Tagarchief: Frits de Klerk

There’s no way out of here

Ik ga geen reclame maken, maar ik heb tegenwoordig een app waarmee ik alle muziek uit heden en verleden kan beluisteren. Díé app dus! Ik ben er ongewoon tevreden over. Omdat ik geen reclame tussendoor wil, ben ik meteen betalend abonnee geworden (hoewel ik nu nog in mijn gratis proefmaand zit). Als klassiek muziekliefhebber, heb ik natuurlijk het abonnement genomen vanwege het grote aanbod aan klassieke muziek. Binnenkort gaan we het celloconcert van Dutilleux horen. Kon ik dus niet vinden in de bieb. Nergens Dutilleux. Eigenlijk had ik nog nooit van Dutilleux gehoord. Onze cd-kast puilt uit; kopen is geen optie. Dus…mijn app. Er zijn verschillende uitvoeringen van het celloconcert beschikbaar; kiest u maar! Of…kies niet en beluister ze alle vijf!

Met zoveel muziek tot je beschikking ga je natuurlijk zoeken. Naar muziek van vroeger. Dan ontdek je hoezeer muziek het vervoermiddel van de herinnering is. Zo kwam ik dus bij David Gilmour. Was onderdeel van Pink Floyd, maar heeft ook een paar soloplaten gemaakt. Nog voordat Pink Floyd rollebollend over straat uit elkaar viel maakte Gilmour soloalbums. Als ik ‘David Gilmour’ van David Gilmour hoor dan komt er van alles boven. Geuren, smaken, sferen en het gevoel van verlangen. Het gevoel van verlangen naar een groots en meeslepend leven en onbeperkte liefde heeft me lange tijd begeleid en komt weer terug bij de muziek van David Gilmour. Maar vooral Chi komt boven. Chi is lange tijd mijn beste vriend geweest. Chi is al een lange tijd geleden overleden. Zijn overlijden kreeg ik van verre te horen omdat we toen niet meer met elkaar omgingen. Daarom deed het me zoveel pijn, destijds.

Chi had een Chinese achtergrond en was het levende bewijs dat integratie een succes kan worden. Maar ik moet vaak denken aan zijn verhalen over toen hij in Nederland kwam. Hij sprak geen woord Nederlands. Zijn juf begreep niet veel en was ook niet bereid om te leren. Als Mao Zedong in die klas had gezeten, dat had de goede man niet Mao geheten, maar Ze. Zo kwam Chi aan zijn naam; het was het tussenvoegsel. Daarna de overgang van penseel naar kroontjespen bij het schrijven. Dat ging dus niet goed. Hij drukte zo hard op de kroontjespen dat die verboog. Juf boos. Chi vol onbegrip voor de koeterwaals sprekende juf. Uit wanhoop beet hij in de arm die veel te dichtbij kwam. Arm klein Chinees jongetje.

Maar zo heb ik hem niet leren kennen. Met Chi heb ik jarenlang alle bioscopen van Amsterdam afgelopen en tot diep in de nacht zitten bomen over de betekenis van de film en de zin van het leven. We verslonden boeken. Ongeveer dezelfde. Zo kregen we tegelijkertijd een klap van de Louis Couperus molen. Maar ook muziek, dus. David Gilmour!

Zijn dood kwam zo onverwacht en het bericht van zo ver en ook zo laat. Om de rouwadvertentie te vinden heb ik twee maanden oude kranten doorgespit. In het Paroolgebouw aan de Wibautstraat. Ik moest het zeker weten. En ik vond de advertentie… vier dochters!

There’s no way out of here, when you come in you’re in for good!

De air van wethouder Struijvenberg

Gisteren werd de Rotterdamse wethouder Struijvenberg geinterviewd door Nieuwsuur. Het ging over de uitvoering van de nieuwe participatiewet. De wet die gemeenten opdraagt om mensen die in de bijstand zitten, klusjes te laten doen. Werkelozen moeten in ruil voor hun uitkering, ‘iets’ terugdoen voor de maatschappij. Wethouder Struijvenberg van Leefbaar Rotterdam kwetst mij. Sinds 1988 heb ik gewerkt. Altijd gewerkt. Altijd mijn eigen geld verdiend. Maar toch weet Struijvenberg mij diep te kwetsen.

Struijvenberg zet mensen in de bijstand weg als luie mensen. Dat doet hij met veel genoegen. De lol die hij heeft om mensen bij het grofvuil te zetten, raakt me diep. Hij ziet geen mensen met potentie, maar hij ziet onderkruipers die maar eens moeten voelen… Een houding die heel erg past bij Leefbaar Rotterdam want ik zag diezelfde houding bij zijn voorgangers. Ik zou graag een analyse zien van mensen die een bijstandsuitkering hebben. Ik denk dat dat vaak mensen zijn die zelf heel graag uit de bijstand willen en wachten op (en zoeken naar) een baan. De bijstand is voor hun een financiële brug naar betaald werk. Maar ik denk dat er ook een grote groep is, waar bedrijven eigenlijk niet op zitten te wachten. Ik weet het niet precies, maar dat denk ik. Ik zie een aantal soorten mensen voor me.

In de eerste plaats laagopgeleide alleenstaande moeders met jonge kinderen. Sommigen missen de mogelijkheden om een juiste oplossing en partner te vinden. Als je alleen komt te staan met je kleintjes dan moet je teveel zorgen om je hoofd bij een betaalde baan te houden. Zit een werkgever te wachten op een laagopgeleide alleenstaande moeder met kleine kinderen? Nou nee dus. Zo iemand was mijn moeder. Later is ze gaan studeren en is ze toch nog, redelijk, op haar pootjes terecht gekomen.

In de tweede plaats zie ik laagopgeleide mannen die geen focus in hun leven hebben. Daarom drinken ze te veel, blowen ze, snuiven of spuiten ze. Ze doen een dingetje hier en een dingetje daar. Ze houden zich aan de wet zolang het uitkomt. Leven van de hak op de tak. Je zou het best ‘zieke’ mensen kunnen noemen. Ze gaan ook vaak vroeg dood; soms zelfs op natuurlijke wijze. Welke werkgever wil zo iemand in dienst? Niemand dus. Mijn vader was zo iemand. Hij kwam er niet uit en overleed jong met een lever zo hard als steen.

Struijvenberg, met zijn getrimde baardje, is geen loser en ook geen laagopgeleide alleenstaande moeder. Struijvenberg zet anderen weg als mensen die niets voorstellen. Struijvenberg voelt zich superieur: Hij aan de top met zijn mooie baan en zijn vrouw en zijn kindjes in zijn geile rijtjeshuis… heersend over de bijstandswormen. Ze kruipen op de grond en dienen te doen wat Struijvenberg hun opdraagt.

Maar die loser en die alleenstaande moeder zijn toch mensen waar ik erg veel om gegeven heb.

Wat heb ik verschrikkelijk de pest aan mensen als wethouder Struijvenberg van Rotterdam! Wat een air!

 

Tokkie-power

Wat voor mij een nogal schokkende ontdekking was; alle fatsoensregels die ik als kind geleerd heb, beletten me om in mijn carrière verder te komen. Door die fatsoensregels ben ik een prettig mens geworden, maar een hele slechte carrièrejager. Als carrièrejager moet je je helemaal niet bescheiden opstellen, moet je de ander helemaal niet laten voorgaan. Als carrièrejager moet je helemaal niet luisteren naar anderen en is de mening van een ander niet relevant. Als carrièrejager is dat wat een ander zegt of doet pas belangrijk als jij het in kan zetten voor je eigen carrière. Vroeger leerde ik dat carrièrejagers gedrag slecht was; dat dat psychopaten gedrag was; gewetenloos. Maar het kan niet slecht zijn, want ik zie het gedrag om mij heen…vooral boven mij. Ik zou denken dat een financiële instelling zulke mensen kan missen als kiespijn. Als een psychopaat verder komt door de eerste de beste wurgpolis te verkopen dan doet hij dat. Aan een Rijkman Groenink is de ABN-AMRO zo’n beetje kapotgegaan.

Bij de Amerikaanse verkiezingen zie ik hetzelfde. Een kandidaat zonder enig fatsoen in zijn lijf, lijkt te gaan winnen. Donald Trump. Een Amerikaanse Geert Wilders. Fatsoen zegt hem helemaal niets. Macht is het enige dat telt.

Gisteren heeft Jeb Bush het opgegeven. De man had zich ook kandidaat gesteld voor de presidentverkiezingen, maar al na enkele voorverkiezingen zag hij in dat het hem niet ging lukken en haakte hij af. Dat zou mij gerust moeten stellen. Zowel zijn vader als zijn broer zijn president geweest en na hen zag de wereld er stukken dreigender uit. Beperkte zijn vader de oorlog nog tot het heroveren van Koeweit, zoonlief walste over Afghanistan en Irak heen. Op het moment dat Amerika vond dat ze gewonnen hadden, begon de oorlog pas echt. Met duizenden doden als gevolg en een ontwricht land en, naar later bleek een ontwrichte regio, als gevolg. Kon men zich nog makkelijk achter de Koeweitse bevrijdingsoorlog scharen (oorlog om een goede zaak), dat was bij George Bush haast onmogelijk. Het was duidelijk dat hij alleen uit wraak handelde en om Amerika’s kracht te tonen. Die kracht viel tegen… De broer van George Bush, Jeb, zou het nog eens dunnetjes overdoen, zo leek het. Maar Jeb bleek de meest gematigde van de twee broers. Tegenover Donald Trump leek hij een zwakkeling. Eigenlijk pleit dat voor hem, want dat betekent dat Bush fatsoen kent… Poeh, dat kwam er moeilijk uit bij mij….

Is de wereld beter af met Donald Trump als president in plaats van Jeb Bush? Is Nederland beter af met Geert Wilders als premier? Ik denk het niet. Ik weet bijna zeker van niet. Maar hier zien we een nadeel van democratie: Tokkie-power! Ik zag de kreet meegevoerd worden in een demonstratie. Het staat ervoor dat je als onfatsoenlijk mens het recht hebt om voor een onfatsoenlijke oplossing te kiezen…denk ik. Tokkie-power, hoe kan je daar nou achteraanlopen?

De ijzige vlakte en Doctor Zjivago

Eigenlijk is het best bijzonder dat een Egyptenaar zo overtuigend een Rus kon spelen. Dat hij zo natuurlijk kon rondstappen in de ijzige wereld van de Russische toendra. Omar Shariff heeft destijds enorme indruk op mij gemaakt als Doctor Zjivago. Sommige beelden uit die film hebben voor mij een iconisch gehalte gekregen. Toen ik de film voor het eerst zag, kocht ik daarna meteen het boek. Ik wilde de roman lezen. Die roman verteerde moeizamer dan de film. Ik vond het een taai boek. De gedichten die erin stonden sloeg ik helemaal over. Kortgeleden is er een nieuwe, en uitmuntende, vertaling uitgekomen. In die nieuwe vertaling zou ook de kwaliteit van de gedichten tot uiting komen.

Doctor Zjivago draaide in het Amsterdamse theater Du Midi. In die tijd voelde ik me al een hele kerel als brugklasser. Ik was gemiddeld populair in de klas. Het liefst was ik heel erg populair geweest, maar helaas, feesten, daar was ik niet goed in. Ik heb altijd in mijn vaders voetsporen willen treden als feestbeest. Feestbeesten zijn de populairste mensen. Dat zijn mensen die het leven proeven. Zo zag ik het toen, en misschien zie ik dat nog altijd wel zo. Thijmen was wel een feesterd. Ik probeerde altijd in de buurt van Thijmen te zijn zodat iets van zijn populariteit op mij af zou stralen. Thijmen vond mij een geschikte peer, maar dat gaf mij nog geen toegang tot ongekende populariteit. Dat wist ik toen nog niet. Van Thijmen hoorde ik verhalen over Doctor Zjivago. Hij vond het een schijtfilm. Niet dat hij er veel van gezien had, maar de scenes die hij had gezien, vond hij prut. Het meest positieve van docter Zjivago vond hij dat het licht uitging en dat hij naast een willige mooie meid zat. Zij vond de film ook niets. Thijmen en het meisje zochten daarom ander vertier en dat vonden ze bij elkaar. Thijmen vertelde daar in geuren en kleuren over. Ik was jaloers en vond Docter Zjivago ook een prutfilm terwijl ik hem niet gezien had.

Gelukkig werd Doctor Zjivago een klassieker. Daarom kwam hij jaren later weer uit de kast. Ik was diep onder de indruk van de afgestofte film. Wel erg romantisch hoe Zjivago gevangen zat tussen Lara en Tonia. De Russische revolutie vormde het decor van de film. De hoofdpersoon werd gemangeld in deze revolutie. Daardoor ontsteeg de film de middelmaat. Het beeld van grote ijsvlaktes blijft hangen. De verstarde generaal en echtgenoot van Lara in zijn niet te stuiten trein. En het gezicht van Shariff, ingepakt in doeken, maar blauw van de kou en zijn wanhopige blik. Het ijspaleis waar hij een voorlopig onderkomen vindt. Ik weet niet meer of dat met Lara of met Tonia was, maar dat is niet zo belangrijk. Dat beeld van het ijspaleis is wel belangrijk voor mij. Ik herinner me een film waarin iedereen het voortdurend koud heeft. Verschrikkelijk koud.

Het is zo jammer dat ik zo langzaam lees op dit moment. Zal ik de nieuwe vertaling van Doctor Zjivago gaan lezen? Misschien moet ik de beelden van de film in mijn hoofd koesteren en aanvaarden dat ik gewoon niet alles kan lezen, hoe graag ik dat ook zou willen.

De Catwalk in het Rijksmuseum.

Gisteren was ik in het Rijksmuseum. Daar kom ik heel regelmatig. Er is in Nederland geen leuker, interessanter of mooier museum dan het Rijksmuseum. Veel van wat ik de moeite waard vind in het leven, komt daar samen. Op de eerste plaats natuurlijk de beeldende kunst. Weliswaar (bijna) alles uit een ver verleden, maar dat is ook meteen het tweede waar het in dit museum voor mij om draait; geschiedenis. Ik kijk gewoon graag terug. Kan ik niets aan doen; vind ik leuk. Verder terugkijken dan de middeleeuwen vind ik heus ook leuk, maar het begint voor mij bij de middeleeuwen en het eindigt bij gisteren. Laat dat nou precies de periode van Rijksmuseum collectie zijn! De derde pijler van mijn interesse is menselijk gedrag. Ga voor een schilderij in het Rijks staan en je ziet en voelt soms haast hoe mensen zich gedroegen. Wat ze als geaccepteerd gedrag zagen of afwijkend gedrag.

Nu hebben ze in het Rijksmuseum een modetentoonstelling. Catwalk. Mode interesseert mij niet zo veel. Kijk je diep in mijn hart, dan trek ik het liefst aan wat ik gisteren ook aan had. Mode in het Rijks verandert de zaak, want dan komen er weer dingen samen. Mode uit het verleden zegt ook veel over hoe mensen zich in het verleden gedroegen. Wat ze fijn vonden of wat ze mooi vonden. Het zegt iets over hoe men elkaar destijds het hoofd op hol probeerde te brengen. Interessant!!! Leuk!!! De tentoonstelling gaat vandaag open en gisteren was ik in het Rijksmuseum. Toch zag ik mensen naar de nog niet geopende tentoonstelling toelopen…Ik waagde ook mijn kans, maar helaas, ik werd door een strenge doch rechtvaardige man weggestuurd; geen catwalk voor mij.

Bregje Lampe mocht wel naar binnen, lees ik in de Volkskrant. Haar enthousiasme voor de tentoonstelling steekt ze niet onder stoelen of banken.

Gelukkig is er genoeg ander moois. Zo heb ik gisteren een tijd voor het Winterlandschap met schaatsers gestaan. Een schilderij van Hendrick Avercamp; de stomme van Campen. Eén van de leukste schilderijen in het Rijks. Van alles gebeurt er; van schijten tot paraderen. Van verzuipen tot hard werken. Het bracht me terug naar mijn studententijd. Naar Thea Beckman die een gastcollege gaf. Thea Beckman die een kinderboek geschreven heeft over Avercamp. Ik sprak erover deze week met een collega die mijn studiegenoot bleek te zijn, maar die ik nog steeds niet in mijn studiegroep van toen herinner. Dat gastcollege was één grote aanvaring. Ik studeerde aan de lerarenopleiding Nederlands en Geschiedenis en Beckman werd uitgenodigd namens geschiedenis. Net nadat we bij Nederlands ‘Kruistocht in spijkerbroek’ hadden behandeld. De docent had het een slap boek gevonden; een tijdmachine; een jongen van nu die even de leiding overneemt over een tocht van toen; Een jongen van vijftien met encyclopedische kennis over de kinderkruistocht. Onze docent vond het gewoon een slecht boek. Wij vonden het wel spannend om te lezen… In die ongemakkelijke spagaat kregen we de schrijfster op bezoek. Dat ging dus niet helemaal goed.

SK-A-1718

Catwalk. Ik mocht er niet in. Wat een straf! Moet ik nog een keer naar het Rijksmuseum; voor de tentoonstelling Catwalk.

VakMANschap

Ik kijk graag naar vakmensen aan het werk. Op het ogenblik heb ik een lichte voorkeur voor voedselbereiding. Op Youtube. Naar slager Gertjan Kiers bijvoorbeeld, die een koeienbil en -poot volledig ontleedt in supermarkt herkenbare stukken. ‘Mooi gemarmerd stukkie vlees met veel smaak’. Of: ‘Al dat bindweefsel geeft een heerlijk smakie an de soep’. Kijk daar hou ik van. Ik kijk graag naar zijn getatoeëerde armen. Ik gebruik zo’n video als troost na een zware werkdag waarin ik weinig voor elkaar heb gekregen. Ook meesterbakker Edwin Klaasen zie ik graag zijn woeste knoest bakken. Met zijn fantastische deegtemperatuur rekensommen. Maar bovenal zie ik graag de sympathieke banketbakker Holtkamp aan het werk samen met zijn kleindochter Stella. Als Holtkamp een deegje kneedt loopt het water in je mond. Nog nooit iemand zo smakelijk een deegje zien kneden!

Het leukste vakmanschap zag ik deze week niet op Youtube maar gewoon op de televisie.

De context was het programma Mindf*ck. In Mindf*ck doet een illusionist, die bovendien ook arts is, de meest verbazingwekkende trucs. Hij lijkt gedachten te kunnen lezen tot op het enge. Hoe kan hij dat nou weten? Zo zag ik hem een keer in Madurodam staan. Twee vrouwen tegenover hem. Hij vroeg één van de twee vrouwen een woord in haar hoofd te nemen. Een willekeurig woord. Dat deed ze. De illusionist schreef een woord op een groot bord. ‘Marktkraam’ schreef hij op. De vrouw keek naar het woord en leek opgelucht en ook verbaasd. Een illusionist raadt het woord dat je in gedachten hebt juist wel. Maar ‘marktkraam’ was niet het woord dat ze in haar hoofd had. Nee, zei de goochelaar, je moet kijken naar de marktkraam. Naast haar was een Madurodam marktje met een klein poppetje; in zijn handjes een bordje en …jawel hoor…het juiste woord. Dat programma dus.

Deze keer was Abbey Hoes te gast. Een actrice. Met een open gezicht en een hoge knuffel- en aaibaarheidsfactor. Een fraai gezicht. Illusionist Victor Mids deed eerst wat omtrekkende bewegingen. Een trucje zus en een trucje zo. Ongeveer van het ‘marktstalletje’-gehalte. Verbazingwekkend. Je begrijpt het eigenlijk niet, maar heel spectaculair was het ook niet. Toen vertelde Mids dat hij een traan van Abbey Hoes nodig had. Daar ging het om. Ik heb me al jaren afgevraagd hoe mensen in de film huilen. In mijn leven heb ik zeker een hectoliter tranen zien rollen over het witte doek en de beeldbuis/led-tv. Ik heb me altijd afgevraagd hoe die opgewekt werden.

Maar toen zag ik dus Abbey Hoes aan het werk. Even concentreren…Sjonge wat werd ze knap. Je zou haar graag tegen je aandrukken…haar troosten… De camera op haar gezicht. Eén en al emotie. Op commando! Toen zag je haar ogen volstromen en de tranen biggelden over haar wangen. Wat een vakvrouwschap! Echt fantastisch om te zien.

De truc? Victor Mids kon aan haar tranen zien/ruiken/proeven waaraan ze gedacht had toen ze de traan opwekte… Ook erg knap!

Vakvrouwschap, wat een lelijk woord! Abbey, ik heb genoten van je vakMANschap!!!

Bang op straat

Ik was veertien en nog nooit zo laat van een feestje naar huis gefietst. Een feestje bij Esther. Ik was uitgenodigd. Ik voelde me zo rijk! Ik had een oogje op d’r. Een heel stil oogje. Ze kon er moeilijk wat van gemerkt hebben. Esther leek volwassener dan wij. Vrijgevochten of vrijgelaten, wie zal het zeggen. Eenmaal op het feest was ik weer brugpieper in plaats van de grote kerel die ik dacht te zijn. Esther had vrienden die veel ouder waren dan wij. Maar toch nam ik een haal van de joint die mij doorgegeven werd. Die smaakte best! Ik proefde de vrijheid. Om een uur of drie die nacht, stapte ik wankel op de fiets.

Wat ik niet wist was, dat het die nacht luilak was. Een tegenwoordig wat in onbruik geraakt feest; je moet er namelijk vroeg voor opstaan. Toen ik die nacht naar huis fietste zag ik overal groepjes jongeren rondlopen. Ik dacht toen dat dat zo hoorde diep in de nacht. Ik had nog geen ervaring met nachtelijke fietstochten. De hele wereld had feestjes, kennelijk, en iedereen ging in groepsverband naar huis. Ik fietste over een relatief stille Reinier Vinkeleskade toen ik een groepje jongens midden op de weg zag staan. In een mooie boog wilde ik om ze heen, maar dat ging dus even niet. Ze pakten me vast. ‘Jezus, wat ben jij lelijk,’ zei degene die me vasthield: ‘Volgens mij heb je vader z’n lul verkeerd gebruikt.’ Gelach. Ik probeerde los te komen, maar de handen waren onwrikbaar en er vormde zich een kring om mij heen. ‘Zullen we die kop even in model timmeren?’ Vroeg diezelfde jongen. Ik zag dat hij meer dan een kop groter was dan ik (over kop gesproken). Ik begon te worstelen. En te roepen dat ze me los moesten laten. Onder gelach lieten ze los en fietste ik verder. Toen ik een paar straten verder was, begon het grote trillen.

Jarenlang heb ik gekeken of er duister gevaar dreigde op straat. Ik was bang. Bang op straat!

Vandaag in de Volkskrant een staaltje projectie van jewelste. Shantie Singh is ook bang op straat. Ze is ervan overtuigd dat dat komt doordat ze vrouw is. Haar man is niet bang op straat. Dat komt alleen maar doordat hij geen vrouw, maar een man is. Dus, zo luidt haar redenering, moet de ‘maatschappij’ ervoor zorgen dat de vrouw onbezorgd op straat kan lopen. Singh eindigt met een soort utopie (want zij ziet het nog niet in het echte leven): Vrouwen die: ‘…in al hun glorie en diversiteit over straat lopen.’ Het grappige is dat de schrijfster er geen moment aan lijkt te denken dat ze haar gevoelens van onveiligheid projecteert op de vrouw als geheel. Zou niemand haar dat verteld hebben? Het vervelende voor de schrijfster is dat ze zowel het probleem als de oplossing bij de maatschappij legt. De oplossing van haar probleem zal niet van de maatschappij komen, zoveel is wel duidelijk.

Hoe is het eigenlijk met mij en mijn nachtelijke straatangst afgelopen? Toen ik zo’n zeventien, achttien was, vond ik de nacht belangrijker dan de dag. Ik besloot toen, eerst wat aarzelend, dat het stom was om bang te zijn. Na een poos was ik dat ook niet meer, want er gebeurde ook zelden iets dreigends. Later ging ik met Josien. Een vrouw dus (ik ben fulltime hetero). Zij houdt juist van stille stadsparken in de nacht…Wandelen in het maanlicht. Dat er engerds rondlopen doet haar niets, zolang ze maar van haar afblijven. En dat doen ze…

In stadparken wandelen ‘s nachts, dat gaat me nou ook weer te ver. Ik wou dat ze het minder leuk vond want ik maak me vaak ongerust!

Shantie, kom op! Overwin jezelf!

Het liefdesgeluk van Karol Wojtyla.

De katholieke kerk blijft mij fascineren. Vooral het fenomeen van het celibaat. Het celibaat prikkelt onze fantasie. Een celibatair levend mens is helemaal fout of helemaal goed, in onze beleving. Hoewel het celibaat ‘ongehuwd’ betekent, staat vooral onthouding van seks op de voorgrond. Ik vind een celibatair levend mens goed noch fout en ik ben tegen het opgelegde celibaat. Ik kan me voorstellen dat je voorganger wil zijn in een kerk en dat je tegelijkertijd ook een partner wil waarmee je het bed deelt. Waarom mag een priester geen kinderen krijgen? In de vroege middeleeuwen is dat zo bepaald. In die periode geloofde men dat een priester niet God en een gezin tegelijkertijd kon dienen. Bovendien, was Jezus getrouwd? Maar in die middeleeuwen dacht men ook dat de Aarde plat was. Als een priester er een vriendin op na houdt, getrouwd is of kinderen heeft, mijn zegen heeft hij. Ik zie niet in waarom ik een priester niet het geluk zou toewensen dat ik heb.

In de krant van vandaag een prachtige foto. Een tent in het bos. Een wat ouderwetse tent. Niet gek want de foto is in 1978 genomen. Voor die tent twee campingstoelen. Het zou ónze tent met ónze stoelen kunnen zijn. Josien en ik gaan zitten. Lekker naast elkaar. De zon is al warm. Wij zitten in de schaduw. Het is stil. Behalve de bosgeluiden. Soms geluiden van andere kampeerders. Maar dat stoort niet. We vertellen elkaar waar we zijn in ons boek en hoe we het vinden. Waar zullen we straks naartoe gaan? Of gaan we alleen even boodschappen doen in het dorp en verder lekker lezen en misschien even zwemmen in het meer? Vakantie! Je hoeft niets, je moet niets en je hebt de tijd voor je tweeën. Heerlijk! Zo’n foto dus.

Naamloos

Maar Josien en ik staan niet op die foto. Het is ook onze vakantie niet. Het is de vakantie van Anna-Teresa Tymieniecka en Karol Wojtyla. Anna-Teresa in zomerjurk en Karol in kort sportbroekje. Ik heb het gevoel dat ze ervan genieten. Hoewel ik het gezicht van de vrouw niet kan zien, straalt haar houding geluk uit. Van mij mogen ze! Voor de oplettende lezers is het al duidelijk…Karol Wojtyla? Juist ja, de populaire paus Johannes-Paulus II. Een priester, dus. Een persoon die geen huwelijksgeluk mag kennen. Hij had er zelf hele strenge ideeën over. Een priester die trouwde of een vrouwelijke priester… daar moest deze man niets van hebben. Kende hij zelf wel de liefde? Dat gaat bij mij jeuken. Het voelt onrechtvaardig; wat hij anderen verbood, deed hij zelf wel. Maar de kerk is snel met ontkenningen. Nee, Anna-Teresa was alleen maar een goede vriendin en verder niets… Mij best. Als de kerk dat wil geloven…moeten zij weten. Ik zie liefdesgeluk op de foto en ik gun het ze. Ik gun het iedereen. Ik had gewild dat Karol Wojtyla het iedereen had gegund…

Nou ja…gun ik iedereen liefdesgeluk? Dat niet, maar daar doe ik even het zwijgen toe.

Meiden versieren

Hoe kom je als man aan een vrouw (en als vrouw aan een man)? Laten we vaststellen dat er sinds mensachtigen op de aardkloot rondlopen er geen belangrijker vraag is. De vraag bijvoorbeeld, of er zwaartekrachtgolven vanuit het heelal tot ons komen waaraan we kunnen zien hoe het al begonnen is, valt miljoenen keer in het niet, bij de levensvraag: Hoe kom ik aan een man/vrouw*? Vergelijk de aandelenmarkt met de huwelijksmarkt… (verder commentaar is overbodig.)

In China is decennialang een één-kind politiek gevoerd. In de denkwereld van de Chinees is een jongetje belangrijker dan een meisje. Dat had grote (aborteer) gevolgen. Er blijken nu 15% meer mannen dan vrouwen te zijn. Ik keek gisteren naar een aflevering van de uitstekende serie ‘Langs de oevers van de Yangtze’ van Ruben Terlou. Hij laat ons de gevolgen zien van die politiek op de Chinese huwelijksmarkt. Met zo weinig vrouwen is het dringen voor de mannen en blijven er uiteindelijk veel mannen over. Mannen willen daarom hoog scoren. Hier in Europa willen mannen dat, maar daar, met zoveel concurrentie, helemaal.

Terlou had weten binnen te komen bij een man die cursussen ‘vrouwen versieren’ gaf. Alleen al dat hij binnen had weten te komen, vond ik al een prestatie van jewelste! Het gaf een blik op de overspannen situatie waar veel mannen aan lijden. Hoe komt een ietsje verlegen man aan de vrouw? Hoe leg ik het aan? Dan ga je te rade bij een man die goeroe is op het gebied van charmeren. Een narcistisch ijdeltuitje dus. We zagen de cursusleider lesgeven in clichés en je wist meteen dat het niet ging werken. Lessen in de zin van: Als zij daar staat en jij daar en ze kijkt zo, dan zeg je A, maar als ze dan zo doet, dan doe jij B. Scenario’s waarvan je van tevoren weet dat ze zich niet voordoen en het probleem niet onderkennen en aanpakken. Want wat is het probleem: De jongens zijn een beetje verlegen en ook een beetje bang voor die wezens met borsten waar ze zo naar verlangden… Ik heb met die arme mannen te doen, want ze hebben gelijk; het leven zonder partner is minder waard (heel soms niet, trouwens).

Een paar jaar geleden werd een documentaire uitgezonden over een man in Engeland die ook dergelijke cursussen gaf. De cursus die hij gaf, leek mij wel effectief. Hij ging uit van praktijkoefeningen. Durven en niet bang zijn, bleken de key-woorden. De cursus was gericht op het overwinnen van verlegenheid en angst. Een van de eerste oefeningen die de verlegen mannen deden: Op straat een vrouw die ze aantrekkelijk vonden, aanspreken en mee uit vragen. As simple as that! Wildvreemde vrouwen. Zelfs dat had al vaak succes. Weinig vrouwen bleven onberoerd als hen verteld werd dat ze aantrekkelijk waren en weinig vrouwen werden boos.

Wat ik erg leuk vond was een oefening in sexy praten. De cursisten moesten zo sexy mogelijk aan een ingehuurde knappe vrouw vertellen wat ze als ontbijt hadden gegeten. Verlegenheid en bangigheid waren niet sexy, dat was duidelijk. Maar, als je zelfverzekerd, met pauzes en klemtonen op de juiste plek vertelde over je boterhammetje met hagelslag, dan zag je de dame smelten.

Meiden versieren, je kan er uren over praten…

 

*) doorhalen wat niet van toepassing is.

Het gevoel van Valentijnsdag?

Ponferrada. Het was kil toen ik terugliep naar ons tentje. Onze fietsen stonden zich vochtig van de dauw voor te bereiden op een zware klimdag. Ik hoorde dat Josien de slaapzakken oprolde, en de matrasjes. Ik ritste de tent open en probeerde te voorkomen dat de koude condens aan het tentzeil haar klaarliggende handdoek nat maakte. We konden het af zonder praten omdat we het ritueel van afbreken en opbouwen van ons tentje al zo vaak gedaan hadden. Daarom konden we het ondertussen over andere dingen hebben. Over de jongens, bijvoorbeeld, die het zo lekker vonden dat ze het huis nu voor zichzelf hadden. En over de beperking die we ons hadden opgelegd zodat we ze niet elke dag zouden bellen om te horen…

Ik zette water op. Het gasje kon als laatste in de fietstas . In Josien d’r fietstas. In de mijne zaten de pannen. Ondertussen propte ik, in de juiste volgorde, onze spullen in mijn fietstas. Je fietstassen inpakken doe je zelf. De eerste dagen is het passen en meten, daarna is het weten. Daarna is het een kwestie van de spullen er goed om in de juiste volgorde instoppen. Dan lukt het om de weg van ingerichte slaapplaats tot opgeladen fiets in een half uurtje af te leggen.

Vandaag was het doel O Cebreiro. Zo’n slordige vijftig kilometer. Best ambitieus, want het zou een klimtocht worden. Dat hadden we wel uit ons boekje begrepen. Wij konden de oude weg nemen; die was lekker rustig omdat er inmiddels ook al een nieuwe weg was.

Hoog boven ons zagen we de nieuwe weg. De oude weg kronkelde zich langzaam naar boven. Haarspeldbochten. Nog was het koel, maar de fel schijnende zon kondigde hitte aan. Erge hitte. We stonden in de schaduw van een boom. Slokje drinken. Ik kuste haar waardoor ze bijna haar evenwicht verloor. We lachten en keken naar boven, waar de nieuwe snelweg schitterde.

De nieuwe snelweg lag diep beneden ons. We waren erlangs geklommen. De hitte was groot, maar doordat we fietsten vingen we juist dat kleine beetje verkoelende wind. Daardoor lukte het om door te gaan. En er was altijd wel een schaduwrijk plekje te vinden om te rusten. Het blijft vreemd dat je zo kunt genieten van lichamelijke inspanningen. En toen waren we ineens boven. Onaangekondigd. Een enorme verassing. We waren in een middeleeuws dorpje aangekomen. O Cebreiro. Een druk bezocht dorpje. Beneden aan de weg (niet onze weg) stonden bussen. Toeristen zwierven rond.

We waren moe, zo verschrikkelijk moe, maar alles was vol. Het hotel en de herberg waren vol. Twintig kilometer verderop was de eerste plek waar we terecht konden. Hopelijk. Bergafwaarts, dat wel…Toch blijft twintig kilometer een heel eind als je zo’n klim in je benen hebt.

In Triacastella een herberg met een geïmproviseerd kampeerterrein erbij. Veel gospel zingende jongeren in groepjes. We hadden onze tent opgezet. We voelden ons zo rijk. Ietsje verderop een restaurantje. Even nog naast elkaar zitten voordat we gingen eten. Wat een fantastische dag!

Het gevoel van Valentijnsdag?