Tagarchief: Santiago de Compostella

De pest

Kerken zijn fascinerende gebouwen voor mij. Wellicht doordat Marx had bedacht dat godsdienst opium voor het volk was en ik daar best een beetje tegen wilde rebelleren in ons socialistische gezin, sloeg ik geen kerk over. In het begin geen enkele, later wist ik de mooie te vinden. De serene atmosfeer en de enorme ruimte sloegen me op mijn keel en gaven een thrill waar ik iedere keer weer van geniet. Ik ben er gek op het gestolde verleden in de kerk te ervaren. Mijn liefde voor kerken is één van de terreinen waarin ik in Josien mijn evenbeeld vond. Het is dan ook niet verwonderlijk dat we onze eerste vakanties samen, toen de kinderen huns weegs gingen, besteedde aan ware kerktochten. Onze eerste vakantie waren we te vinden in Reims en Chartres. Twee geweldige kathedralen. Ik denk dat het jaar daarop al in het teken stond van onze fietstocht naar Santiago. Zonder dat we daar echt bewust voor kozen, werd de tocht vanzelf spiritueel. Zodra we opgestapt waren, kwam er een soort van heilig doel. Het is moeilijk te omschrijven waarom precies heilig omdat ik dat los zie van geloven in een hogere macht. Dat speelde geen rol voor mij; ik was niet religieus en ben het ook niet geworden. Wel spiritueel. De figuur Jacobus de Meerdere speelt bij dat gevoel een rol. In elke kerk die we binnenstapten zochten we naar Sint Jacob en stonden we stil bij het beeld. Makkelijk herkenbaar aan de grote hoed met de Sint-Jacobsschelp en de staf met het waterkruikje. Op de één of andere manier speelde hij een rol zonder dat hij een rol speelde. Klinkt ingewikkeld, maar het is waar.

Sint Jacob
Sint Rochus in Mechelen

Op onze eerste deel van de tocht bleken we ons ook te hebben vergist. We hadden een beeld van Sint Jacob gefotografeerd, maar het bleek Sint Jacob niet te zijn. Een heilige die als pelgrim wordt weergegeven zagen wij aan voor Sint Jacob. In dit geval Sint Rochus. Sint Rochus ziet er in grote lijnen hetzelfde uit als Sint Jacob, maar hij heeft bijna altijd een hondje bij zich met een brood in zijn bek. Bovendien ontbloot de heilige vaak zijn been en wijst hij naar een dikke puist op zijn dij. De pestheilige. In veel oude kerken aanwezig. De heilige werd om hulp gevraagd bij het overwinnen van de pest. De heilige krijgt de pest en geneest ervan. Hij leeft een leven in vroomheid en onderneemt een pelgrimage naar Rome. Overal waar hij komt houdt hij zich bezig met liefdadigheid en het verzorgen van de zieken. Als hij een pestbuil op zijn been ontdekt, trekt hij zich terug in het bos. Daar zorgt God dat een hondje hem dagelijks van brood voorziet. Zijn genezing gaf destijds hoop aan de gemeenschap die aan de pestepidemie ten onder ging.

Er zijn verschillende epidemieën geweest. Die uit de Middeleeuwen spreekt het meest tot de verbeelding. De zwarte dood, leerden wij op de lagere school en we huiverden…alleen al bij de naam. De laatste pestepidemie in Amsterdam sloeg in onze gouden eeuw om zich heen. Het gezin Rembrandt leed daar nogal onder. Naar verluidt is Hendrickje eraan overleden maar ook Titus. Raar dat die epidemie zo weinig bekend is en dat we vooral alle rijkdom zien die toen vergaard werd.

Op Madagaskar is een pestepidemie uitgebroken. Er vallen daar wel degelijk slachtoffers. Niet veel, maar wel wat. Ik las dat de moderne vorm van de geest van Sint Rochus onderweg is om het leed te helpen stelpen en de epidemie te keren; de medische wetenschap. En doodgewone antibiotica.

Het schijnt dat de pest nog steeds verspreid wordt door vlooien op zwarte ratten…

Zwaar tegen de wind in trappen

De afgelopen weekenden hebben we gebruikt om de tuin om te spitten. Spitten in een tijd van onzekerheid en reorganisatie is best lekker. Niet dat het spitten daar minder zwaar van wordt, maar het voelt wel lekkerder. Fysieke arbeid verzet je gedachten. Je houdt je bezig met details die er in het gewone leven helemaal niets toe doen. Is de kluit niet te groot of te klein? Loopt mijn spitvore schuin? Is hij te breed? Moet ik alweer compost in de vore strooien? Dat zijn de dingen waar je mee bezig bent. Niet: Heb ik over een maandje nog een baan? Kunnen we ons onbezorgde leventje voortzetten of wordt het eindeloos solliciteren? Vind ik überhaupt nog wel een baan? De gedachten tijdens het spitten zijn op zich boeiender bij wat je aan het doen bent dan die gedachten over je baan. De gedachten over baan en toekomst zijn volkomen vruchteloos omdat het niets verandert. Toch heb je het gevoel dat die simpele gedachten tijdens het spitten je minder vooruithelpen.

De reorganisatie die ik nu meemaak is niet de eerste. Mijn God, nee. Afentoe heb ik het gevoel dat vooral bedrijven met mij in zee willen die aan de verliezende hand zijn. Ik maak de laatste bloei mee en vanaf dat moment gaat het bergafwaarts. Ik werd bij het trotse Iosys binnengehaald. De marktleider met hun software. Alle scholen gebruikten hun product. Wat kleine concurrentjes in de marge. Nog even een geheel vernieuwde versie van de software aanbieden en iedereen had het nakijken. Dat hebben we dus geweten. Nog nooit zo’n glijbaan richting ondergang meegemaakt. Zoveel sussende woorden. Vruchteloos sussende woorden want het faillissement met eventuele doorstart was al van verre in zicht.

Juist tegen de grote vakantie ging Iosys failliet. Ik zat bij de mensen van de doorstart. Ik mocht blijven. Maar Jaap niet. Jaap die zo’n beetje de uitvinder van het softwarepakket was dat we maakten. Dat raakte mij diep. Ook omdat hij niet huilend maar met een strak gezicht uit het kamertje kwam waar de ongelukkigen een voor een naar binnen werden geroepen. Anderen kwamen snikkend naar buiten, maar Jaap niet. Jaap was geen makkelijke man, maar ik mocht hem erg graag. Ik gunde Jaap dit lot niet. Dat gonsde door mijn hoofd. Tot diep in de nacht zag ik snikkende collega’s en Jaap-met-het-strakke-gezicht. Maar we hadden onze vakantie al geboekt en dus vertrokken we. De hele reis tot aan Saint Jean Pied de Port in Zuid-Frankrijk zag ik die ongelukkige gezichten voor me. Maar toen begonnen we aan de klim over de Pyreneeën. Op de fiets met volle bepakking. Vragen die er in het gewone leven niet toe deden werden belangrijk. Waar slapen we vanavond? Komen we op tijd een plek tegen waar we vers water kunnen tappen? Zitten we al in Spanje? Houdt Josien het vol? En ik? Hoe laat ik Josien weten dat ik moet rusten terwijl ze al zo ver vooruit is? Dat soort dingen. Ik voelde me ontspannen. Ik vergat Jaap. Ik vergat mijn snikkende collega’s.

Spitten duurt eigenlijk te kort. Ik ben wel even ontspannen, maar alles komt zo weer terug. De reorganisatie waarbij zovelen hun baan zullen verliezen. Ik verlang naar een lange vakantie met zwaar tegen de wind in trappen. Dat zal me ontspannen, hoop ik.

Mijn Australische zusje en de Pyreneeën.

We zijn weer terug in Santiago de Compostella! Na tien jaar. Gisteren waren we bij de mis in de kathedraal. Een hele lange mis in het Spaans maar speciaal voor de pelgrims. Ik voel me een halfbakken pelgrim. Niet zoals tien jaar geleden. Toen waren we vol. Bijna geïntimideerd door alles. We hadden een soort hersenvernauwing. Zo overweldigend was het allemaal. We voelden de tocht in onze benen. Nu niet. Nu zijn we toeristen. Met de auto gekomen. Ik kon het niet laten om tijdens de mis te kijken naar wie ‘echt’ was en wie, net als ik, ‘toerist’. Maar toch voelde ik me nog behoorlijk verbonden. Ik moest aan mijn Australische zusje denken die ik helaas veel te slecht ken. Ik moest aan haar worsteling denken met de Pyreneeën. Tegelijkertijd ook aan onze worsteling maar ook aan onze overwinning.

We waren klaar met ons geplande fietsprogramma voor dat jaar; Van Tours naar St. Jean Pied de Port. Als toegift besloten we in een dagtrip de klim naar de Roelandspas af te leggen. Zonder bagage. ’s Middags zouden we ons dan lekker weer naar beneden laten roetsjen. Zo weer de berg af. En met dat idee begonnen we aan onze klim.

Een lekker koel windje in de rug en een vrolijk zonnetje aan de hemel hielpen ons de eerste kilometers doorkomen. Omdat we eindelijk zonder onze zware bepakking reden, leek het haast op een willekeurig dagje uit. Lekker fietsen. Met z’n tweeën. Net toen we begonnen te denken dat al die verhalen sterk overtrokken waren, begon het pas echt. De eerste haarspeldbochten zodra we de Spaanse grens gepasseerd waren. En we klommen en we klommen. En een grote wielerploeg plus volgauto passeerde ons. Ze gaven ons het gevoel dat we watjes waren. Ze gingen langs ons alsof we stil stonden. Maar dat stonden we niet. We klommen omhoog. Zes kilometer per uur, maar klimmen deden we. Terwijl we even stonden te rusten, zagen we dat de zon inmiddels verdwenen was. Het voelde best koud, als je zo stil stond. Dus gingen we weer verder. We klommen en we klommen. Zachtjes begon het te miezeren. Haarspeldbocht na haarspeldbocht. We passeerden een dikkige achterblijver van de wielerploeg. Amechtig hing hij over zijn stuur. En wij klommen verder. Daar was de volgauto. Een man met een snor stapte uit en zij in vlot Vlaams dat we er bijna waren. Hij wees naar een ontmoedigend punt ergens hoog boven en gaf ons ieder een energiereep. En we gingen verder. We klommen en het miezerde en toen wilde ik naar nog een lagere versnelling en toen brak mijn ketting. En daar zaten we. Op driekwart van de berg. Een eindje van de top op de Pyreneeën. Ik repareerde mijn ketting zo goed en zo kwaad als het ging. Ik had het helemaal gehad, maar Josien, inmiddels met paarse lippen van de kou, hield er de moed in. Ik nam het besluit; ik kap ermee. ‘Oké dan’, zei Josien met spijt. Daarna zoefden we weer naar beneden. Top niet bereikt.

Maar het jaar daarna lieten we onze tocht beginnen in St Jean Pied de Port. We moesten de Pyreneeën over. Geen gezeur en met volle bepakking. En we deden het. We kwamen boven en voelden de triomf schreeuwen door ons lichaam. Terwijl we op een muurtje bovenop de berg wat zaten te eten en te drinken, zagen we een dame op naaldhakjes staan poseren voor onze fietsen!

Gisteren in de kathedraal moest ik erg aan mijn Australische zusje denken en de Pyreneeën. Wat had ik het haar graag gegund! De eindoverwinning. Het immense wierookvat, zwaaiend door de kathedraal, boven je hoofd. Speciaal voor de pelgrims. Een kathedraal helemaal afgeladen. Maar toch speciaal voor jou. Voor haar.

Het museum van de Kathedraal in Leon

Eergisteren zijn we aangekomen in Leon. Leon is een plaatsje dat voor ons een grote rol speelde op onze tocht naar Santiago. Toen we verkeerd waren gereden op zoek naar de camping, herkenden we van alles. Alsof we thuiskwamen. We herinnerden ons toen ook dat er in Leon zelf helemaal geen camping was en dat we daar in een klein hotelletje hadden overnacht. Dat we een dag in Leon waren gebleven om de kapel van Isodoro te bekijken. Dat werd ons in het boek als een van de hoogtepunten aangeprezen. Dat was trouwens ook zo. Toen we door de stad liepen stuitte we op een toen gesloten kathedraal. Gisteren was de kathedraal open en zijn we hem gaan bezichtigen. Maar hoe we het ook willen, de gemoedstoestand van Leon van zoveel jaar geleden, komt niet terug. Ik voel me toerist op zoek naar mooie dingen in plaats van een pelgrim in staat van verlichting. Zelfs deze ongelovige verkeerde in een aparte gemoedstoestand toen hij naar Santiago fietste.

We hadden ons gisteren in het Spaanse tempo vergist. Om een uur sloot alles, ook de kathedraal en ook het museum van de kathedraal. We hadden een audiotour door de kathedraal gehad en de laatste woorden van die tour werden besteed aan reclame voor het museum. Maar dat was dus gesloten. Net als alles. Behalve de horeca. Josien en ik besloten de siësta te overbruggen in de horeca en op zoek te gaan naar herinneringen. Herinneringen waren niet zo moeilijk naar boven te halen. Helemaal toen er een eenzame fietser verdwaasd op het plein voor de kathedraal stond. Volgepakt. Met een sint-jakobsschelp bungelend aan de fietstassen. Ik moest erg de neiging onderdrukken om naar haar toe te gaan. Josien ook. En toen ik besloot om het wel te doen was ze weg.

We gingen naar het museum. Twee norse dames keken alsof we de kaartjes die we kochten maar nauwelijks waard waren. We dachten dat we, met de verworven kaartjes, konden gaan en staan waar we wilden. Maar dat was niet zo. Een van de vrouwen ging ons voor. We liepen over de kloosteromgang achter de kathedraal achter haar aan. Ze opende met een sleutel een grote deur. Daarachter lag het museum nog te slapen. De vrouw liep naar binnen en stak het licht aan. Wij liepen de hal in vonden ons omringd met prachtige kerkelijke kunst uit een heel erg diep verleden. Ondertussen was de vrouw de trap opgeklommen om het licht in de rest van het museum aan te doen. Josien en ik liepen de eerste zaal binnen. We hoorden de vrouw weer naar beneden komen, de deur uit lopen…en toen draaide ze de deur achter zich op slot. Daar zaten we. Opgesloten in een museum in het klooster achter de Kathedraal. Moederziel alleen. Tussen heiligen die op alle mogelijke manieren werden gemarteld of vermoord…Of beide. ‘Is hij echt op slot?’ Vroeg ik Josien die wat dichter bij de deur stond. ‘Ja’, zei ze: ‘Echt op slot’. Onze stemmen klonken hol in het museum. Door God verlaten. We besloten alarm te slaan als we het museum hadden gezien.

Een museum met een fantastische collectie. Van de diepe middeleeuwen tot aan de zeventiende eeuw. Kunstenaars hebben in het verleden het mooiste dat ze konden maken, geschonken aan de kerk. Echt een fraai museum en de aansporing aan het eind van de audiotour van de kathedraal zou je eigenlijk moeten opvolgen.

Toen we het museum uit hadden en we stonden voor de deur, werd meteen het slot opengedraaid. Heus…ze waren zo kwaad nog niet!

Culinaire hoogstandjes van de Spaanse keuken

Met een vegetariër op vakantie. Dat doen vast niet veel mensen. Zeker geen mensen die net zulke carnivoren zijn als ik. Maar ik doe het al jaren. Met heel veel plezier. Een vakantie zonder mijn vegetariër kan ik me niet voorstellen. Ze is mijn liefde en mijn licht en om haar zet schrijver dezes graag dagelijks zijn koksmuts op om een behoorlijke maaltijd voor ons beiden te bereiden. Ook op vakantie.

Thuis in Nederland is het al best ingewikkeld om een mooie vegetarische maaltijd te eten in een restaurant. In het buitenland is dat vaak nog veel moeilijker. In Frankrijk bijvoorbeeld, toch een land met een geroemde keuken, ontmoette we het culinaire dieptepunt. Achteloos hadden ze een gebakken eitje op een berg sla gemikt en dat zonder blikken of blozen mijn Josien voorgezet. De serveerster bekeek mijn geliefde ook nog eens zwaar minachtend. Nog wel op onze fietstocht naar Santiago. Hoewel we tijdens die reis ook een culinair vegetarisch hoogtepunt beleefden. Dat was vlak na de beklimming van de berg met het ijzeren kruis in Spanje. Mijn God wat was die berg hoog. We beklommen hem met zware slagregen tegen. Drijfnat passeerden we de top en bibberend legden we een steen bij het kruis. We fietsten door en zagen dat er een herberg was. Josien wilde er wel heen; ik niet. Dat kwam omdat ik niet in een stapelbed de nacht wilde doorbrengen met een snurkende onderbuurman. En toen kregen mijn geliefde en ik ruzie. Hele erge ruzie. We wisten beiden van geen wijken. Maar gelukkig begon het weer te regenen en moest ik me gewonnen geven. Dan maar een stapelbed. Zo kwamen we in de herberg met de lekkerste linzensoep van de wereld terecht.

De herbergier zag ons aankomen en wist dat er wat aan ons te verdienen was. In plaats van zeven euro vijftig per bed, bood hij ons een tweepersoonskamer aan voor dertig euro. Een heerlijke kamer. We klaarden compleet op en op onze kamer zoenden we onze ruzie weg. Wat een opluchting allemaal. Doorgaans hebben herbergen alleen maar stapelbedden!

We keerden terug naar de gelagkamer. Zonder ook maar iets te vragen zette de herbergier een soepterrine voor ons neus met de lekkerste linzensoep ooit. Vegetarisch. Dik, maar geen pap. Heerlijk. Toen de hoofdmaaltijd. Geen idee meer wat het was, maar ook zo verschrikkelijk lekker en…met vlees noch vis. We mochten kiezen tussen bino of aqua. Ik geloof niet dat we samen ooit zo eendrachtig hebben zitten schransen als in die herberg.

Zo, jij wilt weten waar die herberg is? Dat ga ik je niet aan je neus hangen. Dan moet je Spanje maar samen met je vegetarische geliefde gaan doorkruisen op weg naar de laatste rustplaats van Sint Jacob. Je komt dan van alles tegen. Onverwacht. Die herberg is voor de vermoeide reiziger en alleen de vermoeide reiziger proeft hoezeer de linzensoep tot de culinaire hoogstandjes van de Spaanse keuken behoort.

Santiago de Compostella

Ik heb net een mailtje naar mijn werk gestuurd. Mijn eigen e-mail-werk-adres. Yes! Ik kreeg een mailtje terug. Dat ik helaas op vakantie ben en dat ik na de vakantie contact op zal nemen. Yes! Vakantie! Vandaag de eerste dag. Brexit interesseert me geen moer. Vakantie. We zijn nog niet weg. We moeten onze eerste bestemming nog bepalen. Ik geloof dat Josien en ik het er nu wel over eens zijn waar de reis naar toe gaat. Naar Spanje. Naar Joke en José. We willen ze zo graag nog een keer zien. Ze wonen in een uithoek van Spanje, ten westen van Santiago de Compostella.

121_2144

Ik heb een foto gemaakt van Josien die het plaatsnamenbordje van Santiago voorbijrijdt. We waren zo enorm gelukkig op weg gegaan die dag. We wisten ineens zeker dat er ‘iets’ was wat ons hielp. Dat zat namelijk zo: De vorige middag waren we aangekomen in Arzua. De Camino was inmiddels gaan lijken op de Kalverstraat. In ons boekje werd een ‘soort-van’ camping genoemd, maar die was niet te vinden. Hoe we ook zochten. We besloten een hotel te zoeken. Maar dat zou ons weldra wanhopig maken. Er was geen hotelkamer te vinden. Ook alle herbergen met stapelbedden waren vol. We hadden honger. We wilden een plekje! Aan eten kom je wel, maar een slaapplek, hoe vind je dat? Arzua, bekend van haar kaas in de vorm van een tietje, was gewoon vol. Helemaal vol. We besloten een stuk terug te fietsen en in het bos ons tentje op te zetten. Maar het geluk was ons ineens welgezind. De vrouw van de bakker, waar we naartoe gestuurd waren, had wat voor ons. Ze bracht ons naar een appartementje met uitzicht over Arzua. Vijfentwintig euro voor een nacht. Sindsdien ben ik soms, een heel klein beetje, gelovig (maar dat mag geen naam hebben).

arzua kaas

Vanuit dat appartementje hadden we Joke gebeld dat we de volgende dag zouden aankomen. Joke en José waren vrienden van Josien d’r grote zus. Zij wilden ons graag ontvangen in Santiago. We waren een beetje verlegen met dat aanbod, maar accepteerden het toch.

Na dat fantastische appartementje in Arzua reden we Santiago in. Wat een triomf! Ik voelde een boost. Geen idee van wat. Maar het stroomde door mijn aderen. Na het bordje Santiago zijn we een stil straatje ingereden en hebben we heerlijk staan zoenen, mijn geliefde en ik. We hadden iets volbracht. Een enorm project. We hadden duizend jaar cultuur opgezogen en we waren een heilige weg gegaan die miljoenen vervulde mensen voor ons ook waren gegaan. We waren echt aangekomen en elke centimeter van ons huis tot aan deze plaats in het uiterste westen van Spanje hadden we gefietst. We hadden geen centimeter overgeslagen.

We vervolgde onze weg. Dat kon maar één kant uit; naar de kathedraal. We kwamen op het plein voor de kathedraal en keken naar het bouwwerk dat we van de plaatjes zo goed kenden. That was it! ‘Jullie moeten Josien en Frits zijn’, hoorden we ineens achter ons. En daar stond Joke! Onze verlegenheid was meteen over want bij Joke voel je je thuis. Ook bij José, maar die was nog aan het werk. Op dat plein voor de kathedraal ontmoette we 50% van de liefste en prettigste mensen van Spanje. Eigenlijk is het een schande dat we zolang zijn weggebleven!

Toch nog even een slag om de arm. Vakantie is vrijheid. Je kunt wel wat plannen, maar dat wil nog niet helemaal zeggen dat het ook gebeurt. Maar…onze intentie is om deze fantastische mensen te gaan opzoeken. We reizen deze keer met de auto…trouwens.