Tagarchief: Libris literatuurprijs

Saskia de Coster – Nachtouders; kwakkie uit de bezemkast.

Wat blijft er uiteindelijk hangen van een roman. Wat herinner je nog na een tijdje. Bij de roman ‘Nachtouders’ van Saskia de Coster weet ik het wel. Het verhaal van de vader van het kind. Meer specifiek: aftrekken in de bezemkast van een ziekenhuis. Walgelijk. Niet dat aftrekken, maar de liefdeloosheid en de eenzaamheid. De roman gaat in grote lijnen over het niet-biologische ouderschap van een vrouw in een lesbische relatie. Als lesbisch stel heb je een overschot aan eicellen, maar wil je als stel dan een kind, dan heb je zaadcellen nodig. Dat moet wel van een man zijn. Hij woont in dit geval aan het andere eind van de wereld. Volgens de vertelster is het de ideale man. Speciaal voor het doneren van wat sperma komt hij over…vervolgens mag hij masturberend in het bezemhok van het ziekenhuis zijn zaad in een potje plengen. Het beeld heeft me de hele roman niet meer losgelaten. Je moet mannen wel heel erg haten om zoiets te verzinnen. Wat een liefdeloos begin van een nieuw mens; laten we hopen dat het kind er nooit achter komt. Helaas is de kans dat het jochie erachter komt vrij groot want de roman is sterk autobiografisch. Gezien het feit dat om het stel Saskia en Juli gaat en de schrijfster Saskia heet en een relatie heeft met Juli en bovendien ze het sterk autobiografische karakter van haar roman beaamt in een interview dat ik las, kan je er van uit gaan dat dat verwekte jochie de roman gaat lezen en zo zijn liefdeloze oorsprong leert kennen. Er zal dus ook wel in werkelijkheid een man vanaf de andere kant van de wereld zijn overgevlogen met het doel om een kwakkie te leveren dat hij in de liefdeloze bezemkast moest concipiëren… Sjonge. Dat beeld… Ik raak het nauwelijks kwijt. In mijn ogen getuigt het wel van heel erge mannenhaat. In haar plaats zou ik me diep hebben geschaamd om het op te schrijven… Maar Saskia de Coster dus niet…

Mannenhaat doordrenkt deze roman. Homomannen, oke, maar van hetero’s moet ze niets hebben: “Op familiefeesten durven hitsige ooms met een glas te veel op te vragen: wat twee vrouwen met elkaar doen. Ze maken dan schaarbewegingen.” Kortom hetero’s zijn er alleen maar op uit om over de rug van lesbische vrouwen geil te worden. “…weg uit het labyrint van de eeuwenoude mannelijke privileges van onverschilligheid en afwezigheid.” Schrijft ze. Nu het onmiskenbaar het tijdperk van de vrouw is geworden, doet het allemaal een beetje belegen aan. Net alsof de schrijfster in een vorig tijdvak is blijven hangen. En…geen man deugt: “Saskia zelf heeft de ravenzwarte haren van haar moeder en ze is even halfzacht als haar vader.”

Toch is ‘Nachtouders’ een goed te lezen boek. Als lezende man moet je je af en toe over je weerzin heen zetten want dat Saskia mannen haat, dat staat voor mij als een paal boven water. Dat het betreffende kind een jongetje is, doet mij bij voorbaat verdriet; wat voor beeld zal dat arme joch uiteindelijk over zichzelf hebben? De ‘vader’ van de wurm blijkt in de loop van de roman nauwelijks geïnteresseerd in het kind. Sterker nog, de man blijkt kinderen seksueel uit te buiten. Pedofiel, dus. Echt, volgens Saskia de Coster deugen mannen niet.

Het verhaal speelt zich af op een eiland ergens in de buurt van Noord-Amerika. Een eiland voor de ene helft bewoond door indianen. Zij hebben het alleenrecht om de verbinding tussen eiland en vaste land te verzorgen; iedereen die naar of van het eiland wil, moet dat met behulp van deze stam doen. De andere helft van het eiland wordt bewoond door hippies. Eén van de hippies, Molly, is de moeder van de zaaddonor. Zij is de reden waarom het stel naar het eiland komt. Ze zijn op weg naar Alaska en onderweg doen ze het eiland aan om kennis te maken met de biologische grootmoeder van hun kind. Eenmaal op het eiland wordt het schier onmogelijk er weer af te komen want de indianen gaan in staking. Zo komen de twee vrouwen onder de plak te zitten van hun pseudo schoonmoeder. Ze propt haar – min of meer – kleinzoon vol. Terwijl de verteller dat met groeiende boosheid optekent, heeft de partner Juli meer oog voor een andere vrouw op het eiland, Tammy. Zo ontstaan er ook nog spanningen in de relatie en komt Saskia allengs meer in een isolement. Ondertussen vraagt ze zich af wat het moederschap van een niet-biologische moeder voor betekenis heeft. In hoeverre kan zij van het kind houden, in hoeverre is ze verantwoordelijk, in hoeverre heeft ze iets te zeggen over het kind dat genetisch niet aan haar verwant is.

Kortom: Ik heb medelijden met het jochie dat op moet groeien bij een mannen hatende vrouw. Maar dat is de ethiek… Verder is het een goed te lezen boek. Helemaal niet mijn favoriet. Het staat wel op de shortlist van de Libris literatuurprijs. Ach, het kan. Zeker geen winnaar wat mij betreft. Naast de kanonnen op de lijst is het een katapult met onderbroekenelastiek. Ik ben wel slechter te lezen boeken tegengekomen op die shortlist in de loop van de jaren. Zeker geen roman die me bij blijft, behalve misschien dat masturberen in de bezemkast…

Wessel te Gussinklo – De Hoogstapelaar; knap geschreven…

Het gebeurt mij zelden, maar ik kon me bij het lezen van deze roman, en dan vooral het laatste stukje van de roman, het beste inleven in de tegenspeler van de hoofdpersoon Ewout. Na vijf zesde van de roman vol gezever van de hoofdpersoon – zou ik best een perspectiefwisseling wensen. Nu even niet de onechte Ewout als hoofdpersoon. In het laatste stukje van de roman loopt de hoofdpersoon in de Espressobar aan tegen twee jongens die hij in het eerste deeltje van de roman zwaar heeft beledigd. Laat ik een stukje herschrijven. Een ander perspectief. Een perspectief waardoor ik me beter kan identificeren met de hoofdpersoon:

“Ik had hem eerst niet gezien, dat lulletje, maar Japie wel. Hij stootte me aan. ‘Daar heb je dat arrogante klootzakje uit de jazzkelder. Moet je hem daar zien zitten met dat uitgestreken smoelwerk.’ Toen herkende ik hem. Hij zat naast één van zijn vriendjes. Een flikker zo te zien. Zo eentje met van die maniertjes. Mij zit het niet dwars als je homo bent, maar wel als je het billenmaatje van dat arrogante joch bent. De verontwaardiging over dat kolerelijertje kroop langs mijn ruggegraat omhoog en kwam bij mijn haargrens tot stilstand. Daar voelde ik hoe mijn haar overeind kwam. Wat een arrogantie, wat een eikel, wat een klootzak. We waren in die jazzkelder te beduusd om hem meteen zijn tanden uit zijn bek te slaan. Twee weken geleden. Té verbaasd. Japie en ik zaten lekker te genieten van ons sigaretje en ons biertje. Lekker muziekje op de achtergrond. Heerlijke ronde zachte maar toch stevige meidenbillen die zachtjes op de muziek meedeinden vlak voor onze neus en daar staat ineens dat klootzakkie; die etterbuil. Begint zomaar met zo’n hete aardappel in zijn verwende bekkie tegen ons te keer te gaan. Dat we op moeten zouten; dat de tent waar we in zitten niet voor ons soort bedoeld is. Dat er alleen maar studenten komen. Niet zulke domme gozers als wij zijn. We stonden helemaal met onze mond vol tanden. Zo overvallen dat we niet wisten wat we moesten doen. En we waren al vertrokken voordat we bedachten wat voor lulletje rozenwater dat gozertje eigenlijk was.

Maar nu zijn we niet overdonderd. We gaan hem een lesje leren; dat staat vast. Japie hoef ik niets te zeggen. Helemaal niet toen etterbuil himself ons ook in de smiezen kreeg. Want dat was even schrikken voor hem. Met dat arrogante koppie was hij meteen op zoek naar een ontsnappingsroute. Als één man stonden we op en liepen naar hem toe. Bij elke stap die wij dichterbij kwamen kromp dat lulletje verder in elkaar.

Ik gaf hem een por tegen zijn schouder: ‘Zo lulletje, kijken of je nog steeds zo moedig bent. Kom dan op, eikel. Ik ga één voor één die tanden uit je bek slaan. Arrogant klootzakkie!’ En ik gaf hem nog een por en nog een por. En hij reageerde als een dood vogeltje. Een steeds dooier vogeltje. Hij deed geen zak, dat lafbekkie. ‘Hé flikkertje, trek dat arrogante bekkie nog eens open…toe dan. Ik ruk die tong uit je kop, eikel. Dat jochie keek me aan. Angst. Pure angst in zijn ogen. Genieten dus voor mij en voor Japie. “

Maar dat zijn mijn woorden. Niet de woorden van Wessel te Gussinklo, maar het lucht mij wel op. Met een woordenstroom die aan een mantra doet denken bouwt Te Gussinklo het imago van de hoofdpersoon op en handhaaft hij het. Pas in het allerlaatste stukje van de roman ontwikkelt zich een soort van demasqué. We zijn getuige van een voortdurende strijd om erkenning van een vals beeld van de hoofdpersoon. Dat maakt het best ingewikkeld. Tegenspelers worden vergeleken met hoe en wat hij voorstelt volgens hemzelf; qua gevatheid, macht, aanzien, intellect. Sartre en Camus spelen een rol als middel tot intimidatie, maar heeft de hoofdpersoon deze auteurs gelezen? Nee, dus. Laat staan dat hij ze begrepen heeft. Dat beseft de hoofdpersoon zich ook. Imago, dat is waar het om gaat; vals of niet, als het je maar aanzien geeft.

Tegenover imago staat de werkelijkheid. Wie ben je werkelijk? Daar loopt Ewout tegenaan. Hij moet onweerstaanbare lusten zien te onderdrukken die in het geheel niet passen bij het beeld dat hij van zichzelf schept. Hij kan het niet laten om vrouwenkleren aan te trekken. Stilletjes in zijn eentje brengt Dvořáks Nieuwe Wereld hem in extase terwijl hij enkele bladzijden eerder nog heeft lopen snoeven over jazz en de vrijheid en tegen dat voorspelbare en zoetsappige van klassieke muziek… Wessel te Gussinklo houdt de diepere gevoelens van de hoofdpersoon erg vaag. Zijn gevoelens blijven verborgen in het verhaal en worden vaag beschreven. Hij masturbeert regelmatig, maar wie of wat zijn lusten opwekt, wordt niet duidelijk. Vrouwenkleren, homoseksualiteit, we krijgen er niet echt grip op.

De Hoogstapelaar is een boek waarin de hoofdpersoon mij heel erg ergerde. Nooit van het woord ‘Hoogstapelaar’ gehoord, maar omdat Google mijn vriend is, toch de betekenis gevonden. Een blaaskaak; iemand die zich heel veel beter voordoet dan hij in werkelijkheid is. Op zich heeft Wessel te Gussinklo de hoofdpersoon natuurlijk heel knap neergezet, want ik kon dat rotjoch wel wurgen. Maar, en dat is de hamvraag, maakt dat de roman tot iets wat je graag wil lezen? Nee, het zal nooit één van mijn favorieten worden.

Deze roman is genomineerd voor de Librisliteratuurprijs. Het is een knappe roman, maar niet een roman die ik graag lees. Om die reden zal hij niet mijn hoofdprijs wegslepen…

De libris literatuurprijs 2020

Het is weer zover; een paar dagen geleden werd de shortlist voor de Libris literatuurprijs bekend gemaakt. Altijd weer een verassing, want deze jongen houdt de data niet goed bij. Altijd ook wel weer leuk en spannend, want ik heb iets met die prijs. Ik wil hem namelijk zelf graag uitreiken. Dat anderen – professionals – stellen de shortlist samen en dat is een mooi uitgangspunt; hoef ik niet alle boeken die in een jaar verschenen zijn te lezen. Hoewel ik dit jaar veel meer aan lezen toekom omdat ik negenennegentig procent meer in de trein zit dan vorig jaar. Desalniettemin is mijn reistijd bij lange na niet genoeg om alleen al de longlist te lezen. (Al helemaal niet als ik, zoals nu, kletsers naast me heb zitten) Dus…jury van de Libris literatuurlijst, bedankt voor al het leeswerk. Ik ga me beperken tot de shortlist en daaruit de winnaar kiezen van de Frits’ Libris literatuurprijs 2020. Dit jaar denk ik dat het me gaat lukken om de prijs uit te reiken voordat de jury het doet want van de zes boeken op de shortlist heb ik er al drie en een halve gelezen. Dus dat schiet op. Maar, de uitreiking en dus de keuze zal niet makkelijk zijn, want van de boeken die ik al gelezen heb vind ik van geen drieën dat het een verliezer is; ik vind ze alle drie bijzonder goed. Het boek dat ik nu aan het lezen ben, gaat het niet worden, kan ik nu al verklappen. Hoewel…ik heb nog een helft te gaan en wie weet hoe de roman zich verder ontwikkeld.

De boeken die op de lijst staan zijn:
– Zwarte Schuur van Oek de Jong. Uitgebreid beschreven op deze site. Vond het een heerlijk boek om te lezen hoewel ik best wat bedenkingen had.
– Liefde, als dat het is van Marijke Schermer. Heb ik ook al uit. Fantastische analyse van de liefde. Prachtige plot en bezorgde me een hoop kippenvel.
– Vallen is al vliegen van Manon Uphoff. Echt heel erg vernieuwend. In het begin van het boek moet je erg wennen aan haar stijl maar naarmate het boek vordert ga je zien hoe geweldig het boek is.
– De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo. Ben ik aan het lezen. Ik moet zeggen…best aardig tot nu toe. Nog even afwachten hoe alles zich ontwikkelt. Ik word niet echt heel erg warm van deze roman, maar ik kan pas oordelen als ik hem uit heb.
Dan nog twee boeken die ik nog helemaal niet heb gelezen:
– Nachtouders van Saskia de Coster. Ben erg benieuwd; nooit van de schrijfster gehoord, maar wat zegt dat. Niet veel want van de volgende schrijver en zijn boek heb ik ook nog nooit gehoord:
– Uit het leven van een hond van Sander Kollaard. Het zal mij benieuwen…

Helaas moet ik constateren dat de jury van de Libris literatuurprijs en ik het zelden met elkaar eens zijn over de winnaar. Vorig jaar, bijvoorbeeld, stond het winnende boek van de jury bij mij op de laagste plaats. Ware het niet dat ik mezelf opgelegd had om alle boeken te lezen, dan had ik het hoogstwaarschijnlijk bedroefd dichtgeslagen. Dat zegt meteen iets over de shortlist. Het is mijn uitgangspunt, maar ik geef geen enkele garantie dat dit de zes beste boeken zijn die in 2019 verschenen zijn; ook dat is de kennelijke mening van de jury. Bij de shortlist heb ik me neergelegd; bij de winnaar zeker niet. Neem van mij aan dat mijn keuze absoluut het beste boek is en vergeet de keuze van de jury… Oke, ik deel geen mooie geldprijs uit…ook geen oorkonde of kunstwerk; bij mij moet de auteur het met mijn oordeel doen en met verder helemaal niet. De shortlist; dat is mijn begin. Altijd toch weer spannend.

Rob van Essen – De goede Zoon; Ik weet het niet…

Poeh, wat zal ik zeggen. Ik heb het boek uit. Ik geloof dat ik begrijp wat de schrijver ons wil vertellen, maar jemig, wat brengt de man het saai. Ik heb me door het boek heen geworsteld. Dreigde bijna mijn plezier in lezen te verliezen. J. , die mij zo verschrikkelijk goed kent, zag het met lede ogen aan. Leg dat boek toch weg. Waarom zou je het uitlezen? Je leest toch voor je plezier? En toen moest ik het tegenover haar ook nog gaan verdedigen. Ik lees alle boeken die op de shortlist staan van de Libris literatuurprijs. Deze staat erop, dus lees ik het boek uit. Het boek heeft zowaar de prijs gewonnen. Maar geliefde J. zag mijn worsteling en vreesde dat ik nooit meer een boek ging aanraken. Je hoeft niet alles precies zo te doen als je je het voorgenomen hebt, probeerde ze nog. Maar…ik luisterde niet. Ik moest en zou het boek uitlezen. Tot de laatste pagina, tot de laatste zin, tot het laatste woord. Ik wilde de punt die alles afsloot meemaken. En dus deed ik dat. Bladzijde na bladzijde vrat ik me door een bord zand waarvan men beloofd had dat het een suikertaart zou zijn. Ik moet iets belangrijks over het hoofd hebben gezien tijdens het lezen. Als de jury van de Libris literatuurprijs dit boek verkiest boven andere boeken die ik in dit kader gelezen heb, dan moet het toch minstens heel erg boeiend zijn. Ik zou het boek opnieuw moeten lezen. Wellicht dat ik dan iets van de grootsheid zou kunnen herkennen. Maar mijn God, dat ga ik mezelf niet aandoen. Eén keer is genoeg. Wellicht heb ik het belangrijkste gemist. Heb ik de clou gemist die het boek zo verschrikkelijk boeiend maakt. Vooralsnog moet ik zeggen dat deze roman, die nota bene de Librisliteratuurprijs gewonnen heeft, bij mij niet alleen onderaan de shortlist van 2019 bungelt, maar ook nog eens onderaan het lijstje van de shortlist van vorig jaar. Ik vond het boek niet sterk. Inhoudelijk vond ik het slap en het boeide voor geen meter. Ondanks alle spiegelingen en verdubbelingen en wendingen in het verhaal in het geheel niet boeiend. Slaapverwekkend bovendien. Ik heb er eeuwig over gedaan om het uit te krijgen.

Het verhaal zou zich in de toekomst afspelen. Bediend door diverse soorten robots en verplaatst door zelfrijdende auto’s en seksueel bevredigd door diezelfde (kennelijk multifunctionele) auto, verwerkt de hoofdpersoon het overlijden van zijn moeder. De hoofdpersoon is schrijver van beroep en hij schrijft plotloze thrillers. Alleen sfeer en omgeving en een hoofdpersoon. De hoofdpersoon in zijn thrillers zonder verhaal is een zekere Lennox. Is de roman nou zo’n plotloze thriller? Daar lijkt het wel op. En Lennox dan? Die treedt in deze roman op als een soort vriend/begeleider van de hoofdpersoon. Ze hebben elkaar ontmoet in het Amsterdamse Stadsarchief waar ze beiden werkten toen ze nog jong en onbedorven waren. Hoewel…onbedorven? Vanuit het stadsarchief gluurden de mannen naar de ramen van een meisjes studentenflat recht tegenover het Archief. De ramen werden onder de jongens aangeduid met de vlakken op een schaakbord, zodat ze elkaar goed konden vertellen achter welk raam een leuke meid zich stond uit te kleden. Tsja. Spannender dan dit is het in het boek niet geworden…

Ik denk dat ik dit boek heel snel ga vergeten; zonde van mijn schaarse leestijd en mijn leesplezier. Zojuist ook even het juryrapport doorgenomen…pfff het zal wat.

Nog even over het science fiction element. Zoiets wordt pas goed als je je er een voorstelling van kan maken, in mijn ogen. Als je de lijnen die nu zichtbaar zijn, doortrekt naar de toekomst. Fascinerend is dan wel de seksscene met de auto. Ik heb me afgevraagd of ik zo’n behandeling fijn zou vinden en in lijn met de verwachting van toekomstig zelfbevlekkingsmateriaal. Nou nee dus. De auto pakt het uitsluitend fysiek aan. Geen geprikkelde fantasie, geen pseudo tederheid, geen fluisterende woordjes. Fysiek een perfecte sekspartij, maar is dat alles wat je kunt verzinnen van een robot met seksfunctie? Wij – zeg maar ik – voel me meer dan lichaam alleen. Zeker als het om de liefde gaat. Dus nee, ook zijn toekomstfantasie vind ik niet sterk.

Conclusie: Ik heb me er doorheen geworsteld en niemand kan zeggen dat ik er geen moeite voor gedaan heb. Het boek had wat mij betreft niet eens op de longlijst voor moeten komen; laat staan op de shortlist. Gezien de concurrentie een onbegrijpelijke keuze om dit boek te laten winnen.

Johan de Boose – Het Vloekhout; De dingen de baas

Op de middelbare school lazen wij graag de verhalen van de nu vrijwel compleet vergeten schrijver Belcampo. Een verhaal dat destijds in de klas behandeld werd, was het verhaal ‘De dingen de baas’. Op een dag hebben de dingen er genoeg van en nemen het roer over van de mensen. Aan dit verhaal moest ik een heel klein beetje denken toen ik de roman ‘Het Vloekhout’ van Johan de Boose las. Net als in het verhaal van Belcampo spelen in deze roman ‘dingen’ een rol; ze spreken met elkaar en ze denken over de dingen na.

Het Vloekhout: De olijfboom waaronder het pubermeisje Maryam door Romeinse soldaten wordt verkracht en waaronder haar daardoor verwekte zoon Jesjoea later mediteert wordt omgezaagd en tot kruis verwerkt waaraan Jesjoea sterft. Vervolgens wordt een deel van het kruishout gebruikt als stut voor het decor van een toneelvoorstelling die na verloop van tijd ook wordt opgevoerd voor keizer Nero in Rome. Het stuk hout komt terecht in de Lage Landen bij twee uit Rusland gevluchte monniken die er een icoon van maken. De icoon reist eerst met de monniken terug naar Rusland om vervolgens zo’n beetje de hele wereld en de hele wereldgeschiedenis door te reizen om te eindigen bij een man die zich als moslimterrorist opblaast. Aldus in een notendop het verhaal. Het bijzondere is dat het verhaal verteld wordt vanuit het perspectief van het stuk hout. Het blijkt dat dingen kunnen denken, een gevoelsloeven hebben en kunnen communiceren met andere dingen. Helaas kunnen de dingen niet communiceren met mensen en kunnen ze eigenlijk niets bewerkstelligen. Behalve dan een rilling veroorzaken. Ieder mens die het vloekhout aanraakt ervaart een rilling. Het vloekhout is niet zomaar een stuk hout. Dat Jeshoea (lees: Jezus) eraan gestorven is, geeft het kennelijk wel een speciale inhoud die door iedereen te voelen is. (In de kathedraal van Doornik zag ik overigens ‘echt’ een stukje van het kruishout. Jammer dat ik het niet mocht en kon aanraken want ik had graag gevoeld wat het aanraken met mij zou doen.)

‘Het Vloekhout’ is een mooie gelaagde roman. Het enige probleem dat ik ondervond bij het lezen was, dat alles zo snel gaat. Het vloekhout doet zoveel plaatsen aan en reist zo intensief door de geschiedenis dat ik soms wat moeite had waar we ook alweer waren. De roman houdt geen rekening met de werkende mens die de roman niet in één keer kan uitlezen. Een paar keer heb ik gehad dat ik het boek opensloeg bij waar ik was gebleven, maar dat ik me niet meer kon herinneren in welke tijd we waren aangeland en bij welk persoon. Met terugbladeren kwam ik er dan ook maar moeilijk uit; kennelijk is de schrijver van mening dat je het dan maar goed moet lezen…

Het vloekhout wordt een icoon en stelt Maria voor met gesloten ogen. Een object dat aanbeden wordt en dat iets doet met de mens die het ziet of die het aanraakt. Johan de Boose laat het vloekhout als icoon praten met een vergeten bril over het wezen van de icoon en daarmee over het wezen van de kunst. Waar gaat het bij kunst precies om; is het het schilderijtje op het stuk hout van het meisje met de gesloten ogen waar het om gaat of is het de belevenis van de kijker die het portret ziet het wezen van de kunst? De vergeten bril weet het wel: ‘Het gaat om wat er gebeurt met mensen die naar jou, blind portret, komen kijken…’ Dat is een opvatting over het wezen van de kunst die ik de laatste tijd veel tegenkom. Niet zozeer kijken naar het wezen van bijvoorbeeld een roman, maar meer kijken naar wat een roman precies met je doet tijdens het lezen. Een interessant perspectief.

Ik heb ‘Het vloekhout’ met veel plezier gelezen. Vond het een sterke roman. In het kader van mijn leesavontuur van de Librisliteratuurprijs 2019 waarin ik de romans van de shortlist met elkaar vergelijk om te kijken wat ik de beste en mooiste roman vind, scoort dit boek goed, maar is het niet de winnaar; daarvoor heb ik al boeken gelezen van het lijstje die boven deze roman eindigen. Maar desalniettemin een boek dat ik geboeid heb gelezen en zeker een aanrader!

Verloren!

Ik heb verloren. Ik geef het toe. Mijn leesrace tegen de uitreiking van de Librisliteratuurprijs 2019 heb ik verloren. Gisterenavond werd hij uitgereikt. Rob van Essen met ‘De Goede zoon’ heeft gewonnen. Eén van de twee boeken die ik nog niet gelezen heb. Tweederde van de boeken heb ik wél gelezen maar juist uit dat rijtje dat ik niet gelezen heb, komt de winnaar. Irritant. Ik dacht dat ik de winnaar wel gelezen had, maar nee, dus. Voor mij rest nu niets anders dan hard doorlezen en kijken of ik het met de jury eens ben. Vervolgens mijn volgorde van boeken tonen. De jury zal het dit jaar moeilijker hebben gehad dan vorig jaar want tot nu toe ben ik alleen boeiende boeken tegengekomen, terwijl ik vorig jaar me ook door boeken heen heb moeten lezen terwijl dat helemaal niet vanzelf ging.

Dit jaar glij ik soepeltjes van het ene boek in het andere en heb veel plezier bij het lezen. Maar zoals gezegd, ik heb nog maar vier van de zes uit. Pas na de zesde kan ik een oordeel geven. Hoewel…volgens mij heb ik echt mijn winnaar al gelezen en krijgt de jury geen gelijk met Rob van Essen. Maar wie weet. Zojuist aan ‘De Goede Zoon’ begonnen…

Murat Isik – Wees onzichtbaar; Een belofte?

Ik ken de oude Bijlmer best goed. Mijn pa woonde er. Halverwege de jaren zeventig maakte ik opnieuw kennis met mijn pa. Toen ik acht was verdween hij tot mijn eindeloze verdriet uit ons leven en toen ik zo’n jaar of vijftien was, zocht ik hem weer op. Hij woonde toen op Egeldonk. Zijn min-of-meer ex-vrouw van toen, woonde met mijn half-zusje en -broertje op Kraaiennest. Omdat er van alles speelde tussen mijn pa en zijn ex-tweede leg, vond ik mijn pa dan weer in de ene en dan weer in de andere flat. De slechte naam van deze buitenwijk van Amsterdam was groeiende. Hoewel het nog niet perse een junkenwijk was in die tijd en mensen zich nog redelijk wisten te gedragen, waren de binnenstraten een crime om ’s avonds door te lopen. Je eigen voetstapppen weergalmden door de gangen. Maar er was ruimte in huis en groen overal. Vooral ’s avonds als je uit het raam keek en de verlichte ramen van de flats tegenover je zag, dan gaf dat een gevoel van moedeloosheid. Mijn pa verzuchtte soms: ‘Daar zit je dan in je eigen vogelenkooitje’. En zo was het wel. Een wijk gebouwd vanuit idealisme en vanuit een aanname over hoe mensen zich het lekkerst en het sociaalst voelden. Een aanname die nergens op gebaseerd bleek. Hoewel ik de Bijlmer in een bepaalde periode heb gekend, ben ik er niet echt opgegroeid.

Het boek ‘Wees onzichtbaar’ van Murat Isik speelt zich af in de Bijlmer en vertelt meteen ook het verhaal van de Bijlmer. Niet helemaal vanaf het begin, maar wel tot het einde, tot de sloop. Het begin van de Bijlmer wordt verteld door meneer Rolf. De buurman van de hoofdpersoon die ooit journalist was en vanuit de vermeende prachtwijk verslag deed. Met de langzame verwording en latere verloedering van de wijk volgt meneer Rolf datzelfde pad. Hij was een van de eerste bewoners van de Bijlmer en hij verlaat al actievoerend vanuit zijn zwaar vervuilde huis, als laatste de flat, vlak voordat hij gesloopt wordt. Tegen die achtergrond groeit Metin op. Via Hamburg komt het gezin terecht in de Bijlmer. Een communistisch Zaza-gezin uit Turkije waar op dat moment de militairen aan de macht zijn. Vluchtelingen, dus. Vooral vader heeft erg veel moeite om zich aan te passen aan de gevolgen van zijn vlucht. Hij kan de Nederlandse ideeën over de man-vrouw verhouding niet begrijpen en ook bij de opvoeding van de kinderen heeft hij grote moeite om zich aan te passen.

Wat ik zelf een beetje moeilijk vind aan deze roman is dat alles wel heel fragmentarisch wordt verteld. Je zou haast zeggen dat het een reeks anekdotes is die langs de lijn van de ontwikkeling van jongetje naar man verteld worden. Een echte lijn ontbreekt. Bij zo’n soort roman zou er eventueel ook ruimte kunnen zijn voor verhaallijnen die niet netjes worden afgesloten, want zo is het leven… Persoonlijk hou ik daar niet van in een roman. In Isiks roman vind ik de verhaallijn met de collega van de supermarkt waar  Metin werkt onafgemaakt. Hij valt als een blok voor d’r. Tenminste dat lijkt zo. Hij gaat bij haar eten, vrijt met d’r en daarna…niets meer. Werd het een relatie? Was het een one-night-stand? Gingen ze uit elkaar? Je weet het niet. Waarom voer je het personage dan op? Als het alleen maar is om te vertellen dat hij voor het eerst met iemand naar bed ging, dan vind ik dat nogal mager.

In de roman gaat het veel over de relatie van Metin met zijn vader. De man wordt neergezet als een werkschuwe saloncommunist die zijn gezin met harde hand terroriseert. Alleen als hij er zelf voordeel uit kan halen, voelt hij iets voor zijn kinderen. Zijn vrouw, Metins moeder, verwijt hij een ‘vogelbrein’ te hebben. Verder is het een onverbeterlijke ijdeltuit die eindeloos lang bezig is met het borstelen en föhnen van zijn haar. Hij besprenkelt zich met de heerlijkste parfums en gaat dan de hort op om de bijstandsuitkering uit te geven aan van alles en nog wat, behalve aan het gezin. Gesuggereerd wordt dat de man er diverse liefjes op na houdt, maar dat wordt nergens echt concreet. Uiteindelijk lijkt hij even een goede richting in te slaan als hij Maatschappelijk werk gaat studeren. Na zijn afstuderen krijgt hij zelfs werk in die richting maar de man verpest alles en wordt ontslagen. Vader wordt neergezet als een grote mislukking en als Metins ouders uiteindelijk scheiden en vader terug naar Izmir gaat, wordt dat als de beste oplossing gebracht.

Een andere lijn is Dino. Op de middelbare school krijgt hij de Surinaamse jongen Dino in de klas. Een criminele pestkop die het volledig op Metin gemunt heeft. ‘Schoonmaker’ wordt Metins scheldnaam. Dino maakt het schoolleven van Metin tot een hel. Metin trekt zich helemaal terug in zichzelf. De titel van de roman ‘Wees onzichtbaar’ zal slaan op deze periode op school waarin hij zich heel klein voelt en het liefst niet gezien werd. Dit verandert als Kaya op school komt. Kaya, net als Metin geboren in Izmir, maar een onbevreesde bon vivant die meteen vriendschap sluit met Metin en zich onvervaard keert tegen Dino. De pestkop delft het onderspit. Na een aantal redelijk ernstige conflicten met, en op school wordt Dino van school gestuurd.

Ik vind het een lekker boek om te lezen ondanks dat ik nogal wat miste. Structuur, vooral. De structuur die nu als fundament onder het boek lag was lineair en weinig origineel. Allemaal verhaaltjes die ongeveer aan die lijn zijn vastgeplakt; dat moet beter kunnen. Verder was ik niet erg kapot van zijn beschrijvingen. Vooral bij het beschrijven van vrouwen en meisjes en zijn eigen opwinding daarover vond ik soms tenenkrommend clichématig.

De roman ‘Wees onzichtbaar’ is een belofte. Een belofte naar een beter en mooier gestructureerde roman waarin de cliché’s geschuwd worden maar de schrijfstijl even boeiend is. Ik heb best hoge verwachtingen. Deze roman was boeiend, maar niet de top.

Marjolijn van Heemstra – Wel aardig verslag van zwangerschap en familielegende.

Romans en autobiografie, als die twee genres door elkaar lopen, dan raakt de lezer in verwarring. Tenminste, deze lezer. Neem bijvoorbeeld ‘Turks Fruit’ van Jan Wolkers. Is het verhaal van liefdesheld ‘ik’ en zijn liefdesgodin Olga nou ‘echt’ of is het verzonnen? Het heeft mijn gemoed lang beziggehouden omdat als het ‘echt’ is, het mij ook zou kunnen overkomen (en dat wilde ik best!). Maar al een tijd geleden kon ik tot geen andere conclusie komen dan dat alles verzonnen was; ‘ik’ in de roman is een romanpersonage en Olga helemaal. Natuurlijk zijn er raakpunten met een werkelijkheid die zich ooit aan de schrijver heeft voorgedaan, maar tijdens het schrijven is alles zo met alles en niets door elkaar geweven dat er weinig meer van de werkelijkheid over is gebleven. Zelfs de opdracht in het boek bleek een dwaalspoor. Die verwarring die ik had met de roman ‘Turks Fruit’ had ik in het geheel niet met de roman ‘En we noemen hem’ van Marjolijn van Heemstra. Het verhaaltje is te dun en te plat om verzonnen te zijn. Ze draagt haar boek op aan Eyse en David. Als dat niet haar partner en boreling zijn, dan moet ik me wel heel erg sterk vergissen. En als de David aan wie de roman is opgedragen niet overeenkomt met D, die in de roman de partner speelt, dan zou ik dat nauwelijks kunnen geloven. Want ook de hoofdpersoon stelt zich voor als Marjolijn van Heemstra. Niks geen Wolkeriaanse dwaalsporen dus. Marjolijn van Heemstra schrijft over zichzelf.

Verwekking, zwangerschap en geboorte zijn de basis van het leven. In die zin zou je kunnen stellen dat de roman over de kern van het leven gaat. Maar dat is niet zo. Ik kan het verslag dat ze van haar zwangerschap geeft, niet echt als boeiend ervaren. Oké, wel aardig. Wat Van Heemstra aan dit dunne verhaaltje toevoegt is het verslag van haar zoektocht naar een familielegende: Op haar achttiende verjaardag krijgt ze een ring van oma. Voorwaarde voor dit cadeau is wel dat ze haar oudste kind moet vernoemen naar de eerste eigenaar van de ring: Frans. Frans is in de familiegeschiedenis van de Van Heemstraatjes een oorlogsheld. In 1946 heeft hij een bomaanslag gepleegd op een NSB’er die aan zijn welverdiende straf dreigde te ontkomen. Ook al werd Frans voor deze daad gestraft, het maakte hem binnen Van Heemstra’s familie tot een held.

Hoofdpersoon zwangere Marjolijn gaat in het restant van haar zwangerschap uitzoeken wat het verhaal is achter deze ‘bommenneef’ en naar wie ze aldus haar zoon gaat vernoemen. Ze komt erachter dat alles minder zwart-wit is dan dat het eerst leek. De vermeende NSB’er kwam wel om, maar was die vermeende NSB’er wel de verrader waarvoor ‘bommenneef’ hem hield? En niet alleen de vermeende landverrader was slachtoffer van de bom die op 5 december als Sinterklaassurprise werd bezorgd, maar ook de echtgenote van de vermeende NSB’er en hun zeventien jaar oude hulp in de huishouding. Vooral het zeventiejarige meisje moest een lijdensweg meemaken voordat ze overleed. Hoe staan de nabestaanden van de slachtoffers tegenover de familieheld van de familie Van Heemstra? Op zich is deze zoektocht boeiend hoewel de personen niet echt gaan leven. Dat is, denk ik, ook niet de bedoeling want net zoals Marjolijn Heemstra verslag doet van haar zwangerschap, doet ze ook verslag van haar zoektocht naar het hoe en waarom van bommenneef Frans van Heemstra.

Dit boekje doet me uitkomen bij de vraag wat literatuur precies is. Misschien is het een beetje oneerlijk om daags nadat ik de fantastische roman ‘Kwaadschiks’ gelezen  heb, ik dit boekje lees. Ik kan moeilijk zeggen dat we hier met de literaire ontdekking van de eeuw te maken hebben. Ach ja…wel aardig dat boek van Marjolijn van Heemstra. Ik begrijp niet helemaal waarom het op de shortlist van de Libris literatuurprijs is gekomen. Een niet onaardig boekje en best spannend als je niet teveel eisen stelt. Laten we onszelf niet voor de gek houden; met literatuur heeft dit boekje heel weinig te maken. Als de shortlist van de Librisliteratuurprijs, mijn shortlist was geweest, dan maakte dit boek geen schijn van kans.

Arnon Grunberg – Moedervlekken; een absurdistisch-realistisch hoogtepunt.

Deze roman gaat hoog scoren bij mijn eigen Librisliteratuurprijs 2017. Wat een verhaal en wat een ideeën rijkdom! Met absurdistische wendingen die zomaar realistisch worden. Fantastisch. Wel zo hier en daar een minpuntje, maar over de hele linie een fantastisch roman die me vanaf het begin in zijn greep kreeg en waarvan ik op de laatste pagina jammer genoeg afscheid moest nemen. Boeiend ondanks alle filosofische en psychiatrische uitstapjes. Je vraagt je na het lezen van de roman af wat je nu precies gelezen hebt: Een roman waarin Grunberg afscheid heeft willen nemen van zijn moeder met wie hij een sterke band had. De biografie van Grunberg geeft daar wel aanleiding toe. Wilde hij een verhandeling schrijven over zijn visie op de psychiatrie: Voor een schrijver natuurlijk heel veel over te zeggen. Sinds Freud speelt de psychiatrie een grote rol in de literatuur. Of wilde Grunberg een roman schrijven waarin nauwelijks voorstelbare gebeurtenissen en personages tot een realistisch verhaal kunnen leiden? Want hoe vaak vind je nou een moeder die eerst vader was maar om de dood van de ‘echte’ moeder te verwerken, moeder werd? Of waar vind je zo’n in het extreme in protocollen denkende psychiater die zo makkelijk de protocollen links laat liggen? Juist ja, bij Arnon Grunberg in zijn romans. Waarschijnlijk is de roman een mengelmoes van alles. Het laat zich niet zo makkelijk duiden.

Hoofdpersoon in de roman is psychiater Kadoke. Hij werkt bij de crisisdienst en zijn taak is het om mensen van zelfmoord te weerhouden. Hij heeft een oude moeder die zorg behoeft. Daarom wonen er bij zijn moeder twee Nepalese meisjes die haar verzorgen. Met een van de twee denkt hij ‘iets’ te hebben. Maar dat ‘iets’ blijkt niet wederzijds. Haar vriendje komt verhaal halen en vervolgens gaan beide meisjes bij moeder weg en staat hij alleen voor de verzorging van zijn moeder. Via een advertentie hoopt hij een bejaardenverzorgster te vinden. De verzorgster die er uiteindelijk op af komt, ontdekt dat moeder eigenlijk vader is. Daarom neemt ze de baan als verzorgster niet op zich. Ondertussen draait Kadoke nachtdienst samen met arts-assistente Dekha. De eerste patiënt die ze samen zien is iemand waarvan Dekha vindt dat hij opgenomen moet worden. Kadoke vindt dat te ver gaan. De man pleegt zelfmoord. De volgende patiënt die ze zien is Michette. Een jonge vrouw met een borderline stoornis. Ze zit onder de littekens van het snijden in zichzelf en drinkt nu schoonmaakmiddelen. Kadoke vindt dat ze tegen haar zin opgenomen moet worden. Dekha vindt van niet. Als Kadoke de volgende dag informeert naar Michette, blijkt dat ze alweer ontslagen is. Kennelijk had Kadoke weer de verkeerde diagnose gesteld.

Tegen alle regels in gaat Kadoke op bezoek bij Michette om zijn excuses aan te bieden omdat hij kennelijk de verkeerde diagnose had gesteld. Hij laat zich verlijden tot het geven van zijn prive-telefoonnummer. Niet veel later belt ze hem op omdat ze nu wél opgenomen wil worden. Kadoke biedt Michette spontaan een alternatieve therapie aan. Een therapie die nog niet bestaat. Een therapie die alle protocollen aan zijn laars lapt. Michette moet bij moeder gaan wonen en moeders verzorgster worden. Michette stemt hiermee in.

Als het Michette inderdaad lukt om stabiel te worden en niet meer dood te willen en ze moeder verzorgt, sluit Kadoke de alternatieve therapie af. Om Michette een overgangsperiode te gunnen van verzorgster in het huis van moeder (en zoon Kadoke), naar volledige zelfstandigheid, brengt Kadoke Michette onder in het Zeelandse hotel van Michette d’r ouders. Moeder gaat een tijdje bij Michette in Zeeland wonen… En dat is het einde van het verhaal.

De personen en het verhaal hebben karikaturale absurdistische trekken. Neem Michette. Ze drinkt niet alleen bleekwater, maar ze biedt Kadoke ook een glaasje aan. Ik weet niet of zulke personen echt bestaan…maar in mijn ogen klinkt het redelijk absurd. Of moeder die eerst vader was. Toen moeder overleed was er maar een manier om voor vader haar dood te verwerken; zelf transformeren tot de vrouw die dood ging. Inclusief alles. Haar nukken en haar leuke kanten maar ook haar holocaust verleden. Of Kadoke zelf. Zijn manier om naar mensen te kijken en naar lijdende mensen te kijken is helemaal volgens protocollen. Alles wat hij doet lijkt ingegeven door regels die vastliggen. Tot in het absurde. Aan de andere kant brengt Grunberg alle personages samen en beleven ze een bijna realistisch verhaal. Maken ze een realistische ontwikkeling door. Vandaar dat ik absurdistisch-realistische roman geen slechte karakterisering vind. In die zin vind ik de roman prima in zijn hele oeuvre passen omdat veel personages ook in andere romans absurdistische trekjes hebben. Neem bijvoorbeeld de hoofdpersoon uit ‘De Joodse Messias’.

Je zou het verhaal ook heel symbolisch kunnen zien vanuit de biografie van Arnon Grunberg. Je zou kunnen zeggen dat Kadoke, als Grunbergs alter-ego, uiteindelijk zijn moeder, samen met al haar nukken wegbrengt naar een oord hier ver vandaan (de dood?) maar dat ze altijd toch in zekere zin, dichtbij blijft. Dat moeder vader is, voegt een psychologische dimensie toe. Moeder noemt Kadoke regelmatig ‘vadertje’ en op een gegeven moment zegt hij zelfs dat hij de vader en de zoon is en daarmee, volgens mij, dat de roman zelf de heilige geest; Kadoke is Grunberg en in de roman is hij de scheppende kracht.

Laten we het gewoon bij het verhaal houden. Niet wat ik erbij fantaseer. Zonder dat fantaseren is het boek al rijk genoeg. Echt een heel goede roman; ik heb ervan genoten.

Eén aspect was wat mij betreft niet helemaal geloofwaardig. Kadokes verhouding met vrouwen kon ik niet helemaal plaatsen. Voor iemand die zo verzot is op protocollen en zo zijn gevoelsleven buitenspel zet en zo recht in de leer is, kan ik me moeilijk voorstellen dat veel vrouwen voor hem vallen. Michette probeert hem met alles te verleiden en zegt ook verliefd op hem te zijn. Ook Dekha is erg verliefd op hem. Ik kan dat niet helemaal plaatsen…

Of deze roman een hoogtepunt in zijn oeuvre is, weet ik niet echt. Maar dat maakt even niets uit.

Walter van den Berg – Schuld: De zelfkant in Osdorp.

Een heel klein beetje krijg ik het idee dat de selectie van de shortlist van de Libris literatuurprijs jaarlijks eenzelfde soort mix van boeken moet hebben. Ook dit jaar weer een roman over de zelfkant. Nu niet superieur geschreven en spelend in de Rotterdamse onderklasse, maar een matig boeiend verhaal dat zich afspeelt in de westelijke buitengebieden van Amsterdam: Osdorp en Geuzenveld. Werd je in de roman van Alex Boogers de onderklasse ingesleurd, bij Walter van den Berg blijft het allemaal wat oppervlakkiger. Dat komt niet in de laatste plaats doordat de roman steeds vanuit een ander perspectief geschreven is en bovendien niet chronologisch verteld wordt. Dat hoeft niet direct een bezwaar te zijn en kan grootse boeken opleveren, maar ‘Schuld’ van Walter van den Berg is geen groots boek. Ik vind het wel boeiend maar ook niet veel meer dan dat.

Misschien komt het doordat de personages in de roman zo weinig positiefs hebben. Ze hebben nauwelijks een doel en klooien maar wat aan. Op de één of andere manier staat dat me tegen. Neem Kevin, bijvoorbeeld. Een opgroeiende puber. Intelligent maar totaal psychopatisch. Hij is heler en houdt zich bezig met gestolen telefoons. Als een soort tijdverdrijf pest hij eigenaressen van gestolen telefoons die op hun simkaart geile filmpjes van zichzelf hebben opgenomen. Pesten en achtervolgen zonder doel anders dan tijdverdrijf. Een absolute etterbak waar je weinig gevoel voor krijgt.

Ook voor de vader van Kevin, Ron, krijg je weinig warme gevoelens. Een man die zichzelf verbeeldt dat hij zanger is. Hij zingt nauwelijks, laat staan voor geld maar neemt wel ieders schuld op zich. Tot het uitzitten van gevangenisstraf aan toe. Alles neemt hij op zich en hij laat er zijn asociale zoon Kevin voor opdraaien. Ron probeert op diverse manieren geld te verdienen, maar dat lijkt er altijd op uit te draaien dat hij geen geld verdiend, maar juist geld moet betalen. Omdat hij altijd schulden heeft, leiden hij en zijn zoon  een zwervend bestaan. Zijn huis heeft hij onderverhuurd aan een louche figuur die er een groep Polen illegaal huisvest. Dan verdwijnt Ron in de gevangenis, en moet Kevin het alleen zien te rooien.

Hoewel je niet helemaal zeker weet hoe de man van Sandra vermoord is, heeft het er alle schijn van dat Sandra het gedaan heeft. Haar vermoordde echtgenoot was een gewelddadige Afghanistanveteraan. Op het moment dat Ron op de proppen komt, wordt de man dood gevonden. Ondanks dat Ron zijn zoon Kevin te verzorgen heeft, neemt hij de schuld op zich en verdwijnt hij in de gevangenis. Ook Sandra kan je maar moeilijk een sprankelend persoon noemen. Ook bij haar heb je het idee dat ze toevallig op de aardkloot rondloopt. Zonder perspectief, zonder passie. Ze existeert. Het staat mij tegen. Of er nu sprake is van liefde tussen Ron en haar…geen idee. Iets houdt hen bij elkaar. De schuld die Ron op zich nam houdt hen bij elkaar. Meer niet, zo lijkt het. Het lijkt alsof het Ron meer om de veroverde slaapplaats gaat dan om de liefde. Ik word niet echt vrolijk van Sandra.

Dan is er nog Cor. ‘Mister VWO’, zoals zijn broer Ron hem steevast noemt. Hij schrijft. Cor lijkt een personage dat zich aan de zelfkant wil onttrekken. Hij lijkt, in zekere zin, aan de touwtjes te trekken. Maar ook weer niet echt. Nee, zelfs voor Cor voel ik weinig sympathie. Moeilijk!

Ik heb de roman uitgelezen en heus, zo hier en daar boeit hij wel degelijk. Maar deze roman kan nooit hoog eindigen in mijn persoonlijke Librisliteratuurprijs. Over het relatieve dunne boekje heb ik verschrikkelijk lang gedaan. Ik werd te weinig meegenomen om er enthousiast over te worden en dan gaat het lezen langzaam. Nee, Schuld is niet mijn boek.