Tagarchief: Fré Cohen

Gedicht geschreven in Bergen-Belsen

En toen was er een gedicht. Een opmerkelijk gedicht. Niet zozeer qua inhoud, maar meer door de omstandigheden waar het tot stand kwam. En toch ook de inhoud, een beetje. De dichter: Joseph Gompers. De datum 1 mei 1944 en de plaats waar het geschreven werd: Bergen-Belsen. Op die plek wil je als jood niet zijn op 1 mei 1944. Een concentratiekamp van nazi-Duitsland. Weliswaar geen plek met gaskamers en crematoria waar de dood een fabrieksproces was, maar ook geen plek waar het de bedoeling was dat je, als jood, overleefde. Honger en gebrek en verschrikkelijke epidemieën moesten ervoor zorgen dat men snel dood ging. Een afgrijselijke plek om te zijn op 1 mei 1944. Gompers overleefde Bergen-Belsen dan ook niet. Hij schreef het gedicht ter nagedachtenis aan Fre Cohen… Met de dood voor ogen tekende Gompers een gedicht op voor Fre Cohen. Vriend Joop Voet zag daar na de oorlog in dat Fre Cohen en Joseph Gompers een meer dan vriendschappelijke relatie moeten hebben gehad; dat ze minnaars waren.

Ik ben geïnteresseerd in het leven van Fre Cohen. Liefde en partnerschap is een belangrijk element in het leven van een mens. Omdat Fre Cohen altijd ongetrouwd is gebleven, is het niet zo gek om te kijken of onze kunstenares de liefde gekend heeft. Waarom? Geen idee. Misschien wel sensatiezucht. Laten we het houden op dat we graag een compleet beeld willen krijgen van de vrouw die ons zoveel moois schonk.

Eerst maar eens kijken wat er wel bekend is over de relatie tussen Gompers en Cohen want dat ze ‘iets’ hadden, dat is wel duidelijk. Cohen leerde Gompers goed kennen na de machtsovername van Hitler in 1933 in Duitsland. Die greep naar de macht leidde al snel tot anti-joodse maatregelen in Duisland en bracht een joodse vluchtelingenstroom op gang naar Nederland. De zeer sociaal voelende Cohen wilde een rol spelen in de opvang van de vluchtelingen. Er was onder anderen een steunfonds opgericht om de vluchtelingen financieel te helpen. Vertaler, dichter en journalist Joseph Gompers was een van de beheerders van het steunfonds. Gompers was voorstander van een joodse staat in Palestina; een zionist.  Socialisten – en dat was Fre Cohen – zagen internationale verbroedering van de arbeidersklasse als toekomst en daarbij speelde godsdienst of afkomst geen rol van betekenis. We weten niet precies wat Fre Cohen voor ogen stond. Ik zie dat juist in de periode na 1933 meer en meer joodse motieven in haar werk opduiken… Dat Fre Cohen en Joseph Gompers ‘iets’ met elkaar hebben, ligt voor de hand want ze komen veel bij elkaar over de vloer. Ze verzorgen samen artikelen in het Nieuw Isrealitisch Weekblad die Gompers schrijft en worden geïllustreerd door Fre Cohen. De kunstenares maakt twee mooie ex-librissen voor Gompers.

Terug naar het gedicht ‘De roode meidoorn’; het gedicht dat Joseph Gompers in Bergen-Belsen ter nagedachtenis aan Fre Cohen schreef. Kunnen we daar iets in lezen dat een beeld geeft van de relatie die Gompers en Cohen met elkaar hadden? Ik denk het wel. Als we ervan uitgaan dat zij een liefdesrelatie hadden dan verwacht ik dat het gedicht ‘De roode meidoorn’ een liefdesgedicht is. Dat is het niet. Gompers heeft tal van liefdesgedichten geschreven en dit gedicht lijkt daar niet op. Bovendien denk ik dat je een gedicht opdraagt aan je geliefde (zelfs als ze al overleden is) en dat ‘ter nagedachtenis’ op meer afstand duidt.

Ik zie in het gedicht meer gezamenlijke strijd en gezamenlijke idealen en daarmee een diepe vriendschap. Geen erotiek. Ik denk niet dat Gompers en Cohen een liefdespaar waren. Ik lees in het gedicht een groot verlangen naar betere tijden. Ik denk dat Cohen is gaan geloven in een joodse staat in Palestina waar joden vrij van vervolging zijn. In die nieuwe staat zal een joodse vorm van socialisme ontstaan waarin veel AJC-idealen werkelijkheid zouden moeten worden. Ik denk dat Gompers en Cohen daar eindeloos over hebben gediscussieerd en het heel erg met elkaar eens zijn geweest. Zionisme was uiteindelijk toch wel de weg uit de hel waar ze vanaf de jaren dertig als joden in terecht waren gekomen.

Mens blijven in tijden van wanhoop

De laatste jaren van haar leven ging het niet echt goed met mijn oma. Tijdens de laatste jaren van haar leven kwam ze zomaar terecht in een door haar zelfgeschapen wereld waarin iedereen, op een enkeling na, het op haar gemunt had. Ze was ervan overtuigd dat mensen zonder te vragen haar huis in- en uitliepen en haar spullen naar goeddunken gebruikten. Ze had daardoor zelf haast geen leven meer, maar ook haar buren hadden het zwaar. Misschien had ik moeten ingrijpen. Ik zag dat het fout ging. Ik probeerde haar gerust te stellen. Aan de andere kant zou ik niet geweten hebben hoe en met wat ik had moeten ingrijpen. Dat de buren onder haar geleden hebben…ik weet het. Oma gilde en schreeuwde tot diep in de nacht. Oma deed aangifte van van alles en nog wat. Mensen waar tegen aangifte was gedaan, werden verhoord op het politiebureau. Allemaal geen dingen die echt leuk zijn. Maar oma had het natuurlijk het zwaarst met zichzelf, hoewel ze zich daar nauwelijks van bewust was. Velen meden haar. Behalve sommige vrienden van heel vroeger. Die konden door alle verhullende lagen nog steeds die idealistische jonge vrouw zien van voor de tweede wereldoorlog. Maar voor velen was dat niet weggelegd. En dan was er nog ‘ik’. Mijn persoon. Voor haar was ik het toonbeeld van het goede in de wereld. Ik kan er niets aan doen en ik kon aan dat beeld niets veranderen. In mijn oma d’r ogen kon ik niet stuk. Dat benauwde me soms. Meestal kon ik daar redelijk mee omgaan. Ik was één van de weinigen die ze nog zoveel vertrouwde tijdens haar laatste jaren dat ik haar kon helpen. Boodschappen doen, bijvoorbeeld.

Met mijn moeder samen, gingen we door de spulletjes die ze had nagelaten. Veel lidmaatschapskaarten van de AJC of toegangskaarten voor AJC-evenementen. Allemaal ontworpen door Fré Cohen. Elk AJC-document ziet er daardoor fantastisch uit. We stuitte ook op dit zelf genaaide etuitje. We wisten van het bestaan. Nu we het zagen vervulde het ons met groot ontzag. Het etuitje heeft ze in Auschwitz gemaakt. Een lapje en een paar drukkertjes. Bang om iets kapot te maken liet ik mijn moeder het etuitje openmaken. Ik wist al wat erin zat, daar niet van, maar we wilden het toch graag in het echt zien. Een minuscuul kammetje en een stukje spiegel. Je kunt je er zelf nauwelijks in zien. Toen we jaren geleden hoorden van het bestaan van dit etuitje moesten we een beetje besmuikt lachen; zelfs in Auschwitz bleef oma een dame die goed voor de dag wil komen. Maar dat beeld is nu bij mij toch wel gewijzigd. Ik heb me de vraag gesteld wat het betekent als je niet meer weet hoe je er zelf uitziet. Wat doet het met je als anderen je reduceren tot minder dan een beest en jou ook graag willen doen geloven dat je minder dan slachtvee bent. Om dat te overleven moet je jezelf ervan overtuigen dat dat beeld niet klopt. Met een kam en een spiegel kan je iets van een mens blijven. Tenminste voor jezelf.

Oma heeft anderhalf jaar lang, constant, de dood in de ogen gekeken. Ze wist dat ze elk moment kon sterven en dat daar geen enkele reden voor nodig was. Wat moet er door haar heen gegaan zijn toen ze daar op die godvergeten plek overleefde terwijl ze besefte dat bijna iedereen waar ze van hield dood was. Dat kammetje en dat spiegeltje moeten haar eraan herinnerd hebben dat ze mens was.

Oma en Fré Cohen

We zitten nog net in de eerste helft van mei. Een periode waarin teruggekeken wordt naar de eerste helft van de twintigste eeuw. Vijftig jaar die ongekend bloederig zijn geweest. Er zijn altijd in de geschiedenis wel oorlogen geweest en er heeft altijd wel bloed gevloeid, maar de eerste vijftig jaar van de twintigste eeuw zijn ongekend geweest wat dat betreft. Toch is het ook een periode waar ik heel graag naar kijk omdat er tegelijkertijd een ongekende bloei was van kunst en cultuur. Soms tegelijkertijd met uitspattingen van wreedheid, maar vaker als er luwte was in het bloedvergieten. En dat er tussen alle ellendige periodes door mensen bleven geloven in de goedheid van de mensheid en hun ideaal probeerden te verwezenlijken van gelijke kansen voor iedereen. Eén van de personen waarbij zowel de ellende, de cultuur en het idealisme samenkomen is Fré Cohen. Over Fré Cohen gaat een tentoonstelling komen in ‘ons’ museum. Fré Cohen zette mij op een speurtocht die me onverwacht heel erg dicht langs mijn eigen familie leidde…

Tekening van Fré Cohen – ‘Tevje der Milchman’ – aan de muur bij mijn moeder

Ik ging namelijk bij mijn moeder eten en vond deze tekening aan de muur. Een erfstuk van mijn oma. Mijn oma en Fré Cohen waren enthousiaste leden van de AJC; de Arbeiders Jeugd Centrale. Na de eerste wereldoorlog hoopten ze dat de wereld zou genezen van de verschrikkelijke wond die de oorlogsellende had veroorzaakt. Ze wisten niet wat hun, joden, nog te wachten stond. Hun onwetendheid is achteraf gezien een gelukkige omstandigheid want daardoor hebben ze nog wat jaren kunnen geloven in al het goeds dat het leven voor hen in petto had. Van Fre Cohen weet ik dat het grootste deel van haar werk in deze periode ontstond. Mijn oma had de tijd van haar leven. Ze was wat jaartjes jonger dan Fré Cohen maar minstens zo enthousiast voor de AJC. Mijn oma moet de tekening van Fré Cohen gekregen hebben en er totaal niet bij stil gestaan hebben wie of wat – anders dan een mede-AJC’er – Fré was. Mijn moeder vertelde dat ze de tekeningen na oma’s overlijden vond tussen heel veel andere papieren met punaisegaatjes en resten van plakband op de hoeken.

Die luwte in de wereld tussen de twee wereldoorlogen in fascineert me enorm. Dat geloven in de goedheid van de mensheid. Geloven in de mogelijkheid van het opvoeden van de mens tot een fantastisch wezen dat net als zij niets dan goeds voorheeft met de wereld. Weliswaar joods – en heus dat bleef altijd een zekere rol spelen – maar fel tegen religie omdat dat de mensen dom zou houden; opium voor het volk. Tussen de spulletjes van oma vond ik veel foto’s. Ook deze foto. Natuurlijk heb ik mijn oma zo nooit gekend. Zelfs van mijn moeder was nog in geen velden of wegen sprake toen deze foto gemaakt werd. Maar haar gezichtsuitdrukking…dat heb ik nooit meer zo gezien. Een gezichtsuitdrukking, ontspannen en vol verwachting, diep gelukkig en onbevreesd. Oma als naïeve lieve puber. Mijn oma hield iets van de dood in haar ogen nadat ze terugkeerde uit Auschwitz. Heus, ze heeft nog wel gelukkige momenten gehad, maar dood en verderf en algehele ondergang lagen altijd op de loer. Voor Fré Cohen eindigde de oorlog anders; ze pleegde zelfmoord voordat ze gedeporteerd kon worden.