Tagarchief: poëzie

Kruisbessen

We hebben voor volgend jaar een grotere moestuin genomen. Twee keer zo groot als we nu hebben. Het seizoen loopt ten einde en we maken plannen voor het volgende seizoen. We willen een heus bessenakkertje aanleggen. Dat hebben we al, maar die willen we uitbreiden. Rode en witte aalbessen en kruisbessen. Ik heb iets met aalbessen, maar zeker met kruisbessen. Kruisbessen vind je niet meer bij de supermarkt. Dat is één van de vruchtensoorten die in mijn herinnering in één keer uit de schappen van de supermarkt verdwenen is. Daal ik af naar het vroege begin van mij, en zoek ik naar mezelf samen met mijn moeder in de supermarkt, dan zie ik de doosjes kruisbessen staan. Ik was er gek op.

Op het harige vruchtje een kroontje. Dat moet je er afhalen terwijl je hem in je mond stopt. Dat harige, dat stoort niet echt; het kriebelt zachtjes je tong. In dat huidje dien je een klein gaatje te bijten. Vervolgens zuig je het velletje leeg. Zacht zoete gelei met pitjes. Laat die pitjes lekker op je tong liggen voordat je ze doorslikt. Niet lang op het velletje kauwen. Gewoon doorslikken. Andere strategie is de ongeschonden bes tussen je kiezen en dan bijten. Een zacht-zoet ontploffinkje in je mond. Lekker! In mijn kleutertijd verdwenen de bessen uit de supermarkt en uit de schappen van de meeste groentemannen en zelfs van de markt. Weg, foetsie. Kennelijk waren ze bij het grote publiek minder populair dan bij mij. Uit het zicht uit het hart; ook bij mij; ik vergat ze net zo hard.

Tijdens mijn studie vond er een heus Adriaen Coorte revival plaats. Rein Bloem, dichter en mijn docent op dat moment, besprak het gedicht ‘Louter toeval’ van zijn dichtervriend Hans Favery. Dit gedicht staat in de bundel ‘Lichtval’ waarin de dichter het werk van Coorte bezingt. Hoewel Favery vooral keek naar de kern van het werk van Coorte en die vergeleek met de kern van zijn eigen poëzie en daarbij concludeerde dat de kern gelijk blijft terwijl de verschijningsvorm van schilderij (Coorte) of gedicht (Favery) verschilt, werd ik gegrepen door de verschijningsvorm bij Coorte; De kruisbes. Eén van de mooiste schilderijen in het Rijksmuseum van Amsterdam: Een takje kruisbessen op een stenen plint. Geschilderd in 1699. Schoonheid, pure schoonheid. Alleen maar een takje kruisbessen. Zacht strijklicht maakt de bessen haast doorzichtig. De harige huid van de vruchtjes voel je op je tong kriebelen. De dorens maken krassen over je hand. Mijn docent zorgde voor de wedergeboorte van de kruisbes in mij.

coorte

Niet lang daarna ontmoette ik mijn geliefde. Tuindersdochter. Dochter van een pionier in de biologische landbouw. Hij trok zich weinig aan van een wijzigende consumentensmaak en had een kruisbessenakker vol struiken. Ietsje na de aardbeien zijn ze rijp. En dan maar plukken. Kistjes vol. Na een dag heb je bloederige handen van de dorens. De struiken moet je in de winter ook zo snoeien dat je tijdens de pluk zo min mogelijk last hebt van de dorens.

We kookten er jam (met pitjes en velletjes) en gelei (zonder pitjes en velletjes) van en we maakten filosoof om de kinderen te verwennen, maar de meeste bessen aten we zo…puur…als ze net geplukt zijn.