Tagarchief: jodenvervolging

Het holocaustnamenmonument

Ik was eigenlijk tegen het Holocaustmonument. Waarom zo’n buiten alle proporties groot monument? Waarom pas nu zo’n monument. Waarom pas een monument als de nabestaanden van de nabestaanden zijn overleden? En…ik stond er niet alleen in. Mijn bezwaren werden gedeeld door velen en niet alleen door nazi’s en holocaustontkenners. De hooggeleerde Abram de Swaan bijvoorbeeld, wilde niet dat het monument er kwam en ik was het wel met hem eens. Dat schreef ik op en zette het op deze website. Ik heb het stil gehouden voor mijn joodse ma. Zij was er juist erg enthousiast over. Vanuit de zielloze getallen naar tastbare namen, dat is wat zij graag wilde. Ik had mijn bedenkingen.

Maar ik ging sindsdien intensief aan de gang met het verleden. Ik verdiepte me in het werk van Fré Cohen en ik verdiepte me in haar leven en in haar dood. Heus ik had ook toen al heel veel gelezen en gehoord over wat er destijds met ons joden is gebeurd, maar toch wilde het niet landen. Ja, rationeel wel, maar niet gevoelsmatig. Ik heb twee keer de negen uur durende film van Claude Lanzmann ‘Shoah’ gezien. Ik heb dagenlang met mijn overlevende omaatje gesproken en haar helemaal uitgehoord over haar hel in Polen en ik vond het verschrikkelijk maar mijn gevoel wilde er niet aan. Ondanks dat ik van al die verhalen akelig werd, wilde mijn gevoel niet voelen wat het betekende om bijvoorbeeld je kind af te staan zodat het een grotere kans van overleven heeft. Kennelijk was ik pas toen ik me zo verdiepte in het lot van Fré Cohen emotioneel rijp om volledig te kunnen doorvoelen wat men destijds meegemaakt heeft. Dat veranderde veel. Sindsdien ben ik voor het namenmonument. Ik heb een draai gemaakt. Ik mag dat want ik ben geen politicus.

Gisteren was ik bij het namenmonument. Net als tientallen anderen had ik namen en geboortedata op een lijstje gezet. Het is best zoeken waar je familie staat. Het zijn zo verschrikkelijk veel namen. Helemaal logisch zit het niet in elkaar, maar dat hoeft ook niet; op zoek naar mijn eigen vermoorde voorouders zie ik  graag de namen van zoveel anderen. Niet alleen de namen, ook hun geboortedatum en de leeftijd waarop ze omgebracht werden. 13 jaar, 37 jaar, 85 jaar, 64 jaar, 3 jaar; de omvang van de misdaad is met geen pen te beschrijven. Ik fotografeerde mijn vier overgrootouders (allemaal zo rond mijn leeftijd vermoord) en mijn grootvader (gedood toen hij zo oud was als mijn jongste zoon).

Niet de namen van alle slachtoffers vind je terug op het monument. Mijn omaatje bijvoorbeeld niet. Je kunt moeilijk zeggen dat ze geen slachtoffer was van de nazi’s; haar kregen ze niet dood. Fré Cohen vind je ook niet op een van de stenen. Weliswaar overleefde ze de oorlog niet, maar ze werd niet door de nazi’s vermoord omdat ze de hand aan zichzelf sloeg. Haar vriend Joseph Gompers stierf in Tröbitz in vrijheid, hoewel hij van zijn vrijheid, verzwakt als hij was, weinig meegekregen zal hebben. Hem heb ik wel gevonden.

Els Florijn – Het meisje dat verdween; het is het net niet

Er is iets met deze roman. Op de één of andere manier is hij niet helemaal eerlijk. Niet dat de schrijfster een leugenaar is, dat bedoel ik niet. Het heeft iets van…nee, het is het net niet. Moeilijk te omschrijven. Misschien moet ik toch een poging wagen. De roman is losjes gebaseerd op de dingen die een familie van vlees en bloed in het echt heeft meegemaakt tijdens de tweede wereldoorlog. Als je op zo’n manier een roman schrijft, brengt dat allerhande problemen met zich mee. Je gaat je als lezer afvragen wat precies ‘echt’ gebeurd is en wat de schrijver verzonnen heeft. Zuig je iets geheel en al uit je duim dan heb je alle mogelijkheden om uit te leggen waarom mensen doen zoals ze doen in de roman. Beschrijf je dingen die mensen in het echt hebben meegemaakt en gedaan, dan is het de taak van de schrijver om de gedachtegang van de personages erbij te verzinnen. Zit er dan onvoldoende causaliteit tussen verzonnen gedachten en wat ze ooit ‘in het echt’ hebben gedaan, dan rammelt het. Die oorzakelijkheid moet helemaal kloppen, anders gaat de geloofwaardigheid van de roman verloren. In de details mis ik mensen die volledig als mensen handelen en rammelt het een beetje. De roman ontroert en is erg boeiend maar laat het je toch met een leeg gevoel achter. Ik denk dat dat het is.

Aan de roman gaat veel vooraf: Op 4 mei 2008 werd de documentaire ‘De andere familie Frank’ uitgezonden. Die andere familie Frank was een joods gezin (en dus niet de familie Frank van Anne) dat voor de oorlog floreerde in het Betuwse plaatsje Ochten. De vader in het gezin was een verwoed filmamateur en bleek veel van het ‘gewone’ leven te hebben vastgelegd. In Ochten had hij een grote modezaak die bijzonder goed draaide. Hij was een gezien figuur in het verenigingsleven van het stadje en een sponsor van alles en nog wat. In het naburige plaatsje Lienden woonde de neef van de filmende man uit Ochten. In de documentaire wordt ook het verhaal van deze familie uit de doeken gedaan omdat de dochtertjes van beide families regelmatig bij elkaar over de vloer kwamen en ze dan gefilmd werden. Om deze, nog weer, andere familie Frank in Lienden gaat het in de roman van Els Florijn. Waar de Ochtense familie bewust niet onderdook met hun dochtertjes en dus getroffen werd door het noodlot van de Europese joden en vermoord werd, wist het grootste deel van de Liendense tak te overleven door onder te duiken. Daarbij werd het jongste dochtertje, verschrikkelijk onbedoeld, opgeofferd. Hoewel de schrijfster uitdrukkelijk stelt dat ze alles verzonnen heeft, wijst ze de lezer op de aflevering van ‘Andere tijden’, en schrijft ze een verantwoording achter in het boek. Het probleem van wat ‘echt’ is en wat verzonnen, wordt daarmee nog eens extra benadrukt en bij de lezer neergelegd. Bovendien gaat de lezer zich daardoor afvragen waarom de schrijfster in haar roman ingrepen doet op het ‘echte’ verhaal. Niet eenvoudig allemaal.

Het romanverhaal: Als de in  Lienden wonende joodse familie een oproep krijgt om naar een werkkamp te gaan, besluiten ze onder te duiken. Het gezin bestaat op dat moment uit vader en moeder plus de aangenomen puberdochter Lotte en hun eigen peuter dochtertje Ditte. De boer waarmee de vader een onderduikdeal heeft gesloten, vindt het peutertje te gevaarlijk als onderduikster. Met het idee dat men zo’n peutertje toch niets zal aandoen en in het vertrouwen dat het dienstmeisje – dat al een sterke band met Ditte heeft – voor het kind zal gaan zorgen zolang de onderduik duurt, laat de familie de jongste achter in haar bedje, terwijl de familie in de nacht vertrekt naar hun onderduikadres. Hoewel het dienstmeisje graag voor Ditte wil zorgen, lijkt het of de moeder van het dienstmeisje het kind niet in huis wil hebben. De burgemeester met de plaatselijke politieagent, komen het kind halen en brengen het naar de ‘schouwburg’ ergens in een stad. Vandaar wordt het kind, onder de hoede van een toevallige andere moeder, naar een vernietigingskamp gebracht en vermoord. Ondertussen wordt het andere deel van de familie uit de onderduik-boerderij gezet omdat het geld om de boer te betalen op is. Na een barre en bange voettocht weten ze een betrouwbare onderduik te krijgen in een pastorie. Daar krijgt het gezin te horen dat Ditte al na een paar dagen in verkeerde handen gevallen is. De familie moet dat, onder benarde omstandigheden zien te verwerken. Als de oorlog afgelopen is valt het gezin door schuldgevoelens en verwijten snel uit elkaar.

Beurtelings wordt het verhaal vertelt vanuit het perspectief van de twee zusjes Ditte en Lotte.

Ik moet zeggen dat ik de roman, met wat enge gevoelens, in één ruk heb uitgelezen. Op veel plaatsen ontroerde de roman me ook. Het is werkelijk heel boeiend. Ook heel tragisch. Maar desalniettemin laat het je ook achter met een beetje raar, onecht, gevoel. De karakters zijn aan de platte kant en soms klopt het verband tussen wat mensen denken en wat ze doen niet helemaal. Niet dat je kunt zeggen het ‘klopt niet’, maar soms heb je het gevoel dat er wat zand tussen de regels gestrooid is. Net niet.

Willem Frederik Hermans – Herinneringen van een engelbewaarder; De wolk van niet weten.

Herlezen is eigenlijk niets voor mij. Ik doe het maar heel zelden.  Ik heb een vrij goed geheugen., vind ik, dus waarom zou ik ook. Inderdaad heb ik best een goed geheugen, maar lang niet zo goed als ik vaak placht te denken. Laat ik eigenlijk maar eerlijk zijn; een roman moet wel heel veel indruk maken wil ik me er na een jaar nog iets van herinneren. Vandaar dat ik best content ben met al die recensies op deze site. Op de een of andere manier is het best jammer, vind ik, om al die moeite die auteurs gestopt hebben in hun boeken,  in de lezer weg te zien drijven als een takje in een rivier. In mijn Fré Cohen onderzoek kwam ik te schrijven over de Duitse inval op 10 mei 1940. Dat het een dramatische bladzijde is in onze vaderlandse geschiedenis, behoeft geen betoog, maar hoe geef je precies de wanhoop die de mensen toen moeten hebben gevoeld weer? Hoe maak je het voor de lezer invoelbaar. We hadden daar binnen ons clubje wat discussie over. Inhoudelijk waren we het wel eens, maar hoe schrijf je het precies op… toen herinnerde ik me een roman die ik zo’n veertig jaar geleden gelezen had. Een roman die kennelijk een overweldigende indruk op me gemaakt heeft want ik herinnerde me iets van de inhoud en de sfeer. ‘Herinneringen van een engelbewaarder ‘ van Willem  Frederik Hermans.  Dus ging ik op zoek naar deze roman. Als e-book uiteraard. Maar helaas, niet te krijgen. Nooit als e-book uitgegeven. Wel al zijn andere boeken zijn in dat formaat verkrijgbaar, maar deze niet. Hermans beschouwde deze roman als een van zijn beste, maar daar waren kennelijk maar weinig lezers het mee eens. Gelukkig vond ik het boek, tweedehands bij de uit haar as herrezen De Slegte. Dat de roman destijds zoveel indruk maakte, vind ik niet zo gek, want ook na herlezing blijkt de roman een parel. Een sombere parel, weliswaar, maar ook een fantastische.

Op 9 mei 1940 brengt officier van justitie  Bert Alberegt zijn uit Duitsland gevluchte joodse liefje, waarmee hij een aantal maanden heeft samengewoond, naar de boot in Hoek van Holland. Zij wil een nieuw leven, zonder dreiging voor vervolging beginnen in Amerika en vaart daarvoor eerst naar Engeland. Alberegt wil niet met haar mee, omdat hij dan zijn comfortabele leven als officier van justitie moet achterlaten. Vanaf Hoek van Holland heeft hij verschrikkelijke haast om terug te rijden, want een rechtszitting wacht op hem. Om zijn weg te verkorten neemt hij een kortere weg over een stille eenrichtingsverkeer weg maar rijdt hem vanaf de verkeerde kant in.  Halverwege de weg botst hij op een meisje dat op slag dood is. In zijn haast gooit hij het dode kind in.de struiken en rijdt snel door. Hij is op tijd voor de rechtszaak tegen journalist Van Dam. De journalist is aangeklaagd vanwege het beledigen van een bevriend staatshoofd…Adolf Hitler,  dus. Alberegt vindt dat de journalist veroordeeld moet worden maar haast buiten zichzelf om eist hij ontslag van  rechtsvervolging.  Dit alles blijkt de opmaat naar een vlucht naar Engeland die er nooit zou komen. Wil hij bij nader inzien toch verder samen met zijn joodse liefje en haar achterna reizen? Wil hij vluchten en daarmee de misdaad van het doodrijden van het meisje verhullen? Wil hij vluchten voor de Duitsers nu hij als officier van justitie een man heeft vrijgesproken van het beledigen van Hitler? In ieder geval dat laatste niet, want dat gebruikt hij vooral als argument om te ‘mogen’ vluchten.

Belangrijk in zijn leven is zijn beste vriend Erik. Erik is een zeer geslaagde uitgever die het middelpunt lijkt te vormen in een netwerk dat vluchtelingen uit Duitsland helpt. Alberegt is via hem ook in contact gekomen met zijn Duits-joodse liefje Sysy. Erik is getrouwd met Mimi en dat is Alberegts vroegere verloofde. Erik heeft er ook voor gezorgd dat het oudere echtpaar Leikowits in Nederland onderdak kreeg. Ze kregen wel de zorgen over het meisje Ottla Lindenbaum wiens ouders gevangen zitten in een concentratiekamp. Ottla Lindenbaum is het meisje dat Alberegt doodrijdt. Via vriend Erik, die naarstig op zoek is naar Ottla, blijft Alberegt geconfronteerd worden met zijn misdaad. Erik is in vele opzichten de betere Alberegt. Erik is het wel gelukt om met Mimi iets op te bouwen. Erik is een jonge vrouwen verslinder zonder dat Mimi er last van lijkt te hebben. Erik is rijk. Erik zorgt voor joodse mensen terwijl Erik ze doodrijdt. Of joodse mensen heel veel zorgen bezorgt (Leikowits) of profiteert van haar situatie (Sysy). Niet alles volledig bewust of expres, maar hij doet het desondanks wel.

Broer Rense is kunstenaar en Alberegt vindt de kunst die Rense maakt helemaal niets. Het zijn effen gekleurde schilderijen. Alberegt krijgt van zijn collega te horen dat in een neergeschoten Duits vliegtuig een lijst personen is gevonden die de Duitsers willen arresteren zodra ze Nederland bezet hebben. Op die lijst zou broer Rense staan. Door hem te waarschuwen hoopt Alberegt dat zijn broer, wellicht samen met hem, zal vluchten, maar ook Rense weigert…en dat heeft gevolgen.

Willem Frederik Hermans heeft een behoorlijke stempel op de literatuurtheorie gedrukt. In één van zijn vele essays vertelt hij hoe een klassieke roman in elkaar moet zitten. Alles wat in de roman voorkomt moet op één of andere manier een functie hebben. Hij introduceerde het begrip ‘witte pater’. Als ik me niet vergis kwamen er tijdens de opnamen van de film ‘Als twee druppels water’ naar de roman ‘De donkere kamer van Damocles’ per ongeluk witte paters in beeld die geen enkele functie in het verhaal hadden. Een ‘witte pater’ is een stijlfout, volgens Hermans. In de romans van Hermans zouden geen witte paters moeten zitten. Dat is dus een uitdaging. Ik vond wel wat dingen waarvan ik me afvroeg waarom het erin zat. Laten we zeggen geen witte paters maar dat ik zaken heb gevonden waarvan ik de functie niet gevonden of begrepen heb. Neem bijvoorbeeld dit: Alberegt rijdt het meisje Ottla dood terwijl ze een brief wil posten. Alberegt neemt de brief mee en leest hem. Hij is opgesteld in het Tsjechisch en ondertekend met ‘Veverka’. Eekhoorn betekent dat. Ik begrijp de functie van eekhoorn niet. Klaarblijkelijk is het wel belangrijk want het komt regelmatig terug in de roman. Nee, geen witte pater, ik zou dat niet zo durven benoemen bij een auteur als Willem Frederik Hermans.

Ik denk dat ik deze roman één van zijn sterkste vind. Jammer dat hij nog niet elektronisch is uitgebracht!

PS Oke, die naam Alberegt. Beetje flauw een Officier van justitie de naam Al berecht te geven. Sysy is ook zo’n naam. Geen idee of dat nog betekenis heeft in de roman. Er blijven nog aardig wat raadsels over.

De Paasheuvel

Op dit moment bivakkeer ik, in mijn eentje in Vierhouten. Twee nachtjes in een hotel, zodat ik een hele dag kan fietsen. Die ‘hele’ dag fietsen is voor de helft voorbij. Het werd een ochtend fietsen, en daarna was deze jongen moe. Bovendien is het warm en klam. Dus zit ik nu in de tuin van het hotel te typen. Vierhouten is de plek waar mijn oma regelmatig naartoe ging. In ieder geval in 1934. Met Pinksteren was ze er voor het grote herdenkingsfeest op de Paasheuvel. Ik heb haar toegangspas van destijds eventjes in bewaring. Ook deze AJC-toegangspas was, zoals bijna al het AJC-drukwerk, uiteraard ontworpen door Fre Cohen. Mijn joodse socialistische oma moet hier op de Paasheuvel vaak geweest zijn. Naar verluidt heeft ze er de tijd van haar leven gehad. Al haar vriendinnen zaten bij de AJC. Ze leerde haar man kennen bij de AJC. De AJC was haar leven. Het absolute centrum van de AJC lag op de Paasheuvel in Vierhouten. Toen oma eind 1943 begin 1944 moederziel alleen door Amsterdam zwierf, moet ze vaak aan haar tijd op de Paasheuvel in Vierhouten gedacht hebben. Ze ging van het ene onderduikadres naar het andere. Haar man had ze verloren – hoewel ze niet wist of hij leefde of dood was – en haar kind – mijn moeder – had ze ‘ergens’ in bewaring gegeven. De Paasheuvel symboliseerde voor haar ongetwijfeld het goede in het leven.

Maar, zo lees ik vandaag, de Paasheuvel was in die tijd ingenomen door de Duitsers. Ze hadden er een ss-hoofdkwartier ingericht. Iets geheel en al de Paasheuvel-onwaardigs. Vanochtend fietste ik naar het ‘Verscholen dorp’. In het hotel waar ik logeer hebben ze er een kleine tentoonstelling over ingericht. Onderweg ernaartoe kwam ik langs een gedenkplaats waarbij de naam van de Paasheuvel negatief naar voren kwam. Ik denk dat ik heb kunnen reconstrueren wat daar op die gedenkplaats gebeurd is en hoe de Paasheuvel erbij betrokken was…

In 1944 gingen twee Landwachters (twee politieachtige NSB’ers, dus) in de bossen bij Vierhouten jagen. Op dieren en dus niet op joden. Op een brandgang tussen twee bospercelen, zagen ze iemand die water had getapt bij een pomp. Een pomp, midden in het bos. Ze konden de watertappende man te pakken krijgen en vroegen hem naar de pomp. Een pomp voor jagers en boswachters, probeerde de ongelukkige de Landwachters wijs te maken. Deze ontdekking van de pomp door NSB’ers zorgde voor groot alarm bij nazi’s op de…Paasheuvel en bij een stel ongelukkigen. Vlakbij zaten namelijk ongeveer honderd mannen, vrouwen en kinderen verstopt in nauwelijks bovengrondse hutten voor een regime dat hen naar het leven stond. Iedereen maakte dat hij wegkwam. Acht mensen lukte dit niet. De eerste werd ter plekke, tijdens de arrestatie doodgeschoten. Het hart van zijn vrouw, die het voor haar ogen zag gebeuren, moet ter plekke gebroken zijn. Ze overleed niet meteen. De zeven overgeblevenen werden naar de Paasheuvel(!!!) gebracht en in de kelder opgesloten. Daar overleed de echtgenote van de doodgeschoten man. De zes anderen werden naar een plek in het bos geleid. Ze werden op een rijtje gezet en moesten een kuil graven. Er zat een jochie van zes tussen. Wisten ze dat de kuil die ze groeven, hun graf zou zijn? Ik denk het wel. Hoe graaf je je eigen grafkuil? Wat gaat er dan door je heen? Heeft dat kleine jochie ook zijn eigen kuil moeten graven? Dat wordt niet verteld.

Wat dachten de soldaten, SS’ers, NSB’ers of wie het dan ook waren. Wat dachten ze dat er stond te gebeuren als de kuilen diep genoeg waren. Waar dachten de toekomstige daders aan? Aan ‘slachten’? Aan straffen? Aan een goede daad verrichten? Ik weet het niet. Ik kan het aan niemand meer vragen. Zomaar mensen doodschieten omdat het toevallig joden zijn… Een jongetje van zes een pistool op zijn hoofd zetten en de trekker overhalen… Zo makkelijk doe je dat niet. De daders moeten hun slachtoffers op de een of andere manier ontmenselijkt hebben. Ik begrijp er helemaal niets van en hoe ouder ik word des te moeilijker wordt het me om het me voor te stellen.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 7: Angst.

Alle aanwezige joodse werknemers van het bedrijf Hollandia-Kattenburg werden op 11 november 1942 gearresteerd. Een twintigjarig meisje wees in het geniep aan wie van de joodse medewerkers socialist of communist was. De socialisten en de communisten werden afgevoerd naar de strafgevangenis van Scheveningen alwaar ze verder ‘verhoord’ werden. Met de personeelsadministratie bij de hand werden diezelfde dag de familieleden van de joodse werknemers opgehaald en samen met hen naar kamp Westerbork gebracht. Het toeval wil dat mijn omaatje met mijn toen bijna vierjarige kleutermoeder niet thuis waren toen er zwaar op hun deur – De Nigellestraat nummer 85 – gebonkt werd. Ik ben er pas geleden naar toe geweest: Een beetje een straat maar meer een pleintje. Ik heb er de rust geproefd die er nu heerst. Een paradijselijk pleintje met lage huizen; lucht en ruimte en groen te over; de ideale plek om als kind uit de arbeidersklasse op te groeien.

Mijn opa en oma waren socialisten van het eerste uur. De AJC was hun alles. Voor mijn oma is godsdienst altijd opium voor het volk gebleven; ze moest er niets van hebben. Ze hadden niets met het jodendom. Uitzonderingen: Kippensoep en Peren met Koegel. En vast nog wel meer gerechten, maar meer toch niet. Varkensvlees consumeerden ze met veel plezier en volgens mijn omaatje konden alleen kapitalisten zich de koosjere keuken permitteren. De oorlog en de nazi’s hebben joden van hen gemaakt. En dus waren ze bang toen de nazi’s het hier voor het zeggen kregen. Toen mijn grootvader opgepakt was, werd de nachtmerrie werkelijkheid. Ik probeer me in te leven in mijn omaatje van toen. Wat moet ze toen gevoeld hebben. Verdriet en angst zullen gestreden hebben om de boventoon. Sta je er ineens helemaal alleen voor met je kleuter terwijl je van alle kanten wordt bedreigd. Niemand om je diepste angsten mee te delen; eigenlijk is je diepste angst uitgekomen. Waar naar toe nu je eigen huis geen veilige plek bleek…

Voor zover ik weet heeft mijn oma een tijdje met mijn moeder van veilig adres naar veilig adres gezworven. Toen heeft ze besloten mijn moeder bij vrienden onder te brengen zodat ze zelf meer armslag had. Mijn kleutermoeder kwam via via bij bloembollenbaron en barones Van Santen terecht alwaar ze het gelukkige leventje ging leiden van een rijk gereformeerd meisje.

Mijn grootvader werd naar Scheveningen afgevoerd. Geen pretje. Het staat op het kaartje van de Joodse Raad. Er zijn veel getuigenissen over hoe het er in die gevangenis aan toe ging. Van wat mijn grootvader daar heeft moeten ondergaan kan ik me alleen maar een voorstelling maken, weten doe ik niets. Ik projecteer mijn angst voor pijn op hem en weet me met mijn angst geen raad.

De angst die we wel bijna kunnen ruiken, is de angst van Martha Korthagen; dat twintigjarige meisje die in het geniep de socialisten en de communisten aanwees. Zij wist dat ze iets heel erg fout had gedaan. Dat ik daar nu mild over oordeel – twintig jaar, zwaar bedreigd etc. – maakt voor haar weinig uit. Ze was doodsbang voor de gevolgen van haar verraad en besloot te vluchten. Ze vroeg een paspoort aan en  vluchtte naar Duitsland waar ze zich veilig waande voor de wraak van het verzet.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 5: De leider van de NVM

Als je dat verhaal wat ik aan het vertellen ben over mijn grootvader, probeert te volgen, dan moet je nu wel aardig wanhopig zijn. Op z’n minst moet je al je motivatie om verder te lezen wel verloren hebben. Een hele maand zit er tussen het vorige stukje over de verliefde Martha en wat ik hier en nu zit te schrijven. Dat is zo stroperig en zo langzaam… Ik wilde wel, maar het ging niet. Bij mij was de inspiratie om te schrijven helemaal weg. Laat ik proberen om de draad weer op te pakken. Laten we onze focus terugzetten op die tasjesdief die zich in oktober 1942 op het politiebureau zomaar door zijn hoofd schoot. Nou ja, ‘zo maar’… We gaan het zien.

Het is opmerkelijk als een arrestant  zich door het hoofd schiet. Het in bezit hebben van een pistool is al vreemd. En dan jezelf door het hoofdschieten. Om een luttel gestolen tasje. Daar moest meer aan de hand zijn, moeten de onverschrokken helden van de politie gedacht hebben. De dienders doorzochten alles wat de man bij zich had en vonden in één van zijn zakken een textielbon. Op die bon een naam: Dormits. Samuel Zacharias Dormits! Sally Dormits! En toen rinkelden alle nazistische-politie-alarmbellen, want die man werd gezocht! Na een brandstichting in een opslagplaats van de Wehrmacht in Den Haag waarbij de stro- en hooivoorraad volledig verloren was gegaan, had men via een in de haast achtergelaten fiets kunnen achterhalen dat Sally Dormits betrokken was bij de aanslag. En…de groep rond Dormits werd verdacht van diverse andere – in meer of mindere mate geslaagde – aanslagen. Geruchtmakend was de aanslag op een spoorbrug in Rotterdam. Het was dat hij mislukte, maar als de aanslag geslaagd was, dan waren er een hoop Duitse soldaten omgekomen. Het koste de rechercheurs niet veel moeite om aan het onderduikadres van Sally Dormits te vinden.

Dormits was een strijdbare communist die onder anderen had meegevochten in de Spaanse burgeroorlog. Terug in Nederland en geconfronteerd met de Duitse bezetting, was het wel duidelijk dat hij verzet zou plegen. Kennelijk wilde hij zich niet aansluiten bij de Communistische Partij Nederland, maar wilde hij een eigen groep. De CPN had vanaf het begin al meteen de hoogste veiligheidsmaatregelen genomen. Zo werden namen en adressen met de hoogst mogelijke voorzichtigheid bewaard. Dat vond Sally Dormits niet echt nodig. (Even tussen haakjes; zoek je echt een schuldige voor wat mijn grootvader uiteindelijk overkwam…de ijdelheid van een communistische splintergroep die zwaar amateuristisch te werk ging! Maar dat is ook weer niet eerlijk, want uiteindelijk waren het natuurlijk de nazi’s…). Toen het onderduikadres van Sally Dormits gevonden was vond men de ledenlijsten van de door hem geleidde Nederlandse Volksmilitie, de NVM. Die lijsten waren weliswaar gecodeerd, maar die codering hadden de jongens van de meteen opgeroepen Sicherheitsdienst in no-time gekraakt. En toen hadden de nazi’s een mooi en schoon lijstje voor huisbezoek en het duurde niet lang of de hele NVM, inclusief de adspirantleden, waren opgepakt, gemarteld en vermoord…meteen of op termijn. Nog voor het eind van oktober 1942.

Die gecodeerde ledenlijst was niet het enige op dat onderduikadres; men vond er ook een notitieboekje. In dat notitieboekje stond een naam die de politie naar een meisje in Amsterdam Noord leidde. Naar haar adres: Sperwerlaan 11…

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 4: Verliefde Martha

En hier de volgende hoofdrolspeler in het Kattenburgdrama: Martha. Twintig jaar. Tot over d’r oren verliefd op een joodse jongen. Wie misgunt een twintigjarig meisje haar liefde? Niemand, toch? Martha Korthage uit Amsterdam-Noord. Ze woonde met haar ouders en broertjes en zusjes in de Sperwerlaan 11. We zijn Hollandia-Kattenburg genaderd, want de fabriek van de firma Hollandia-Kattenburg stond ook in de vogeltjesbuurt van Amsterdam-Noord; aan de Valkenweg en dus bij Martha om de hoek. Nog geen twee minuten lopen. Ze had er een blauwe maandag gewerkt. Wellicht dat ze in de fabriek, op de werkvloer haar vriendje had leren kennen, we weten het niet. Martha werd ontslagen wegens onzedig gedrag; waarschijnlijk had ze staan zoenen met haar joodse vriendje onder werktijd.

De vogeltjesbuurt in Amsterdam-Noord 1940

Er werkten veel joodse mensen bij Hollandia Kattenburg. De directeur, Jacques Kattenburg, was van joodse komaf. Of dat de reden was dat er zoveel joodse mensen werkten; het zou kunnen. Wat betekende het eigenlijk om joods te zijn in Amsterdam voordat de tweede wereldoorlog ook Nederland in haar klauwen kreeg? Niets, helemaal niets.

Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen…maar nauwelijks in Amsterdam. De Amsterdamse wethouder voor onderwijs en kunstzaken – maar ook statisticus – Emanuel Boekman, deed in de jaren dertig onderzoek naar de demografie van de joden in Nederland. Hij constateerde dat de meeste Nederlandse joden in Amsterdam woonde en dat ongeveer negen procent van de Amsterdammers een joodse achtergrond had. Bovendien maakte hij, met de volkstellingen vanaf 1905 als leidraad een lijstje dat liet zien hoe de Amsterdamse bevolking en het joodse deel steeds meer één geheel werden. Hij liet zien dat vanaf 1905 het aantal gemengde huwelijken tussen joden en niet-joden in rap tempo toenam; dat je partner al of niet joods was, werd steeds minder belangrijk. In 1930 trouwde één op de vijf joden met een niet-jood. Dat onze Martha verliefd werd op een jodenjongen en hij op haar is dus helemaal niet gek. En dat die jodenjongen plotseling verdwenen was, was ook niet zo heel gek in de tijd nadat de nazi’s Nederland hadden overgenomen. Van dat gemoedelijke Amsterdam zonder scheiding tussen joden en niet-joden was weinig overgebleven. Jonge joodse mannen waren vaak het doelwit van de nazi’s in de beginjaren van de oorlog. Die werden zomaar opgepakt en – toen nog – naar Mauthausen gebracht waar ze al snel overleden en de overlijdensberichten drongen toen nog door in Amsterdam. Mauthausen was een schrikbeeld. Met Mauthausen werd voortdurend gedreigd. De angst zat er goed in. Velen kozen voor onderduik. Zo ook het vriendje van onze Martha.

Het Joodsche Weekblad van 7 augustus 1942

Gedumpt door je grote liefde. Bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal is je eerste liefde ook je grote liefde. Ze moet wanhopig zijn geweest van liefdesverdriet. Zo sta je nog te zoenen en dan is hij, zonder boe af bah, verdwenen. Niemand die haar iets kon vertellen over haar vriendje. Toen moet ze gehoord hebben dat hij ondergedoken zat. Hoe kom je erachter waar iemand ondergedoken zit? Via het verzet. Ze zal links gevraagd hebben en rechts gesmeekt…niemand kan haar verwijten dat ze dat deed; je hoofd wordt erg schimmig als het bezeten is van liefde. Zo kwam de naam van Martha Korthagen terecht in een notitieboekje van verzetsstrijder Sally Dormits die ik in de vorige aflevering van dit vervolgverhaal een kogel door zijn hoofd heb laten schieten als gearresteerde tasjesdief op het politiebureau in Rotterdam. De naam van verliefde Martha in het notitieboekje van Sally Dormits, zou een akelige staart krijgen.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 3: De tasjesdief.

Rauter kon in 1942 maar moeilijk aan zijn verplichtingen voldoen, de stakker. Hij had er moeite mee de treinen naar het oosten te vullen met joden. In de loop van 1942 had hij van hoger hand targets opgelegd gekregen en hoewel hij de joodse bevolking niets dan slechts toewenste en er joden genoeg voor handen waren, lukte het hem niet om die targets te halen. Iedereen had wel een reden om niet gedeporteerd te worden. Maar gelukkig voor hem, daar kwam verandering in…er ging iets gebeuren. Zelfs de Rüstungsjuden van Hollandia-Kattenburg zouden de dans niet ontspringen… Er was een aanleiding nodig. Die aanleiding zou niet lang op zich laten wachten in 1942 maar had wel een aanloopje nodig. Een klein aanloopje.

In oktober 1942 gebeurde er iets opmerkelijks in Rotterdam. Een ordinaire tasjesroof. Eigenlijk meer een diefstal. Bij de bakker zag ene  Sally Dormits een onbeheerd handtasje staan. Omdat hij verschrikkelijk omhoog zat om bepaalde spullen en hij vermoedde dat ze in dat tasje zaten, stopte hij het vergeten handtasje ongezien in de aktetas die hij bij zich had. Toen de bezitster van het tasje thuis ontdekte dat ze haar tasje met haar hele hebben en houden bij de bakker vergeten moest zijn, repte ze zich terug. Daar zag ze haar tas niet. Wel een slungelige jongeman met een brilletje en een uitpuilende aktentas.

De vrouw overzag het strijdperk; een bakkerszaak in Rotterdam; tasje weg; slungel met een uitpuilende aktetas. De verdachte was binnen enkele seconden gevonden. ‘Waar is mijn tas, ik ben hem vijf minuten geleden vergeten en toen stond hij hier,’ zal ze gezegd hebben. Op dat moment werd het Sally Dormits wat te heet onder zijn voeten. Ik denk dat hij ongezien de pleiterik wilde maken. ‘Hier blijven!’ zal de vrouw geroepen hebben. Anderen hielpen de vrouw door voor de uitgang van de bakkerij te gaan staan. Sally Dormits kon geen kant op. ‘Laat jij eens zien wat je in de uitpuilende tas hebt?’ Vroeg ze op een toon die echt niet vriendelijk was terwijl ze dreigend dichterbij kwam. Hij drukte zijn tas beschermend tegen zich aan. Maar de vrouw gaf zich niet zomaar gewonnen en rukte de aktetas uit zijn hand en opende hem en vond haar handtasje. Mocht hij nog gehoopt hebben dat dat dat het was, mooi niet. Voor een afloop met een sisser was het te laat, want welke vrouw laat haar tasje stelen? Er ontstond veel reuring. In ieder geval staat vast dat iemand Dormits stevig in de greep nam en dat viel een juist op dat moment langslopende diender op. Geen gewone diender  maar een lid van de Vrijwillige Hulppolitie die in 1942 door de nazi’s was opgericht. Lid werd je van deze hulppolitie als je het geen enkel probleem vond om wat joodse mensen – mannen, vrouwen, kinderen, oudjes – op te pakken om ze naar de hel te sturen. Zo iemand dus.

Sally Dormits

Sally Dormits werd naar het bureau aan de Rotterdamse Oostervantstraat gebracht. Professionals fouilleren bij arrestatie, maar die stap was door de hobby politieagent overgeslagen. Toen men dat alsnog wilde doen, trok Dormits een pistool uit zijn kleren en schoot zichzelf door het hoofd. Nog niet helemaal dood werd Dormits in allerijl naar het ziekenhuis aan de Coolsingel gebracht alwaar hij overleed.

So far so good. Ware het hier bij gebleven – een handtasjesdief schiet zich door zijn hoofd – dan was het verhaal hiermee afgelopen. Maar het mocht helaas niet zo zijn…

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 2: Rauter.

Als je een column een nummer meegeeft – deel 1, dus – dan verwacht je een vervolg. Heus, dat vervolg komt er wel, maar het gaat allemaal niet zo snel. Die tentoonstelling – je-weet-wel-over-wie – houdt mij vreselijk bezig. Eigenlijk is het een argument dat helemaal nergens op slaat; ga door met deel 2 van je Hollandia Kattenburg verhaal en hou op met zeuren!

Het verhaal. Hoe vervolg ik het? Moet ik verder gaan met de tasjesroof? Dat opstootje in 1942 dat de opmaat betekende voor alle ellende? Nee, eerst maar eens hoog over; ik heb niet voor niets dat onovertroffen boek van Theo Gerritse gekocht over Rauter[*]. Gerritse biedt een inkijkje in wat er voorafgaand aan 11 november 1942 allemaal speelde in Nazikringen. In januari 1942 was op de Wannsee conferentie besloten dat Europa Judenfrei zou worden, dat was stap één. De praktische uitvoering was stap twee. Met die stap twee was Hans Albin Rauter belast. Een veel moeilijkere taak dan zo op het eerste gezicht leek. Hoe vervoer je meer dan 100.000 mensen naar het oosten van Europa zonder noemenswaardig protest? Hoe voorkom je dat de andere Nederlanders tegen de deportaties in opstand komen?

De Februaristaking in 1941 had best voor wat beroering gezorgd in nazikringen. Die staking was een reactie op een razzia waarbij joden waren opgepakt. Kennelijk waren die Nederlanders lang niet zo racistisch als gehoopt was. Het moest dus slinks gaan, met list en bedrog. En nee, het kwam helemaal niet goed uit dat collega Schmidt in een toespraak van leer ging en beloofde dat hij al die joden zou gaan uitroeien; dat bracht maar onrust. Heus, Rauter en Schmidt waren het inhoudelijk helemaal met elkaar eens, maar hun tactiek was nogal verschillend. Rauter had targets gekregen van bovenbazen Himmler en Eichmann. In 1942 moest hij ervoor zorgen dat er duizenden joden gedeporteerd werden terwijl alles hem leek tegen te werken. Om te voorkomen dat er stakingen en opstanden zouden uitbreken, moest hij uitkijken met teveel openlijk geweld. Op de oproep om zich vrijwillig te melden, kwam maar de helft van de joden opdagen. Dan waren er nog duizenden joden die om de één of andere manier vrijstelling hadden om gedeporteerd te worden. Eigenlijk bijna iedereen met een baan of een studie. Daar werd geleidelijk wel wat paal en perk aan gesteld, maar voor de joden die werkten in fabrieken die aan het Duitse leger leverden, bleef onverminderd de ‘Sperr’ van kracht.

Bij Hollandia-Kattenburg werden grondzeilen en regenjassen gemaakt voor het Duitse leger; waterdichte grondzeilen en waterdichte regenjassen. Iedereen die in die fabriek in Amsterdam-Noord werkte, was hard nodig. Een derde van de werknemers en de directeuren (al waren ze uit hun functie, ze speelde op de achtergrond een grote rol) waren van joodse komaf.

Zo’n ‘Sperr’ lijkt wel fijn als je hem hebt, maar achteraf was dat ook dé gewiekste manier om mensen te misleiden. Door de angst om de Sperr te verliezen deed men angstvallig wat de nazi’s vroegen. Het verdeelde de slachtoffers in mensen met een Sperr en mensen zonder en hoewel men best medelijden had met degene zonder sperr – die rücksichtslos werden gedeporteerd – was de angst om de eigen positie te verliezen veel te groot om ook maar te denken aan in opstand komen. Heus, er was wel tegenstand, we gaan er nog van horen, maar die was niet groot.

De mensen met een Sperr waren een doorn in het oog van Hans Albin Rauter ook de zogenaamde Rüstungsjuden bij Hollandia Kattenburg. Hij moest zijn targets halen. Weg al die joden. Weg uit Nederland.

Natuurlijk kreeg hij uiteindelijk zijn zin, die Rauter.


[*] Gerritse, T. (2018). Rauter: Himmlers vuist in Nederland (Dutch Edition) (2de editie). Boom.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel I

Het is stil geweest op deze site. Dat komt omdat ik nogal bezig was met iets anders. Ik ben druk geweest met Fré Cohen. Ik heb van alles over haar uitgezocht en volgens mij een interessant hoofdstuk geschreven voor de catalogus. In de marge van mijn onderzoek naar Fré heb ik ook wat dingetjes gevonden over mijn eigen komaf. Zoals ik al wel vaker beweerd heb, had ik een grootvader die nooit mijn opa werd en een zeer geliefde opa die eigenlijk mijn grootvader niet was. Mijn Grootvader staat in mijn stamboom maar zegt mij feitelijk net zoveel als mijn betovergrootmoeder; ze heeft bestaan want anders was ik er nooit gekomen, maar verder zegt ze me helemaal niks. Oké, die grootvader zegt me ietsjes meer omdat mijn omaatje wat wazig in de verte keek als ze het over hem had. Soms. Heel soms. Ik logeerde bij oma en opa en oma wilde mij de foto’s van mijn moeder als kind laten zien; een heel klein bloot zwartkrullerig meisje in een wastobbe, kraaiend van plezier. En toen kwam ook hij langs, Hijman, die zo verschrikkelijk veel van dat kleine donkere meisje gehouden had. Ik proefde zijn naam op mijn tong. Een gekke, rare naam. Niet een naam die je dagelijks tegenkomt.

Eigenlijk was het nog niet eens zo moeilijk om zijn kaart van de Joodse Raad te vinden. Op die kaart staat niet zoveel als je hem oppervlakkig leest, maar lees je hem goed, dan ontvouwt er zich een drama van ongekende ellende. Ik ben van plan om het tot op de bodem te gaan uitzoeken, maar zelfs met wat ik nu weet is het al erg genoeg.

Deze zomer ben ik naar Amsterdam-Noord gefietst. Ik wilde zien en voelen waar het drama zich afgespeeld heeft; waar mijn oma en moeder samen met Hijman woonde toen ze zich op 11 november 1942 afvroegen waar hij bleef en later besefte dat het helemaal mis was. De Nigellestraat nummer 85 huis. Zo ver weg bleek het niet te zijn. Ik fietste door de verstilde straten van Amsterdam noord in een heerlijk lentezonnetje en vond in de Nigellestraat een stukje Amsterdams paradijs. Een klein plantsoen voor de deur, waarin nu een speelplaatsje gemaakt is; een ideale plek om je kinderen te laten opgroeien. Daar woonden ze dus destijds. Hét huisnummer bleek samengevoegd, denk ik, want nummer 85 bestaat niet meer. Wat moeten ze gelukkig zijn geweest toen ze er op 12 november 1939 introkken met hun bijna één jaar oude baby.

Fascinerend op het kaartje van de Joodse Raad is het nummer. 654/2. Nu ik toch aan het graven was, heb ik uiteraard ook het kaartje van oma en mijn moeder gevonden, respectievelijk 654/3 en 654/4. Wie was dan nummer 1? Wie had nummer 654/1?

Vaag de stempel 14 juli 1942 onder aan het kaartje. Voor zover ik nu begrepen heb, is dat de datum waarop de Joodse Raad besloot hem op te roepen voor deportatie. Maar op die datum hoefde hij en zijn gezin niet te komen opdraven, want ze hadden een Sperr. Dat had te maken met het eerste woord op de onderste regel: ’Kattenburg’. Hijman werkte bij Hollandia Kattenburg, een grote textiel fabriek in Amsterdam Noord. Daar werd ook kleding gemaakt voor het Duitse leger en daarom belangrijk voor de Duitse oorlogsindustrie en dus was iedereen die daar werkte, theoretisch, vrijgesteld van deportatie. Dat leek een tijdje goed te gaan, tot 11 november 1942.