Tagarchief: joden

Oma en Fré Cohen

We zitten nog net in de eerste helft van mei. Een periode waarin teruggekeken wordt naar de eerste helft van de twintigste eeuw. Vijftig jaar die ongekend bloederig zijn geweest. Er zijn altijd in de geschiedenis wel oorlogen geweest en er heeft altijd wel bloed gevloeid, maar de eerste vijftig jaar van de twintigste eeuw zijn ongekend geweest wat dat betreft. Toch is het ook een periode waar ik heel graag naar kijk omdat er tegelijkertijd een ongekende bloei was van kunst en cultuur. Soms tegelijkertijd met uitspattingen van wreedheid, maar vaker als er luwte was in het bloedvergieten. En dat er tussen alle ellendige periodes door mensen bleven geloven in de goedheid van de mensheid en hun ideaal probeerden te verwezenlijken van gelijke kansen voor iedereen. Eén van de personen waarbij zowel de ellende, de cultuur en het idealisme samenkomen is Fré Cohen. Over Fré Cohen gaat een tentoonstelling komen in ‘ons’ museum. Fré Cohen zette mij op een speurtocht die me onverwacht heel erg dicht langs mijn eigen familie leidde…

Tekening van Fré Cohen – ‘Tevje der Milchman’ – aan de muur bij mijn moeder

Ik ging namelijk bij mijn moeder eten en vond deze tekening aan de muur. Een erfstuk van mijn oma. Mijn oma en Fré Cohen waren enthousiaste leden van de AJC; de Arbeiders Jeugd Centrale. Na de eerste wereldoorlog hoopten ze dat de wereld zou genezen van de verschrikkelijke wond die de oorlogsellende had veroorzaakt. Ze wisten niet wat hun, joden, nog te wachten stond. Hun onwetendheid is achteraf gezien een gelukkige omstandigheid want daardoor hebben ze nog wat jaren kunnen geloven in al het goeds dat het leven voor hen in petto had. Van Fre Cohen weet ik dat het grootste deel van haar werk in deze periode ontstond. Mijn oma had de tijd van haar leven. Ze was wat jaartjes jonger dan Fré Cohen maar minstens zo enthousiast voor de AJC. Mijn oma moet de tekening van Fré Cohen gekregen hebben en er totaal niet bij stil gestaan hebben wie of wat – anders dan een mede-AJC’er – Fré was. Mijn moeder vertelde dat ze de tekeningen na oma’s overlijden vond tussen heel veel andere papieren met punaisegaatjes en resten van plakband op de hoeken.

Die luwte in de wereld tussen de twee wereldoorlogen in fascineert me enorm. Dat geloven in de goedheid van de mensheid. Geloven in de mogelijkheid van het opvoeden van de mens tot een fantastisch wezen dat net als zij niets dan goeds voorheeft met de wereld. Weliswaar joods – en heus dat bleef altijd een zekere rol spelen – maar fel tegen religie omdat dat de mensen dom zou houden; opium voor het volk. Tussen de spulletjes van oma vond ik veel foto’s. Ook deze foto. Natuurlijk heb ik mijn oma zo nooit gekend. Zelfs van mijn moeder was nog in geen velden of wegen sprake toen deze foto gemaakt werd. Maar haar gezichtsuitdrukking…dat heb ik nooit meer zo gezien. Een gezichtsuitdrukking, ontspannen en vol verwachting, diep gelukkig en onbevreesd. Oma als naïeve lieve puber. Mijn oma hield iets van de dood in haar ogen nadat ze terugkeerde uit Auschwitz. Heus, ze heeft nog wel gelukkige momenten gehad, maar dood en verderf en algehele ondergang lagen altijd op de loer. Voor Fré Cohen eindigde de oorlog anders; ze pleegde zelfmoord voordat ze gedeporteerd kon worden.

Zeventig jaar Israël.

De omslag in de publieke opinie met betrekking tot Israël kwam na de Jom Kipoer-oorlog. Ik heb het voor mijn ogen zien gebeuren. De oorlog was nog niet afgelopen of de Arabische staten draaiden massaal de oliekraan dicht. We kregen autoloze zondagen en de prijs van benzine ging als een raket omhoog. De Arabische landen straften ons omdat we politiek achter Israël stonden. Vanaf dat moment in de begin jaren zeventig van de vorige eeuw, draaide alles om en werden de Palestijnen de verdrukten en Israël de grote boosdoener. Onze liefde voor Israël gaat door de benzinetank. Sindsdien zijn de Palestijnen de David geworden die het slechts bewapend met een slinger, moet opnemen tegen de zwaarbewapende Goliath. De massale instroom van mensen met een Arabische culturele achtergrond in Nederland versterkte hier de anti-Israël houding nog eens extra. De publieke opinie is nu massaal achter de Palestijnen gaan staan en zien Israël als het grote kwaad. Tegelijkertijd worden joden in Nederland vereenzelvigd met de staat Israël en is het antisemitisme in Nederland terug van weggeweest. Openlijk wordt aan de rechtmatigheid van de staat Israël getwijfeld en is het voor joden haast onmogelijk om als jood herkenbaar over straat te lopen zonder her en der agressie op te roepen. Ik ben zo blij dat mijn oma dit niet meer hoeft mee te maken…

Gisteren werd het zeventig jarig bestaan van de staat Israël gevierd met een allerminst vreedzaam protest. Dat protest was door Hamas georganiseerd. “Bestorm de grenshekken en verover terug wat je (in 1948, NB!!)  hebt verloren.” Dat was de bedoeling. Daarom verspreidde Israël pamfletten dat ze niet zouden tolereren als mensen te dicht bij de grens kwamen of iets zouden doen met de hekken aan de grens. De roep van Hamas was niet vreedzaam. Massaal trokken de Palestijnen naar de grens. Opgehitst door Hamas. Opgehitste mensen, daarvan wil je niet dat ze over de grens komen. Die zullen rovend en plunderend en verkrachtend rondtrekken. Mensen met een zwaar opgeklopt vijandbeeld wil je niet in de straten van je dorpen hebben. Die wil je weghouden van datgene dat je beschermen moet. Dat wist Hamas ook wel. Maar daarom hitsten ze de mensen nog verder op. Zodat Israël geen andere keuze had dan zwaar geweld gebruiken. Op ons journaal interviews met Palestijnen en hoe verschrikkelijk ze door de booswicht Israël, en de joden in z’n algemeenheid, behandeld waren. Over de fanatieke Hamasbeweging nauwelijks een woord.

Israël is de plek waar joden zich kunnen verdedigen en waar ze ook niet meer wegkunnen. Dat weet Hamas en dat weet Al Fatah en dat weet Iran en dat weet Assad. Toch willen ze niets anders dan de situatie van voor 1948 herstellen en houden ze dat idee bij de bevolking graag levend. Zolang ze dat doen is vrede met Israël onmogelijk.

Ik verlang zo verschrikkelijk terug naar de tijd dat we met z’n allen zagen dat Israël een klein landje was omringd door vijandelijke Arabische staten. Naar de tijd dat schoolverlaters als vrijwilliger naar Israël gingen om daar te helpen bij het opbouwen van het land. Ik verlang daar zo naar terug!

Discussiëren over politiek

Mijn jongste is de enige van de drie die zich voor politiek interesseert. Hij is zelfs wel een felle. Hij houdt van debatteren. Hij vat dat op als zijn mening ventileren. Echt luisteren naar een ander is nog een uitdaging voor hem. Hij heeft dat niet van een vreemde. Ik praat ook graag over politiek en ik laat me niet zo heel makkelijk uit het veld slaan. Hoewel…toen hij zijn politieke denken begon te vormen, deed hij het vooral tegen mij. Als puber richtte hij zich vooral op de mening van zijn pa. Linksgeoriënteerd altijd zoekend naar de nuance. Kritisch op Israël, maar wel als vriend. Eerlijk delen, solidariteit, verantwoordelijkheid nemen. Als ik andermans vrijheid inperk, perk ik ook mijn eigen vrijheid in. Daar ben ik van overtuigd en ik ben er daarom tegen. Ik vind dat een goede samenwerking tussen landen goed is voor de economie. Maar veel belangrijker nog vind ik dat een goede samenwerking veel ellende tussen landen voorkomt. Hoewel ik toen nog niet geboren was, vergeet ik de eerste helft van de twintigste eeuw niet en ik besef me dat er maar weinig voor nodig is om de oude sentimenten weer te doen oplaaien. Ik maak me daar zorgen over. De ellende van de eerste helft van de twintigste eeuw werkt ook door in de staat Israël. Ik vind dat een joodse staat gerechtvaardigd is en dat die staat op de juiste plek is gevestigd; Israël is er nu eenmaal en gejeremieer daarover is tijdverspilling. Punt. In de zin van Theo van Gogh ben ik politiek correct en…ik ben daar trots op.

Zoonlief bestreed dit alles natuurlijk met hand en tand. Enige nazistische- en fascistische argumenten werden van stal gehaald om pappa lekker te stangen. Natuurlijk ging ik er fel tegenin . “Omdat iedereen zich zo schuldig over die joden voelde, hebben ze de joden Israël gegeven en dat was onrechtvaardig tegenover de Palestijnen!” vond mijn zoon. “Hitler was toch wel heel succesvol want hij bouwde Duitsland razendsnel op. Joden hadden het kapitaal in handen waarmee ze schaamteloos speculeerden?” Tsja… “Waarom zou je rekening houden met de domme en stomme mensen die niet zelf voor hun hachje kunnen zorgen? Waarom geld naar het buitenland als we hier geld tekort komen. Liever geld naar de zieken in plaats van naar de Grieken.” Kortom mijn jongste profileerde zich als extremistische PVV’er en daarmee schokte hij zijn pa. Ach, dat van die Grieken daar kon ik wel om glimlachen maar met al zijn gebral over de joden kon hij me goed op de kast krijgen. Afkomst is in mijn denken niet relevant, maar in mijn gevoelsleven wel. Het leed dat mijn moeder en mijn grootouders is aangedaan drukt nog altijd op mijn schouders. Ik kan weinig hebben als het over antisemitisme gaat. Die vervelende puber voelde dat; dat rotjoch van mij waar ik zo gek op ben.

Gisteren at hij bij ons, samen met zijn lieve vriendin. Zijn mening is wat milder geworden. Begin met hem weliswaar niet over de staat Israël, maar over de binnenlandse politiek is hij echt gematigder geworden. Zoonlief kiest nu voor Thierry Baudet. Ik heb die Baudet gewoon nooit serieus genomen. Ik vind referenda niets. Baudet komt op mij over als een over het paard getilde corpsbal. Maar het schijnt dat hij best goed ligt in de peilingen. Misschien moet ik me ook maar eens in hem verdiepen…

Een kosjere lamsbout met kerst

Dit jaar wordt het lamsbout met kerst. De hallalle lamsbout heb ik gisteren besteld. Vrijdag ligt hij opgepoetst voor me klaar. Ik was zo bezig met die lamsbout dat ik vergat in de winkel rond te kijken. Terwijl ik van tevoren had gelezen dat het een winkel is met een beschermd interieur. Vroeger was het een De Gruyter. Om de zaak op te luisteren liet de toenmalige eigenaar tegeltableaus maken over de herkomst van zijn producten. Nu, en dat is al sinds heel lang, zit er een islamitische slagerij in die winkel. Met een heel aardige, maar vrij moeilijk verstaanbare slager. Hij vertelde dat zijn zaak nog bestond dankzij de vele joodse mensen die er in de buurt woonden. Weinig islamieten. En joden willen het liefst kosjer vlees, maar hallal mag desnoods ook. Dat vertelde de slager. Ik had eerst niet door van dat hallal omdat hij een lettergreep wegliet. Uit zijn mond klonk het woord meer als h’lal, en dat woord kende ik niet.

Ik heb een slechte verhouding met kosjer en hallal. Dat kan ik rustig zeggen. Kosjer en hallal gaat over de manier waarop het dier dood gemaakt is en het zegt helemaal niets over hoe het dier geleefd heeft. Kosjer en hallal zegt niets over de beste, en dus meest pijnloze en snelle, manier om het dier te doden, maar wel over hoe de religie het voorschrijft. Daar heb ik problemen mee. Die religieuze manier van slachten lijkt opgesteld als een aanwijzing over hoe men destijds, met de toen beschikbare middelen met de toen aanwezige kennis, zo goed mogelijk een dier kon doden. Die aanwijzing is achterhaald want er zijn betere en snellere manieren om het dier te doden. Maar wat destijds werd vastgelegd als aanwijzing is een religieuze wet geworden. Van een religieuze wet vraag je je niet af of hij zinloos of achterhaald is; je voert hem gewoon uit. Tenzij je erkent dat godsdienst opium voor het volk is en dat je niets te verliezen hebt dan de ketenen die het geloof je oplegt. Wat mij betreft: Als je religieus bent, ga je gang, maar zorg dat niemand (en dus ook geen dier) er last van heeft.

Dan maar een verbod op kosjer en hallal slachten? Laten we de wet voorschrijven dat dieren alleen op de meest pijnloze en snelle manier geslacht mogen worden? Er was dus dat wetsvoorstel van De partij van de dieren. Met steun van PVV-gekkie Gaus en zelfs ook mijn eigen partij. Ik was er aanvankelijk ook wel voor. Op rationele gronden. Op rationele gronden kan je alleen maar voor zo’n wet zijn. Niemand wil dieren graag laten lijden. Niemand wil dat koeien langzaam doodbloeden. Ik heb vertrouwen in de mensheid; niemand wil leed veroorzaken. Behalve als God het je oplegt. Dan gelden er andere regels. Kennelijk. Ik vind dat God je niets verkeerds mag opleggen dus was ik voor de wet tegen religieus slachten. Toen las ik dat elke periode van anti-semitisme en jodenvervolging begon met een verbod op ritueel slachten. Daarbij verschilde de argumentatie niet met die van de Partij van de dieren. Daar doet deze jongen dus niet aan mee.

Het lam dat zijn bout aan mij afstaat is hallal geslacht. In mijn tegenwoordige familie is dat gewenst. Het zij zo. Ik bereid me meteen voor op een stevige discussie! Met kerst? We zullen zien…

Gloria Wekker laat van zich horen!

Ik ben iemand die opkijkt tegen mensen die bij de universiteit werken. Ik heb een paar jaar gestudeerd aan de universiteit, maar nooit afgestudeerd. Ik ben een HBO’er. Een matig trotse HBO’er. In mijn beleving is hoogleraar het hoogste wat je kunt bereiken. Daar zit ook wat oneerlijks in. Geef ik toe. Iemand die je op een voetstuk zet, kan hard vallen. Sinds ik stukjes schrijf, ben ik regelmatig op hoogleraren gestuit die onzin verkondigden.  Zo beweerde een hoogleraar dat tachtig procent van de bevolking aseksueel is. Hoe komt hij eraan? Ik ben een hoogleraar tegengekomen die beweerde dat niet-religieuze mensen oppervlakkige mensen zijn. Sjonge… En ik heb een hoogleraar klinkklare racistische taal horen uitbraken: Als je velletje blank is, dan deug je niet. Gloria Wekker! Racist onder de antiracisten. Ik kan gerust stellen dat het hoogleraarschap in mijn brein onder druk staat, om het maar eens lelijk uit te drukken. Hoogleraren zijn me tegengevallen.

Gepensioneerd hoogleraar Gloria Wekker heeft opnieuw van zich laten horen. Sebastiaan Valkenberg schrijft daar een alarmerend artikel over in de Volkskrant. Volgens Gloria Wekker zouden mensen die werken en studeren aan een universiteit een afspiegeling moeten zijn van de samenleving. Ze wil etnische quota gaan aanleggen. Dat lijkt een nobel streven, maar is dat niet. Je gaat dan namelijk mensen discrimineren op grond van etnische achtergrond en huidskleur. Weliswaar positieve discriminatie, maar discriminatie. Etnische achtergrond of huidskleur gaat dan een rol spelen bij het benoemen van bijvoorbeeld een hoogleraar. Dat kan niet de bedoeling zijn. Ongeacht de etnische achtergrond en ongeacht de huidskleur wil je de slimste en beste en innovatiefste en meest out-of-the-box denkende hoogleraren. Dat willen we, en niets anders; het moet ons niks kunnen schelen of een hoogleraar een gele, zwarte of een groene huidskleur heeft.

Ik denk niet alleen dat Gloria Wekker het helemaal bij het verkeerde eind heeft, met haar etnische quota, ik ben ook bang voor haar. Bang voor wat ze teweeg kan brengen. Gloria Wekker gelooft namelijk in collectieve schuld. Zij vindt dat iedereen met een blanke huid schuldig is. Vooral in Nederland. Want Nederland is vierhonderd jaar een koloniale mogendheid geweest. Daardoor beschouwen Nederlanders andere volkeren als minderwaardig. Bovendien waren onze blanke voorvaderen beruchte slavenhandelaren en slavendrijvers. Dat verleden is, volgens Wekker, in de blanke genen gaan zitten. Nu, in het postkoloniale tijdperk, willen wij, witjes, niet meer discrimineren, maar dat gaat niet; we zijn en blijven racisten in het diepst van ons wezen. Wij zijn schuldig!

Ik ben gedeeltelijk van joodse komaf. Ik doe er niets aan. Maar toch vrees ik antisemitisme. Ik weet dat de Surinaamse plantage-eigenaren en slavendrijvers niet zomaar Nederlanders waren. Dat waren vooral joodse Nederlanders. Joodse mensen behandelden in Suriname andere mensen als ‘hun negers’. Dat is geen bladzijde in de geschiedenis waar de mensheid trots op is. Maar ik zeg: Geschiedenis. Nare geschiedenis, maar geschiedenis.

Hoe lang duurt het nog voordat Gloria Wekker zegt dat slavendrijven en racisme in het joodse bloed zit. Dat de joden collectief schuldig zijn aan wat daar in Suriname enkele eeuwenlang is gebeurd? Hoe lang nog? Ik ben er bang voor. Heel bang.

En wat wil Meneer Cohen drinken?

‘En wat wil meneer Cohen drinken?’ vroeg mijn collega. Meneer Cohen. Ik had hem verteld over mijn joodse moeder en dat ik helemaal niets heb met die achtergrond. Ik had hem verteld dat de maatschappij niet gebaat is bij het indelen van mensen in groepen. Iedereen in Nederland zou zich Nederlander moeten voelen. Vermenging is de weg naar een discriminatieloze maatschappij. Geen integratie maar assimilatie. Is het Suikerfeest en Peren met Gugel dan verboden? Natuurlijk niet. We leggen niets op aan anderen en als je dat een leuk en interessant feest vindt of als je lekker wil eten; be my guest! Van mij mag je je ook Jood, Marokkaan, Turk of wat dan ook voelen. Daar gaat het niet om. Ik leg niets op! En ik zou zeker de krenten uit de pap pikken vanuit de opvoeding die je hebt gehad. Waarom niet? Maar wil je niet meer gediscrimineerd worden, dan zou je moeten assimileren. Zolang je als aparte gemeenschap een minderheid vormt in een land, is het vragen om problemen. Joden worden al sinds de middeleeuwen gediscrimineerd. Daarom ben ik zo blij dat ik helemaal niets meer heb met joden of het jodendom; ik ben Nederlander. Maar dan…’meneer Cohen’. (..!)

Fascisten en Nazi’s denken tegenovergesteld aan mij. Die willen een ‘zuiver ras’. Een ‘zuiver’ ras is een idee-fixe en de bron van eindeloos veel ellende.

Ik ben te verbouwereerd om er iets van te zeggen. Wat moet ik zeggen. Het is een geintje. Anderen grinniken. Niet van harte. Die kerel heeft goddomme geschiedenis gestudeerd! Zo’n stomme opmerking. Ik probeer te analyseren waarom het me zo raakt, dat meneer Cohen. Heb ik iets tegen Job Cohen? Zou ik het erg vinden om Cohen te heten? Mijn omaatje heette Polak. Voor mij een prima achternaam. Ook een typisch joodse achternaam. Achternamen zouden mij niets hebben uitgemaakt. De politieke overtuiging van Job Cohen is de mijne; altijd op zoek naar het compromis. Door anderen verguisd, door mij omarmd! Waarom blijft die vraag van mijn collega eindeloos na-beieren in mijn hoofd? ‘Wat wil meneer Cohen drinken?’

Door mij meneer Cohen te noemen zet hij mij in een hoek. Dat zit mij dwars. Cohen gebruikt hij hier niet als naam, maar als een eigenschap. Als een joodse eigenschap. Veel joden heten Cohen staat in hetzelfde rijtje als: Veel joden zijn gewiekst of hebben een haakneus, of zijn uitzuigers. Als je mij ‘meneer Cohen’ noemt is dat niet onschuldig. Ik voel het als een poging om mij te kwetsen en te discrimineren. Een domme poging om mij te kwetsen want hij heeft het zelf nauwelijks door. De stomkop begrijpt zelf niet wat hij zegt. Het is puur racisme.

Ik heb mij voorgenomen om hem te confronteren. ‘Wat wil meneer Cohen drinken?’ Ik zal een rustig moment kiezen en het er dan rustig met hem over hebben. Maar wat gebeurt…de stomkop maakt opnieuw een foute opmerking. Ook de impact van die opmerking heeft hij niet door. Maar ik kan niet meer voorkomen dat ik hem een verschrikkelijk verbaal pak rammel geef. Gelukkig heeft alleen hij mijn pak rammel gehoord en gevoeld. Precies raak. Mijn collega doet de rest van de dag zijn bek niet meer open. Hij is zich doodgeschrokken.  Ik denk dat hij zich behoorlijk veel slechter voelt dan ik na die stomme vraag…‘En wat wil meneer Cohen drinken?’ Toch had ik hem liever daarmee geconfronteerd.

Oom Frits en tante Tine

In de oorlog heeft mijn moeder ondergedoken gezeten. Dat wist zij toen niet, want ze was veel te jong om zich dat te beseffen. Toen de oorlog afgelopen was, en haar moeder, mijn oma, haar kwam ophalen, moet haar wereld volkomen ingestort zijn. Alles wat was, was niet meer. Alles wat was, bleek anders. Haar onderduikouders zullen diep in hun hart gehoopt hebben dat ze bij hen zou opgroeien; ze waren zelf kinderloos, en de oorlog was meedogenloos voor joodse mensen.  Maar mijn oma kwam terug uit Auschwitz en werd weer moeder. Mijn moeder werd weer dochter. Dat ging allemaal niet vanzelf.

Door een toeval ben ik op zoek geraakt naar de mensen bij wie mijn moeder ondergedoken zat. Mijn collega bleek uit de stad afkomstig waar mijn moeder ondergedoken had gezeten. We kwamen erachter dat zij gewerkt had voor het bedrijf waarvan de onderduikvader directeur was geweest. Op dat bedrijf liep ‘meneer Frits’ nog rond. Hij had nog ergens in het bedrijf een klein kamertje. ‘Meneer Frits’ gaf mij mijn naam. Zelfs mijn vader heeft moeten erkennen dat hij nauwelijks invloed kon uitoefenen op de naam van zijn oudste zoon; ik zou vernoemd worden naar de onderduikvader van mijn moeder. Als ik een meisje was geweest, had ik Christine geheten, naar de onderduikmoeder.

Mijn moeder vertelde vaak over de eerste jaren van haar leven. Over de enorme weelde. Onvoorstelbaar voor ons. Voor ons was de situatie zo anders. De eerste acht jaar van mijn leven waren wij samen met mijn alcoholzuchtige vader die geen baantje kon volhouden. Dat was pure armoede. Toen hij weg was, kreeg mijn moeder bijstand. Ook niet echt een vetpot. Maar dan vertelde ze over de oorlog toen zij als kind bij oom Frits en tante Tine woonde. De enorme rijkdom. Altijd een dienstmeisje over de vloer. Een gigantisch huis met een enorme tuin. Ze vertelde over de zondagse bezoekjes aan de arbeiders aan de hand van tante Tine. Over het bidden voor het slapen. Het bezoek aan de kerk waar oom Frits ouderling was. Over hoe verschrikkelijk dankbaar iedereen moest zijn voor het werk dat oom Frits en tante Tine gedaan hadden, ondanks het christendom.

Na de oorlog was het contact snel verminderd tussen mijn moeder en haar onderduikouders. Toch zijn wij een keer bij ze op bezoek geweest. En…de verhalen van mijn moeder klopte; die mensen waren steenrijk. De dienstmeid (inmiddels niet meer voor vierentwintig uur, want dat was overdreven) serveerde taartjes in de serre. Met limonade. Wij keken onze ogen uit! En in de tuin wees oom Frits ons aan tot waar de tuin liep….onvoorstelbaar voor ons als stadskinderen die driehoog woonden.

Ik ben op zoek gegaan naar het echte verhaal over oom Frits en tante Tine. Op internet heb ik een boekje gevonden van zijn hand…antiquarisch. Ik hoop zo dat ik het te pakken krijg. Het zal vast iets gaan onthullen, denk ik, dat boekje!

Pas kortgeleden ben ik de enorme dilemma’s gaan zien waar de betrokkenen toen mee te maken hadden. Mateloos interessant!

Rust er een vloek op goud?

In de wetenschap is een aardige controverse ontstaan onder antropologen. Er zijn twee stromingen: De eerste stroming beweert dat er oorlog bestaat sinds er mensen zijn. Oorlog zou daarmee onderdeel uitmaken van de natuur van de menselijke soort. Nee, zegt de andere stroming, pas sinds de mens bezit heeft, wordt er oorlog gevoerd. De mens verwerft bezit op het moment dat hij landbouw gaat bedrijven. Vanaf dat moment heeft hij dingen in handen die een ander graag wil hebben en is de ander bereid om te moorden.

In Kenia zijn prehistorische skeletten gevonden op een plek waar aantoonbaar geen landbouw werd bedreven. Skeletten van mensen die door geweld om het leven zijn gekomen en daarna in een kuil zijn gegooid. Deze vondst zet de theorie van de tweede groep wetenschappers onder druk.

Interessante discussie die telkens weer terugkomt in de geschiedenis: Zijn we slecht of zijn we slecht gemaakt. Ietsje anders gesteld: Is bezit de bron van alle kwaad; rust er een vloek op goud? Deze vraag houdt niet alleen wetenschappers bezig… Het zegt iets over hoe we hadden willen zijn, maar waarin we faalden. Over hebberigheid, over de moraal… Ik zie argumenten voor beide partijen, maar toch lijken de argumenten die denken dat de mens van nature slecht is, de meest steekhoudende. De uitroeiing van Armeniërs in de eerste wereldoorlog en de uitroeiing van joden in de tweede wereldoorlog en de Hutu’s en Tutsi’s in de recente geschiedenis kunnen niet verklaard worden in de zin van dat men er geld of goed mee verdiende. Ik zie daar meer het zondebok thema. Onder het mom van: De ellende die ons overkomt hebben we te danken aan… (joden of Armeniërs of Tutsi’s…). Als we ze vermoorden of wegvoeren van hier, dan wordt ons leven beter.

Joden en Armeniërs en Tutsi’s lieten spullen achter die ingepikt werden door de daders, maar dat was bijvangst; daar was het in eerste instantie niet om te doen. In die zin zit de slechtheid dus in onze natuur: Om te onderstrepen dat we onderling goed kunnen samenwerken hebben we groepen mensen nodig die we naar het leven staan. Leiders zorgen ervoor dat dit beeld van de andere groep goed in de picture blijft. Op dit moment zien we dat ook gebeuren. Ik heb helemaal niets tegen Russen. Ik heb de liefste Russische schoonzus van de wereld. Maar toch…het Rusland van Poetin wordt echt een gevaar voor Europa…maar aan de andere kant…wordt Europa echt een gevaar voor Rusland…Gelukkig leidt zo’n vijandbeeld maar zelden tot een oorlog.

We zijn dus slecht. Het zit in onze natuur (we kunnen er dus niets aan doen). We zijn slechte mensen die een vijandbeeld nodig hebben om goed te kunnen functioneren. Laten we dat aanvaarden en er goed mee omgaan. Joden en Armeniers en Tutsi’s waren groepen die als minderheid in een samenleving functioneerden. Dat maakte hun als groep zwak ten opzichte van de andere groep. Dat maakt een vijandbeeld binnen de samenleving veel enger dan een vijandbeeld buiten de samenleving. Haat zaaien tegen een groep binnen de samenleving is echt gevaarlijk. Misschien is het een idee dat Geert Wilders reflecteert op deze gedachte…

Toch rust er ook een vloek op goud, echt waar!

Geschiedenis en het Hermannsdenkmal

Mijn jongste zoon houdt van discussie. Vooral van het debat met zijn pa. Dat ben ik dus. Zeker toen hij nog puber was, zocht hij mijn open zenuwen. Dat verlevendigde het debat enorm. Een open zenuw raken geeft een hoop tumult. Ik weet niet zeker of hij het bewust deed, maar raken deed hij mij vaak. Mijn jongste zoon hield van extreme standpunten. Ik ben de gematigdheid zelve, mag ik wel zeggen. Gooi je een extreem standpunt in een gematigde vijver, dan geeft dat veel deining. Dat vond hij leuk, die zoon van mij. Bovendien is mijn jongste geen dommertje. Hij denkt snel en weet zijn redenaties op te bouwen. Natuurlijk won ik altijd bij onze discussies…tenminste, dat vind ik.

Ja, ik ben politiek correct. Hij niet. Ik heb het beste met (het grootste deel van) de mensheid voor. Ik ben voor een eerlijke verdeling. Ik ben voor menselijkheid. Ik geloof dat dat politiek correct is. Mijn jongste hoeft dat niet te zijn. Hij gaat rustig voor een rondje heftig racisme. Laat zijn pa hevig geschokt achter en stelt ’s avonds zijn (absoluut niet kaaskopperige) aziatische vriendin aan mij voor. Ach ja, mijn jongste. Door zijn schuld ga ik waarschijnlijk een paar weken eerder dood, maar dan wel dubbel zo rijk. Ik hou van hem.

Zijn standpunten over de tweede wereldoorlog, joden, de staat Israël en de persoon Adolf Hitler hebben de oude heer van mijn jongste, grijze haren bezorgd. Maar dat niet alleen. Hij heeft er soms ook voor gezorgd dat ik wat afstand kon nemen tot meningen die onwrikbaar vastzaten bij mij.

Mijn moeder is joods, mijn oma was joods. Mijn moeder kwam de oorlog door als gereformeerd Indisch nichtje van een adellijke familie. Werd mijn moeder in de oorlog opgevoed met de christelijke hel en verdoemenis, mijn oma maakte kennis met de Duitse. In december 2001 overleed mijn oma. Dat is inmiddels ruim vijftien jaar geleden.

Met ´Nooit meer Auschwitz´ werd ik opgevoed. Oma was idealiste en wilde dat we van het verleden zouden leren hoe hard ze ook over haar ervaringen zweeg. Ik zou aan mijn kinderen dat idealisme doorgeven, had ik me voorgenomen. Dat had ik ook min of meer beloofd aan haar.

Maar, zoals gezegd, mijn jongste dacht daar anders over. Ik besefte dat mijn oma voor hem een hele oude vrouw is geweest die hij maar kort heeft gekend. Wat ze had meegemaakt was helemaal heel erg lang geleden. Met de emotie van mijn aan herinneringen lijdende omaatje had hij niet veel te maken. Voor hem was mijn oma, en alles wat ze heeft meegemaakt, geschiedenis. Voor hem is Jodenvervolging en Adolf Hitler geschiedenis. Het staat gelijk aan Napoleon en de Armeense genocide.

Op dit moment staat Reinhold Hanning in Detmold terecht. Hij is een voormalig bewaker van Auschwitz. Vierennegentig jaar oud. Laat het lopen! Het is geschiedenis. Ben je toch met me eens? Jongste zoon van me…

Trouwens…In Detmold heb je uitzicht op een van de mooiste foute beelden in Duitsland: Het Hermannsdenkmal! Ga dat zien!