Tagarchief: Madrid

Schapenstront eten.

Afgelopen mei waren wij een weekje in Madrid. Een heerlijke stad. Met een fantastisch museum waar we onze ogen uitgekeken hebben. Op dat moment was er veel te doen om Jeroen Bosch. Het Prado is eigenaar van de grootste collectie Jeroen Bossen. Ik heb een poos gestaan voor de Tuin der Lusten. Een enorm schilderij dat overvol is met de meest fantastisch dingen. Er staat zo verschrikkelijk veel op dat je niet weet waar je beginnen moet. Als je me nu vraag wat er op dat schilderij te zien is, dan kom ik met een hoop details aan: Blote meisjes in een meertje met een appel op hun hoofd. Natuurgetrouwe vogeltjes die je zo in de natuur kunt tegenkomen. Het zijn details. Het grote overzicht ben ik nu al kwijt. Maar er hingen ook wel wat eenvoudiger schilderijen van Bosch. Ook schilderijen van Quinten Matsys hingen er. Opgeteld eigenlijk best veel schilderijen uit de Nederlanden. Allemaal uit de periode toen Nederland nog een onderdeel van het Spaanse rijk was.

Collecties van musea komen vaak voort uit door koningen en keizers opgebouwde kunstverzamelingen. Op een gegeven moment vindt men dit soort verzamelingen openbaar kunstbezit en worden ze in musea tentoongesteld. Dat is ook in het Spanje gebeurd. Philips II was gek op Nederlandse kunst. Daarom haalde hij veel schilderijen uit de Nederlanden naar Madrid. Dat kon alleen in de periode dat de Spanjaard het in ons kikkerlandje voor het zeggen had. In de zeventiende eeuw moest Nederland weinig hebben van Spanjaarden. Dat was toen de onbetwiste vijand. Hoewel de Nederlandse schilderkunst een ongekende bloei doormaakte, kwam er weinig van die kunst terecht in Madrid. Vandaar de magere collectie zeventiende-eeuwse kunst in het Prado. Wel hing er een schilderij van de vrouwelijke schilder Clara Peeters. Ze is befaamd om haar levensechte eten-stillevens. In het Prado in Madrid is op dit moment een tentoonstelling van Clara Peeters lees ik in de Volkskrant. Een fascinerende schilder.

In het Mauritshuis liep ik aan tegen mijn eerste Clara Peeters. Stilleven met kaas, noten en krakelingen. Een onmogelijk precies geschilderd schilderij. Dat was ook de lol van dit soort schilderijen; je moest het gevoel hebben dat je zo een nootje kon pakken en een stukje kaas afsnijden. Ik hou erg van dit soort schilderijen. Het schilderij hangt nu even op de tentoonstelling in het Prado en niet in het Mauritshuis want op de foto die het Prado publiceert staat juist dat schilderij. Die foto heeft de Volkskrant overgenomen in de krant van vandaag. Het toont een soort kaas die mij nogal intrigeert; de groene kaas.

clara-peeters-in-het-prado

Die groene kaas op het schilderij is een schapenkaas. Hij komt aan zijn groene kleur doordat de wrongel gemengd werd met schapenmest. Dat kan je je niet voorstellen, nu, maar het is echt zo. Die kaas was ongekend populair. Ook een succesvol exportproduct, trouwens. Het moet een vrij pittige kaas geweest zijn die vooral gerijpt gegeten werd. Daardoor was hij vrij hard. Dat zie je ook op dit schilderij. Natuurlijk is het nu streng verboden om zo’n kaas te maken. Ik vind dat Jammer want ik ben geïnteresseerd in het verleden. Ook in de smaken van het verleden. Ik zou die kaas graag nog eens een keer maken (tenminste als er nog recepten van zijn) en geloof het of niet: Ik zou hem proeven. Zelfs als ik besef dat ik schapenstront aan het eten ben.

Het Prado in Madrid

(Geschreven op 4 mei 2016 in Madrid)

Gisteren waren we dus in het Prado. Een zonovergoten dag in Madrid. Bijna te warm om buiten te lopen. Van dat heerlijke weer hebben we slechts het puntje van de neus en het staartje meegekregen. De rest van de tijd hebben we doorgebracht in dit fantastische museum. Hoe begin je aan zo’n museum…en hoe eindig je ermee? Dat bleken twee moeilijke dingen. Je tijd is gewoon beperkt en in die beperkte tijd wil je in ieder geval de hoogtepunten hebben gezien. Maar wat zijn precies de hoogtepunten?

El Bosco natuurlijk. Jheronimus Bosch. Daar heb ik al eerder over geschreven. Ik moest die schilderijen echt zien. Dus we begonnen met de Vlaamse en Nederlandse kunst.

De Tuin der Lusten. Adembenemend! Er staat, jammer genoeg, zoveel op het schilderij dat je echt niet aan elk detail toekomt. Ik zou over ieder verfpuntje willen weten wat het betekent. Een boek dat dat beschrijft is een metertje of twee dik. Ik zou dat wel willen lezen, maar ik weet zeker dat ik er niet aan toe kom. Daarom een paar details die me opvielen in het paradijs. Ik weet vrij zeker dat Bosch in het paradijs een kangoeroe heeft geschilderd. Hij zal van zijn leven zo’n beest nog nooit gezien hebben. Van horen zeggen dus. Een dier dat op geen enkel ander dier lijkt. Twee springpoten en twee kleine bokspootjes…dat had hij goed doorgekregen, die Jeroen Bosch. En…lange oren. Ook dat, maar in plaats van staande oren, schilderde hij ze hangend. Ook erg mooi! Wist hij veel?

In een meertje lieftallige meisjes. Ze staan lekker te badderen zo te zien. Niet echt in beweging, maar toch lekker in het koele water. Allemaal blanke mooie meisjes en een paar zwarte meisjes. Zusterlijk door elkaar. Wist Bosch van het bestaan van zwarte mensen? Beschouwde hij zwarte mensen als zijn gelijken? Dat zijn meteen vragen die bij me op komen. Een klein groepje van die meisjes hebben een appeltje op hun hoofd. Alsof Willem Tell het appeltje eraf gaat schieten. Maar deze held is op het schilderij niet te vinden. Waarom de appeltjes?

Sinds ik de conservator van het Prado op de televisie heb horen uitleggen, is me duidelijk hoe Bosch kwam aan het beeld van de laaiende stad en waarom hij dat alleen maar kan linken aan de hel. Wat me verder opviel waren de vogeltjes. Herkenbare soorten. Een ijsvogel herkende ik en een vink en een koolmees. Alleen al voor dit schilderij zou je naar het Prado moeten.

Eerlijk gezegd, voordat ik De tuin der lusten had gezien, was mijn dag in het Prado al geslaagd. Ik was tegen het schilderij Ecce Homo aangelopen van Quinten Massijs. Wat een schilderij! Het past prima bij het werk van Jeroen Bosch. Ik vond dat het heel veel weg had van De Kruisdraging van (ineens niet meer) Jeroen Bosch. Het serene lijdende gezicht van Jezus temidden van grotesk lelijke vertrokken en spottende gezichten van de beulen. Was het bij de kruisdraging zo dat Jezus in het midden staat en alle koppen er omheen, bij het schilderij van Massijs is een ander standpunt gekozen; je bent onderdeel van de toeschouwers en aan jou wordt de lijdende Jezus getoond.

massys_quentin_509_ecce_homo

Zo gingen we van Vlaams/Nederlands meesterwerk naar meesterwerk. Neem bijvoorbeeld De Kruisafneming van Rogier van der Weyden of de triptiek van Memling.

We gingen naar de eerste verdieping omdat we minstens de Rembrandts wilden zien die er hingen. Maar in de hal of fame hingen ze niet. Daar hingen een aantal schilderijen van Titiaan met Karel V als onderwerp. Verder heel erg veel schilderijen van Rubens. Sommige fantastisch anderen wat minder. Het was in ieder geval compleet duidelijk dat Rubens (Pedro Pablo!) populair was aan het hof. Ik denk dat er wel dertig of veertig doeken van hem hingen. De aanbidding der koningen viel me positief op. Vooral door de compositie. In de rechterbenedenhoek straalde het kindeke Jezus. Alle figuren die er verder opstonden vormden met zijn allen een pijl naar het kindeke Jezus. Verder zag ik een schilderij van de drie gratien. Dat maakte het begrip ‘Rubensvrouw’ volkomen duidelijk. Met grootse billen en romige buiken dansten ze zo’n beetje rond op het schilderij.

Daarna de Rembrandts…dat was dus één Rembrandt. Niet zijn topstuk maar toch zo onmiskenbaar Rembrandt. Saskia als Judith die net Holofernes van zijn hoofd ontdaan heeft. Op de achtergrond een oude vrouw met een gevulde zak in haar handen (Met Holofernes’ hoofd, dus).

Ik zei Josien dat ik in ieder geval de schilderijen van Goya wilde zien waarin de verzetshelden worden doodgeschoten. We gingen op zoek naar de trap. En toen zag ik een crucifix zoals ik er nog nooit een gezien had. De crucifix van Valesquez. Magnifiek! De achtergrond bijna effen donker. Het kruishout tot in de details geschilderd. Jezus, die er tegenaan gespijkerd is, is dood. Haren hangen voor zijn gezicht. Een deel van het haar wordt tegengehouden door de doornenkroon. Waar de spijkers in het hout gedreven zijn, is het hout licht gespleten. Heel bijzonder schilderij. Tegenover deze crucifix een portret van een jonge vrouw. En profiel. Zo sterk! Josien en ik beseften ons toen dat we eigenlijk, in een madrileens museum, alleen maar naar Nederlandse kunst hadden gekeken. Daarom gingen we verder met de schilderijen van Valesquez…

A 4158
A 4158

Als lopend van zaal naar zaal, lieten we Valesquez achter ons. We liepen een zaal binnen met schilderijen die erg modern aanvoelden. Qua manier van schilderen, namelijk met grove rake streken, maar ook het kleurgebruik voelde erg modern. In zekere zin deden de schilderijen me een beetje denken aan de schilderijen van Peter Klashorst. Maar de kunstenaar wiens werk we bewonderde, leefde enkele eeuwen eerder; El Greco. Wat een ontdekking! Wat anders dan al het andere dat we eerder gezien hadden. Wat een bijzondere stijl. Vanaf het moment dat ik zijn eerste schilderij zag, De Annunciatie, werd ik gek op zijn werk.

Sjongens wat een rijk museum. Dan te bedenken dat we die beroemde schilderijen uit de Napoleontisch tijd, van Goya nog niet eens gezien hadden.

Jammer dat het lichaam niet echt meer wilde meewerken want strompelend kwamen we aan in de zaal met de executie van de verzetshelden. Voor mij vielen de twee schilderijen wat tegen. Neemt niet weg dat het topstukken van het Prado zijn, maar deze schilderijen had ik al te vaak gezien op plaatjes.

Gelouterd stapten we uit het museum. Zoveel mooie kunst! Buiten in het warme Madrid. We strompelden in trance naar de metro. Echt, alleen al door het Prado is onze vakantie in Madrid al helemaal geslaagd.

Een domper is dat we nog lang niet alles gezien hebben. Er was nog zoveel! Ik weet zeker dat het allemaal de moeite waard is, maar helaas, ik ben ook maar een mens!

 

Het metronet van Madrid

(Geschreven op 3 mei 2016 in Madrid)

Ik heb een nieuwe tegeltjeswijsheid voor de reiziger gevonden: Als je een stad wil leren kennen, moet je eerst haar openbaar vervoer begrijpen. Dat hebben we hier in Madrid aan den lijve ondervonden. We kwamen van het vliegveld en stonden in een lange rij voor de automaat waar kaartjes verkocht werden voor de metro. Eenmaal aan de beurt was er geen touw aan vast te knopen. Wat wilden zij en wat wilden wij? Wij wilden slechts naar ons appartement ergens in Madrid. Zij wilden weten met welke lijn we gingen reizen. Hoe moesten wij dat weten. Of we een aanvullend tarief wilden betalen want dat was bij bepaalde onbegrijpelijke omstandigheden noodzakelijk. Uiteindelijk hebben we wat gegokt. Wisten wij veel! Toen staken we de pinpas in de automaat. Die kwam er na wat gereutel weer uit met de mededeling dat hij niet gebruikt kon worden. De mond waarin papiergeld geschoven kon worden was afgeplakt. Despair! Dan maar voorgedrongen bij de naastliggende automaat; de gegokte bestemming opnieuw ingevoerd en ons geld in de automaat geschoven. (Gelukkig had ik net wat geld gepind…)

Het eerste stuk van de route (door Google bepaald) werd zonder brokken voltooid. Dat was dus instappen in de enige metro die er reed en uitstappen op de halte die je telefoon aangaf. Toen stonden we dus op een redelijk verlaten station. We moesten een andere lijn hebben. Gelukkig stond er een politieagent die ons zo’n beetje de weg wees. Trap op uitchecken, volgende trap weer op in inchecken. Zo gezegd, zo gedaan. Maar bij het inchecken opende ons metrokaartje de deur niet meer. Was ook een andere maatschappij. Nieuw kaartje kopen. Toen deed de deur het wel. Twee haltes met de trein en toen waren we er.

De volgende dag liepen we naar het dichtstbijzijnde metrostation. Daar waren we de vorige dag dus niet uitgestapt. Een plattegrond van het metronet deed wonderen. We zagen dat Google de snelste weg met het openbaar vervoer had berekend maar niet de goedkoopste en zeker niet de eenvoudigste. Josien en ik kochten een tienrittenkaart en bemachtigden een goed overzicht over het metronet en sindsdien is Madrid ours!

Hadden we dat ook maar destijds in Teheran gedaan! Op de een of andere manier hadden we het gevoel dat daar waar we zaten, zo’n beetje de plek to be was in Teheran. Wat een hoop dingen betreft hadden we daarin ook gelijk. Maar zonder het openbaar vervoer te begrijpen leer je de stad niet kennen. Ik heb wel het idee dat ik in Teheran geweest ben en we hebben daar erge leuke dingen gezien. Ik heb ook helemaal geen slecht gevoel over onze reis naar Teheran, maar het gevoel dat ik de stad ken…nee, dat heb ik nooit gekregen. We hadden afgesproken om een taxi te nemen als we moe werden, maar het resultaat was dat we wel moe werden, maar dat taxi’s ons niet wilden meenemen. We deden wat verkeerd, denk ik. Taxi’s vanuit het hotel waren geen probleem, maar taxi’s gewoon op straat, dat is ons nooit gelukt.

Vandaag gaan we naar het Prado. Ik verheug me er enorm op en moet me inhouden om Josien niet op te jagen. Ik kijk vooral uit naar de werken van Jeroen Bosch…El Bosco, dus, hier in Madrid. Maar ook de werken van de grote Spaanse meesters wachten op mij. Prado, here I come!!

Jeroen Bosch in het Prado van Madrid

Jeroen Bosch maakt mij blij. Ondanks zijn duivelse en afschrikwekkende schilderijen, geeft hij mij een gevoel van onschuld. Dat heeft met Floris te maken. De serie Floris waarin Jeroen Bosch een rol speelt. Ik heb daar al eerder over verteld. Sindsdien heeft Jeroen Bosch iets te maken met mijn persoon van toen. Meester Bosch moest een besteld schilderij naar Filips de Schone brengen en werd daarin gedwarsboomd door Lange Pier. Gelukkig werd Jeroen Bosch beschermd door de zwaardvechtkunst en moed van Floris. Met de slimheid van Sindala werd Jeroen Bosch uiteindelijk uit de klauwen van Lange Pier gered.

Die eerste kennismaking met Jeroen Bosch heeft bij mij goed wortel geschoten..

Gisteren was er een documentaire op de televisie. Daarin werd verslag gedaan van een groep Nederlandse onderzoekers. Zij nemen al het werk van Jeroen Bosch nog eens onder de loep. Een groot deel van de documentaire speelde zich af binnen de muren van het Prado in Madrid. Hier hangen de meeste schilderijen van Bosch. De conservator van het museum werd niet erg gunstig afgeschilderd. Een beetje als een starre, dikkige kloek, die alles beter wist en die ‘onze’ onderzoekers onterecht buiten de deur hield.

Pilar Silva, de Spaanse conservator, zei de enige dingen over het werk van Jeroen Bosch die er echt toe deden. Ze wees op de hel en zoals Bosch die schilderde. Met laaiende vuren en grote verduistering door rook en die beangstigende gloed. Ze vertelde dat Jeroen Bosch als jongetje getuige was geweest van de grote brand in Den Bosch. De brand die het grootste deel van Den Bosch in de as legde. Ze kon duidelijk maken wat voor invloed dat gehad moet hebben op het leven en het werk van Bosch. Die levendige hel die hij schilderde, had hij voor een groot deel uit eigen ervaring. Dat is informatie waar ik wat aan heb en die het me mogelijk maakt om het werk van Bosch beter te begrijpen!

Verder werd in de documentaire eigenlijk niets belangrijks gezegd over de hand van de meester. Jammer, want ik had me daar erg op verheugd. Wat je wel zag, waren onderzoekers die met een vergrotingsbril voor hun ogen hun neus haast tegen de panelen drukten. In stilte leken ze te genieten van al het moois dat ze konden zien.

De Spaanse curator schilderde ze echter af als een soort ambtenaren die rechtlijnig bepaalden of iets al of niet een Bosch was. Dat beeld klopte ook; de onderzoeksgroep probeerde met eenduidige criteria de werken te bekijken…. Pilar Silva leek meer te geloven in het gevoel. Pilar Silva en de Nederlandse onderzoeksgroep hadden weinig respect voor elkaar.