Tagarchief: joods

Slachtoffer van racisme?

Ik liep met een groepje collega’s tussen de middag langs de Amstel uit te waaien. Het was lekker weer. Eén van de collega’s was aan het woord. Hij vertelde dat hij tijdens het weekend met een groep vrienden weg was geweest. Met de mannen op stap. Hij vertelde heel erg enthousiast want het was een leuk weekend geweest. De beurs was leuk maar het oude jongens krentenbrood was nog veel leuker. En hij vertelde dat ze alles samen betaalden en dat dat leuk was en fijn. Maar één van zijn vrienden maakte een foutje en rekende één keer helemaal alleen voor zichzelf af. Die vriend schaamde zich omdat hij even niet één met zijn vrienden was en verontschuldigde zich: ‘Soms ben ik gewoon een jood’ zei hij. Mijn  collega begon hard te lachen: ‘Ja, zeiden we toen tegen hem, je bent echt een vuile Jood.’ Met die herinnering voor ogen schaterde hij het daar langs de Amstel uit. Mijn  andere collega’s lachten met hem mee. ‘Vuile jodenstreek’, zei hij nagenietend… (Ik noem naam noch toenaam)

Wat was mijn reactie? Lachte ik met mijn collega’s mee? Nee, het lachen was mij vergaan. Bij mij liepen tintelingen en rillingen over mijn rug. Een strijd woedde er in mij. Wat te doen? Je weet het gewoon niet. Echt niet. Zelfs mijn bek houden voelde geeneens laf. Kan je nagaan. Perplex? Is dat het goede woord? Eenzaam, zelfs… Je weet niet meer hoe je reageren moet. Het was voor de eerste keer dat ik me zo openlijk geconfronteerd wist met vooroordelen tegen een groep mensen waar ik me mee verbonden voel. Waar ik mee verbonden ben, of ik het wil of niet. Maar aan mij zie je niets. Mijn achternaam noch mijn voornaam doet iets vermoeden; ik ben niet donker, heb geen haakneus ben niet zonder meer voor Israël (meer vooroordelen weet ik even niet te verzinnen), nee niets van dat alles. Zelfs als je mijn broek uittrekt zie je dat mijn pielemoos nog helemaal compleet is en een varken? Die vind ik om op te vreten. En toch, en toch… Volgens de definitie van het naziregime van destijds behoorde mijn ma met haar vier joodse grootouders volledig tot het Joodse ras. RAS, ja. Als mijn moeder vier joodse grootouders heeft, heb ik er op z’n minst twee en dan voel je je verbonden met het RAS van je ma.

De eigenschap gierigheid toekennen aan een groep mensen waarvan men vindt dat ze tot een bepaald ras horen, is racisme. Racisme is fout (zeg ik er maar even bij). Racisme leidt tot haat, dood en verderf en daarvan hebben we met z’n allen afgesproken dat we dat in Nederland niet doen. Het mag zelfs niet eens. Gek genoeg deed mijn collega geen racistische uitspraken, maar antisemitische. Zeg je dat Marokkanen stelen, dan is dat racistisch maar beweer je dat joden gierig of doortrapt zijn, dan is dat antisemitisch. Zelfs wat dat betreft nemen joden een aparte positie in en sorry, dat wil ik niet.

Wat mijn collega deed – de eigenschap ‘gierig’ toekennen aan joden – is puur racistisch. Antisemitisch vind ik een raar woord. Antisemitisch impliceert dat je ook pro-semitisch hebt. Hoe kan je tegen (anti) of voor (pro) Semieten (bedoelen we joden mee) zijn? Laten we het alsjeblieft ‘racisme’ noemen als iemand die met een keppeltje op, door Amsterdam loopt en uitgescholden wordt voor ‘vuile jood’. Van een aparte status voor joden is alleen maar ellende gekomen…

Of…zit er een heel klein wit kleinzielig mannetje in mij dat graag wil zeggen dat hij ook en net zo goed slachtoffer is van racisme?

Fré Cohen en ik.

Fré Cohen en ik. Hoe zit dat precies? Enkele jaren geleden werd mijn  moeder benaderd door een zekere meneer Van Dam die bezig was om van zijn familie een stamboom te maken. Kennelijk was hij met zijn genealogisch onderzoek bij mijn moeder uitgekomen. Hij vroeg haar om de namen van haar kinderen en kleinkinderen en partners met geboortedata en -plaatsen en huwelijksdata naar hem op te sturen en zo kwam ik met geliefde J. en onze drie zonen in deze stamboom terecht. Mijn moeder kreeg een pdf bestand waarin onze hele stamboom stond en die stuurde ze ons toe. Ik heb zitten smullen van die stamboom want hij gaat ver terug, en deze jongen houdt van ver terug. Ik werd destijds zo enthousiast dat ik zelf ook dacht om een stamboom te maken, maar helaas, dat strandde al snel. Een stamboom maken kost heel veel tijd omdat je heel veel moet uitzoeken en dus gaf ik er al snel de brui aan.

Kortgeleden was ik op zoek naar Schoontje Boas-Sarlie (wie was zij?). Deze vrouw stond volgens het joodsmonument.nl ingeschreven op het adres waar ook Fré Cohen ingeschreven stond: Tweede Oosterparkstraat 11 I, terwijl we wisten dat Fré in de Karel du Jardinstraat 11 II woonde. Gek, en dus een onderzoekje waard. Google is nog steeds mijn grote vraagbaak en via één van haar antwoorden kwam ik in dezelfde stamboom, maar dan on-line, terecht als waar ook ik in sta. Schoontje Boas-Sarlie bleek de tante van Fré. Fré Cohen en ik in dezelfde stamboom? Dat maakte mij natuurlijk heel erg nieuwsgierig. Op die betreffende stamboomsite  kan je verwantschap berekenen. Aldus voerde ik mijn naam in en de naam van Fré Cohen en liet de website rekenen. Met resultaat!

Elias Salomon van Cleef is onze stamvader. De man overleed in 1808 in Amstelveen en oefende aldaar het beroep van doodgraver uit. Zijn zoon, slager Abraham Elias van Kleef, overleefde zijn vader maar een paar jaar maar was wel de vader van Salomon Abraham van Kleef die de slagerszaak van zijn vader overnam. Tien kinderen kreeg hij waarvan drie de kleutertijd niet overleefden. Eén van de overlevers was Mozes van Kleef. Nou ja, overlever…Hij oefende het beroep van schijvenschuurder uit en werd nog geen veertig. Schijvenschuurder was niet direct een gezond beroep. Zijn vrouw Lea Gobets heeft hun drie kinderen alleen moeten opvoeden. Alle drie haar kinderen werden in 1943 vermoord. Zij zelf ook. Oudste zoon Salomon van Kleef, die sigarenmaker was, werd, voordat hij vermoord werd, de vader van mijn grootvader Hijman en Hijman heeft nooit de kans gekregen om mijn opa te worden want ook Hijman werd – in 1943 – vermoord en oma hertrouwde later met mijn opa. Zo gaat dat. Hijman kreeg nog net op tijd een dochter, mijn moeder en…mijn moeder is dus mijn moeder en ik haar oudste zoon.

Voor Fré Cohen keren we terug naar onze stamvader Elias Salomon van Cleef. Hij had namelijk, naast zoon Abraham, ook nog een zoon Philip die ook al zijn heil had gezocht in de vleessector. Zijn dochter Sara Philip van Cleef trouwde met broodventer Joel Abraham Cohen Bromet. Hun zoon Abraham Joel Bromet trouwde met Schoontje Lucas Sarlie wiens vroege dood en vermoorde dochter er in dit verhaal niet meer toe doen. Schoontje had namelijk een broer, Hartog Sarlie, die de opa van Fré Cohen was. Uit zijn huwelijk met Vrouwtje Hen (wie heeft die namen verzonnen?) werd de moeder van Fré, Esther Sarlie, geboren en dus ook tante Schoontje Sarlie waarbij Fré, volgens officiële bronnen, inwoonde.

Kortom: Een DNA-onderzoeker zal geen verwantschap tussen mij en Fré Cohen kunnen vaststellen, maar onze verwantschap past wel op een A4-tje. Ben ik even trots op mijn familie!

Lucebert

Inderdaad, ik had het nooit gedacht. Dat Lucebert tijdens de oorlog het nazisme omarmde. Dat hij antisemitische dingen schreef aan zijn toenmalige vriendin. Ik had het nooit gedacht en vandaag komt het als een klap bij heldere hemel. De vijftigers, waarvan hij de keizer was, straalde revolutie uit. Linkse revolutie. De arbeidersklasse, daar gingen ze voor terwijl diezelfde arbeiders hun poëzie nooit zou kunnen begrijpen. Ben ik er kapot van dat dit nu naar boven komt? Nee. Helemaal niet. De tijd heeft heel wat scherpe kantjes van mijn kijk op het verleden afgeschuurd. De tijd heeft me mild gemaakt. Dat wegslijpen van die scherpe kantjes van mijn kijk op de geschiedenis heb ik heel bewust meegemaakt.

Als ik naar mezelf kijk toen ik een jaar of twintig was dan schrik ik nu best van mijn denkbeelden van toen. Zo fanatiek anti-Duits. Ik herinner me kinderen van ouders die aan het oostfront hadden gestreden of die lid waren geweest van de NSB. Hoe fout kon je zijn…  En die foute ouders gaven die fouten door aan hun kinderen. Ook zij waren fout. Het onnoemelijke leed dat het joodse volk was aangedaan was mede hun schuld. Ik wist toen nog niet wat er met mijn omaatje was gebeurd, maar ik vermoedde veel. Haar leed was zo enorm dat we niet met haar durfde te praten over die periode. Zij was goed; zo verschrikkelijk goed.

Oké, goed De Klerk, hou maar op! ‘Totdat je je geliefde in de ogen keek. ‘ Wat een sentimenteel geneuzel! Maar toch is het wel zo.  Met haar heb ik mijn eerste trip naar Duitsland gemaakt en ervan genoten. Maar het belangrijkste is natuurlijk Ank. Mijn schoonmoedertje. Nu alweer een paar jaar geleden overleden. Ik mis haar erg. Een onafhankelijke denkster hoewel ze daar zelf heel erg anders over dacht. In de oorlog was het gezin waar ze uitkwam fanatiek en prominent lid van de NSB. Ik besefte door haar dat de NSB een foute keuze was van goede mensen.  Ik besefte door haar hoe dicht fout of goed bij elkaar lagen. Dat het op dat moment vaak aan de omstandigheden lag welke keus je maakte. Dat mijn schoonmoeder net zomin een keus had gehad als mijn oma. Mijn schoonmoeders familie leefde in NSB-kringen en dachten de wereld goed te doen door die keus te maken. Mijn schoonmoeder had geen enkele keus want ze was kind. Mijn oma was joods. Daar had ze uiteraard niet voor gekozen.

Lucebert koos in eerste instantie dus ook fout. Dit gedicht van hem, dat schuurde bij mij. Het gebruik van het woord ‘neger’. Terwijl ik het zo’n mooi gedicht vind, heb ik het er niet lekker mee. Aan de andere kant…onthult Lucebert hier iets over zijn zwarte periode tijdens de oorlog?

Er is een grote norse neger

Er is een grote norse neger in mij neergedaald
die van binnen dingen doet die niemand ziet
ook ik niet want donker is het daar en zwart

maar ik weet zeker hij bestudeert er
aard en structuur van heel mijn blanke almacht

hij morrelt wat aan halfvermolmde kasten
dat voel ik – splinters schieten door mijn schouder
nu leest hij oude formulieren dit is het lastigst
teveel slaven trok ik af van de belasting

Besnijdenis; een afgrijselijke traditie

Mensen houden van tradities. Tradities zorgen ervoor dat men zich verbonden weet. Dat ze iets met elkaar delen. Tradities blijven altijd hetzelfde. Tradities zijn niet aan verandering onderhevig. De maatschappij wel. De mensen die onderdeel van de maatschappij zijn, passen zich aan aan de veranderende omstandigheden. Zo worden er vreemde tradities in stand gehouden die allang door de tijd zijn ingehaald.

Van de besnijdenis is, voor zover ik weet, niet eens meer te achterhalen waarvoor het ooit goed was. Een afgrijselijke traditie. Ik ben zoals gezegd van gedeeltelijke joodse komaf. Naar verluidt ben ik destijds door het oog van de naald gekropen. Ik ben er mijn vader eeuwig dankbaar voor dat hij mijn lijf beschermd heeft. Dat mijn piemeltje ongeschonden is gebleven. Dat het mes in de schede gebleven is. Er is geen enkele reden om het lichaam te verminken. Ook niet het mijne. De enige reden zou religieus van aard zijn. En…zoals je wel weet: Godsdienst is opium voor het volk en God bestaat niet. Het betekent dat mijn pik voor Jan LUL besneden zou zijn. Pa, je hebt me een hoop ellende bezorgt, maar hier zat je goed. Bedankt!!!

Opmerkelijk is dat zelfs in Bijbelse zin de besnijdenis tot schokkende excessen geleid heeft. Lees maar Genesis hoofdstuk 34. Het gaat over Dina, de dochter van Jacob en Lea. Ze wordt verkracht door het mannetje Sichem van een naburige stam. (Niet goed te praten, overigens.) Maar die Sichem is zo verschrikkelijk verliefd op haar dat hij er alles voor over heeft om met haar te kunnen trouwen. Hij wil zich zelfs laten besnijden. Sterker nog, Zolang hij mag hopen op Dina wil hij zelfs zijn mannelijke stamgenoten opleggen om zich te laten besnijden. Aldus geschied. En op de derde dag, als de Hevitische mannen slap van de pijn in hun piem tegen elkaar aanhangen, slaat Jacob toe en vermoord hij ALLE Hevieten. Niet alleen Sichem de verkrachter…dat zou nog ergens een heel klein beetje te billijken zijn, maar ALLE Hevieten. Besnijdenis; ik moet er niets van hebben.

Genesis34

Moeders die over besnijdenis van hun jongetjes spreken, hebben ook altijd de meest achterlijke argumenten:

Zo zou het schoner zijn als ze je voorhuidje begraven hebben. Wat een onzin! Niets is zo makkelijk en zo goed schoon te houden als je piem. Moet je die vaginale bacteriële kweekbak eens bekijken! Probeer die maar eens schoon te houden! Reinheid is het slechtste argument.

Het past in de traditie: We doen het al eeuwen…Daar moet je bij mij niet mee aankomen!

Met zijn voorhuid valt hij buiten de groep. Onzin dus. Het is een nieuw argument die vooral door islamitische mensen wordt gebruikt (joden vielen altijd al buiten de groep…). Gezellig elkaars piem vergelijken is geen gebruik binnen de islamitische wereld. In tegendeel zou ik haast zeggen; sinds de intocht van moslim jongetjes op de scholen is het samen bloot douchen afgeschaft. Als je van elkaar niet weet dat je al of niet besneden bent, dan val je ook niet om die reden buiten de groep. Ook een heel slecht argument!

Pleiten voor een verbod op besnijdenis is koren op de molen van antisemieten en racisten. Daarom wil ik anderen liever overtuigen, maar eigenlijk ben ik best voor een wet tegen het verminken van jongetjes.

Het feest van de verbroken ketenen

Vandaag is het Keti Koti. Een feest waarvan ik vind dat we dat in Nederland moeten vieren. Massaal. Maar ook een feest waar ik een beetje bang voor ben. Met Keti Koti vieren we dat westerse landen zo’n honderdvijftig jaar geleden anders zijn gaan denken over slavernij. Dat regeringen van die landen het niet meer gewoon vonden dat mensen dwangarbeid verrichtten; verhandeld werden. Tot die tijd was dat heel gewoon en in veel andere culturen dan de westerse, vindt men dat nog steeds heel gewoon. Enkele weken geleden schreef ik over de  Global slavery index . Bekijk de site en je weet; Keti koti gaat niet over de afschaffing van de slavernij.

Wat de westerse vorm van slavernij wel uniek maakte was dat slaven van het ene naar het andere continent versleept werden. Westerse landen namen slavenhandel serieuzer dan andere landen. Was het daar zo dat je je slaaf aan je buurman verkocht; in het westen werden slaven gelijkgesteld aan een lading graan, steenkool of suiker. Dat was wel behoorlijk uniek. Maar verder blijven slaven mensen die voor een ander dwangarbeid verrichten. Mensen die het eigendom zijn van andere mensen. Mensen overal ter wereld moeten van hun ketenen worden bevrijd. Dat is mijn mening.

Keti koti wil ik vieren in Nederland, en herdenken. Ik wil dat het niet alleen onze gedachten laat gaan over de westerse vorm van slavernij, maar dat we nadenken over alle vormen van slavernij. Dat het een dag wordt in het teken van de bevrijding van de mens van haar ketenen. Dwangarbeid honderdvijftig jaar geleden in Suriname is net zo erg als dwangarbeid in India op dit moment.

Maar ik ben bang dat mijn idee over keti koti het hem niet gaat worden. Ik ben bang dat het toch vooral zal gaan om blanke slavenhandelaren in het verleden en blanke plantage-eigenaren en dat er zwarte slaven werden aangevoerd. Dat er blanke slavendrijvers waren en dat zwarte mensen de klappen kregen. Dat keti koti daarover zal blijven gaan.

Mijn huid is zo blank dat het met het minste zonnestraaltje verbrand. Ik heb nog nooit iets met slavernij te maken gehad. Wel in mijn familie. Mijn opa deed slavenarbeid op de Drentse hei en mijn oma in Auschwitz. Dat moesten ze doen omdat ze joods waren en sterk en jong tijdens de tweede wereldoorlog. Maar dat telt denk ik niet mee voor keti koti. Dat maakt me ook erg bang; veel slavendrijvende plantage-eigenaren in Suriname waren joods. Als keti koti gaat over de tegenstelling blanke dader en zwart slachtoffer, waarom gaat het dan niet binnenkort over joodse dader en zwart slachtoffer? Daarom maakt keti koti mij bang.

Ondanks mijn blanke huid en ondanks mijn gedeeltelijk joodse afkomst ben ik schuldig noch slachtoffer. Ik wil op geen enkele manier geassocieerd worden met de slavenhandel of de slavenhouderij. Zolang keti koti een blank-zwart feest blijft, verandert er niets. Ook bijvoorbeeld Gloria Wekker is schuldig noch slachtoffer. Zij vindt wel dat mensen met een blanke huid schuldig zijn. Laat haar nadenken tijdens keti koti. Laat haar bedenken of haar ideeën ons allen verder brengt.

Laten we er wel een feest van maken. Het feest van de verbroken ketenen. Van iedereen!

Liefde laat zich niet dwingen

Ik heb verzaakt om aan mijn oma te vragen waarom ze, als joodse vrouw, voor een joodse man koos. Ik kan het haar nu niet meer vragen. Maar het is een interessant vraag. Mijn oma was voor de oorlog actief in de AJC. De AJC was haar leven. Ze geloofde in een betere wereld. Een wereld waarin het kapitalisme had plaatsgemaakt voor een klasseloze maatschappij. Oma ging om met grote socialistische voortrekkers. Koos Vorrink was een goede kennis van haar. Godsdienst was volgens hun opium voor het volk. Toen ik haar uitnodigde voor de doop van onze oudste, haalde ze hautain haar mopsneusje op; zij in een kerk, aan-haar-nooit-niet. Maar toch koos ze voor een joodse man. Niet één keer, maar twee keer. De vader van mijn moeder was joods maar ook mijn ‘echte’ opa waarmee ze na de oorlog trouwde, was joods. Merkwaardig. Waarom? Ik had het haar moeten vragen.

Als mijn oma gekozen had voor een niet-joodse man, dan waren haar problemen in de oorlog lang niet zo groot geweest. Hoewel ik van mening ben dat je de liefde niet kan dwingen, is het wel opvallend dat ze in een jongerenorganisatie waar men niets van godsdienst moest hebben, juist koos voor een joodse man. Stilletjes denk ik…of vraag ik me voorzichtig af…is dat ook niet een racistische stap? Ik durf het haast niet hardop te zeggen. Maar heeft zij haar partnerkeuze wellicht laten leiden door het idee dat joden beter zijn dan anderen? Hoe zit dat precies? Haar zus, mijn tante Marie, was absoluut niet bezig met het verheffen van de arbeidersklasse. Politiek zei haar niet veel. Het jodendom trouwens ook niet. Ze trouwde met een niet-joodse man. Haar problemen tijdens de oorlog met het extreem racistische regime waren groot, maar stonden in geen verhouding met de problemen die mijn oma met het regime had. Mijn oma, mijn moeder en mijn biologische opa wilden ze dood. Tante Marie had wat dat betreft niet veel prio…voor dat regime.

In de jaren dertig van de vorige eeuw deed mijn oma moeite om de ‘arbeiders aller lande’ te verenigen in de strijd tegen het kapitaal, maar in haar partnerkeus beperkte ze haar blik, zo lijkt het. Ik had het haar moeten vragen vijftien jaar geleden.

Ik heb er al eerder over geschreven, maar racisme voorkom je door eerst zelf een stap te zetten. Racisme bestaat bij de gratie van onderscheid. Joden, Marokkanen, Surinamers, Russen, Oekraïners. Zolang die groepen bij elkaar leven, kunnen ze elkaar op grond van hun ‘wil’, tolereren en rekening met elkaar houden. Integreren, dus. Maar wil je echt van racisme af, dan moet je mengen. Dan moeten joden met Marokkanen kindjes krijgen en Nederlanders met Surinamers en Oekraïners met Indonesiërs en Molukkers met Russen. En hun kinderen moeten ook weer trouwen zonder aanziens des rasses…wat dan ook al veel makkelijker gaat, want over wat hebben we het dan nog precies?

Maar, zoals ik al zei, liefde laat zich niet dwingen. En…vrijheid betekent ook dat je als joodse vrouw mag kiezen voor een joodse man. En…dan mag een Molukse man natuurlijk ook kiezen voor een Molukse vrouw. Of…dat een Marokkaanse man mag kiezen voor een Marokkaanse man (en geen kindjes krijgt). No problem at all… maar het lost het racisme niet op.

Jodenvervolging

Mag je twijfelen aan de jodenvervolging? Ik vind natuurlijk van niet. Het beledigt de joodse gemeenschap nogal. Er is weinig joods aan mij te ontdekken, maar kijk je zuiver naar erfelijkheid, dan ben ik vijftig procent joods. Mijn moeder heeft twee joodse ouders. Voor mij maakt het niets uit, want ik heb er eigenlijk nauwelijks gevoel bij, het jodendom. Vanuit mijn opvoeding heb ik wel wat meegekregen; niet zozeer joodse gebruiken of recepten (nou ja, een beetje dan) maar vooral de geschiedenis. Ik ben opgegroeid met de tweede wereldoorlog en de concentratiekampen.

Vroeger voelde ik me heel erg gekrenkt als iemand ontkende wat er in de oorlog was gebeurd met de joden. Mijn jongste zoon doet dat. Hij ontkent niet dat er joodse mensen vermoord zijn, maar hij twijfelt wel aan de hoeveelheid slachtoffers, en hij ziet weinig bewijs. Dat poneert hij met heel veel poeha. Dat heeft in het verleden veel succes gehad, want ik werd laaiend. Wat vind een puber leuker dan zij pa woedend maken? Ik zou het niet weten! Hij is de puberteit nu ontgroeid, maar die tweede wereldoorlog en die joden en die slachtoffers, dat blijft een heikel punt. De staat Israel en haar legitimiteit worden er dan ook nog graag bijgehaald.

Neem ik het hem kwalijk? Nee, niet meer. Ik ben mild geworden en bovendien is hij verder van onbesproken gedrag en lijkt hij niet echt voor extreem rechts te gaan. Mmmm, dat staat er een beetje boekhouderachtig; hij is een heerlijke kerel geworden en ik ben helemaal gek op hem (net als op zijn twee broers, trouwens). Voor mijn zonen is de tweede wereldoorlog onderdeel van de geschiedenis geworden. Hoewel ik jaren na de tweede wereldoorlog geboren ben, was het in mijn jongenstijd nog geen onderdeel van de geschiedenis; het was nog deel van het heden. Opa’s en oma’s leefden nog (voor zover ze de oorlog natuurlijk overleefd hadden). Voor hun bestond het leven uit  ‘voor de oorlog’ en ‘na de oorlog’.

Wat te doen met mijn ongelovige Thomas alias mijn jongste zoon…? Ik dacht als ik nou eens alle mensen in mijn moeders familie ga documenteren, dan kan je zien hoeveel mensen het overleefd hebben en van hoeveel er niets rest dan een naam. Daarmee ging ik vandaag aan het werk. Eerst proberen via Yad Vashem; de grote holocaust database. Dan loop je al snel vast, want wie ken je nou precies met naam en toenaam. Eigenlijk maar eentje, de biologische vader van mijn moeder. Hijman van Kleef geboren in Amsterdam na 1910 maar voor 1920, bedacht ik. Dat bleken er al een aantal te zijn. Iemand traceren die je niet kent…dat is pas echt moeilijk. Yad Vashem was een heilloze weg. Gelukkig herinnerde ik me dat iemand een stamboom aan het maken was van de familie van de vader van mijn moeder. Na een heel klein beetje googelen, had ik de stamboom te pakken. Toen bekroop mij een angstig gevoel. Stel dat het aantal oorlogsslachtoffers nou minder dan vijftig procent is in deze tak van de familie…Dan kan ik weinig bewijzen.

Ik opende de stamboom. Ik vond ons gezin. Ik vond mijn moeders gezin; Dat bestond uit drie personen, twee overleefden het. Ik vond het gezin van mijn grootvader. Van de vijf personen overleefde er maar één de oorlog. Het gezin van mijn overgrootvader. Er leefden vier gezinsleden toen de oorlog uitbrak. Toen het vrede werd waren ze alle vier dood. Tenslotte het gezin van mijn overgrootmoeder. Negen personen leefden toen de oorlog begon; veertigers en vijftijgers plus twee bejaarden. Aan het eind van de oorlog niemand.

Moet ik nou opgelucht zijn over het feit dat niemand van boven de 40 de oorlog overleefd heeft? Het is dus echt waar! Zou mijn zoon het geloven? Zou hij het kunnen aanvaarden dat dit alles echt gebeurd is? Ik hoop het zo!

De Oorlog voorbij; Joods Amsterdam in de jaren vijftig

Gezien op 2 november 2015 in het Joods Historisch Museum.

27._Dansavond_voor_joodse_jongeren_636NM013339

Foto’s uit de periode dat ik geboren ben. Foto’s over de joodse gemeenschap in Amsterdam in die periode. Foto’s over mensen die op dat moment weer opkrabbelen; die een nieuw levens-elan zien groeien na de zwartste periode ooit. Dat is het centrale thema van de tentoonstelling van foto’s van de Amerikaanse fotograaf Leonard Freed in het Joods Historisch museum.
Freed leefde in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw in Amsterdam. Hij begon daar zijn carrière met het geven van een beeld van de stand van zaken van de joodse gemeenschap zo’n 10 tot 15 jaar na de oorlog. Begin jaren ’70 van de vorige eeuw ging Freed weer naar New York en groeide hij uit tot een van de grote fotografen van de Magnum groep.
In de jaren ’50 van de vorige eeuw begon er ook een nieuwe wind te waaien in kunstzinnig Amsterdam. Karel Appel en Constant Nieuwenhuizen baanden nieuwe paden in de schilderkunst. Simon Vinkenoog, Gerrit Kouwenaar, Remco Campert maar vooral Lucebert zochten nieuwe wegen in de poezie (de laatste trouwens ook in de schilderkunst). Amsterdam bruiste zachtjes en zou tot halverwege de jaren ’60 uitgroeien tot het ‘Magies centrum’.
Na de oorlog probeerden de mensen zo goed en zo kwaad als het ging, hun leven weer op te pakken. Voor velen werd de synagoge weer het middelpunt van het religieuze leven. Men vierde Bar Mitswa, men trouwde er en men las de thora.
Kinderen die geboren werden vlak na de bevrijding vormden de belofte voor de toekomst. (kinderen zijn dat altijd, trouwens) Ondergedoken kinderen, of de paar die het op een raadselachtige andere manier hebben overleefd, worden zich bewust van de wereld en overwegen hoe ze verder willen in het leven; hier in Amsterdam of elders, volgens de joodse traditie of integreren. Van dit alles doet Leonard Freed fotografisch verslag.
De foto hier getoond, laat een meisje zien op een joodse dansavond voor jongeren. Het meisje had mijn moeder kunnen zijn. Zo uit het leven gegrepen.
Sommige kinderen die getoond worden op de foto’s vertellen achteraf op de tentoonstelling over de foto’s. Daarmee vertellen ze over hun jeugd. Aviva Moskovits bijvoorbeeld. Haar ouders pakten de draad van het leven na de oorlog op. Dat deden ze op precies dezelfde wijze als dat ze het in de oorlog hadden achtergelaten. Ze hielden vast aan de joodse tradities. Beide ouders hadden de concentratiekampen overleefd en bovendien ook nog twee kinderen er doorheen gesleept. Na de oorlog werd Aviva geboren. Echt een leuk verhaal om te horen. Ook bijzonder is, dat de ouders altijd erg open zijn geweest over de oorlog. Dit staat een beetje in contrast met verhalen die je vaak hoort dat men de oorlog zwijgend achter zich neer heeft gelegd.
Op zich een weinig spectaculaire, maar wel leuke tentoonstelling.