de idealistische kant van een samenwerkend Europa. Het gevolg is dat alleen de economische argumenten overblijven. Dat is te weinig naar nu blijkt. Als er geen goede idealistische redenen zijn om bij elkaar te blijven, waarom zou je dan niet weer apart gaan? Het sentiment voedt nu vooral het idee dat we weer ‘zeggenschap over onszelf’ willen hebben. Daartegen kunnen de voorstanders van een verenigd Europa alleen maar economische voordelen inbrengen. Maar die argumenten maken niemand warm. Dat soort argumenten zijn ingewikkeld en ondoorzichtig en schijn bedriegt. Brengen we bijvoorbeeld bergen geld naar de Grieken? Of brengen we bergen geld naar de Grieken zodat de Grieken onze banken kunnen betalen. De banken weer rijk worden en ons werk geven waardoor we met zijn allen rijk worden? Complex, allemaal.

De tegenstanders van Europa hebben inmiddels ontdekt dat het vrij gemakkelijk is om Europese verdragen te dwarsbomen. Zelfs als (bijna) alle regeringen het eens zijn over een verdrag, lukt het niet om verdragen te sluiten. Het Oekraïne verdrag bijvoorbeeld. Dat zal niet doorgaan. Het CETA verdrag ook niet. Zelfs als de Waalse regering het goedkeurt, dan zal het toch niet lukken om het ingevoerd te krijgen. Via referenda zal het worden afgewezen. Europa zal nooit meer in staat zijn om een gezamenlijk verdrag af te sluiten. Dat betekent dat Europa langzamerhand aan het afsterven is. Europa gaat dood net als de mensen die de oorlog nog hebben meegemaakt.

De vredelievende twintigste eeuw

Wellicht ga ik het laatste nummer van Nature kopen. Er staat een verslag in over een zeer belangwekkend onderzoek. Onverwachte resultaten ook. Het gaat over de mate van moordzuchtigheid van de mens in vergelijking tot andere dieren en wat de meest moorddadige periode in de menselijke geschiedenis is geweest. Vandaag doet Cor Speksnijder in de Volkskrant verslag van dat onderzoek. Bij dat verslag een intrigerend lijstje. In welke periode in de geschiedenis zijn de meeste mensen door menselijk geweld overleden?

Ik dacht altijd dat de afgelopen eeuw de meest gewelddadige eeuw was die er ooit geweest is.  De twintigste eeuw met twee wereldoorlogen, tal van bloedige bevrijdingsoorlogen en enkele wrede revolutionaire oorlogen. Miljoenen doden. Een eeuw waarin mensen fabrieksmatig werden vermoord. Hoe kan die eeuw met betrekking tot intermenselijk geweld overtroffen worden door andere perioden in de geschiedenis? Voor de zekerheid er ook nog een lijstje bijgehaald. Over de doden die in de tweede wereldoorlog gevallen zijn. Dat slaat de schrik je om het hart. Procentueel heeft Polen het meeste doden te betreuren: Een slordige twintig procent van de Polen heeft de oorlog niet overleefd; één op de vijf. Haast niet voor te stellen. Hele gebieden moeten ontvolkt zijn geraakt. Maar dat zegt nog niets over absolute aantallen mensen. Dan is de voormalige Sovjet-Unie de kampioen: Een kleine vierentwintig miljoen mensen lieten daar het leven. Zo’n vijftien procent van de bevolking. Wat een boel mensen. De Benelux zou volledig ontvolkt zijn als die doden hier gevallen waren.

Terug naar het lijstje in de Volkskrant. Is mijn aanname juist dat in de laatste eeuw de meeste mensen door menselijk geweld zijn omgekomen of niet. Mijn aanname lijkt onjuist. In de twintigste eeuw kwam slechts anderhalf procent van de wereldbevolking door geweld om het leven. Daarmee is dat het laagste percentage in het lijstje. In de moderne tijd werd maar liefst tweeëneenhalf procent van de mensen door mensen van het leven beroofd. Maar daar gaat het wel weer om een periode die vier keer zo lang is: Van 1500 tot 1900. De middeleeuwen lijken in het lijstje het aller gewelddadigst. Twaalf procent van de mensen vond een onnatuurlijk einde. Een periode van duizend jaar. Maar ook tijdens de 800 jaar van de IJzertijd was niet mis: Zes procent van de mensen kwam om door mensenhanden.

De eeuw waarin ik geboren ben is een periode in de geschiedenis van pais en vree als je het vergelijkt met andere perioden.  Ik kijk ervan op, maar kan er niet onderuit. Ik ga ervan uit dat het een degelijk onderzoek is geweest. Dat de Middeleeuwen een gewelddadige periode is geweest waarin het mensenleven niet erg telde, dat wist ik. Maar ik had altijd aangenomen dat dit geweld op kleine schaal was. Iemand onthoofden of ophangen of een oorlog uitvechten met knots en bijl leek mij niet zoveel zoden aan de dijk te zetten. In ieder geval niet vergelijkbaar bij de lijken-productie in de verschillende vernietigingskampen in de tweede wereldoorlog. Toen werden er echt meters gemaakt op de geweldsindex, zou je zeggen. Maar nee dus: De twintig miljoen Chinezen en de vijfentwintig miljoen Sovjets, Zeven miljoen Duitsers die omkwamen…(om maar eens de kampioenen te noemen), het maakt de twintigste eeuw tot een eeuw die gekenmerkt werd door vredelievendheid en zachtmoedigheid…volgens de statistieken.

Een gevaarlijk teken aan de wand.

Ik ben ‘De Welwillenden’ van Jonathan Littell aan het lezen. Dat zijn erg veel bladzijden. Je mag gerust zeggen…heel erg veel bladzijden. Het gaat over de tweede wereldoorlog vanuit het perspectief van Maximiliaan Aue. Een SS’er die achter de frontlinies opereert om mogelijke aanvallen in de rug te voorkomen. Daarvoor is hij (in het deel dat ik nu lees) in Oekraïne. Mensen die de Wehrmacht in de rug zouden kunnen aanvallen zijn communisten, maar vooral joden. Daarom heeft hij als doel om de veroverde dorpjes jodenvrij te maken. Vanuit zijn perspectief een zware klus. Het moet gebeuren en iemand moet het doen.

Ik zie de wereld van de tweede wereldoorlog nu inmiddels enkele honderden bladzijden door de ogen van Aue en ik begin er genoeg van te krijgen. Gek genoeg kwam dat vrij snel nadat ik las dat de schrijver een Amerikaan was van joodse afkomst. Op de één of andere manier doorbrak dat voor mij de authenticiteit en daarmee de lust om het boek te lezen. De jodenvervolging is iets dat nooit in Amerika heeft gespeeld. Van de ene op de andere dag was het ‘plezier’ in het lezen over. En dan worden de slordige duizend pagina’s een hele berg. Voor mij kreeg het boek de lading van propaganda.

Als iemand het gevoel geeft zich uit eigenbelang zieliger voor te doen dat hij in werkelijkheid is, dan stuit mij dat enorm tegen de borst. Als een jonge Duitse auteur het boek geschreven had, had ik er wellicht anders tegenaan gekeken.

Datzelfde gevoel van niet-authentiek gedrag overviel me na de staatsgreep tegen Erdogan. De stunteligste staatsgreep ooit. (Nou ja, op die van Antonio Tejero in Spanje 1981 na, dan). Het leek er haast op dat de staatsgreep werd gepleegd om te mislukken. Een mislukte staatsgreep is een fantastische zet in de rug van de partij tegen wie de staatsgreep werd gepleegd. In dit geval Erdogan. Het geeft Erdogan de mogelijkheid om al zijn politieke tegenstanders uit te schakelen. Dat gebeurt nu dus ook op grote schaal. Kennelijk lagen de plannen al klaar want enkele uren na het mislukken van de staatsgreep werden er duizenden mensen opgepakt. Dat is een operatie van heb-ik-jou-daar. Dat kan niet zonder voorbereiding. Daarom is het voor mij duidelijk; Erdogan heeft zijn eigen staatsgreep geregisseerd. Daarbij heeft hij handig gebruik gemaakt van de domheid en het ontbreken van politieke antennes bij sommige militairen. Net als bij Littell is Erdogans authenticiteit ter discussie komen te staan.

Ik had voor een lange tijd het gevoel dat alleenheersers en machtswellustigen vooral leefden in Zuid-Amerika en Afrika en een enkeling in Azie. Maar nu zie ik dergelijke figuren hard hollend naar Europa komen. Turkije heeft weliswaar maar een klein stukje Europa, maar toch… Ook Poetin gaat door roeien en ruiten om de alleenheerschappij te krijgen. Beide dictators doen dit via de democratie en vooral…via het volk. Een gevaarlijk teken aan de wand.

Allemaal dood

Ik heb er moeite mee dat de tweede wereldoorlog en de Jodenvervolging voor mijn zonen heel gewone geschiedenis is. Dat ze niet voelen dat de geschiedenis van de Jodenvervolging iets meer met hun te maken heeft. Omdat ik een joodse moeder heb. En een joodse oma had die wonder boven wonder is teruggekeerd uit Auschwitz. Dat ik een biologisch opa had die vermoord is, en een ‘echte’ opa had die als Amsterdammer rap Fries sprak omdat hij in Friesland ondergedoken heeft gezeten. Dat telt voor mijn zonen nauwelijks. Het is het verleden; het verre verleden. De hertog van Alva, Johan Rudolph Thorbecke of Joop den Uyl betekenen voor hun net zoveel als de tweede wereldoorlog met de moord op een groot deel van hun voorouders. Daarbij komt dat mijn bèta-mannen geschiedenis zo’n beetje het saaiste vak vinden wat er op de middelbare school gegeven werd; geef hun maar sommen; zelfs sommen die een normaal mens niet kan oplossen, vinden zij leuker dan geschiedenis. Het doet mij pijn, merk ik, meer dan ik wil.

Ik vraag me af of ik het allemaal te veel push. Misschien ben ik te opdringerig en zetten ze hun hakken in het zand. Op school werd bij mijn zonen het Dagboek van Anne Frank behandeld. Daar raakte ik destijds enthousiast over. Ik wilde mijn mannen van alles vertellen. Als opdracht van school moesten ze het dagboek lezen. Dat dagboek waarvan iedereen zegt dat het door een geniaal meisje geschreven is. Het dagboek dat in zo’n beetje alle talen vertaald is. Kortom, de wereld houdt van het Dagboek van Anne Frank. Maar mijn zonen lazen ‘Lieve Kitty’ en dat waren meteen de laatste woorden die ze lazen. Een meidenboek. Had dus niets met hun belevingswereld te maken. Klaar uit. Voor dat meidengezever hadden ze geen geduld. Ze sloegen het dagboek dicht en hebben het alleen beroepshalve (ze waren scholier) weer geopend. Met tegenzin. Dat het op school verplichte kost was, oké, maar dan wilden ze er ook niet nog eens thuis mee lastig gevallen worden. Daar zat deze pappa met al zijn leuke verhalen.

Pasgeleden stuurde mijn moeder mij een link naar het pas opgerichte Joods Monument. Meteen zocht ik mijn biologische grootvader op. Zijn ‘grafsteen’ had mijn moeder al helemaal opgetuigd. Hoewel ze haar vader nooit gekend heeft, speelt hij een grote rol in haar leven. De link naar de grafsteen van mijn biologisch opa stuurde ik naar mijn zoons. Ik vroeg er gisteren naar. Ja, ze hadden mijn mailtje voorbij zien komen. Ze lachten meewarig; aan dat soort dingen gingen ze geen aandacht besteden… Een beetje triest word ik daarvan.

Oké, wat betreft de tweede wereldoorlog en de jodenvervolging zijn mijn volwassen zoontjes niet perfect. Voor de rest zijn ze mijn licht, mijn leven en mijn alles en zijn ze inmiddels verantwoordelijke wereldburgers geworden die het hunne willen bijdragen aan het heil van de mensheid. Omdat ik het Joods monument niet kwijt kan bij mijn zoons, dan maar op mijn blog. Wie weet kijken anderen ernaar!

Het Joods Monument

Mijn biologische opa

Allemaal dood. Maar mijn zoons leven…en hoe!

Köningsbergen in Ost-Preuβen

We kunnen de tweede wereldoorlog niet vergeten. Inmiddels is bijna iedereen overleden die deze oorlog bewust meegemaakt heeft. Maar dat lijkt maar ten dele uit te maken. Wellicht had Harry Mulisch gelijk toen hij schreef dat de tweede wereldoorlog pas vergeten wordt als de derde wereldoorlog woedt. Aan de andere kant, is het wel zo goed om de tweede wereldoorlog te vergeten? In die periode is zoveel gebeurd wat we niet willen. Nieuwe begrippen en woorden zijn ontstaan om de hel te benoemen. Neem het woord ‘genocide’. Heus, er was wel eens volkerenmoord geweest, maar het hoogtepunt qua volkerenmoord vond toch plaats tijdens de tweede wereldoorlog. Sindsdien wordt er door strijdende volkeren geregeld gevist om op hun situatie te kunnen spreken van genocide door de tegenpartij want dat plaatst de tegenpartij in een heel verschrikkelijk erg daglicht.

Aan de andere kant is het zo dat je soms in Nederland politieke situaties en opvattingen tegenkomt die echt wel aan de tweede wereldoorlog doen denken. Als verantwoordelijke burger zou ik graag de mensen willen wijzen op die gelijkenis. Ik heb dan het doel om met z’n allen een les te leren uit de geschiedenis. Dit wordt door de bekritiseerde partij al snel opgevat als een poging om hen monddood te maken. Mijn wijze les werkt dan tegengesteld. Lessen leren uit de tweede wereldoorlog? Vergeet het maar!

Gisteren kwam de film ‘Son of Saul’ uit en deze werd uitgebreid besproken in de Volkskrant, vandaag een artikel over de Wolfskinderen. Dat gaat over slachtoffers aan de andere kant van het tweede wereldoorlogs-spectrum. Wolfskinderen, op drift geraakte wezen uit Köningsbergen in Ost-Preuβen. Aan het eind van de oorlog werd Ost-Preuβen grotendeels Pools. Een klein deel daarvan, Köningsbergen, werd het Russische Kalinagrad. Toen Rusland de oorlog aan het winnen was, en Duitsland binnentrok, was inmiddels alles onmenselijk verhard. Duitse mannen waren er in die contreien niet meer; die waren dood of gevangen en anders hadden ze geen kans en geen keus; dood of vechten. De Russen vonden bejaarden en vrouwen en jonge kinderen op hun pad. Wie kan het ze kwalijk nemen, die Russische mannen, dat ze verhaal haalden op deze weerloze groepen?. Alle ellende die ze doorgemaakt hadden en al het menselijk verlies dat ze geleden hadden! Ze moordden en verkrachtten naar lieve lust en dronken zich daarbij een stuk in hun kraag. Ik wil het ze wel kwalijk nemen, die Russen, maar ik kan het niet; ze hebben beesten van ze gemaakt, ze werden als beest behandeld en dientengevolge gedroegen ze zich ook als beest. Als daarvan iets de schuld is, dan is dat de oorlog.

Mannen weg of dood; vrouwen verkracht en vermoord; hun kinderen hoorde het gebeuren vanuit de plek waar ze verstopt zaten, zo stel ik het me voor. Op het moment dat de horde verder trekt (naar nog levende vrouwen?) komen de kinderen tevoorschijn uit de kruipruimte of het gootsteenkastje. Vluchten. Vluchten naar een gebied dat wellicht ietsje veiliger is. Ze steken het riviertje de Memel over en komen terecht in Litouwen. Dan op zoek naar eten en onderdak. Velen lukt dat niet. Die gaan dood van de ontberingen Anderen lukt het wel. Die overleven.

Claudia Heinermann is deze overlevende kinderen van toen gaan zoeken en heeft ze gefotografeerd en hun verhaal gedocumenteerd. In het Nutshuis in Den Haag worden haar foto’s tentoongesteld. Ik ga er heen!