Tagarchief: Hollandia-Kattenburg

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 7: Angst.

Alle aanwezige joodse werknemers van het bedrijf Hollandia-Kattenburg werden op 11 november 1942 gearresteerd. Een twintigjarig meisje wees in het geniep aan wie van de joodse medewerkers socialist of communist was. De socialisten en de communisten werden afgevoerd naar de strafgevangenis van Scheveningen alwaar ze verder ‘verhoord’ werden. Met de personeelsadministratie bij de hand werden diezelfde dag de familieleden van de joodse werknemers opgehaald en samen met hen naar kamp Westerbork gebracht. Het toeval wil dat mijn omaatje met mijn toen bijna vierjarige kleutermoeder niet thuis waren toen er zwaar op hun deur – De Nigellestraat nummer 85 – gebonkt werd. Ik ben er pas geleden naar toe geweest: Een beetje een straat maar meer een pleintje. Ik heb er de rust geproefd die er nu heerst. Een paradijselijk pleintje met lage huizen; lucht en ruimte en groen te over; de ideale plek om als kind uit de arbeidersklasse op te groeien.

Mijn opa en oma waren socialisten van het eerste uur. De AJC was hun alles. Voor mijn oma is godsdienst altijd opium voor het volk gebleven; ze moest er niets van hebben. Ze hadden niets met het jodendom. Uitzonderingen: Kippensoep en Peren met Koegel. En vast nog wel meer gerechten, maar meer toch niet. Varkensvlees consumeerden ze met veel plezier en volgens mijn omaatje konden alleen kapitalisten zich de koosjere keuken permitteren. De oorlog en de nazi’s hebben joden van hen gemaakt. En dus waren ze bang toen de nazi’s het hier voor het zeggen kregen. Toen mijn grootvader opgepakt was, werd de nachtmerrie werkelijkheid. Ik probeer me in te leven in mijn omaatje van toen. Wat moet ze toen gevoeld hebben. Verdriet en angst zullen gestreden hebben om de boventoon. Sta je er ineens helemaal alleen voor met je kleuter terwijl je van alle kanten wordt bedreigd. Niemand om je diepste angsten mee te delen; eigenlijk is je diepste angst uitgekomen. Waar naar toe nu je eigen huis geen veilige plek bleek…

Voor zover ik weet heeft mijn oma een tijdje met mijn moeder van veilig adres naar veilig adres gezworven. Toen heeft ze besloten mijn moeder bij vrienden onder te brengen zodat ze zelf meer armslag had. Mijn kleutermoeder kwam via via bij bloembollenbaron en barones Van Santen terecht alwaar ze het gelukkige leventje ging leiden van een rijk gereformeerd meisje.

Mijn grootvader werd naar Scheveningen afgevoerd. Geen pretje. Het staat op het kaartje van de Joodse Raad. Er zijn veel getuigenissen over hoe het er in die gevangenis aan toe ging. Van wat mijn grootvader daar heeft moeten ondergaan kan ik me alleen maar een voorstelling maken, weten doe ik niets. Ik projecteer mijn angst voor pijn op hem en weet me met mijn angst geen raad.

De angst die we wel bijna kunnen ruiken, is de angst van Martha Korthagen; dat twintigjarige meisje die in het geniep de socialisten en de communisten aanwees. Zij wist dat ze iets heel erg fout had gedaan. Dat ik daar nu mild over oordeel – twintig jaar, zwaar bedreigd etc. – maakt voor haar weinig uit. Ze was doodsbang voor de gevolgen van haar verraad en besloot te vluchten. Ze vroeg een paspoort aan en  vluchtte naar Duitsland waar ze zich veilig waande voor de wraak van het verzet.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 6: De razzia

In het zesde deel van dat gigantische werk van professor De Jong over Nederland en de Tweede Wereldoorlog komen we de catastrofe van Hollandia-Kattenburg tegen. Ook wat eraan vooraf ging en hoe het uiteindelijk uitpakte. Hoewel onze Martha in zijn boek niet bij naam en toenaam wordt genoemd en zeker niet haar leeftijd van destijds, erkent De Jonge wel de cruciale rol die ze speelde. Ondanks haar beruchte rol, erodeerde haar naam weg in de loop van de tijd. Net als de namen van ‘haar’ slachtoffers. Zie de herdenkingszuil op het IJplein…wie kijkt daar nog naar? Martha Korthagen komt voor in weinig verhalen. Hier, op mijn website, en heel soms in een artikel of op een andere website, doemt ze nog een keertje op. Dan weer als de duivel zelve, dan weer als dat naïeve twintigjarige meisje; meer slachtoffer dan dader. Ik denk toch meer aan slachtoffer. Aan de andere kant rust het noodlot van een slordige negenhonderd mensen op haar frêle schoudertjes. Dat is niet niks…

Martha Korthagen

Op het onderduikadres van Sally Dormits vonden de nazi’s in oktober 1942 de ledenlijst van zijn communistische Nederlandse Volksmilitie. De tweehonderd mensen op die lijst werden gearresteerd en naar een schoolgebouw aan de Mathenesserdijk in Rotterdam gebracht dat toen even als kazerne dienst deed. Daar ging men niet bepaald zachtzinnig met de arrestanten om. Naar verluidt was de vloer zo smerig geworden dat de Sicherheitsdienst met een Jodin de vloer dweilden. Dat tot groot plezier van de daar aanwezige nazi’s. Naast de ledenlijsten vond men op dat onderduikadres dus ook dat notitieboekje met daarin de naam van Martha Korthagen.

De verhalen over wat er vervolgens gebeurde met Martha lopen wat uiteen. Volgens de ene bron werd de hele familie Korthagen in een auto geladen en naar Scheveningen gebracht, volgens een andere bron alleen Martha. De ene bron spreekt van een verhoor van zes uur terwijl Martha voortdurend uitzicht had op de binnenplaats waar haar familie stond. Zij zouden klappen hebben gekregen als Martha het ‘verkeerde’ antwoord gaf. De andere bron (Loe de Jong, dus) maakt het wat minder dramatisch; de nazi’s dreigden haar dood te schieten als ze niet ‘de waarheid’ zou vertellen. En dus bekende ze dat ze een tijdje bij Hollandia Kattenburg had gewerkt en dat ze daar de communistische leden van de NVM kende en ook de andere socialistische agitatoren… Dit was een spekkie naar het bekkie van Rauter, de opperbaas, en voor Wölk, de onderbaas, die de NVM operatie leidde. Eindelijk kreeg Rauter de mogelijkheid om van een aantal mensen met een Sperr af te komen; om zijn treinen vol naar het oosten te laten rijden; om van wat Rüstungsjuden af te komen.

Op 11 november 1942 werd de Hollandia-Kattenburg fabriek hermetisch afgesloten. De joodse medewerkers werden volgens de verhalen, hardhandig van de niet-joodse medewerkers gescheiden. Vervolgens werden de joodse werknemers langs een luik gevoerd waarachter Martha zat. Zij gaf aan wie van de joden actief socialist of communist was. Alle joodse medewerkers werden weggevoerd. De socialisten en communisten naar de strafgevangenis van Scheveningen de anderen naar Westerbork. Mijn grootvader, die nooit mijn opa werd, bracht men naar Scheveningen; hij was, net als mijn oma, zeer enthousiast lid van de AJC; een socialist in hart en nieren. Omdat de nazi’s na de inval in de fabriek de beschikking hadden over de personeelsadministratie kon men dezelfde dag ook nog de joodse familieleden van huis halen. Mijn oma was niet thuis toen ze haar en mijn ma kwamen halen. Vandaar dat ik nu in staat ben om deze geschiedenis op te schrijven.

AJC brochure met omslag van Fré Cohen

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 5: De leider van de NVM

Als je dat verhaal wat ik aan het vertellen ben over mijn grootvader, probeert te volgen, dan moet je nu wel aardig wanhopig zijn. Op z’n minst moet je al je motivatie om verder te lezen wel verloren hebben. Een hele maand zit er tussen het vorige stukje over de verliefde Martha en wat ik hier en nu zit te schrijven. Dat is zo stroperig en zo langzaam… Ik wilde wel, maar het ging niet. Bij mij was de inspiratie om te schrijven helemaal weg. Laat ik proberen om de draad weer op te pakken. Laten we onze focus terugzetten op die tasjesdief die zich in oktober 1942 op het politiebureau zomaar door zijn hoofd schoot. Nou ja, ‘zo maar’… We gaan het zien.

Het is opmerkelijk als een arrestant  zich door het hoofd schiet. Het in bezit hebben van een pistool is al vreemd. En dan jezelf door het hoofdschieten. Om een luttel gestolen tasje. Daar moest meer aan de hand zijn, moeten de onverschrokken helden van de politie gedacht hebben. De dienders doorzochten alles wat de man bij zich had en vonden in één van zijn zakken een textielbon. Op die bon een naam: Dormits. Samuel Zacharias Dormits! Sally Dormits! En toen rinkelden alle nazistische-politie-alarmbellen, want die man werd gezocht! Na een brandstichting in een opslagplaats van de Wehrmacht in Den Haag waarbij de stro- en hooivoorraad volledig verloren was gegaan, had men via een in de haast achtergelaten fiets kunnen achterhalen dat Sally Dormits betrokken was bij de aanslag. En…de groep rond Dormits werd verdacht van diverse andere – in meer of mindere mate geslaagde – aanslagen. Geruchtmakend was de aanslag op een spoorbrug in Rotterdam. Het was dat hij mislukte, maar als de aanslag geslaagd was, dan waren er een hoop Duitse soldaten omgekomen. Het koste de rechercheurs niet veel moeite om aan het onderduikadres van Sally Dormits te vinden.

Dormits was een strijdbare communist die onder anderen had meegevochten in de Spaanse burgeroorlog. Terug in Nederland en geconfronteerd met de Duitse bezetting, was het wel duidelijk dat hij verzet zou plegen. Kennelijk wilde hij zich niet aansluiten bij de Communistische Partij Nederland, maar wilde hij een eigen groep. De CPN had vanaf het begin al meteen de hoogste veiligheidsmaatregelen genomen. Zo werden namen en adressen met de hoogst mogelijke voorzichtigheid bewaard. Dat vond Sally Dormits niet echt nodig. (Even tussen haakjes; zoek je echt een schuldige voor wat mijn grootvader uiteindelijk overkwam…de ijdelheid van een communistische splintergroep die zwaar amateuristisch te werk ging! Maar dat is ook weer niet eerlijk, want uiteindelijk waren het natuurlijk de nazi’s…). Toen het onderduikadres van Sally Dormits gevonden was vond men de ledenlijsten van de door hem geleidde Nederlandse Volksmilitie, de NVM. Die lijsten waren weliswaar gecodeerd, maar die codering hadden de jongens van de meteen opgeroepen Sicherheitsdienst in no-time gekraakt. En toen hadden de nazi’s een mooi en schoon lijstje voor huisbezoek en het duurde niet lang of de hele NVM, inclusief de adspirantleden, waren opgepakt, gemarteld en vermoord…meteen of op termijn. Nog voor het eind van oktober 1942.

Die gecodeerde ledenlijst was niet het enige op dat onderduikadres; men vond er ook een notitieboekje. In dat notitieboekje stond een naam die de politie naar een meisje in Amsterdam Noord leidde. Naar haar adres: Sperwerlaan 11…

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 4: Verliefde Martha

En hier de volgende hoofdrolspeler in het Kattenburgdrama: Martha. Twintig jaar. Tot over d’r oren verliefd op een joodse jongen. Wie misgunt een twintigjarig meisje haar liefde? Niemand, toch? Martha Korthage uit Amsterdam-Noord. Ze woonde met haar ouders en broertjes en zusjes in de Sperwerlaan 11. We zijn Hollandia-Kattenburg genaderd, want de fabriek van de firma Hollandia-Kattenburg stond ook in de vogeltjesbuurt van Amsterdam-Noord; aan de Valkenweg en dus bij Martha om de hoek. Nog geen twee minuten lopen. Ze had er een blauwe maandag gewerkt. Wellicht dat ze in de fabriek, op de werkvloer haar vriendje had leren kennen, we weten het niet. Martha werd ontslagen wegens onzedig gedrag; waarschijnlijk had ze staan zoenen met haar joodse vriendje onder werktijd.

De vogeltjesbuurt in Amsterdam-Noord 1940

Er werkten veel joodse mensen bij Hollandia Kattenburg. De directeur, Jacques Kattenburg, was van joodse komaf. Of dat de reden was dat er zoveel joodse mensen werkten; het zou kunnen. Wat betekende het eigenlijk om joods te zijn in Amsterdam voordat de tweede wereldoorlog ook Nederland in haar klauwen kreeg? Niets, helemaal niets.

Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen…maar nauwelijks in Amsterdam. De Amsterdamse wethouder voor onderwijs en kunstzaken – maar ook statisticus – Emanuel Boekman, deed in de jaren dertig onderzoek naar de demografie van de joden in Nederland. Hij constateerde dat de meeste Nederlandse joden in Amsterdam woonde en dat ongeveer negen procent van de Amsterdammers een joodse achtergrond had. Bovendien maakte hij, met de volkstellingen vanaf 1905 als leidraad een lijstje dat liet zien hoe de Amsterdamse bevolking en het joodse deel steeds meer één geheel werden. Hij liet zien dat vanaf 1905 het aantal gemengde huwelijken tussen joden en niet-joden in rap tempo toenam; dat je partner al of niet joods was, werd steeds minder belangrijk. In 1930 trouwde één op de vijf joden met een niet-jood. Dat onze Martha verliefd werd op een jodenjongen en hij op haar is dus helemaal niet gek. En dat die jodenjongen plotseling verdwenen was, was ook niet zo heel gek in de tijd nadat de nazi’s Nederland hadden overgenomen. Van dat gemoedelijke Amsterdam zonder scheiding tussen joden en niet-joden was weinig overgebleven. Jonge joodse mannen waren vaak het doelwit van de nazi’s in de beginjaren van de oorlog. Die werden zomaar opgepakt en – toen nog – naar Mauthausen gebracht waar ze al snel overleden en de overlijdensberichten drongen toen nog door in Amsterdam. Mauthausen was een schrikbeeld. Met Mauthausen werd voortdurend gedreigd. De angst zat er goed in. Velen kozen voor onderduik. Zo ook het vriendje van onze Martha.

Het Joodsche Weekblad van 7 augustus 1942

Gedumpt door je grote liefde. Bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal is je eerste liefde ook je grote liefde. Ze moet wanhopig zijn geweest van liefdesverdriet. Zo sta je nog te zoenen en dan is hij, zonder boe af bah, verdwenen. Niemand die haar iets kon vertellen over haar vriendje. Toen moet ze gehoord hebben dat hij ondergedoken zat. Hoe kom je erachter waar iemand ondergedoken zit? Via het verzet. Ze zal links gevraagd hebben en rechts gesmeekt…niemand kan haar verwijten dat ze dat deed; je hoofd wordt erg schimmig als het bezeten is van liefde. Zo kwam de naam van Martha Korthagen terecht in een notitieboekje van verzetsstrijder Sally Dormits die ik in de vorige aflevering van dit vervolgverhaal een kogel door zijn hoofd heb laten schieten als gearresteerde tasjesdief op het politiebureau in Rotterdam. De naam van verliefde Martha in het notitieboekje van Sally Dormits, zou een akelige staart krijgen.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 3: De tasjesdief.

Rauter kon in 1942 maar moeilijk aan zijn verplichtingen voldoen, de stakker. Hij had er moeite mee de treinen naar het oosten te vullen met joden. In de loop van 1942 had hij van hoger hand targets opgelegd gekregen en hoewel hij de joodse bevolking niets dan slechts toewenste en er joden genoeg voor handen waren, lukte het hem niet om die targets te halen. Iedereen had wel een reden om niet gedeporteerd te worden. Maar gelukkig voor hem, daar kwam verandering in…er ging iets gebeuren. Zelfs de Rüstungsjuden van Hollandia-Kattenburg zouden de dans niet ontspringen… Er was een aanleiding nodig. Die aanleiding zou niet lang op zich laten wachten in 1942 maar had wel een aanloopje nodig. Een klein aanloopje.

In oktober 1942 gebeurde er iets opmerkelijks in Rotterdam. Een ordinaire tasjesroof. Eigenlijk meer een diefstal. Bij de bakker zag ene  Sally Dormits een onbeheerd handtasje staan. Omdat hij verschrikkelijk omhoog zat om bepaalde spullen en hij vermoedde dat ze in dat tasje zaten, stopte hij het vergeten handtasje ongezien in de aktetas die hij bij zich had. Toen de bezitster van het tasje thuis ontdekte dat ze haar tasje met haar hele hebben en houden bij de bakker vergeten moest zijn, repte ze zich terug. Daar zag ze haar tas niet. Wel een slungelige jongeman met een brilletje en een uitpuilende aktentas.

De vrouw overzag het strijdperk; een bakkerszaak in Rotterdam; tasje weg; slungel met een uitpuilende aktetas. De verdachte was binnen enkele seconden gevonden. ‘Waar is mijn tas, ik ben hem vijf minuten geleden vergeten en toen stond hij hier,’ zal ze gezegd hebben. Op dat moment werd het Sally Dormits wat te heet onder zijn voeten. Ik denk dat hij ongezien de pleiterik wilde maken. ‘Hier blijven!’ zal de vrouw geroepen hebben. Anderen hielpen de vrouw door voor de uitgang van de bakkerij te gaan staan. Sally Dormits kon geen kant op. ‘Laat jij eens zien wat je in de uitpuilende tas hebt?’ Vroeg ze op een toon die echt niet vriendelijk was terwijl ze dreigend dichterbij kwam. Hij drukte zijn tas beschermend tegen zich aan. Maar de vrouw gaf zich niet zomaar gewonnen en rukte de aktetas uit zijn hand en opende hem en vond haar handtasje. Mocht hij nog gehoopt hebben dat dat dat het was, mooi niet. Voor een afloop met een sisser was het te laat, want welke vrouw laat haar tasje stelen? Er ontstond veel reuring. In ieder geval staat vast dat iemand Dormits stevig in de greep nam en dat viel een juist op dat moment langslopende diender op. Geen gewone diender  maar een lid van de Vrijwillige Hulppolitie die in 1942 door de nazi’s was opgericht. Lid werd je van deze hulppolitie als je het geen enkel probleem vond om wat joodse mensen – mannen, vrouwen, kinderen, oudjes – op te pakken om ze naar de hel te sturen. Zo iemand dus.

Sally Dormits

Sally Dormits werd naar het bureau aan de Rotterdamse Oostervantstraat gebracht. Professionals fouilleren bij arrestatie, maar die stap was door de hobby politieagent overgeslagen. Toen men dat alsnog wilde doen, trok Dormits een pistool uit zijn kleren en schoot zichzelf door het hoofd. Nog niet helemaal dood werd Dormits in allerijl naar het ziekenhuis aan de Coolsingel gebracht alwaar hij overleed.

So far so good. Ware het hier bij gebleven – een handtasjesdief schiet zich door zijn hoofd – dan was het verhaal hiermee afgelopen. Maar het mocht helaas niet zo zijn…

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 2: Rauter.

Als je een column een nummer meegeeft – deel 1, dus – dan verwacht je een vervolg. Heus, dat vervolg komt er wel, maar het gaat allemaal niet zo snel. Die tentoonstelling – je-weet-wel-over-wie – houdt mij vreselijk bezig. Eigenlijk is het een argument dat helemaal nergens op slaat; ga door met deel 2 van je Hollandia Kattenburg verhaal en hou op met zeuren!

Het verhaal. Hoe vervolg ik het? Moet ik verder gaan met de tasjesroof? Dat opstootje in 1942 dat de opmaat betekende voor alle ellende? Nee, eerst maar eens hoog over; ik heb niet voor niets dat onovertroffen boek van Theo Gerritse gekocht over Rauter[*]. Gerritse biedt een inkijkje in wat er voorafgaand aan 11 november 1942 allemaal speelde in Nazikringen. In januari 1942 was op de Wannsee conferentie besloten dat Europa Judenfrei zou worden, dat was stap één. De praktische uitvoering was stap twee. Met die stap twee was Hans Albin Rauter belast. Een veel moeilijkere taak dan zo op het eerste gezicht leek. Hoe vervoer je meer dan 100.000 mensen naar het oosten van Europa zonder noemenswaardig protest? Hoe voorkom je dat de andere Nederlanders tegen de deportaties in opstand komen?

De Februaristaking in 1941 had best voor wat beroering gezorgd in nazikringen. Die staking was een reactie op een razzia waarbij joden waren opgepakt. Kennelijk waren die Nederlanders lang niet zo racistisch als gehoopt was. Het moest dus slinks gaan, met list en bedrog. En nee, het kwam helemaal niet goed uit dat collega Schmidt in een toespraak van leer ging en beloofde dat hij al die joden zou gaan uitroeien; dat bracht maar onrust. Heus, Rauter en Schmidt waren het inhoudelijk helemaal met elkaar eens, maar hun tactiek was nogal verschillend. Rauter had targets gekregen van bovenbazen Himmler en Eichmann. In 1942 moest hij ervoor zorgen dat er duizenden joden gedeporteerd werden terwijl alles hem leek tegen te werken. Om te voorkomen dat er stakingen en opstanden zouden uitbreken, moest hij uitkijken met teveel openlijk geweld. Op de oproep om zich vrijwillig te melden, kwam maar de helft van de joden opdagen. Dan waren er nog duizenden joden die om de één of andere manier vrijstelling hadden om gedeporteerd te worden. Eigenlijk bijna iedereen met een baan of een studie. Daar werd geleidelijk wel wat paal en perk aan gesteld, maar voor de joden die werkten in fabrieken die aan het Duitse leger leverden, bleef onverminderd de ‘Sperr’ van kracht.

Bij Hollandia-Kattenburg werden grondzeilen en regenjassen gemaakt voor het Duitse leger; waterdichte grondzeilen en waterdichte regenjassen. Iedereen die in die fabriek in Amsterdam-Noord werkte, was hard nodig. Een derde van de werknemers en de directeuren (al waren ze uit hun functie, ze speelde op de achtergrond een grote rol) waren van joodse komaf.

Zo’n ‘Sperr’ lijkt wel fijn als je hem hebt, maar achteraf was dat ook dé gewiekste manier om mensen te misleiden. Door de angst om de Sperr te verliezen deed men angstvallig wat de nazi’s vroegen. Het verdeelde de slachtoffers in mensen met een Sperr en mensen zonder en hoewel men best medelijden had met degene zonder sperr – die rücksichtslos werden gedeporteerd – was de angst om de eigen positie te verliezen veel te groot om ook maar te denken aan in opstand komen. Heus, er was wel tegenstand, we gaan er nog van horen, maar die was niet groot.

De mensen met een Sperr waren een doorn in het oog van Hans Albin Rauter ook de zogenaamde Rüstungsjuden bij Hollandia Kattenburg. Hij moest zijn targets halen. Weg al die joden. Weg uit Nederland.

Natuurlijk kreeg hij uiteindelijk zijn zin, die Rauter.


[*] Gerritse, T. (2018). Rauter: Himmlers vuist in Nederland (Dutch Edition) (2de editie). Boom.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel I

Het is stil geweest op deze site. Dat komt omdat ik nogal bezig was met iets anders. Ik ben druk geweest met Fré Cohen. Ik heb van alles over haar uitgezocht en volgens mij een interessant hoofdstuk geschreven voor de catalogus. In de marge van mijn onderzoek naar Fré heb ik ook wat dingetjes gevonden over mijn eigen komaf. Zoals ik al wel vaker beweerd heb, had ik een grootvader die nooit mijn opa werd en een zeer geliefde opa die eigenlijk mijn grootvader niet was. Mijn Grootvader staat in mijn stamboom maar zegt mij feitelijk net zoveel als mijn betovergrootmoeder; ze heeft bestaan want anders was ik er nooit gekomen, maar verder zegt ze me helemaal niks. Oké, die grootvader zegt me ietsjes meer omdat mijn omaatje wat wazig in de verte keek als ze het over hem had. Soms. Heel soms. Ik logeerde bij oma en opa en oma wilde mij de foto’s van mijn moeder als kind laten zien; een heel klein bloot zwartkrullerig meisje in een wastobbe, kraaiend van plezier. En toen kwam ook hij langs, Hijman, die zo verschrikkelijk veel van dat kleine donkere meisje gehouden had. Ik proefde zijn naam op mijn tong. Een gekke, rare naam. Niet een naam die je dagelijks tegenkomt.

Eigenlijk was het nog niet eens zo moeilijk om zijn kaart van de Joodse Raad te vinden. Op die kaart staat niet zoveel als je hem oppervlakkig leest, maar lees je hem goed, dan ontvouwt er zich een drama van ongekende ellende. Ik ben van plan om het tot op de bodem te gaan uitzoeken, maar zelfs met wat ik nu weet is het al erg genoeg.

Deze zomer ben ik naar Amsterdam-Noord gefietst. Ik wilde zien en voelen waar het drama zich afgespeeld heeft; waar mijn oma en moeder samen met Hijman woonde toen ze zich op 11 november 1942 afvroegen waar hij bleef en later besefte dat het helemaal mis was. De Nigellestraat nummer 85 huis. Zo ver weg bleek het niet te zijn. Ik fietste door de verstilde straten van Amsterdam noord in een heerlijk lentezonnetje en vond in de Nigellestraat een stukje Amsterdams paradijs. Een klein plantsoen voor de deur, waarin nu een speelplaatsje gemaakt is; een ideale plek om je kinderen te laten opgroeien. Daar woonden ze dus destijds. Hét huisnummer bleek samengevoegd, denk ik, want nummer 85 bestaat niet meer. Wat moeten ze gelukkig zijn geweest toen ze er op 12 november 1939 introkken met hun bijna één jaar oude baby.

Fascinerend op het kaartje van de Joodse Raad is het nummer. 654/2. Nu ik toch aan het graven was, heb ik uiteraard ook het kaartje van oma en mijn moeder gevonden, respectievelijk 654/3 en 654/4. Wie was dan nummer 1? Wie had nummer 654/1?

Vaag de stempel 14 juli 1942 onder aan het kaartje. Voor zover ik nu begrepen heb, is dat de datum waarop de Joodse Raad besloot hem op te roepen voor deportatie. Maar op die datum hoefde hij en zijn gezin niet te komen opdraven, want ze hadden een Sperr. Dat had te maken met het eerste woord op de onderste regel: ’Kattenburg’. Hijman werkte bij Hollandia Kattenburg, een grote textiel fabriek in Amsterdam Noord. Daar werd ook kleding gemaakt voor het Duitse leger en daarom belangrijk voor de Duitse oorlogsindustrie en dus was iedereen die daar werkte, theoretisch, vrijgesteld van deportatie. Dat leek een tijdje goed te gaan, tot 11 november 1942.

Op vakantie in Putten

Monument 2 october 1942 in Putten

Als je in Putten op vakantie bent – en dat zijn wij – dan bezoek je het monument. Het monument bestaat uit een beeld van Marie Andriessen en stelt een rouwende vrouw in Puttense klederdracht voor wiens mannelijke familieleden werden weggevoerd naar ellende en dood. Ze staat er sober en helder in een klein herdenkingsparkje en het schrijnende verdriet druipt van haar af. Ik vind het een mooi beeld en een gepast monument ter nagedachtenis aan de meedogenloze terreurdaad die door de nazi’s in de laatste periode van de tweede wereldoorlog werd begaan. In het nabijgelegen bezoekerscentrum wordt het verhaal van de razzia van 2 oktober 1944 verteld. Zeker een indrukwekkend verhaal.

Rond de tijd van de mislukte slag om ‘The bridge too far’ in Arnhem, waren de relatief ongeorganiseerde Nederlandse verzetslieden door koningin Wilhelmina op afstand gevormd tot een ware gevechtseenheid onder leiding van prins Bernhard. Een van de verzetsgroepen had de opdracht gekregen om een auto met Duitse hoge officieren op te wachten en alle inzittenden te doden. Na gedane arbeid had de auto, inclusief lijken, verdonkeremaand moeten worden zodat niemand te weten zou komen hoe of waar. Maar helaas, de aanslag liep niet zoals voorbereid en drie van de vier inzittenden van de auto in kwestie, wisten te ontsnappen. Verdonkeremanen van auto en lijk had daardoor weinig zin en de verzetsgroep maakte dat ze weg kwam en dus bleef de doorzeefde auto op de weg vlakbij Putten staan. Dit had best grote gevolgen…

Het dorp Putten werd omsingeld. Alle mensen werden uit hun huizen gehaald. Alle mannen tussen de zeventien en vijftig – een slordige zeshonderdvijftig mannen – werden overgedragen aan de SS die hen verder transporteerde naar noord Duitsland waar ze in het concentratiekamp Neuengamme werden opgesloten. Daar werden ze gedwongen om zich onder erbarmelijke omstandigheden dood te werken. De vrouwen en kinderen en ouderen werd gesommeerd het dorp te verlaten. Putten werd platgebrand. Terecht wordt hier heel veel aandacht aan geschonken. In het plaatselijke museumpje ‘Tien malen’ dat wij bezochten, worden brieven tentoongesteld van koningin Wilhelmina die de rouwende weduwen, zussen en moeders enige troost moesten bieden. Indrukwekkend!

Maar toch…Ik kan het niet laten…(kan je leed vergelijken?)…

Op 11 november 1942 werd de confectiefabriek Hollandia-Kattenburg omsingeld. Alle joodse werknemers werden gearresteerd; ongeveer de helft van de mensen die daar werkten. Ondertussen waren de gezinnen van de gevangengenomen werknemers ook opgehaald. Samen werden ze naar Westerbork vervoerd en vandaar naar de dood in Polen. Dat waren een slordige achthonderdvijftig mensen. Maar joden, dus. Anders dan Puttenaren, denk ik. Een van de werknemers was mijn grootvader (die dus nooit mijn opa is geworden). Oma en mijn moeder waren niet thuis toen de joden-ophaaldienst aanbelde…Enige troost van koninklijke zijde kwam afgelopen 5 mei; een slordige tachtig jaar na dato…treurende weduwe-oma was toen al achttien jaar overleden.

Brief van koningin Wilhelmina ter ondersteuning van een Puttense weduwe.