Tagarchief: pelgrimstocht

Mijn mooie fiets!

Josien en ik zijn een aantal jaren geleden naar Santiago de Compostela gefietst. Dat was het avontuur van ons leven. De leukste vakanties ooit. Het was behoorlijk afzien en doorbijten. Het is inmiddels al meer dan tien jaar geleden dat we de laatste etappe fietsten. Deze zomer zijn we terug geweest in Santiago. Nu met de auto. We zagen de honderden vermoeide pelgrims. Ook uitgelaten pelgrims. Als je zoiets volbracht hebt dan stroomt de energie door je lijf. Je hebt het gevoel dat je de hele wereld aan kunt.

Voordat Josien en ik die tocht begonnen, schaften we ons fietsen aan. Zo’n tocht is niet op een gewone stadsfiets te volbrengen. Je hebt daar een speciale fiets voor nodig met heel veel versnellingen. Josien kocht een nieuwe fiets. Ik een erg luxe tweedehandse. Een fantastische Gazelle Lausanne. Een hybride fiets, zoals men dat noemt. Geschikt om lange fietstochten te maken met veel bagage achterop. Ik was helemaal weg van mijn fiets. Fiets en Frits waren één, een beetje zoals man en paard. We zijn op die fietsen niet alleen naar Santiago gefietst, maar ook van Praag naar Amsterdam. We hebben er fietstochten mee gemaakt in de weekends en soms functioneerde mijn fiets als reservefiets.

Op een dag, toen mijn stadsfiets een lekke band had, gebruikte ik mijn Gazelle Lausanne hybride fiets als reservefiets. Alles was daardoor een beetje anders. Ik kwam moe uit mijn werk en ik moest eerst langs huis voordat ik nog wat boodschappen ging doen. Ik moest nodig dus haast, haast, haast. Je kent dat. Toen ik opgelucht mijn gade zoende, vertelde ze dat zij de boodschappen al gedaan had. ‘Mooi’, dacht ik en ging iets anders doen. De volgende dag realiseerde ik me dat ik mijn mooie fiets niet in de tuin had gezet (jongens wat mis ik op dit moment in onze wisselwoning onze tuin, maar dit terzijde). Bovendien kon ik nergens mijn fietssleutels vinden. Toen ik buitenkwam ontwaarde ik een lege plek waar gisteren nog mijn fiets had gestaan. Mijn mooie fiets! Ik heb niet gehuild want ik ben een kerel, maar getreurd heb ik wel.

Onze fietsen op de Karelspas in de Pyreneeën

Vandaag wilde ik naar de stad fietsen. Voor mij reed een man met een meisje van een jaar of vijf achterop en een meisje van een jaar of zeven op de stang. Op een zeer luxe fiets. Absoluut niet geschikt gemaakt om een kinderschare veilig te vervoeren. Hij stopte bij het eerste stoplicht en zag dat hij ternauwernood zijn fiets in evenwicht kon houden. Ik verbaasde me erover dat iemand zo weinig van zijn prinsesjes van dochters hield. Ik zou ze over-beschermen, maar hij helemaal dus niet. Bij het tweede stoplicht ging het echt mis. De hele fiets kantelde. Het hummeltje achterop zat ineens op straat en haar oudere zus kon wegspringen. Eigenlijk ging het maar net goed. Verontwaardigd hoorde ik de jongste zeggen: ‘Pappa ik was haast gevallen!’ De meisjes zagen er frisgewassen en goed verzorgd uit. Dat in tegenstelling tot hun pa. Had je me verteld dat hij een draaideurcrimineel was dan had ik het zo geloofd. En dat op zo’n mooie fiets!

Toen ik al ver in de stad was en die man met zijn onbeschermde meisjes al ver weg was, besefte ik dat ik iets gezien had… Een fiets… Een hele mooie fiets…. Een fiets die ik alweer een paar jaren kwijt was en waar ik zoveel herinneringen aan heb. Die ik zo graag weer terug wil. Het zou toch niet waar zijn? Die man reed toch niet op mijn fiets? Had ik nog een sleutel van het slot. Kon ik bewijzen dat die fiets mijn mooie fiets was? Nee dus. Misschien had ik er ook geen puf voor gehad om mijn fiets terug te eisen. Mijn fantastische fiets!

Het voelde allemaal zo goed!

Vandaag ga ik weer naar mijn werk. De vakantie is over. Voorbij. De vakantie stond in het teken van de herinnering aan onze tocht naar Santiago de Compostela. In 2006 kregen we onze aflaat. Dat is dus tien jaar geleden. Onze pelgrimage heeft ons veel meer gebracht dan we van tevoren hadden gedacht. Voordat we eraan begonnen zou ik nooit over mezelf hebben gezegd dat ik een pelgrimstocht ging maken. Ik ben niet religieus. Ik ben ook niet bekeerd. Maar door dat harde ploeteren en het behalen van overwinningen op jezelf en de kerkelijke traditie, raak je toch in een soort verlichte state-of-mind. Die kerkelijke traditie raakt je toch. De stille koelte van een kerk ga je anders waarderen. Maar ook de warmte van de kerkelijke gemeenschap ga je, zelfs als atheïst, zien.

We zouden die dag een fikse klim gaan maken. De klim naar O Cebreiro. Een absoluut heel erg stevige klim ging het worden. Dat wisten we uit het boekje. Gewapend met heel veel water en heel veel goede moed gingen we op weg.

In onze kleinste versnelling trapten we rustig door. Inmiddels waren we eraan gewend geraakt dat je bij een klim niet sneller gaat dan vijf/zes kilometer per uur. Heel erg ver boven ons, zagen we de nieuwe weg lopen. Die nieuwe weg zorgde ervoor dat we rustig en ongestoord konden fietsen op de oude. We klommen en we klommen. Bij ieder boompje doken we even in haar schaduw en dronken een paar slokken. Gemene haarspeldbochten waarbij je in de bocht soms het idee hebt dat de weg negentig procent omhoog gaat. We klommen en we klommen. De nieuwe weg kwam steeds dichterbij. Haarspeldbocht na haarspeldbocht. Op weg naar het volgende boompje waar we even konden rusten en dan weer verder. We klommen de nieuwe weg voorbij. Die weg was ineens onder ons. En we klommen en we klommen.

Maar aan elk klimmen komt een eind. Ineens vlakte de weg af en waren we boven. We vonden onszelf, en onze adem, terug in de Gouw, de Shire uit ‘De Lord of the Rings’. Een dorpje waar de tijd stil had gestaan. Behalve in de toeristenindustrie, merkten we. Achter het dorpje zagen we een grote parkeerplaats waar bussen, massa’s toeristen uitbraakten. Die zwermden tussen de huisjes. Josien en ik zaten van net gekochte pruimen te genieten in de schaduw van de bomen. Zulke lekkere pruimen.

Maar toen moesten we nog een slaapplaats vinden. We probeerden het in O Cebreiro. Maar alles was schreeuwend duur en bovendien vol. De volgende plek waar we iets zouden kunnen vinden, lag dertig kilometer verderop. Er was geen andere uitweg. Mazzelpikkies die we waren. Dertig kilometer bergafwaarts verderop lag Triacastele. We zoefden de berg af en kwamen aan bij de herberg. Die was hartstikke vol. Maar op het grasveld rond de herberg konden we ons tentje opzetten. En daar zaten we. Tussen de tentjes van religieuze jongeren. En ze pingelden op hun gitaren en zongen spirituals. En op de één of andere manier voelden we ons heel sterk verbonden met die gemeenschap. Ze deden wat wij deden. Ze voelden zich zo voldaan na een dag ploeteren. Wij ook. Zij dankten God; ik niet. Maar het voelde allemaal zo goed!

Herberg in Triacastele waar we ons tentje konden opzetten
Herberg in Triacastele waar we ons tentje konden opzetten

En nu ga ik weer naar mijn werk. Gaan we andere dingen doen.