Tagarchief: jodenvervolging

Het Nationale Holocaust Museum

Over de holocaust kan wat mij betreft niet voldoende gezegd worden. Voor mij is het een keerpunt in de geschiedenis. Overal in de wereld zijn oorlogen en vallen er doden. Overal in die oorlogen gaan mensen dood die niets met de strijd te maken hebben. Tijdens een oorlog is niemands leven meer zeker en is iedereen een potentieel doelwit. Wreedheden kan je de soldaten van de strijdende partijen nauwelijks verwijten omdat ze haat moeten voelen voor de partij waartegen ze oorlog voeren. Als je de andere groep niet haat kan je de soldaten van de tegenstander niet doden. Haat doet het slechtste in mensen bovenkomen en dus kan je soldaten het vermoorden en verkrachten van de andere partij nauwelijks verwijten. Maar met de holocaust is het toch anders. Joden waren niet perse partij in de oorlog die gevoerd werd. De holocaust is een uitvloeisel van puur racistische haat. Het mondde uit in het systematisch, op fabrieksmatige manier vermoorden van enorme hoeveelheden mensen. Een enkeling mocht het genoegen smaken om als slaaf te helpen bij het volvoeren van de massale moordpartij of ingezet te worden in de oorlogsindustrie.

Met deze gedachten over de holocaust stapte ik het nieuwe Nationale Holocaust Museum binnen aan de Plantage Middenlaan tegenover de Hollandse Schouwburg. Ik bezocht daar de tentoonstelling De Jodenvervolging in foto’s. Nederland 1940-1945. Een aangrijpende fototentoonstelling maar toch voor mij behoorlijk teleurstellend. De foto’s zijn genomen in de periode vanaf de aanloop van de oorlog tot de terugkeer van de overlevenden. De focus ligt in de tentoonstelling op enerzijds de foto’s die amateurs maakten over het dagelijkse leven en hoe om te gaan met de doem die langzaam maar gestaag over het joodse volksdeel heen schoof en anderzijds professionele fotografen die al dan niet in opdracht, foto’s maakten die te maken hebben met de jodenvervolging. Foto’s uit die periode over het joodse leven zijn altijd interessant omdat je weet wat de mensen op de foto’s te wachten staat. Zo zie je een foto van een groep mensen van ze rond de twintig. De kracht van hun jeugd en verwachtingen voor de toekomst stralen in hun ogen. Mooie jonge mensen. Vrienden van elkaar. Studenten nog. Kinderen nog. Bij het onderschrift lees je dat op één na iedereen binnen een jaar na het maken van de foto was overleden, dat schuurt verschrikkelijk. Of…die schoolklas vol kinderen. Ook daar maar één meisje dat alle ellende overleefd heeft.

Ik had van de foto’s over de terugkeer van de joodse overlevenden hoge verwachtingen. Ik hoopte iets te begrijpen over de verhouding tussen mijn oma en mijn moeder. Het idee dat mijn ondergedoken moeder als kind van niets wist en dat er op een dag zomaar een vrouw voor haar stond die beweerde dat ze haar moeder was, fascineert mij enorm. Hoe zag mijn omaatje eruit toen ze vanuit de hel in Oost-Europa terugkeerde in Nederland? Wat voor indruk maakte ze op mijn moeder? Op de laatste vraag antwoordde mijn moeder al eens…eng. De dood stond in haar ogen en ze was broodmager. Die foto’s had ik graag gezien. Maar helaas werd ik daarin behoorlijk teleurgesteld. Terugkerende joden waren in die dagen niet voldoende interessant om te fotograferen, helaas. Slechts een enkele foto…

Ik was onder de indruk van de foto’s, maar… Op de terugweg naar huis vroeg ik me wel af wat deze foto’s voor meerwaarde hebben. Eigenlijk begon ik behoorlijk te twijfelen aan het bestaansrecht van dit nieuwe museum. Komt de holocaust niet al voldoende tot haar recht in andere musea? We hebben het Joods Historisch Museum waar veel aandacht is voor de jodenvervolging door de eeuwen heen, maar de holocaust (uiteraard) in het bijzonder. We hebben het bezoekerscentrum met een permanente tentoonstelling in Westerbork, en – last but not least – aan de overkant het monument De Hollandse Schouwburg.  Waarom ook nog een holocaust museum? Ik zie er het nut eigenlijk niet van in. Hoewel er in mijn ogen niet genoeg onderzoek gedaan kan worden naar de genocide (opdat het nooit meer gebeurt) een nieuw museum maakt het teveel. Het is niet nodig. Het kan de goede zaak ook tegenwerken. We moeten beseffen dat de holocaust een zwarte bladzijde in de geschiedenis is. Het leeft niet meer. De volwassenen die het hebben meegemaakt zijn nagenoeg allemaal overleden. De kinderen die het nog meegemaakt hebben en er nauwelijks levende herinneringen aan hebben, zijn oud of gaan dood. De levende herinnering is aan het vervagen.  Het wordt bijgezet in de geschiedenis en neemt daar een belangrijke plaats in. Meer is niet nodig en ook niet gewenst, denk ik. Het boek moet gesloten; we hebben er nu voldoende in geschreven; velen kunnen het lezen; nieuwe hoofdstukken zijn niet echt meer nodig.

De (on)zekerheden over Kamp Westerbork

We fietsen een rondje door Drenthe. Zo’n slordige honderdvijftig geplande kilometers, maar in werkelijkheid een stuk meer. Verspreid over drie dagen. De auto hebben we in Giethoorn geparkeerd en vandaaruit zijn we eergisteren naar Assen gefietst. Daar had ik een appartementje gehuurd voor een nacht. Dat bleek een fantastisch tuinhuisje te zijn waar we zeer welkom werden onthaald. Vandaar zijn we gisteren naar Hollandseveld gereden, in het echt een gehucht daaronder: Nieuw Moscou. Onderweg kwamen we herinneringscentrum Kamp Westerbork tegen. Daar kon deze jongen niet zomaar langs fietsen. Helemaal niet omdat ik gehoord had dat de commandantswoning geconserveerd was en ik dat graag wilde zien. De laatste keer dat ik Kamp Westerbork bezocht, was die woning een bijzonder fascinerend krot dat elk moment van ellende in elkaar kon storten.

De commandantswoning

Over de woning bleek een glazen overkoepeling te zijn gebouwd. Het maakte het huis nog bizarder dan het al was. Een beetje een sprookjeshuis; een huis waarin ik graag zou willen wonen. Grotendeels van hout. Met een grote waranda en veel ruimte om het huis. Maar ja, het huis werd juist bewoond in een periode dat het volledig uitzicht had op een plek des onheils. Laten we zeggen uitzicht op het voorgeborchte van de hel. Hoewel…als je de afloop nog niet kent van de mensen die daar verbleven, had je makkelijk kunnen denken dat dit kamp al de hel was. Duizenden mensen van huis en haard verdreven opgesloten in een kamp zonder enige privacy. Zou ik op dit moment in zo’n kamp zitten, dan zou ik denken dat ik in de hel zat… Maar het was het voorgeborchte. Dat voelde men waarschijnlijk ook wel zo want velen deden hun best om niet op de trein gezet te worden naar het oosten.

Hoe dachten de mensen die in dat nu geconserveerde huis woonden over dat kamp waarop ze uitzicht hadden? Wisten zij wat het lot was van de mensen die vanuit het kamp op de trein richting het oosten werden gezet? Rondom de geconserveerde commandantswoning staan borden die verschillende personeelsleden bespreken…

een van de beulen?

Zo ook secretaresse Elisabeth Hassel-Mullender. Gezien mijn gedeeltelijk joodse achtergrond en gezien de manier waarop ik grootgebracht ben, heb ik een gevormde blik om tegen dit soort verhalen aan te kijken. Maar gelukkig is daar bijzonder graag discussiërende zoon R. die mij uitdaagt om alles met een open blik te bekijken. Het verhaal wat er op het bord staat zou ik vroeger als zoete koek geslikt hebben, nu vraag ik me af wat de betekenis is van zinsneden als: ‘In het kamp staat ze bekend als…’ of ‘Gezegd wordt dat…’ Vaagheden, kortom. Ook de getuigenis van Aad van As, dat op hetzelfde bord als bewijs wordt opgevoerd, brengt geen soelaas. De man was zelf onderdeel van het vervolgingsapparaat en diende aan te tonen dat de ‘anderen’ veel slechter waren dan hijzelf… Haal ik alle negatieve nauwelijks bewezen opsmuk uit het verhaal, dan blijft er een ongelukkig getrouwde vrouw achter die haar minnaar Gemmeker achterna reisde en samen met hem een tijd gelukkig was in de commandantswoning van Westerbork. Hoe zij tegen dat kamp aangekeken heeft destijds en de arme sloebers die daar gevangen zaten…ik weet het niet en de conservators van herinneringscentrum Kamp Westerbork klaarblijkelijk ook niet.

Mens blijven in tijden van wanhoop

De laatste jaren van haar leven ging het niet echt goed met mijn oma. Tijdens de laatste jaren van haar leven kwam ze zomaar terecht in een door haar zelfgeschapen wereld waarin iedereen, op een enkeling na, het op haar gemunt had. Ze was ervan overtuigd dat mensen zonder te vragen haar huis in- en uitliepen en haar spullen naar goeddunken gebruikten. Ze had daardoor zelf haast geen leven meer, maar ook haar buren hadden het zwaar. Misschien had ik moeten ingrijpen. Ik zag dat het fout ging. Ik probeerde haar gerust te stellen. Aan de andere kant zou ik niet geweten hebben hoe en met wat ik had moeten ingrijpen. Dat de buren onder haar geleden hebben…ik weet het. Oma gilde en schreeuwde tot diep in de nacht. Oma deed aangifte van van alles en nog wat. Mensen waar tegen aangifte was gedaan, werden verhoord op het politiebureau. Allemaal geen dingen die echt leuk zijn. Maar oma had het natuurlijk het zwaarst met zichzelf, hoewel ze zich daar nauwelijks van bewust was. Velen meden haar. Behalve sommige vrienden van heel vroeger. Die konden door alle verhullende lagen nog steeds die idealistische jonge vrouw zien van voor de tweede wereldoorlog. Maar voor velen was dat niet weggelegd. En dan was er nog ‘ik’. Mijn persoon. Voor haar was ik het toonbeeld van het goede in de wereld. Ik kan er niets aan doen en ik kon aan dat beeld niets veranderen. In mijn oma d’r ogen kon ik niet stuk. Dat benauwde me soms. Meestal kon ik daar redelijk mee omgaan. Ik was één van de weinigen die ze nog zoveel vertrouwde tijdens haar laatste jaren dat ik haar kon helpen. Boodschappen doen, bijvoorbeeld.

Met mijn moeder samen, gingen we door de spulletjes die ze had nagelaten. Veel lidmaatschapskaarten van de AJC of toegangskaarten voor AJC-evenementen. Allemaal ontworpen door Fré Cohen. Elk AJC-document ziet er daardoor fantastisch uit. We stuitte ook op dit zelf genaaide etuitje. We wisten van het bestaan. Nu we het zagen vervulde het ons met groot ontzag. Het etuitje heeft ze in Auschwitz gemaakt. Een lapje en een paar drukkertjes. Bang om iets kapot te maken liet ik mijn moeder het etuitje openmaken. Ik wist al wat erin zat, daar niet van, maar we wilden het toch graag in het echt zien. Een minuscuul kammetje en een stukje spiegel. Je kunt je er zelf nauwelijks in zien. Toen we jaren geleden hoorden van het bestaan van dit etuitje moesten we een beetje besmuikt lachen; zelfs in Auschwitz bleef oma een dame die goed voor de dag wil komen. Maar dat beeld is nu bij mij toch wel gewijzigd. Ik heb me de vraag gesteld wat het betekent als je niet meer weet hoe je er zelf uitziet. Wat doet het met je als anderen je reduceren tot minder dan een beest en jou ook graag willen doen geloven dat je minder dan slachtvee bent. Om dat te overleven moet je jezelf ervan overtuigen dat dat beeld niet klopt. Met een kam en een spiegel kan je iets van een mens blijven. Tenminste voor jezelf.

Oma heeft anderhalf jaar lang, constant, de dood in de ogen gekeken. Ze wist dat ze elk moment kon sterven en dat daar geen enkele reden voor nodig was. Wat moet er door haar heen gegaan zijn toen ze daar op die godvergeten plek overleefde terwijl ze besefte dat bijna iedereen waar ze van hield dood was. Dat kammetje en dat spiegeltje moeten haar eraan herinnerd hebben dat ze mens was.

Bezoek aan kamp Westerbork

We zijn al een paar keer in het voormalig kamp Westerbork geweest. Als we in de buurt zijn, dan gaan we er kijken. Vooral het bezoekerscentrum. Dat fungeert min of meer als museum. Ondanks de koffers en de wanhopige briefjes van de voormalige bewoners die er zijn tentoongesteld wil het voor mij maar geen voorgeborchte van de hel worden. Dat was het natuurlijk wel. De bewoners van destijds beseften dat je vanuit Westerbork pas echt de hel zou betreden. Daarom wilden ze zo graag in Westerbork blijven. Ik denk dat de bewoners van Westerbork niet wisten wat er zou komen als ze in de goederenwagons werden geladen, maar dat ze het wel voelden. De mensen moeten gevoeld hebben dat na Westerbork het einde naderde. Je moet wel erg je best doen en jezelf voor de gek houden om het verhaal van werkkampen in het Oosten te geloven. Wat gingen al die kinderen en bejaarden daar dan doen? Die gingen daar toch ook heen? Daarom ligt in Westerbork de nadruk niet op de bevrijding van Westerbork, maar op zo lang mogelijk blijven in het kamp. Zorgen dat je een baantje had binnen het kamp zodat je onmisbaar werd en ze je niet op transport stelden. Misschien dat dat de reden is waarom Westerbork maar niet de gevangenis wil worden die het wel degelijk was.

Gisteren fietsten Josien en ik erheen. Nog nooit waren we er op de fiets geweest, altijd met de auto. Vanaf ons vakantieadres leek het makkelijk te doen. Westerbork ligt zo’n vijftien kilometer van ons vandaan. Maar wat we ons niet beseften was dat men kamp Westerbork in the middle of nowhere plande. Ver weg van de bewoonde wereld. Het dorp Westerbork is niet het einde van de wereld; dat is een pittoresk stadje in Drenthe. Geen afgelegen plek. Daarom situeerde men het kamp nog een behoorlijk eind buiten Westerbork. Dus moesten Josien ik nog zo’n slordige vijftien kilometer fietsen om kamp Westerbork te bereiken.

Het bezoekerscentrum viel een beetje tegen omdat er niet veel veranderd was sinds de laatste keer dat we er waren. Bovendien was het erg druk. Kinderen waren ongehoorzaam en speelde tikkertje tussen de tentoongestelde koffers van mensen die hier een onmogelijke tijd geleden hadden rondgelopen. Pubers dolden vooral met elkaar en hadden weinig aandacht voor de afscheidsbriefjes die her en der tentoongesteld waren. Er was eigenlijk maar één ding dat de ellende van destijds goed kon weergeven namelijk een beeld van hoe zo’n barak er nou van binnen uitzag. Een vage poging hebben ze daartoe gedaan in het bezoekerscentrum. Eén bed diep. Niet voldoende om de ellende voelbaar te maken. Als ik de baas was over het herdenkingscentrum dan had ik een barak nagebouwd. Al die bedden. Ik had de bezoeker willen laten voelen hoe het is om temidden van allemaal vreemde mensen te moeten leven. Min of meer heb je een eigen bed, maar dat is het wel. Een bed als territorium. Geen huis, geen eigen kame,r maar een bed. Hoe voelt dat? Mijn doel als baas van het centrum was dat gevoel van desolate eenzaamheid als eerste duidelijk te maken. Pas daarna zou ik aandacht geven aan de dreiging van deportatie naar het oosten. Ik denk dat ik de bezoekers door een volledig in bedrijf zijnde barak liet lopen. De geluiden van de barak zou ik laten klinken en ook de geur zou ik verspreiden. Ik denk dat een fysiekere benadering de ellende iets meer duidelijk maakt. Dat denk ik.

Wil – Jeroen Olyslaegers. Geen kanshebber!

De eerste van de zeven heb ik uit. De eerste genomineerde voor de Frits’ Libris Literatuurprijs 2017. Ik heb er best lang over gedaan, moet ik zeggen. Het was dan ook geen eenvoudig boek. Geschreven in plat Antwerps. Dat was mij bijna teveel geworden. Ik ben twee keer overnieuw begonnen aan het boek. Toen ik het de eerste keer las, was ik al snel de draad kwijt. De tweede keer heb ik het met meer aandacht gelezen. Toen bleven de personages iets meer op hun plaats dan de eerste keer. De eerste keer werd het een chaos en kon ik moeilijk bepalen wie het baardje had of Lode heette. Maar ook de tweede keer viel het boek niet mee. De roman ging niet echt leven, bij mij. Het boek nam me niet echt mee.

De hoofdpersoon is een hoogbejaarde man die zijn verhaal aan het papier toevertrouwd. Het verhaal is bestemd voor zijn achterachterkleinzoon die vooralsnog nog niet verwekt is, blijkt uiteindelijk. De hoofdpersoon speelde als jonge politieagent een dubieuze rol in de oorlog. Belgische en Nederlandse politieagenten spelen allemaal een dubieuze rol tijdens de oorlog. Helemaal als het gaat om de jodenvervolging. Daarnaast worstelt hij met de zelfmoord van zijn kleindochter, vele jaren na de oorlog; in haar afscheidsbrief legt ze alle schuld voor haar zelfmoord bij de hoofdpersoon. Uitgekotst door iedereen vertelt Wilfried Wils (Wil) zijn verhaal.

De openingsscene maakte wel indruk op me. Het speelt in de oorlog. Wil en zijn collega en vriend Lode moeten mee met de SD om een ‘werkweigeraar’ op te halen. Het blijkt het gezin te zijn van Chaim Litzke. Met veel geweld wordt het joodse gezin naar buiten gedreven en de twee jonge agenten moeten ervoor zorgen dat er geen gezinsleden ontsnappen. Lode doet een poging om het gezin te beschermen terwijl de hoofdpersoon toekijkt hoe het noodlot de joodse familie treft. Wil legt zich neer bij de situatie terwijl Lode in verzet komt. Dat toekijken is zo ongeveer de houding die Wil aanneemt; hij kijkt toe en onderneemt zelf geen actie. Hij verkeert in zeer verkeerde kringen, maar laat alles gaan zoals het gaat. Hij gaat ook om met Lode die Chaim Litzke laat onderduiken. Hij brengt de onderduiker zelfs eten, maar zelf een daad stellen tegen de bezetters, dat doet hij niet. Of…hij doet het wel, maar dan is het eigenlijk te laat. Als de oorlog afgelopen is, vermoord hij Omer; het gepersonifieerde racistische kwaad in Antwerpen. Een haast terloopse moord. Terloops beschreven.

Voor de oorlog krijgt Wil bijles Frans van Nijdig Baardje. Nijdig Baardje heeft nationaalsocialistische sympathieën. Tijdens de oorlog zal Nijdig Baardje zich samen met Omer ontwikkelen tot nietsontziende jodenjagers. Wil blijft omgaan met deze twee collaborateurs. Wils geliefde Yvette, de zus van Lode, wordt gezelschapsdame voor de moeder van Nijdig Baardje. Zo wordt de verhouding tussen goed en kwaad tijdens de oorlog geheel met elkaar vervlochten.

Het verhaal speelt zich af in Antwerpen. Antwerpen ken ik vrij goed en in die zin was het wel een leuk boek om te lezen. De Meir, het station, de opera, ik kan me de plekken makkelijk voor de geest halen. Vooral het stukje Antwerpen rond het station. De wijk waar nog steeds veel joden wonen. Ik zie het allemaal voor me. Verder vond ik het niet een heel sterk boek. Ik weet nu al zeker dat het niet hoog gaat eindigen in mijn prijsuitreiking. Olyslaegers slaagt er niet in om mij echt te boeien. De verhalen uit de oorlog zoals hij het verteld, ken ik al. Het sleepte me zeker niet mee.

Op naar de volgende roman!

Ze moet er toch van geweten hebben?

Wist ze het of…had ze het kunnen weten? Dat zijn vragen die ik mezelf stel als de NSB voorbijkomt. En als ze het geweten heeft, hoe reageerde ze daar dan op? Was zij in staat om afwijzend te reageren of liep ze dan gevaar? De afgelopen dagen kwam de NSB vaak voorbij. En dan ga ik piekeren: Hoe kan een zo geliefd, onafhankelijk denkend mens, lid zijn geweest van de NSB. Hoe kan dat. Ik kan er voor mezelf haast niet mee wegkomen dat ik het accepteer. Niet met mijn familiegeschiedenis. Niet helemaal mijn eigen geschiedenis misschien, maar toch komt het heel dichtbij.

Toen ik, vijftien jaar na de oorlog, geboren werd, was de oorlog nog een periode die bij iedereen vers in het geheugen zat. Hoewel de ketels van de gaarkeuken allang waren opgeruimd, knaagde het hongergevoel nog steeds. Bij mij op school was er een sterk bewustzijn over wat goed en wat fout was geweest in de oorlog. Wisten we dat iemand een nazaat was uit een fout gezin, dan waren we niet vergevingsgezind; terwijl er niets te vergeven viel. De afkomst straalde af op de persoon. Elke misstap of vermeende misstap van de persoon werd in verband gebracht met de familie waar hij uit voortkwam. De NSB was het kwaad. Duitsers waren schuldig. Daders. Zelfs toen ik de twintig al gepasseerd was had ik nog moeite met Duitsland. Met enorme tegenzin verbleef ik een paar dagen in Keulen omdat daar een fantastische kunstbeurs was. Wat had ik destijds graag gewild dat die beurs elders gehouden werd!

Maar dat verblijf in Keulen veranderde toch wel wat in me. Niet veel later keek ik in de ogen van mijn geliefde. Zij maakte de hele wereld milder. Ze sleep de scherpe kantjes van het bestaan. Bovendien leefden we toen in een tijd dat alles ‘moest kunnen’. En toen bekende mijn schoonmoeder dat ze uit een NSB-gezin kwam. Moest kunnen, dus, dacht en vond ik. Maar het voelde heel anders. Maar ik was ook erg nieuwsgierig. Ik wilde alles weten en hoorde haar helemaal uit. Ik kwam erachter dat bij hun thuis de NSB even gewoon en vanzelfsprekend was, als bij mijn moeder en oma het jodendom en het socialisme. Het was de realiteit van alledag en aan die realiteit van alledag viel weinig te veranderen. Er was geen keus; het was er gewoon. Anderen maakten een keus. Ze is nu een paar jaar geleden overleden, die schoonmoeder van me en ik merk dat ik haar enorm mis. Net als de rest van de familie. Een zeer geliefd en eigenzinnig persoon; we hielden van d’r.

Maar dat neemt niet weg dat ik in deze periode van herdenkingen toch soms terugval in oude gewoontes. Op de televisie werd verteld over de invoering van de Jodenster zeventig jaar geleden. Nederlanders steunden de joodse bevolking met de Februaristaking en met het opzichtig groeten van joodse medeburgers en het negeren van NSB’ers. Het programma toonde een cartoon uit NSB-kringen waar de houding van verzet werd uitgelegd als dat Nederlanders kropen voor de gemene jood. En toen dacht ik: Ze moet er toch van geweten hebben? Ze moet toch gezien hebben hoe racistisch de NSB was? En dan kan ik er niet over uit dat een zo geliefd mens zo fout dacht!

Het vernietigde paradijs

Mij hoor je niemand iets verwijten en je hoort mij zeker niet klagen, maar ik ben opgegroeid in de schaduw van de tweede wereldoorlog. Over mijn kindertijd lag een deken van Auschwitz, jodenvervolging, uithongering en gaskamers. Een doem van mensen die er niet meer waren maar er wel hadden horen te zijn. En over dat alles werd niet gesproken want dat zou maar oude wonden openrijten. Maar als we andere ouderen tegenkwamen met de mensonterende tatoeages op hun arm, dan wisten we dat ze bij ons hoorden. Bij hen die over onnoemelijk verdriet in de familie beschikten. Elk boek, elke film en elke foto over jodenvervolging was belangrijk, vonden we, maar erover praten deed je niet. Zo zat het met mij en mijn familie. En al dat lijden gaf ons ook nog het gevoel ergens bij te horen; de vervolgde joodse gemeenschap. Maar, omdat mijn ma hartstikke verliefd werd op een goy (mijn pa), en samen met hem, onder anderen, mij kreeg, had ik ook een niet vervolgde kant.

Mijn omaatje had Auschwitz overleefd. Meteen na de oorlog had ze haar tatoeages laten wegsnijden. Alsof ze Auschwitz uit haar herinnering wilde verwijderen. Maar voor de tatoeages in de plaats kreeg ze een lelijk litteken. Omaatje maakte ons wijs dat het een brandwond was geweest en lange tijd heb ik dat ook gedacht.

Mijn opa, en mijn ma en mijn oma en wij waren best in een identiteit-chaos beland. Opa is veertig jaar met mijn omaatje getrouwd geweest en was zonder meer mijn echte opa. Maar in het licht van genen en DNA heeft hij weer niets met ons te maken. Maar wie boeit dat wat? Mijn ma, dus. Zij kijkt vooral naar de man die al in 1942 vermoord werd. Met hem was omaatje maar enkele jaartjes getrouwd. Wie is er dan belangrijker? Het boeit inderdaad niet, maar het speelt wel een rol. Sinds zijn dood vijfentwintig jaar geleden, mis ik mijn opa. Ik heb eindeloze gesprekken met hem gevoerd over kunst, politiek en vooral de literatuur.

Ik woonde net op mezelf en opa en oma gingen op vakantie. Of ik poes Joepje wilde verzorgen. Natuurlijk wilde ik dat. Op 4 mei zouden ze Joepje komen brengen. Rond acht uur hadden we afgesproken. Geen idee waarom we juist op die dag op dat moment hadden afgesproken. Ik had de televisie aanstaan toen ze de poes kwamen brengen. Opa en oma verheugden zich op de vakantie, merkte ik. Ze wilden de poes afleveren en weer weggaan. Maar ze zagen dat acht uur en de stilte eraan kwamen. “Nou goed dan”, zei omaatje onwillig toen de trompettist de trompet aan zijn mond zette. Oma en opa gingen even zitten. Ongeduldig wachtte ze de stilte af. “Ik denk er altijd aan”, zei oma: “Wat maakt die twee minuten dan uit?” Op dat moment wist ik niets van oma. Helemaal niets. Ja, dood en verderf en dat weggesneden kampnummer. En we bleven tegen elkaar zwijgen. Tegen oma en ook tegen opa.

Opa’s oorlogsjaren kwam ik pas in de autobiografie van Ies Jacobs tegen. Ik bladerde door het boek Overleven een kunst en stond ineens keihard oog in oog met een jeugdfoto van mijn lang geleden overleden opa. Ies en hij hadden zich samen met succes door de oorlog geworsteld en ik wist daar niets van.

Met mijn omaatje heb ik wel gesproken. Toen ze al heel oud was trok ik de stoute schoenen aan. Ik vroeg naar wat ze had meegemaakt. Zij was zo gelukkig dat ik haar ernaar vroeg. Het is één van de beste dingen die ik ooit heb gedaan, want daardoor ken ik haar verhaal. Het verhaal van voor de oorlog was veel belangrijker dan het verhaal van de jodenvervolging tijdens de oorlog, ontdekte ik. Ze leefde niet zozeer met de herinneringen aan de hel van Auschwitz, maar meer met het paradijs dat door Auschwitz werd vernietigd.

Een kosjere lamsbout met kerst

Dit jaar wordt het lamsbout met kerst. De hallalle lamsbout heb ik gisteren besteld. Vrijdag ligt hij opgepoetst voor me klaar. Ik was zo bezig met die lamsbout dat ik vergat in de winkel rond te kijken. Terwijl ik van tevoren had gelezen dat het een winkel is met een beschermd interieur. Vroeger was het een De Gruyter. Om de zaak op te luisteren liet de toenmalige eigenaar tegeltableaus maken over de herkomst van zijn producten. Nu, en dat is al sinds heel lang, zit er een islamitische slagerij in die winkel. Met een heel aardige, maar vrij moeilijk verstaanbare slager. Hij vertelde dat zijn zaak nog bestond dankzij de vele joodse mensen die er in de buurt woonden. Weinig islamieten. En joden willen het liefst kosjer vlees, maar hallal mag desnoods ook. Dat vertelde de slager. Ik had eerst niet door van dat hallal omdat hij een lettergreep wegliet. Uit zijn mond klonk het woord meer als h’lal, en dat woord kende ik niet.

Ik heb een slechte verhouding met kosjer en hallal. Dat kan ik rustig zeggen. Kosjer en hallal gaat over de manier waarop het dier dood gemaakt is en het zegt helemaal niets over hoe het dier geleefd heeft. Kosjer en hallal zegt niets over de beste, en dus meest pijnloze en snelle, manier om het dier te doden, maar wel over hoe de religie het voorschrijft. Daar heb ik problemen mee. Die religieuze manier van slachten lijkt opgesteld als een aanwijzing over hoe men destijds, met de toen beschikbare middelen met de toen aanwezige kennis, zo goed mogelijk een dier kon doden. Die aanwijzing is achterhaald want er zijn betere en snellere manieren om het dier te doden. Maar wat destijds werd vastgelegd als aanwijzing is een religieuze wet geworden. Van een religieuze wet vraag je je niet af of hij zinloos of achterhaald is; je voert hem gewoon uit. Tenzij je erkent dat godsdienst opium voor het volk is en dat je niets te verliezen hebt dan de ketenen die het geloof je oplegt. Wat mij betreft: Als je religieus bent, ga je gang, maar zorg dat niemand (en dus ook geen dier) er last van heeft.

Dan maar een verbod op kosjer en hallal slachten? Laten we de wet voorschrijven dat dieren alleen op de meest pijnloze en snelle manier geslacht mogen worden? Er was dus dat wetsvoorstel van De partij van de dieren. Met steun van PVV-gekkie Gaus en zelfs ook mijn eigen partij. Ik was er aanvankelijk ook wel voor. Op rationele gronden. Op rationele gronden kan je alleen maar voor zo’n wet zijn. Niemand wil dieren graag laten lijden. Niemand wil dat koeien langzaam doodbloeden. Ik heb vertrouwen in de mensheid; niemand wil leed veroorzaken. Behalve als God het je oplegt. Dan gelden er andere regels. Kennelijk. Ik vind dat God je niets verkeerds mag opleggen dus was ik voor de wet tegen religieus slachten. Toen las ik dat elke periode van anti-semitisme en jodenvervolging begon met een verbod op ritueel slachten. Daarbij verschilde de argumentatie niet met die van de Partij van de dieren. Daar doet deze jongen dus niet aan mee.

Het lam dat zijn bout aan mij afstaat is hallal geslacht. In mijn tegenwoordige familie is dat gewenst. Het zij zo. Ik bereid me meteen voor op een stevige discussie! Met kerst? We zullen zien…

Een gevaarlijk teken aan de wand.

Ik ben ‘De Welwillenden’ van Jonathan Littell aan het lezen. Dat zijn erg veel bladzijden. Je mag gerust zeggen…heel erg veel bladzijden. Het gaat over de tweede wereldoorlog vanuit het perspectief van Maximiliaan Aue. Een SS’er die achter de frontlinies opereert om mogelijke aanvallen in de rug te voorkomen. Daarvoor is hij (in het deel dat ik nu lees) in Oekraïne. Mensen die de Wehrmacht in de rug zouden kunnen aanvallen zijn communisten, maar vooral joden. Daarom heeft hij als doel om de veroverde dorpjes jodenvrij te maken. Vanuit zijn perspectief een zware klus. Het moet gebeuren en iemand moet het doen.

Ik zie de wereld van de tweede wereldoorlog nu inmiddels enkele honderden bladzijden door de ogen van Aue en ik begin er genoeg van te krijgen. Gek genoeg kwam dat vrij snel nadat ik las dat de schrijver een Amerikaan was van joodse afkomst. Op de één of andere manier doorbrak dat voor mij de authenticiteit en daarmee de lust om het boek te lezen. De jodenvervolging is iets dat nooit in Amerika heeft gespeeld. Van de ene op de andere dag was het ‘plezier’ in het lezen over. En dan worden de slordige duizend pagina’s een hele berg. Voor mij kreeg het boek de lading van propaganda.

Als iemand het gevoel geeft zich uit eigenbelang zieliger voor te doen dat hij in werkelijkheid is, dan stuit mij dat enorm tegen de borst. Als een jonge Duitse auteur het boek geschreven had, had ik er wellicht anders tegenaan gekeken.

Datzelfde gevoel van niet-authentiek gedrag overviel me na de staatsgreep tegen Erdogan. De stunteligste staatsgreep ooit. (Nou ja, op die van Antonio Tejero in Spanje 1981 na, dan). Het leek er haast op dat de staatsgreep werd gepleegd om te mislukken. Een mislukte staatsgreep is een fantastische zet in de rug van de partij tegen wie de staatsgreep werd gepleegd. In dit geval Erdogan. Het geeft Erdogan de mogelijkheid om al zijn politieke tegenstanders uit te schakelen. Dat gebeurt nu dus ook op grote schaal. Kennelijk lagen de plannen al klaar want enkele uren na het mislukken van de staatsgreep werden er duizenden mensen opgepakt. Dat is een operatie van heb-ik-jou-daar. Dat kan niet zonder voorbereiding. Daarom is het voor mij duidelijk; Erdogan heeft zijn eigen staatsgreep geregisseerd. Daarbij heeft hij handig gebruik gemaakt van de domheid en het ontbreken van politieke antennes bij sommige militairen. Net als bij Littell is Erdogans authenticiteit ter discussie komen te staan.

Ik had voor een lange tijd het gevoel dat alleenheersers en machtswellustigen vooral leefden in Zuid-Amerika en Afrika en een enkeling in Azie. Maar nu zie ik dergelijke figuren hard hollend naar Europa komen. Turkije heeft weliswaar maar een klein stukje Europa, maar toch… Ook Poetin gaat door roeien en ruiten om de alleenheerschappij te krijgen. Beide dictators doen dit via de democratie en vooral…via het volk. Een gevaarlijk teken aan de wand.

De Jodenvervolging is geschiedenis. Sjloes!

De Amsterdamse joodse bevolking heeft zwaar geleden onder de tweede wereldoorlog. Massaal zijn ze afgevoerd en vermoord. Een enkeling lukte het om zich te verstoppen. Geholpen door moedige mensen wisten ze de oorlog te overleven. Maar de meesten lukte het niet. Ze werden via de Hollandse schouwburg naar het Muiderpoortstation gebracht en daar in de trein gepropt die hen naar Westerbork bracht. Had dit voorkomen kunnen worden, vraag je je af? Zolang er zichzelf onderscheidende groepen in een samenleving zijn, is de kans op dit soort drama’s potentieel aanwezig. Vermeng je je als bevolkingsgroepen met elkaar, dan wordt het potentiele gevaar met elke generatie kleiner. Ik hou van vermenging. Assimilatie. Ik ben trots op mijn familie die (behalve ikzelf) onbewust alles op alles heeft gezet om één grote mixture te worden van alle nationaliteiten die in Nederland samenleven. Neem de nieuwste kleindochter van mijn zusje. Als je haar etnisch achtergronden achterelkaar zet, dan is mijn column vol! Trots ben ik daarop!

De situatie in 1940 was heel anders. Voor de tweede wereldoorlog trouwden joden alleen met joden en ‘christenen’ alleen met ‘christenen’. Ouders schreeuwden moord en brand als hun dochter of zoon met een niet-geloofsgenoot thuiskwam.  Dat heeft ons zwaar opgebroken want de moord op honderdduizend mensen straalt op ons allen af. Dit drama heeft tot gevolg gehad dat Amsterdam vol gepoot is met oorlogs- en herinneringsmonumenten. Deze monumenten moeten ons eraan helpen herinneren dat zo’n drama nooit meer mag plaatsvinden. Er zijn mooie monumenten: Het Auschwitz monument van Jan Wolkers is fantastisch door haar symbolische eenvoud; Na Auschwitz kunnen we de hemel nooit meer ongeschonden bekijken. Erg mooi. Je hebt ook lelijke monumenten: Het monument op de Dam. Jakkes. Het is dat ik eraan gewend ben, maar beoordeel ik het objectief… Een hoop protserige lelijkheid bij elkaar.

Ik heb ook monumenten in het buitenland bekeken. Eén van de indrukwekkendste was een monument in Praag. Praag heeft van de oude jodenbuurt één groot museum gemaakt. Alleen dat zien, is al een must. In één van de synagogen in dat stukje Praag heeft men op de wanden alle namen geschreven van de mensen die in de tweede wereldoorlog vermoord zijn. Dat is heel erg overdonderend omdat het zo verschrikkelijk veel namen zijn. Muur na muur staat vol. In Rode inkt. Eerst de plaats waar ze woonden, dan de familienaam en dan de voornamen. Tenminste zo herinner ik het me. De synagoge is van boven tot onder beschreven.

Ik vind de Praagse manier mooi, ik vind de Nederlandse manier mooi. Praag laat de namen voortleven, in Nederland proberen we ervoor te zorgen dat het niet weer gebeurt. Ik vind dat de monumenten nu gemaakt zijn. De daders zijn dood, de slachtoffers die de oorlog overleefden zijn nu van ouderdom gestorven. We laten het zo.

Maar dat is dus niet zo. Men wil een nieuw joods monument oprichten met daarop alle namen van de in de tweede wereldoorlog vermoorde joden. Doe dat nou niet. Niet nog een monument erbij! En dan zo’n joekel. Het joods monument, ik ben ertegen. De Jodenvervolging is geschiedenis. Sjloes!