Tagarchief: Mauritshuis

Zit ik nog in het goede spoor?

Soms twijfel ik eraan of ik nog in het goede spoor zit. Dan vind ik ergens iets over, maar dan zie ik dat veel mensen het tegenovergestelde vinden. Dat brengt mij aan het twijfelen want ook die mensen hebben het beste met de wereld voor. Zie ik het dan wel goed? En dan ga ik wikken en wegen. En me afvragen hoe het komt dat mensen die het met de wereld zo goed voor hebben, er zo naast kunnen zitten. Of…ik ernaast zit. Dan ben ik bang dat ik een oude kerel aan het worden ben wiens lenigheid van geest aan het verstarren is. Dat zou ik niet willen. Wat ik wel wil is dat een mening gebaseerd is op feiten. Je kan wel vinden dat het een zonnige dag is, maar als het de hele dag regent, dan slaat dat nergens op. Bij wijze van spreken.

Gisteren werd ik verbijsterd door twee stukjes in de Volkskrant. Het ene stukje was een soort ode aan bruggenbouwers, het andere een interview met Piet Emmer.

Imara Limon zou een bruggenbouwer zijn. Ik vraag me af tussen wat en wat die brug dan precies gebouwd is. Ze blijkt het museumtalent van het jaar geweest te zijn in 2017. Het stukje begint met het feit dat ze in het Mauritshuis als eerste een borstbeeld in de hal ter discussie stelde van de oorspronkelijke eigenaar van het huis: Johan Maurits. En wel, vertelt ze vanuit haar vakantieadres, omdat de snoodaard slaven naar Brazilië heeft gebracht en daar stinkend rijk van geworden zou zijn. Wat ze dan vergeet, in mijn ogen, is dat Brazilië een kolonie was van het land waar ze zo lekker vakantie aan het vieren is en dat de plantage-eigenaren destijds in Brazilië voornamelijk afkomstig waren uit datzelfde land; die andere ‘roofstaat’: Portugal. En dat er in Brazilië, toen zeventiende-eeuwse Nederlanders het voor korte tijd veroverde, het grootste deel van uit Afrika gehaalde slaven al zaten. Dat er destijds, en millennia voordien en eeuwen nadien, nauwelijks moreel bezwaar was tegen slavernij. Dat dat niet wil zeggen dat je het achteraf goed moet keuren, maar zo veroordelen slaat ook nergens op. Dat cultuurmonumenten uiteindelijk door rijken worden gebouwd waarvan je achteraf kunt afvragen of ze, als je er vierhonderd jaar later op terugkijkt, moreel gezien wel aan de goede kant van de geschiedenis stonden, vind ik zeer dubieus. Het borstbeeld van Johan Maurits werd stilletjes weggehaald; en dat vond onze Imara wel fijn… Wat mij betreft moet geschiedenis gebaseerd zijn op feiten. Natuurlijk gaat het erom om de feiten te interpreteren, maar je mag nooit de feiten veranderen omdat het anders niet bij je interpretatie past. Limon negeert feiten en verandert feiten door ze niet in het historisch perspectief te plaatsen.

Even verderop in de Volkskrant een interview met professor Piet Emmer. Hij is de absolute deskundige op het gebied van het koloniale verleden en slavernij. De man heeft een groot deel van zijn leven besteed aan het uitpluizen van archieven. Op grond daarvan plaatst hij gebeurtenissen uit het verleden in historisch perspectief en interpreteert hij ze als wetenschapper van nu. Dat leverde een indrukwekkende, maar betrekkelijk harteloze, boeken op. Want, gebaseerd op de kille cijfers, is niemand rijk geworden van slaven en viel de omvang van de slavenhandel, wat Nederland betreft, bijzonder mee. Dat is tegen het zere been van interviewer Marco Visscher. Hij probeert Piet Emmer in een kwaad daglicht te zetten en dat voelt niet goed. Het gif druipt van het interview waarin Visscher het lijkt op te nemen voor de mensen die beweren dat ze mislukken omdat hun verre voorouders slaven waren… Wat wil Marco Visscher daarmee bereiken?

De smaak van oesters

Op een dag verkocht Albert Heijn ineens oesters. Had ik nog nooit gegeten. Wel had ik er al veel over gehoord. Ik wist hoe je ze moest eten. Ik zag daar best tegenop. In het doosje oesters had men een oestermes bijgesloten; kreeg je er gratis bij. Een klein scherp dolkje met een vrij dik lemmet. Uit het zicht van vegetarische vrouw en lust-ik-niet-kinderen ging ik in de keuken aan de slag. Een citroen had ik in partjes gesneden. Ik pakte een oester en bestudeerde de schelp om ergens een opening te vinden. Waar moest ik het mes tussen wringen? Dat was helemaal niet eenvoudig; gesloten als een oester. Na veel prutsen dacht ik de ingang voor het mes gevonden te hebben en warempel ik gleed zomaar naar binnen, diep de schelp in. Ik wrikte ik de oester open. Een glazig stukje smurrie in een schelp. Het leek het meest op een toevallig in een schelp gestrand mini-kwalletje. Voorzichtig sneed ik het scheterige vlees los van de schelp. Dat moest ik dus in mijn mond doen… niet heel erg aantrekkelijk. Maar omdat ik juist daarvoor had besloten dat ik over mijn eigen eet-vooroordelen heen zou stappen, kneep ik een paar druppels citroensap op het drillerige hoopje en liet de boel zo mijn mond inglijden. Ik moest even slurpen om het geheel naar binnen te krijgen.

De drillerige massa belandde op mijn tong. Een koude rilling liep over mijn rug. Een sensatie in mijn mond. Wat een afgrijselijk mondgevoel en wat een heerlijke smaak. Zacht zilt, een beetje vissig maar niet echt. Drillerig en zacht maar toch een eenheid. Een sensatie van jewelste. Ik voelde nog een rilling over mijn rug lopen en slikte het beestje door. Een thrill-ervaring. Meteen nam ik de volgende. Enthousiast geworden over zoveel smaak. En inderdaad…opwindend. Een beetje geil, zelfs. Weer zocht ik naar de opening. Moeilijk te vinden. Ik wrikte en ik prutste en toen schoot ik met het scherpe mesje uit en haalde mijn hand open. Maar ik was inmiddels zo gegrepen dat ik wist dat ik – bloedende hand of niet – geen rust zou vinden voordat het doosje oesters leeg was. Dus nadat ik pleisters geplakt had ging ik onverdroten verder. Bijna meteen verslaafd aan de hitsige smaak van de oester. Het is dat het best een dure hobby is, maar anders had ik de Oosterschelde compleet leeggegeten.

een lekkere rauwe, drillerige oester

Laatst bezocht ik de tentoonstelling Slow Food in het Mauritshuis. Op veel schilderijen pronkten de oesters met hun prachtige maar grillige vormen. Waren ze toen, in de zeventiende eeuw, populairder dan nu? Op de schilderijen herkende ik niet dat drabbige kwakje dat ik in een oester vind. Een soort mossel, zag ik op de schilderijen. Dat betekent dat de oesters op de schilderijen gegaard zijn. (Zonde!?) Ik heb ik nog nooit gegaarde oesters gegeten omdat ik de sensatie van die slijmerige stevigheid niet wil missen. Voor experimenteren zijn ze gewoonweg te duur.

Maar…vandaag lees ik in de krant dat je per persoon tien kilo wilde oesters mag rapen op de stranden van de Oosterschelde. Gratis en voor niets. De oesterbanken zijn daar van niemand en zijn zomaar uit het niets in het wild ontstaan. Poeh…dat is een uitdaging! Ga ik vandaag naar Zeeland rijden om een emmertje bij wilde oesters elkaar te scharrelen? En ga ik er dan een paar koken?

Slow Food; stillevens uit de Gouden Eeuw. Mauritshuis in Den Haag

Gezien op 17 maart 2017

Maak een tentoonstelling over zeventiende-eeuwse kunst in Den Haag en ik overweeg de treinreis te maken. Maak een tentoonstelling over voedselstillevens in de zeventiende-eeuw en ik stap ogenblikkelijk in de trein. Eten en kunst, daar kan je me altijd voor porren. Op de tentoonstelling Slow Food hangen in het Mauritshuis in Den Haag zo’n slordige dertig topstukken bij elkaar met overvloedig eten. Ze zijn bijzonder precies geschilderd; het is alsof je het voedsel zo van de dis kan pakken. Om het realisme te benadrukken worden vaak visuele grapjes toegepast, zoals een bord dat net over de rand van de tafel geschilderd werd zodat het lijkt alsof het uit het schilderij steekt. Hoewel de schilderijen allemaal afbeeldingen zijn van voedsel, wordt de titel van de tentoonstelling nergens duidelijk. Slow Food is een vereniging waar ik lid van ben. Men zet zich in voor duurzaam en ambachtelijk geproduceerd voedsel. Het is meer een beweging dan een vereniging. Men positioneert zichzelf tegenover de massale, industriële productie van fast food. In het verleden was de wereld nog erg klein. Zeker in de zeventiende eeuw. Er kon nog geen sprake zijn van fast food. Al het bereidde voedsel was in principe slow food: Duurzaam geproduceerd, ambachtelijk, en van lokale boeren. Ik begrijp de titel Slow Food wel, maar vind hem niet echt toepasselijk: Als alles Slow Food is, dan verliest dat Slow een beetje haar betekenis.

Wat we op de schilderijen zien is duidelijk niet het voedsel dat door de grote massa van destijds gegeten werd. Dat was waarschijnlijk ook niet de groep waarvoor deze schilderijen bedoeld waren. Hadden schilders het volksvoedsel geschilderd, dan waren de kleuren vast niet zo mooi geweest. Ik vrees dat er dan veel pap en brij geschilderd had moeten worden. De massa hield zichzelf in leven in de zeventiende eeuw, en dat was al een hele kunst. Maar er was dus ook een bovenlaag die zich de hemelse spijzen goed liet smaken. Dat waren meteen ook de kopers van de schilderijen. Zie daar!

Hoewel ik veel schilderijen al kende, blijft het heerlijk om ernaar te kijken. Je vergaapt je aan het realisme; aan de precisie van de afbeelding en de fantastische compositie. Een bordje hier, een schilletje daar, een vlieg een noot of een tros druiven. Alles zo neergezet dat het extra lekker wordt om naar te kijken en dat het water je in de mond loopt. Om mij heen hoorde ik ook voortdurend de ah’s en de oh’s. Dit soort stillevens zijn bijna altijd een sensatie. In het weergeven van hammen, kazen, vissen, vruchten, snoep en koek trokken de kunstenaars alle registers open.

Ik geloof best dat de geschilderde etenswaren allemaal een betekenis hebben. Een betekenis van godsdienstige of morele aard. Dat het ons iets moet zeggen over gewenst en ongewenst gedrag. Voor mijn gevoel zal dat altijd maar bijzaak zijn geweest. Ik denk (maar wie ben ik) dat de schilderijen vooral bedoeld waren om je er heel erg lekker bij te voelen. Sta je bijvoorbeeld voor het schilderij Stilleven met oesters, wijn en lekkernijen van Osias Beert dan wil je alleen maar aan je mond denken. Hoe smaken die koekjes? Ze zien er zo voortreffelijk uit!

Stilleven met oesters, wijn en lekkernijen van Osias Beert…kijk die koekjes eens….

Ik zie op de schilderijen ook een paar zaken vaker terugkomen. Opvallend is een bakje van houten spaanders met daarin een oranjerood spul met een duidelijke structuur. Het bakje lijkt erg veel op een chinees stoommandje. Volgens de gids zou het hier gaan om kweeperenmoes. Ik kan dat niet helemaal plaatsen; waarom juist in zo’n bakje? En waarom die structuur. Kweeperenmoes en kweeperenkaas is nu doorgaans glad. Oesters komen ook vaker terug. Ze hebben een erotische bijklank. Als ik die buiten beschouwing laat, dan valt me op dat de oesters gegaard zijn. Wel nog een beetje glazig, valt me op, maar zeker niet rauw. Als ik aan oesters denk, loopt de thrill al over mijn rug; met een druppeltje citroensap en rauw…heerlijk!

Stilleven met haringen en oesters van Floris van Schoten of zijn het bokkingen?

Ik heb een hele tijd voor het schilderij Keukenscene met Christus en de Emmaüsgangers van Joachim Beuckelaer gestaan. Er staat zoveel op. Het laat zo mooi zien wat er toen voor handen was. Alleen het vlees was moeilijk thuis te brengen. Het was dat er een varkensstaartje aan zit anders was het onherkenbaar. Elke vogel verdween in de pot; van gans tot mees. Ik vraag me wel af of het eten van kleine zangvogeltjes je buik kan vullen en of het niet heel veel (pluk)werk is voor zo’n marginaal stukje vlees. Het zangvogeltje zien we regelmatig terug op de schilderijen.

De catalogus is mooi en goed verzorgd. Toch heb ik er wel wat kritiek op. Namen van etenswaren worden niet altijd juist weergegeven. Hoewel het schilderij in het Frans Halsmuseum in Haarlem hangt en het daar waarschijnlijk dezelfde naam heeft, heb ik bedenkingen bij het schilderij Stilleven met haringen en oesters van Floris van Schoten. Wat mij als foodie meteen opvalt is dat ook hier de oesters gegaard zijn (zonde!!!!!). Verder valt mij op dat er weliswaar haringen liggen, maar wel haringen van een bepaalde soort: Gerookte. Gerookte haring noemt men geen haring maar bokking. Zeker in het verleden werd er in Nederland enorm veel bokking geproduceerd omdat het veel langer houdbaar was dan ‘gewone’ haring. Wat mij betreft had de titel van het schilderij dus Stilleven met bokkingen moeten heten.

Een ander aspect waar ik nogal kritiek op heb in de catalogus én in het gidsje is de benaming van de kazen. Tot 1920, toen de Warenwet het verbood, werd op Texel groene schapenkaas gemaakt. Die was vermaard en bijzonder populair. In de catalogus van de tentoonstelling wordt erkend dat veel groene kazen Texelse schapenkazen zijn. Voor verklaring van de groene kleur wordt echter beweerd dat dit komt doordat men het sap van groene kruiden door de schapenmelk mengde. Dat maakt het waarschijnlijk beter verteerbaar voor de eenentwintigste-eeuwse bezoeker van de tentoonstelling, maar het lijkt mij niet waar. Men mengde tot 1920 schapenmest door de melk en die gaf de groene kleur en een bijzondere wat scherpe smaak aan de kaas. Dat deed men niet alleen op Texel, maar naar verluidt in ’s Gravenlands. Ook daar werd groene schapenkaas groen door de bijgevoegde schapenmest. In ieder geval op het Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen van Clara Peeters maar ook op Stilleven met kazen van Floris van Dijck herken ik de groene schapenkaas. Groengemaakt met het sap van peterselie…aan me neus!

Stilleven met kazen van Floris van Dijck

Ik ben desalniettemin behoorlijk enthousiast over deze tentoonstelling. Ik kwam er hongerig maar kunstzinnig verheven vandaan. Ik ben meteen naar de visstal achter het Binnenhof gelopen en heb een broodje…bokking gegeten (gerookte haring, dus).