Tagarchief: jodenvervolging

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 5: De leider van de NVM

Als je dat verhaal wat ik aan het vertellen ben over mijn grootvader, probeert te volgen, dan moet je nu wel aardig wanhopig zijn. Op z’n minst moet je al je motivatie om verder te lezen wel verloren hebben. Een hele maand zit er tussen het vorige stukje over de verliefde Martha en wat ik hier en nu zit te schrijven. Dat is zo stroperig en zo langzaam… Ik wilde wel, maar het ging niet. Bij mij was de inspiratie om te schrijven helemaal weg. Laat ik proberen om de draad weer op te pakken. Laten we onze focus terugzetten op die tasjesdief die zich in oktober 1942 op het politiebureau zomaar door zijn hoofd schoot. Nou ja, ‘zo maar’… We gaan het zien.

Het is opmerkelijk als een arrestant  zich door het hoofd schiet. Het in bezit hebben van een pistool is al vreemd. En dan jezelf door het hoofdschieten. Om een luttel gestolen tasje. Daar moest meer aan de hand zijn, moeten de onverschrokken helden van de politie gedacht hebben. De dienders doorzochten alles wat de man bij zich had en vonden in één van zijn zakken een textielbon. Op die bon een naam: Dormits. Samuel Zacharias Dormits! Sally Dormits! En toen rinkelden alle nazistische-politie-alarmbellen, want die man werd gezocht! Na een brandstichting in een opslagplaats van de Wehrmacht in Den Haag waarbij de stro- en hooivoorraad volledig verloren was gegaan, had men via een in de haast achtergelaten fiets kunnen achterhalen dat Sally Dormits betrokken was bij de aanslag. En…de groep rond Dormits werd verdacht van diverse andere – in meer of mindere mate geslaagde – aanslagen. Geruchtmakend was de aanslag op een spoorbrug in Rotterdam. Het was dat hij mislukte, maar als de aanslag geslaagd was, dan waren er een hoop Duitse soldaten omgekomen. Het koste de rechercheurs niet veel moeite om aan het onderduikadres van Sally Dormits te vinden.

Dormits was een strijdbare communist die onder anderen had meegevochten in de Spaanse burgeroorlog. Terug in Nederland en geconfronteerd met de Duitse bezetting, was het wel duidelijk dat hij verzet zou plegen. Kennelijk wilde hij zich niet aansluiten bij de Communistische Partij Nederland, maar wilde hij een eigen groep. De CPN had vanaf het begin al meteen de hoogste veiligheidsmaatregelen genomen. Zo werden namen en adressen met de hoogst mogelijke voorzichtigheid bewaard. Dat vond Sally Dormits niet echt nodig. (Even tussen haakjes; zoek je echt een schuldige voor wat mijn grootvader uiteindelijk overkwam…de ijdelheid van een communistische splintergroep die zwaar amateuristisch te werk ging! Maar dat is ook weer niet eerlijk, want uiteindelijk waren het natuurlijk de nazi’s…). Toen het onderduikadres van Sally Dormits gevonden was vond men de ledenlijsten van de door hem geleidde Nederlandse Volksmilitie, de NVM. Die lijsten waren weliswaar gecodeerd, maar die codering hadden de jongens van de meteen opgeroepen Sicherheitsdienst in no-time gekraakt. En toen hadden de nazi’s een mooi en schoon lijstje voor huisbezoek en het duurde niet lang of de hele NVM, inclusief de adspirantleden, waren opgepakt, gemarteld en vermoord…meteen of op termijn. Nog voor het eind van oktober 1942.

Die gecodeerde ledenlijst was niet het enige op dat onderduikadres; men vond er ook een notitieboekje. In dat notitieboekje stond een naam die de politie naar een meisje in Amsterdam Noord leidde. Naar haar adres: Sperwerlaan 11…

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 4: Verliefde Martha

En hier de volgende hoofdrolspeler in het Kattenburgdrama: Martha. Zeventien jaar. Tot over d’r oren verliefd op een joodse jongen. Wie misgunt een zeventienjarig meisje haar eerste liefde? Niemand, toch? Martha Korthage uit Amsterdam-Noord. Ze woonde met haar ouders en broertjes en zusjes in de Sperwerlaan 11. We zijn Hollandia-Kattenburg genaderd, want de fabriek van de firma Hollandia-Kattenburg stond ook in de vogeltjesbuurt van Amsterdam-Noord; aan de Valkenweg en dus bij Martha om de hoek. Nog geen twee minuten lopen. Ze had er een blauwe maandag gewerkt. Wellicht dat ze in de fabriek, op de werkvloer haar vriendje had leren kennen, we weten het niet. Martha werd ontslagen wegens onzedig gedrag; waarschijnlijk had ze staan zoenen met haar joodse vriendje onder werktijd.

De vogeltjesbuurt in Amsterdam-Noord 1940

Er werkten veel joodse mensen bij Hollandia Kattenburg. De directeur, Jacques Kattenburg, was van joodse komaf. Of dat de reden was dat er zoveel joodse mensen werkten; het zou kunnen. Wat betekende het eigenlijk om joods te zijn in Amsterdam voordat de tweede wereldoorlog ook Nederland in haar klauwen kreeg? Niets, helemaal niets.

Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen…maar nauwelijks in Amsterdam. De Amsterdamse wethouder voor onderwijs en kunstzaken – maar ook statisticus – Emanuel Boekman, deed in de jaren dertig onderzoek naar de demografie van de joden in Nederland. Hij constateerde dat de meeste Nederlandse joden in Amsterdam woonde en dat ongeveer negen procent van de Amsterdammers een joodse achtergrond had. Bovendien maakte hij, met de volkstellingen vanaf 1905 als leidraad een lijstje dat liet zien hoe de Amsterdamse bevolking en het joodse deel steeds meer één geheel werden. Hij liet zien dat vanaf 1905 het aantal gemengde huwelijken tussen joden en niet-joden in rap tempo toenam; dat je partner al of niet joods was, werd steeds minder belangrijk. In 1930 trouwde één op de vijf joden met een niet-jood. Dat onze Martha verliefd werd op een jodenjongen en hij op haar is dus helemaal niet gek. En dat die jodenjongen plotseling verdwenen was, was ook niet zo heel gek in de tijd nadat de nazi’s Nederland hadden overgenomen. Van dat gemoedelijke Amsterdam zonder scheiding tussen joden en niet-joden was weinig overgebleven. Jonge joodse mannen waren vaak het doelwit van de nazi’s in de beginjaren van de oorlog. Die werden zomaar opgepakt en – toen nog – naar Mauthausen gebracht waar ze al snel overleden en de overlijdensberichten drongen toen nog door in Amsterdam. Mauthausen was een schrikbeeld. Met Mauthausen werd voortdurend gedreigd. De angst zat er goed in. Velen kozen voor onderduik. Zo ook het vriendje van onze Martha.

Het Joodsche Weekblad van 7 augustus 1942

Gedumpt door je grote liefde. Bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal is je eerste liefde ook je grote liefde. Ze moet wanhopig zijn geweest van liefdesverdriet. Zo sta je nog te zoenen en dan is hij, zonder boe af bah, verdwenen. Niemand die haar iets kon vertellen over haar vriendje. Toen moet ze gehoord hebben dat hij ondergedoken zat. Hoe kom je erachter waar iemand ondergedoken zit? Via het verzet. Ze zal links gevraagd hebben en rechts gesmeekt…niemand kan haar verwijten dat ze dat deed; je hoofd wordt erg schimmig als het bezeten is van liefde. Zo kwam de naam van Martha Korthagen terecht in een notitieboekje van verzetsstrijder Sally Dormits die ik in de vorige aflevering van dit vervolgverhaal een kogel door zijn hoofd heb laten schieten als gearresteerde tasjesdief op het politiebureau in Rotterdam. De naam van verliefde Martha in het notitieboekje van Sally Dormits, zou een akelige staart krijgen.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 3: De tasjesdief.

Rauter kon in 1942 maar moeilijk aan zijn verplichtingen voldoen, de stakker. Hij had er moeite mee de treinen naar het oosten te vullen met joden. In de loop van 1942 had hij van hoger hand targets opgelegd gekregen en hoewel hij de joodse bevolking niets dan slechts toewenste en er joden genoeg voor handen waren, lukte het hem niet om die targets te halen. Iedereen had wel een reden om niet gedeporteerd te worden. Maar gelukkig voor hem, daar kwam verandering in…er ging iets gebeuren. Zelfs de Rüstungsjuden van Hollandia-Kattenburg zouden de dans niet ontspringen… Er was een aanleiding nodig. Die aanleiding zou niet lang op zich laten wachten in 1942 maar had wel een aanloopje nodig. Een klein aanloopje.

In oktober 1942 gebeurde er iets opmerkelijks in Rotterdam. Een ordinaire tasjesroof. Eigenlijk meer een diefstal. Bij de bakker zag ene  Sally Dormits een onbeheerd handtasje staan. Omdat hij verschrikkelijk omhoog zat om bepaalde spullen en hij vermoedde dat ze in dat tasje zaten, stopte hij het vergeten handtasje ongezien in de aktetas die hij bij zich had. Toen de bezitster van het tasje thuis ontdekte dat ze haar tasje met haar hele hebben en houden bij de bakker vergeten moest zijn, repte ze zich terug. Daar zag ze haar tas niet. Wel een slungelige jongeman met een brilletje en een uitpuilende aktentas.

De vrouw overzag het strijdperk; een bakkerszaak in Rotterdam; tasje weg; slungel met een uitpuilende aktetas. De verdachte was binnen enkele seconden gevonden. ‘Waar is mijn tas, ik ben hem vijf minuten geleden vergeten en toen stond hij hier,’ zal ze gezegd hebben. Op dat moment werd het Sally Dormits wat te heet onder zijn voeten. Ik denk dat hij ongezien de pleiterik wilde maken. ‘Hier blijven!’ zal de vrouw geroepen hebben. Anderen hielpen de vrouw door voor de uitgang van de bakkerij te gaan staan. Sally Dormits kon geen kant op. ‘Laat jij eens zien wat je in de uitpuilende tas hebt?’ Vroeg ze op een toon die echt niet vriendelijk was terwijl ze dreigend dichterbij kwam. Hij drukte zijn tas beschermend tegen zich aan. Maar de vrouw gaf zich niet zomaar gewonnen en rukte de aktetas uit zijn hand en opende hem en vond haar handtasje. Mocht hij nog gehoopt hebben dat dat dat het was, mooi niet. Voor een afloop met een sisser was het te laat, want welke vrouw laat haar tasje stelen? Er ontstond veel reuring. In ieder geval staat vast dat iemand Dormits stevig in de greep nam en dat viel een juist op dat moment langslopende diender op. Geen gewone diender  maar een lid van de Vrijwillige Hulppolitie die in 1942 door de nazi’s was opgericht. Lid werd je van deze hulppolitie als je het geen enkel probleem vond om wat joodse mensen – mannen, vrouwen, kinderen, oudjes – op te pakken om ze naar de hel te sturen. Zo iemand dus.

Sally Dormits

Sally Dormits werd naar het bureau aan de Rotterdamse Oostervantstraat gebracht. Professionals fouilleren bij arrestatie, maar die stap was door de hobby politieagent overgeslagen. Toen men dat alsnog wilde doen, trok Dormits een pistool uit zijn kleren en schoot zichzelf door het hoofd. Nog niet helemaal dood werd Dormits in allerijl naar het ziekenhuis aan de Coolsingel gebracht alwaar hij overleed.

So far so good. Ware het hier bij gebleven – een handtasjesdief schiet zich door zijn hoofd – dan was het verhaal hiermee afgelopen. Maar het mocht helaas niet zo zijn…

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 2: Rauter.

Als je een column een nummer meegeeft – deel 1, dus – dan verwacht je een vervolg. Heus, dat vervolg komt er wel, maar het gaat allemaal niet zo snel. Die tentoonstelling – je-weet-wel-over-wie – houdt mij vreselijk bezig. Eigenlijk is het een argument dat helemaal nergens op slaat; ga door met deel 2 van je Hollandia Kattenburg verhaal en hou op met zeuren!

Het verhaal. Hoe vervolg ik het? Moet ik verder gaan met de tasjesroof? Dat opstootje in 1942 dat de opmaat betekende voor alle ellende? Nee, eerst maar eens hoog over; ik heb niet voor niets dat onovertroffen boek van Theo Gerritse gekocht over Rauter[*]. Gerritse biedt een inkijkje in wat er voorafgaand aan 11 november 1942 allemaal speelde in Nazikringen. In januari 1942 was op de Wannsee conferentie besloten dat Europa Judenfrei zou worden, dat was stap één. De praktische uitvoering was stap twee. Met die stap twee was Hans Albin Rauter belast. Een veel moeilijkere taak dan zo op het eerste gezicht leek. Hoe vervoer je meer dan 100.000 mensen naar het oosten van Europa zonder noemenswaardig protest? Hoe voorkom je dat de andere Nederlanders tegen de deportaties in opstand komen?

De Februaristaking in 1941 had best voor wat beroering gezorgd in nazikringen. Die staking was een reactie op een razzia waarbij joden waren opgepakt. Kennelijk waren die Nederlanders lang niet zo racistisch als gehoopt was. Het moest dus slinks gaan, met list en bedrog. En nee, het kwam helemaal niet goed uit dat collega Schmidt in een toespraak van leer ging en beloofde dat hij al die joden zou gaan uitroeien; dat bracht maar onrust. Heus, Rauter en Schmidt waren het inhoudelijk helemaal met elkaar eens, maar hun tactiek was nogal verschillend. Rauter had targets gekregen van bovenbazen Himmler en Eichmann. In 1942 moest hij ervoor zorgen dat er duizenden joden gedeporteerd werden terwijl alles hem leek tegen te werken. Om te voorkomen dat er stakingen en opstanden zouden uitbreken, moest hij uitkijken met teveel openlijk geweld. Op de oproep om zich vrijwillig te melden, kwam maar de helft van de joden opdagen. Dan waren er nog duizenden joden die om de één of andere manier vrijstelling hadden om gedeporteerd te worden. Eigenlijk bijna iedereen met een baan of een studie. Daar werd geleidelijk wel wat paal en perk aan gesteld, maar voor de joden die werkten in fabrieken die aan het Duitse leger leverden, bleef onverminderd de ‘Sperr’ van kracht.

Bij Hollandia-Kattenburg werden grondzeilen en regenjassen gemaakt voor het Duitse leger; waterdichte grondzeilen en waterdichte regenjassen. Iedereen die in die fabriek in Amsterdam-Noord werkte, was hard nodig. Een derde van de werknemers en de directeuren (al waren ze uit hun functie, ze speelde op de achtergrond een grote rol) waren van joodse komaf.

Zo’n ‘Sperr’ lijkt wel fijn als je hem hebt, maar achteraf was dat ook dé gewiekste manier om mensen te misleiden. Door de angst om de Sperr te verliezen deed men angstvallig wat de nazi’s vroegen. Het verdeelde de slachtoffers in mensen met een Sperr en mensen zonder en hoewel men best medelijden had met degene zonder sperr – die rücksichtslos werden gedeporteerd – was de angst om de eigen positie te verliezen veel te groot om ook maar te denken aan in opstand komen. Heus, er was wel tegenstand, we gaan er nog van horen, maar die was niet groot.

De mensen met een Sperr waren een doorn in het oog van Hans Albin Rauter ook de zogenaamde Rüstungsjuden bij Hollandia Kattenburg. Hij moest zijn targets halen. Weg al die joden. Weg uit Nederland.

Natuurlijk kreeg hij uiteindelijk zijn zin, die Rauter.


[*] Gerritse, T. (2018). Rauter: Himmlers vuist in Nederland (Dutch Edition) (2de editie). Boom.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel I

Het is stil geweest op deze site. Dat komt omdat ik nogal bezig was met iets anders. Ik ben druk geweest met Fré Cohen. Ik heb van alles over haar uitgezocht en volgens mij een interessant hoofdstuk geschreven voor de catalogus. In de marge van mijn onderzoek naar Fré heb ik ook wat dingetjes gevonden over mijn eigen komaf. Zoals ik al wel vaker beweerd heb, had ik een grootvader die nooit mijn opa werd en een zeer geliefde opa die eigenlijk mijn grootvader niet was. Mijn Grootvader staat in mijn stamboom maar zegt mij feitelijk net zoveel als mijn betovergrootmoeder; ze heeft bestaan want anders was ik er nooit gekomen, maar verder zegt ze me helemaal niks. Oké, die grootvader zegt me ietsjes meer omdat mijn omaatje wat wazig in de verte keek als ze het over hem had. Soms. Heel soms. Ik logeerde bij oma en opa en oma wilde mij de foto’s van mijn moeder als kind laten zien; een heel klein bloot zwartkrullerig meisje in een wastobbe, kraaiend van plezier. En toen kwam ook hij langs, Hijman, die zo verschrikkelijk veel van dat kleine donkere meisje gehouden had. Ik proefde zijn naam op mijn tong. Een gekke, rare naam. Niet een naam die je dagelijks tegenkomt.

Eigenlijk was het nog niet eens zo moeilijk om zijn kaart van de Joodse Raad te vinden. Op die kaart staat niet zoveel als je hem oppervlakkig leest, maar lees je hem goed, dan ontvouwt er zich een drama van ongekende ellende. Ik ben van plan om het tot op de bodem te gaan uitzoeken, maar zelfs met wat ik nu weet is het al erg genoeg.

Deze zomer ben ik naar Amsterdam-Noord gefietst. Ik wilde zien en voelen waar het drama zich afgespeeld heeft; waar mijn oma en moeder samen met Hijman woonde toen ze zich op 11 november 1942 afvroegen waar hij bleef en later besefte dat het helemaal mis was. De Nigellestraat nummer 85 huis. Zo ver weg bleek het niet te zijn. Ik fietste door de verstilde straten van Amsterdam noord in een heerlijk lentezonnetje en vond in de Nigellestraat een stukje Amsterdams paradijs. Een klein plantsoen voor de deur, waarin nu een speelplaatsje gemaakt is; een ideale plek om je kinderen te laten opgroeien. Daar woonden ze dus destijds. Hét huisnummer bleek samengevoegd, denk ik, want nummer 85 bestaat niet meer. Wat moeten ze gelukkig zijn geweest toen ze er op 12 november 1939 introkken met hun bijna één jaar oude baby.

Fascinerend op het kaartje van de Joodse Raad is het nummer. 654/2. Nu ik toch aan het graven was, heb ik uiteraard ook het kaartje van oma en mijn moeder gevonden, respectievelijk 654/3 en 654/4. Wie was dan nummer 1? Wie had nummer 654/1?

Vaag de stempel 14 juli 1942 onder aan het kaartje. Voor zover ik nu begrepen heb, is dat de datum waarop de Joodse Raad besloot hem op te roepen voor deportatie. Maar op die datum hoefde hij en zijn gezin niet te komen opdraven, want ze hadden een Sperr. Dat had te maken met het eerste woord op de onderste regel: ’Kattenburg’. Hijman werkte bij Hollandia Kattenburg, een grote textiel fabriek in Amsterdam Noord. Daar werd ook kleding gemaakt voor het Duitse leger en daarom belangrijk voor de Duitse oorlogsindustrie en dus was iedereen die daar werkte, theoretisch, vrijgesteld van deportatie. Dat leek een tijdje goed te gaan, tot 11 november 1942.

Arnon Grunberg – Bezette gebieden; een fantastisch vervolg!

Net nu ik bijna dagelijks bezig ben met de jodenvervolging en de tweede wereldoorlog vanwege Fré Cohen, lees ik ‘Bezette gebieden’ van Arnon Grunberg en of het toeval is, ik weet het niet, maar deze roman gaat net zo goed over de holocaust. Grunberg bouwt een roman rondom een steeds geïsoleerder rakende groep joodse mensen die met het idee leeft dat de wereld – nu zijn het Palestijnen in plaats van Duitse nazi’s – de joden wil uitroeien en dat de joden alles op alles moeten zetten om de ‘soort’ te behouden door zoveel mogelijk kinderen te krijgen. Kinderen krijgen als obsessie. En dan heb ik nog niet eens zo heel lang geleden de Netflix serie ‘Orthodox’ gezien en jawel, ook daar een hele kleine steeds geïsoleerder rakende groep joden met een obsessie voor het maken van kinderen en een erfangst voor uitroeiing. Hoewel de Netflix serie best aardig was, is de roman ‘Bezette gebieden’ van Arnon Grunberg een meesterwerk. In Grunbergs werk vind je bijna altijd de jodenvervolging terug en de angsten en de obsessies, maar wel helemaal op zijn eigen originele wijze. Dan weer realistisch, dan weer ironisch en hilarisch en heel vaak absurdistisch. Wat betreft lezen ben ik nog steeds een bofferd, want ook ‘Bezette gebieden’ van Arnon Grunberg is een heerlijk boek waar ik met volle teugen van genoten heb, en dat na al die prachtige boeken die ik de afgelopen tijd gelezen heb! Het boek daagt je uit om naar je eigen grenzen te kijken; moreel, maar ook intellectueel.

Eigenlijk is ‘Bezette Gebieden’ ‘Moedervlekken’ deel twee. Het verhaal gaat in ‘Bezette Gebieden’ door waar ‘Moedervlekken’ geëindigd is. Hoofdpersoon is weer psychiater Kadoke (de laatste lettergreep uitspreken met klemtoon en met een lange ‘e’), die zijn oude moeder moet verzorgen. Zijn oude moeder is eigenlijk zijn oude vader, maar toen moeder overleed was vader zo diep in de rouw dat dat alleen maar kon worden opgelost door de volledige overname van de moeder door de vader. Vader wordt moeder. Moeder heeft dus een piemel. Kadoke is gespecialiseerd in het voorkomen van zelfmoord. Voor één patiënt waarbij alle therapieën niet kunnen voorkomen dat ze zichzelf snijdt en dat ze bleekwater drinkt, verzint hij een alternatieve therapie; als ze voor iemand anders zou moeten zorgen, dan heeft ze wellicht geen tijd meer voor haar suïcidepogingen en omdat Kadoke juist op dat moment niemand heeft om voor zijn moeder te zorgen, laat hij de suïcidale Michette voor zijn moeder zorgen als alternatieve therapie. Daar eindigde ‘Moedervlekken’.

Dat is dus het beginpunt van ‘Bezette Gebieden’. Maar dan heeft Michette een vriend gekregen. Een schrijver. (Herkennen we Arnon Grunberg in de schrijver?) Hij gebruikt Michettes verhaal in een roman. ‘Alternatieve therapie’ wordt in deze roman ‘misbruik’. Michette dikt ondertussen het ‘misbruik’ nog wat sterker aan; maakt er ook nog seksueel misbruik van en lijkt te genieten van de aandacht. De roman wordt een daverend succes en Kadoke wordt herkent als de dader. Langzaam verliest Kadoke alle grip op de gebeurtenissen en lijkt de race naar de afgrond onafwendbaar.

Op het moment dat het helemaal misgaat, transformeert zijn moeder weer naar zijn vader en staat ineens zijn onbekende achternicht Anat voor de deur. Anat komt uit Israël en is lid van een vrome geloofsgemeenschap onder leiding van een in New York levende in coma verkerende rabbijn. Ze heeft net een mislukt – want kinderloos – huwelijk achter de rug en studeert wiskunde en is bezig met haar promotieonderzoek naar de rol van het toeval. Kadoke wordt verliefd op Anat terwijl de wereld voor hem instort. Hij komt voor de tuchtraad en mag het beroep van psychiater nooit meer uitoefenen.

Samen met zijn vader reist Kadoke naar Israël. Anat blijkt te wonen in een illegale nederzetting op de westelijke Jordaanoever. Kadoke wordt als een verloren zoon opgenomen in de gemeenschap en krijgt samen met zijn vader een caravan. In eerste instantie wil Anat niet veel met hem te maken hebben op liefdesgebied, maar dan verbreekt Kadoke de patstelling door rond te bazuinen dat hij de verloofde van Anat is. Het blijkt dat de hele gemeenschap al tijden bidt voor een nieuwe echtgenoot voor Anat. Van een gevallen psychiater verandert Kadoke voor de gemeenschap in ‘Het Wonder’. Op dat moment kan Anat ook niet meer terug. Maar voordat Anat en hij gaan trouwen krijgt de moeder van Anat (die veel gelijkenis vertoond met de spreekwoordelijke schoonmoeder) in haar droom van de New Yorkse rabbi door dat Kadoke getest moet worden. Schoonmoeder moet testen of de nieuwe echtgenoot van haar dochter niet opnieuw zo’n ‘impotente jood’ is. Eén van de meest absurdistische en gênantste scenes die ik de afgelopen jaren gelezen hebt, ontvouwd zich voor je lezersoog.

Maar ook nadat Anat en Kadoke getrouwd zijn is het – uiteraard – nog lang niet op. Tijdens hun wekelijkse paring, dient Kadoke een SS-pet op te zetten. Anat smeekt dan of ‘dit kleine jodinnetje alsjeblieft nog een nachtje mag blijven leven als ze heel lief is voor meneer Oberstürmbahnführer’. Ondertussen hebben in werkelijkheid volgens Anat de Palestijnen de rol van de nazi’s overgenomen. Als Kadoke als dramadocent gaat werken in Jeruzalem in een gemengde school, weet Anat het zeker; Kadoke gaat verraad plegen en samenspannen met de mensen die de joden willen uitroeien…

Het lijkt alsof de orginaliteit en de fantasie van Arnon Grunberg geen grenzen kent; elke roman getuigt van zoveel originaliteit en er lijkt geen einde aan te komen. Ondertussen blijft zijn hele oeuvre drijven op een zeer serieuze onderstroom en dat is zonder meer de holocaust.

Samenvattend: ‘Bezette Gebieden’ en ‘Moedervlekken’ zijn twee fantastische boeken die je afzonderlijk kunt lezen, maar dan ben je een domoor want je hebt dubbel plezier als je ze alle twee leest.

Fré Cohen en ik.

Fré Cohen en ik. Hoe zit dat precies? Enkele jaren geleden werd mijn  moeder benaderd door een zekere meneer Van Dam die bezig was om van zijn familie een stamboom te maken. Kennelijk was hij met zijn genealogisch onderzoek bij mijn moeder uitgekomen. Hij vroeg haar om de namen van haar kinderen en kleinkinderen en partners met geboortedata en -plaatsen en huwelijksdata naar hem op te sturen en zo kwam ik met geliefde J. en onze drie zonen in deze stamboom terecht. Mijn moeder kreeg een pdf bestand waarin onze hele stamboom stond en die stuurde ze ons toe. Ik heb zitten smullen van die stamboom want hij gaat ver terug, en deze jongen houdt van ver terug. Ik werd destijds zo enthousiast dat ik zelf ook dacht om een stamboom te maken, maar helaas, dat strandde al snel. Een stamboom maken kost heel veel tijd omdat je heel veel moet uitzoeken en dus gaf ik er al snel de brui aan.

Kortgeleden was ik op zoek naar Schoontje Boas-Sarlie (wie was zij?). Deze vrouw stond volgens het joodsmonument.nl ingeschreven op het adres waar ook Fré Cohen ingeschreven stond: Tweede Oosterparkstraat 11 I, terwijl we wisten dat Fré in de Karel du Jardinstraat 11 II woonde. Gek, en dus een onderzoekje waard. Google is nog steeds mijn grote vraagbaak en via één van haar antwoorden kwam ik in dezelfde stamboom, maar dan on-line, terecht als waar ook ik in sta. Schoontje Boas-Sarlie bleek de tante van Fré. Fré Cohen en ik in dezelfde stamboom? Dat maakte mij natuurlijk heel erg nieuwsgierig. Op die betreffende stamboomsite  kan je verwantschap berekenen. Aldus voerde ik mijn naam in en de naam van Fré Cohen en liet de website rekenen. Met resultaat!

Elias Salomon van Cleef is onze stamvader. De man overleed in 1808 in Amstelveen en oefende aldaar het beroep van doodgraver uit. Zijn zoon, slager Abraham Elias van Kleef, overleefde zijn vader maar een paar jaar maar was wel de vader van Salomon Abraham van Kleef die de slagerszaak van zijn vader overnam. Tien kinderen kreeg hij waarvan drie de kleutertijd niet overleefden. Eén van de overlevers was Mozes van Kleef. Nou ja, overlever…Hij oefende het beroep van schijvenschuurder uit en werd nog geen veertig. Schijvenschuurder was niet direct een gezond beroep. Zijn vrouw Lea Gobets heeft hun drie kinderen alleen moeten opvoeden. Alle drie haar kinderen werden in 1943 vermoord. Zij zelf ook. Oudste zoon Salomon van Kleef, die sigarenmaker was, werd, voordat hij vermoord werd, de vader van mijn grootvader Hijman en Hijman heeft nooit de kans gekregen om mijn opa te worden want ook Hijman werd – in 1943 – vermoord en oma hertrouwde later met mijn opa. Zo gaat dat. Hijman kreeg nog net op tijd een dochter, mijn moeder en…mijn moeder is dus mijn moeder en ik haar oudste zoon.

Voor Fré Cohen keren we terug naar onze stamvader Elias Salomon van Cleef. Hij had namelijk, naast zoon Abraham, ook nog een zoon Philip die ook al zijn heil had gezocht in de vleessector. Zijn dochter Sara Philip van Cleef trouwde met broodventer Joel Abraham Cohen Bromet. Hun zoon Abraham Joel Bromet trouwde met Schoontje Lucas Sarlie wiens vroege dood en vermoorde dochter er in dit verhaal niet meer toe doen. Schoontje had namelijk een broer, Hartog Sarlie, die de opa van Fré Cohen was. Uit zijn huwelijk met Vrouwtje Hen (wie heeft die namen verzonnen?) werd de moeder van Fré, Esther Sarlie, geboren en dus ook tante Schoontje Sarlie waarbij Fré, volgens officiële bronnen, inwoonde.

Kortom: Een DNA-onderzoeker zal geen verwantschap tussen mij en Fré Cohen kunnen vaststellen, maar onze verwantschap past wel op een A4-tje. Ben ik even trots op mijn familie!

Gedicht geschreven in Bergen-Belsen

En toen was er een gedicht. Een opmerkelijk gedicht. Niet zozeer qua inhoud, maar meer door de omstandigheden waar het tot stand kwam. En toch ook de inhoud, een beetje. De dichter: Joseph Gompers. De datum 1 mei 1944 en de plaats waar het geschreven werd: Bergen-Belsen. Op die plek wil je als jood niet zijn op 1 mei 1944. Een concentratiekamp van nazi-Duitsland. Weliswaar geen plek met gaskamers en crematoria waar de dood een fabrieksproces was, maar ook geen plek waar het de bedoeling was dat je, als jood, overleefde. Honger en gebrek en verschrikkelijke epidemieën moesten ervoor zorgen dat men snel dood ging. Een afgrijselijke plek om te zijn op 1 mei 1944. Gompers overleefde Bergen-Belsen dan ook niet. Hij schreef het gedicht ter nagedachtenis aan Fre Cohen… Met de dood voor ogen tekende Gompers een gedicht op voor Fre Cohen. Vriend Joop Voet zag daar na de oorlog in dat Fre Cohen en Joseph Gompers een meer dan vriendschappelijke relatie moeten hebben gehad; dat ze minnaars waren.

Ik ben geïnteresseerd in het leven van Fre Cohen. Liefde en partnerschap is een belangrijk element in het leven van een mens. Omdat Fre Cohen altijd ongetrouwd is gebleven, is het niet zo gek om te kijken of onze kunstenares de liefde gekend heeft. Waarom? Geen idee. Misschien wel sensatiezucht. Laten we het houden op dat we graag een compleet beeld willen krijgen van de vrouw die ons zoveel moois schonk.

Eerst maar eens kijken wat er wel bekend is over de relatie tussen Gompers en Cohen want dat ze ‘iets’ hadden, dat is wel duidelijk. Cohen leerde Gompers goed kennen na de machtsovername van Hitler in 1933 in Duitsland. Die greep naar de macht leidde al snel tot anti-joodse maatregelen in Duisland en bracht een joodse vluchtelingenstroom op gang naar Nederland. De zeer sociaal voelende Cohen wilde een rol spelen in de opvang van de vluchtelingen. Er was onder anderen een steunfonds opgericht om de vluchtelingen financieel te helpen. Vertaler, dichter en journalist Joseph Gompers was een van de beheerders van het steunfonds. Gompers was voorstander van een joodse staat in Palestina; een zionist.  Socialisten – en dat was Fre Cohen – zagen internationale verbroedering van de arbeidersklasse als toekomst en daarbij speelde godsdienst of afkomst geen rol van betekenis. We weten niet precies wat Fre Cohen voor ogen stond. Ik zie dat juist in de periode na 1933 meer en meer joodse motieven in haar werk opduiken… Dat Fre Cohen en Joseph Gompers ‘iets’ met elkaar hebben, ligt voor de hand want ze komen veel bij elkaar over de vloer. Ze verzorgen samen artikelen in het Nieuw Isrealitisch Weekblad die Gompers schrijft en worden geïllustreerd door Fre Cohen. De kunstenares maakt twee mooie ex-librissen voor Gompers.

Terug naar het gedicht ‘De roode meidoorn’; het gedicht dat Joseph Gompers in Bergen-Belsen ter nagedachtenis aan Fre Cohen schreef. Kunnen we daar iets in lezen dat een beeld geeft van de relatie die Gompers en Cohen met elkaar hadden? Ik denk het wel. Als we ervan uitgaan dat zij een liefdesrelatie hadden dan verwacht ik dat het gedicht ‘De roode meidoorn’ een liefdesgedicht is. Dat is het niet. Gompers heeft tal van liefdesgedichten geschreven en dit gedicht lijkt daar niet op. Bovendien denk ik dat je een gedicht opdraagt aan je geliefde (zelfs als ze al overleden is) en dat ‘ter nagedachtenis’ op meer afstand duidt.

Ik zie in het gedicht meer gezamenlijke strijd en gezamenlijke idealen en daarmee een diepe vriendschap. Geen erotiek. Ik denk niet dat Gompers en Cohen een liefdespaar waren. Ik lees in het gedicht een groot verlangen naar betere tijden. Ik denk dat Cohen is gaan geloven in een joodse staat in Palestina waar joden vrij van vervolging zijn. In die nieuwe staat zal een joodse vorm van socialisme ontstaan waarin veel AJC-idealen werkelijkheid zouden moeten worden. Ik denk dat Gompers en Cohen daar eindeloos over hebben gediscussieerd en het heel erg met elkaar eens zijn geweest. Zionisme was uiteindelijk toch wel de weg uit de hel waar ze vanaf de jaren dertig als joden in terecht waren gekomen.

De Arbeiders Jeugd Centrale en oma

Het schijnt dat oma koppig bleef zitten toen de Internationale gezongen werd. Ik zie haar voor me. Net weer met mijn kleine meisjesmoeder herenigd en dan samen op de Paasheuvel op de natuurlijke tribune van het openluchttheater. Iedereen gaat staan aan het eind van de bijeenkomst om samen hét lied te brullen omdat er een nieuwe tijd is aangebroken. Mijn meisjesmoeder wilde ook gaan staan, maar oma pakte haar hand en trok haar weer op haar plaats. Met samengeknepen lippen moet mijn oma hebben gedacht aan de laatste jaren voor de oorlog toen de AJC nog haar leven was en haar leven nog heel was. Maar alles was weg en niemand had genoeg voor haar kunnen doen en iemand moest de schuld krijgen en dat werd de AJC. Als je zoveel liefde wordt afgenomen door een oorlog die speciaal voor jou extra wreed uitpakt, dan heb je het recht om schuldigen aan te wijzen, zelfs als dat niet helemaal terecht is. Haar AJC-vrienden hebben haar uiteindelijk wel geholpen, maar de organisatie niet, want die bestond na 1940 even niet meer. Via haar AJC-vrienden heeft ze een tijd verstopt gezeten en is haar kind, mijn moeder, bij onderduikouders terechtgekomen. Maar zijzelf werd verraden en naar Polen gebracht om daar hetzelfde lot te ondergaan als de liefde van haar leven – de vader van mijn moeder – en haar ouders en haar broer en diens volledige gezin. Maar het liep ietsje anders; ze kwam terug en ze gaf onder anderen de AJC de schuld van haar ellende.

Ik ben op zoek naar Fré Cohen. Haar leven loopt in zekere zin parallel aan het leven van mijn grootouders. Ze deelden dezelfde idealen, ze waren joods, waren jong voor de oorlog en vonden een soort van einde in de tweede wereldoorlog. Natuurlijk waren er ook grote verschillen: Mijn grootouders waren lieve mensen die hun steentje aan de maatschappij probeerden bij te dragen terwijl Fré Cohen een groot kunstenaar bleek waarover men nog jaren zou spreken. Mijn grootouders wilden nauwelijks wat met het jodendom te maken hebben omdat het internationaal socialisme alle arbeiders van alle volkeren – en dus ook het Joodse – ging verbroederen. Fré Cohen ging allengs toch meer de zionistische kant op; oma had Auschwitz nodig om diezelfde richting op te gaan.

Het AJC monument op de Paasheuvel in Vierhouten

Op de Paasheuvel staat een monument waarop alle namen worden genoemd van AJC-ers die slachtoffer zijn geworden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Fré Cohen staat daar uiteraard op. Zij was de vormgeefster van de AJC. De broer van mijn aangetrouwde – maar desalniettemin helemaal echte – opa staat er wel op: Jacques. Maar helaas konden we de naam van mijn biologische – dus ook echte – opa niet op het monument vinden. Ik wilde zo graag dat de namen van mijn opa en Fré Cohen op hetzelfde monument verenigd waren. Maar nee dus. Ik vroeg het mijn moeder en ze vertelde over de boosheid van oma op de AJC vlak na de oorlog. Ze heeft waarschijnlijk geen enkele moeite gedaan om Hijman’s naam op het monument te krijgen en, hoewel mijn beide grootouders tot aan de opheffing in 1940 zeer actieve leden waren, werd hij door de AJC vergeten. Voor mijn moeder is dat erg pijnlijk en voor mij erg jammer, maar het is nu eenmaal zo.

Ondergang

De ondergang is op dit moment niet ver weg, bij mij. Niet mijn eigen ondergang. Nee, godzijdank niet. De ondergang als gevoel. Ik verdiep me in het leven en werk van de joodse kunstenaar Fre Cohen en dat brengt je vanzelf naar ondergangsgevoelens. De vrouw pleegde zelfmoord toen ze in 1943 werd gearresteerd. Ze voorvoelde kennelijk precies welk onheil eraan kwam. Achteraf gezien nam ze met haar eigen gekozen dood, denk ik, de minst slechte beslissing en voorkwam ze heel veel ellende en een even zekere aanstaande dood. Ik verdiepte me gisteren in de laatste jaren van haar leven. Ze werkte toen als docent aan de W.A. van Leer-school. Een joodse middelbare kunstnijverheidsschool. Die school bleek ietsje meer connectie met mij te hebben dan ik in eerste instantie dacht. Mijn te vroeg gestorven en – ik mis hem nog steeds – zeer geliefde opa, speelde zonder dat hij het wist een sleutelrol. Zijn broer Leo was, toen 23 jaar oud, een collega van Fre Cohen. Mijn opa’s oorlogsverhaal las ik in ‘Overleven een kunst’ van Ies Jacobs. Samen met Ies vluchtte mijn opa en dook hij onder op het Friese platteland. Ies Jabobs was leerling op de Joodse kunstnijverheidsschool en dus leerling van Fre Cohen en Leo. Mijn opa’s oorlogsverhaal kwam ik puur toevallig op het spoor want er zelf over vertellen deed hij niet. Ik liep in voormalig kamp Westerbork aan tegen het boek van Ies Jacobs en terwijl ik het doorbladerde zag ik tot mijn verbazing foto’s van mijn toen nog zo jonge opa. Al die geschiedenissen hebben een prominente ondergangscomponent. En omdat ik me gisteren naast alle ellende die ik las, ook nog wel wilde ontspannen en dus ging netflixen zette ik pardoes de film Sobibor op. Tsja, wat er allemaal niet onbewust en bewust op je afkomt op een sombere, bewolkte miezerige zondag. Je zou haast blij zijn dat het weekend weer voorbij is…

Maar ik overleefde het weekend en las vanochtend de krant met daarin een artikel van historicus Willem Melching. Gelooft het of niet; het gaat over de vernietiging van het Europese jodendom. Met name over Auschwitz. Hij stelt zichzelf de vraag of de moord op zoveel joden van tevoren bedacht was of dat er een vaag idee was dat per ongeluk eindigde in de genocide. Ik vraag me af in hoeverre er historisch bewijs is voor de dingen die hij beweert. De historicus schrijft over de gevoelens en de redeneertrant van mensen van toen. Beetje vaag. Hij beweert dat de Duitse leiders van toen de joden weg wilde hebben uit West-Europa en ze wilden verhuizen naar Siberië…heel ver weg in ieder geval. Maar omdat operatie Barbarossa minder gunstig en snel verliep dan gepland en Siberië een brug te ver was, maar ze aan de andere kant wel van de joden af wilden, vatte men het plan op om de joden dan maar te vernietigen. De vernietiging van de joden was dus, volgens Willem Melching, niet van tevoren uitgedacht, maar toevallig tot stand gekomen. Ik heb daar wat bedenkingen bij. Was de stap naar massale moord niet al veel eerder ingezet? Hadden ze destijds niet al geoefend op geestelijk gehandicapten? Kampcommandant Niemann van Sobibor had daar een rol in gespeeld. Maar goed, de redenering van Melching past beter in het beeld dat Rutger Bregman in zijn boek ‘De meeste mensen deugen’ schetst van de natuur van de mens; in beginsel was er niet de pure slechtheid die we er nu aan verbinden, maar was er echt het plan om de joden te verplaatsen. Alleen waarnaartoe? De plek waar de joden konden verblijven kon nog niet bereikt worden. Vermoorden was dan een goede tussenoplossing. Maar wacht eens even…mensen naar Siberië verplaatsen…is dat niet hetzelfde als genocide? Doet je dat niet een beetje denken aan het verplaatsen van de Armeniërs naar de woestijn en ze daar zonder iets achterlaten?

De ondergang. Laten we hopen dat de werkdag van vandaag me op andere gedachten brengt.