Tagarchief: Auschwitz

Ondergang

De ondergang is op dit moment niet ver weg, bij mij. Niet mijn eigen ondergang. Nee, godzijdank niet. De ondergang als gevoel. Ik verdiep me in het leven en werk van de joodse kunstenaar Fre Cohen en dat brengt je vanzelf naar ondergangsgevoelens. De vrouw pleegde zelfmoord toen ze in 1943 werd gearresteerd. Ze voorvoelde kennelijk precies welk onheil eraan kwam. Achteraf gezien nam ze met haar eigen gekozen dood, denk ik, de minst slechte beslissing en voorkwam ze heel veel ellende en een even zekere aanstaande dood. Ik verdiepte me gisteren in de laatste jaren van haar leven. Ze werkte toen als docent aan de W.A. van Leer-school. Een joodse middelbare kunstnijverheidsschool. Die school bleek ietsje meer connectie met mij te hebben dan ik in eerste instantie dacht. Mijn te vroeg gestorven en – ik mis hem nog steeds – zeer geliefde opa, speelde zonder dat hij het wist een sleutelrol. Zijn broer Leo was, toen 23 jaar oud, een collega van Fre Cohen. Mijn opa’s oorlogsverhaal las ik in ‘Overleven een kunst’ van Ies Jacobs. Samen met Ies vluchtte mijn opa en dook hij onder op het Friese platteland. Ies Jabobs was leerling op de Joodse kunstnijverheidsschool en dus leerling van Fre Cohen en Leo. Mijn opa’s oorlogsverhaal kwam ik puur toevallig op het spoor want er zelf over vertellen deed hij niet. Ik liep in voormalig kamp Westerbork aan tegen het boek van Ies Jacobs en terwijl ik het doorbladerde zag ik tot mijn verbazing foto’s van mijn toen nog zo jonge opa. Al die geschiedenissen hebben een prominente ondergangscomponent. En omdat ik me gisteren naast alle ellende die ik las, ook nog wel wilde ontspannen en dus ging netflixen zette ik pardoes de film Sobibor op. Tsja, wat er allemaal niet onbewust en bewust op je afkomt op een sombere, bewolkte miezerige zondag. Je zou haast blij zijn dat het weekend weer voorbij is…

Maar ik overleefde het weekend en las vanochtend de krant met daarin een artikel van historicus Willem Melching. Gelooft het of niet; het gaat over de vernietiging van het Europese jodendom. Met name over Auschwitz. Hij stelt zichzelf de vraag of de moord op zoveel joden van tevoren bedacht was of dat er een vaag idee was dat per ongeluk eindigde in de genocide. Ik vraag me af in hoeverre er historisch bewijs is voor de dingen die hij beweert. De historicus schrijft over de gevoelens en de redeneertrant van mensen van toen. Beetje vaag. Hij beweert dat de Duitse leiders van toen de joden weg wilde hebben uit West-Europa en ze wilden verhuizen naar Siberië…heel ver weg in ieder geval. Maar omdat operatie Barbarossa minder gunstig en snel verliep dan gepland en Siberië een brug te ver was, maar ze aan de andere kant wel van de joden af wilden, vatte men het plan op om de joden dan maar te vernietigen. De vernietiging van de joden was dus, volgens Willem Melching, niet van tevoren uitgedacht, maar toevallig tot stand gekomen. Ik heb daar wat bedenkingen bij. Was de stap naar massale moord niet al veel eerder ingezet? Hadden ze destijds niet al geoefend op geestelijk gehandicapten? Kampcommandant Niemann van Sobibor had daar een rol in gespeeld. Maar goed, de redenering van Melching past beter in het beeld dat Rutger Bregman in zijn boek ‘De meeste mensen deugen’ schetst van de natuur van de mens; in beginsel was er niet de pure slechtheid die we er nu aan verbinden, maar was er echt het plan om de joden te verplaatsen. Alleen waarnaartoe? De plek waar de joden konden verblijven kon nog niet bereikt worden. Vermoorden was dan een goede tussenoplossing. Maar wacht eens even…mensen naar Siberië verplaatsen…is dat niet hetzelfde als genocide? Doet je dat niet een beetje denken aan het verplaatsen van de Armeniërs naar de woestijn en ze daar zonder iets achterlaten?

De ondergang. Laten we hopen dat de werkdag van vandaag me op andere gedachten brengt.

Deugen de meeste mensen?

Wat Rutger Bregman wil zeggen in zijn boek ‘De meeste mensen deugen’ is wel duidelijk en roept meteen al weerstand op bij zoon R. ‘De titel lijkt me getuigen van een nogal naïef mensbeeld’, vond hij. Dat is nou juist ook waar Bregman steeds naar verwijst; het is geen naïef mensbeeld, maar gewoon zoals het is; de meeste mensen gaan voor het goede en hebben een afkeer van geweld en het slechte. Het beeld dat we graag van onszelf schetsen, namelijk een wreed dier geleid door lage instincten waar een heel dun laagje beschaving omheen zit, klopt niet. De mens is niet zondig geboren. De mens is in wezen goed, maar sommige mensen hebben een weeffout en kunnen andere mensen ertoe brengen datgene in hen dat goed is te gebruiken voor het slechte. Omdat ik heilig geloofde in het idee dat de beestachtige mens omhuld wordt door een laagje beschaving en omdat dat mensbeeld goeddeels gebaseerd is op de tweede wereldoorlog en de jodenvervolging, ben ik in dit boek begonnen in Deel 2. Na Auschwitz. Mijn idee was dat er in ieder van ons een nazi schuilt die mensen zonder blikken of blozen de gaskamer injaagt. Dat in ieder van ons een beest schuilt die met plezier groepen mensen vermoordt, inclusief vrouwen en kinderen. Dat je van wat er in Auschwitz gebeurde overal om je heen voorbeelden ziet. Anders, dat wel, maar dezelfde wreedheid.

Maar stel je nou eens voor, zo betoogt Bregman, dat er heel veel mensen waren in Duitsland en in Polen en in Rusland maar zelfs ook in Nederland, die ervan overtuigd waren dat het jodendom een plaag was waarvan Europa en de wereld bevrijd moest worden? Nu, met onze belaste blik op de geschiedenis en de schaamte voor wat daar in Polen gebeurde, nauwelijks nog voor te stellen, maar er waren natuurlijk massa’s mensen die echt het idee hadden dat ze de mensheid hielpen door de joden uit te roeien. En…als je iets goeds doet, zijn veel mensen bereid om je te helpen bij het verrichten van de goede daad. Daarom werden er eerst massa’s joden doodgeschoten, maar dat bleek psychisch te belastend voor de schutters, daarom kwam men op vergassen en dwong men de gedoemden zelf om het vuile werk op te knappen. Interpreteer je het zo, dan is er in Auschwitz iets positiefs te herkennen, namelijk het vooruithelpen van de mensheid door het van de joden te bevrijden… En, kijk je naar andere genocide voorbeelden, dan zie je eigenlijk wel hetzelfde patroon. Zo moesten in Rwanda de Tutsi’s dood omdat het kakkerlakken waren die profiteerden in de ogen van opruiende Hutu’s waarvan het land bevrijd moest worden. Gevolg was een massaslachting. Natuurlijk zitten bij de oorlogshitsers mensen met een weeffout die gewetenloos zijn, maar de massa wil gewoon graag helpen bij het mooier maken van het land/wereld; zonder joden, Hutu’s, moslims, ongelovigen of wat voor andere groep dan ook.

Bregman komt in zijn boek vaak terug op de roman ‘Lord of the flies’ van William Golding. Een schrijver die de Nobelprijs voor literatuur kreeg voornamelijk voor deze roman. De roman bevestigd volgens Bregman datgene dat we graag willen geloven over hoe de mens is. ‘Lord of the flies’ vertelt het verhaal van een groep jongens die op een onbewoond eiland terecht komen. Eerst organiseren ze zich zo goed mogelijk om dit avontuur te overleven, maar al snel slaat het om en gaan de botte instincten, met alle wreedheden van dien, met hen op de loop. Uiteindelijk worden de jongens op hun eiland gevonden. Een paar zijn er vermoord (de goeden) en de anderen blijken slechteriken die in een soort van gewetenloze, gewelddadige chaos voor zichzelf gekozen hebben. Dat ‘Lord of the flies’-verhaal wordt ons dagelijks verteld; een heel filmgenre vertelt over de post apocalyptische wereld; de wereld is door een ramp getroffen en enkelingen hebben het overleefd. De overlevers staan elkaar naar het leven omdat ze in een concurrentiestrijd verwikkeld raken om te overleven. Allemaal verzonnen verhalen, betoogt Bregman. Vervolgens gaat hij op zoek – en vindt, uiteraard – het echte ‘Lord of the flies’. Een groep jongens wilde met elkaar naar een ander land varen om daar een nieuwe toekomst op te bouwen. Ze waren slecht voorbereid en er overkwam hen onderweg een ramp waardoor ze niet in het gewenste land kwamen, maar op een onbewoond eiland. Daar verbleven en overleefden ze anderhalf jaar. Wat de man die hun vond aantrof bleek diametraal te staan tegenover ‘The lord of the flies’; De jongens hadden zich georganiseerd en werkten samen. Als er ruzies waren dan werden die opgelost omdat ze wisten dat ze moesten samenwerken om te overleven; sterker nog ze wilden elkaar koste wat kost helpen om dit avontuur gezamenlijk te overleven. Er ontstond, in tegenstelling wat men verwacht had, een harmonische eenheid waar men alles voor elkaar overhad. Voor dit mooie verhaal bleek weinig belangstelling. Liever las men ‘Lord of the flies’.

Ik vond het boek in eerste instantie erg inspirerend. Het heeft mij op een andere manier laten kijken naar menselijk gedrag. Inderdaad vind ik nu ook dat de mens over het algemeen het goede wil. Dat moet ons niet minder kritisch maken; je moet op je hoede blijven. Er zijn altijd mensen met een weeffout die je erg kunnen schaden; je moet daar alert op blijven. Auschwitz en Rwanda tonen aan dat het, hoe erg de mens ook deugd, het gruwelijk mis kan gaan. Aan de andere kant denk ik dat je houding over hoe je denkt dat mensen in elkaar zitten wel degelijk invloed kan hebben op je omgeving en jezelf…

Een inspirerend boek, maar helaas wel ietsje te dik. Afentoe slaat Bregman de plank, in mijn ogen, erg mis. Het stuk over kinderen opvoeden had hij er, wat mij betreft zo uit kunnen laten. Hoewel hij alles van voetnoten voorziet, bekroop mij regelmatig het ‘wachttoren’ gevoel. Dat blaadje van de jehova’s getuigen waarin veelvuldig wordt vermeld dat ‘wetenschappers’ dit of dat hebben ontdekt of uitgevonden of whatever. Het wekt bij mij irritatie. Maar ondanks dat toch een aanrader.

Mens blijven in tijden van wanhoop

De laatste jaren van haar leven ging het niet echt goed met mijn oma. Tijdens de laatste jaren van haar leven kwam ze zomaar terecht in een door haar zelfgeschapen wereld waarin iedereen, op een enkeling na, het op haar gemunt had. Ze was ervan overtuigd dat mensen zonder te vragen haar huis in- en uitliepen en haar spullen naar goeddunken gebruikten. Ze had daardoor zelf haast geen leven meer, maar ook haar buren hadden het zwaar. Misschien had ik moeten ingrijpen. Ik zag dat het fout ging. Ik probeerde haar gerust te stellen. Aan de andere kant zou ik niet geweten hebben hoe en met wat ik had moeten ingrijpen. Dat de buren onder haar geleden hebben…ik weet het. Oma gilde en schreeuwde tot diep in de nacht. Oma deed aangifte van van alles en nog wat. Mensen waar tegen aangifte was gedaan, werden verhoord op het politiebureau. Allemaal geen dingen die echt leuk zijn. Maar oma had het natuurlijk het zwaarst met zichzelf, hoewel ze zich daar nauwelijks van bewust was. Velen meden haar. Behalve sommige vrienden van heel vroeger. Die konden door alle verhullende lagen nog steeds die idealistische jonge vrouw zien van voor de tweede wereldoorlog. Maar voor velen was dat niet weggelegd. En dan was er nog ‘ik’. Mijn persoon. Voor haar was ik het toonbeeld van het goede in de wereld. Ik kan er niets aan doen en ik kon aan dat beeld niets veranderen. In mijn oma d’r ogen kon ik niet stuk. Dat benauwde me soms. Meestal kon ik daar redelijk mee omgaan. Ik was één van de weinigen die ze nog zoveel vertrouwde tijdens haar laatste jaren dat ik haar kon helpen. Boodschappen doen, bijvoorbeeld.

Met mijn moeder samen, gingen we door de spulletjes die ze had nagelaten. Veel lidmaatschapskaarten van de AJC of toegangskaarten voor AJC-evenementen. Allemaal ontworpen door Fré Cohen. Elk AJC-document ziet er daardoor fantastisch uit. We stuitte ook op dit zelf genaaide etuitje. We wisten van het bestaan. Nu we het zagen vervulde het ons met groot ontzag. Het etuitje heeft ze in Auschwitz gemaakt. Een lapje en een paar drukkertjes. Bang om iets kapot te maken liet ik mijn moeder het etuitje openmaken. Ik wist al wat erin zat, daar niet van, maar we wilden het toch graag in het echt zien. Een minuscuul kammetje en een stukje spiegel. Je kunt je er zelf nauwelijks in zien. Toen we jaren geleden hoorden van het bestaan van dit etuitje moesten we een beetje besmuikt lachen; zelfs in Auschwitz bleef oma een dame die goed voor de dag wil komen. Maar dat beeld is nu bij mij toch wel gewijzigd. Ik heb me de vraag gesteld wat het betekent als je niet meer weet hoe je er zelf uitziet. Wat doet het met je als anderen je reduceren tot minder dan een beest en jou ook graag willen doen geloven dat je minder dan slachtvee bent. Om dat te overleven moet je jezelf ervan overtuigen dat dat beeld niet klopt. Met een kam en een spiegel kan je iets van een mens blijven. Tenminste voor jezelf.

Oma heeft anderhalf jaar lang, constant, de dood in de ogen gekeken. Ze wist dat ze elk moment kon sterven en dat daar geen enkele reden voor nodig was. Wat moet er door haar heen gegaan zijn toen ze daar op die godvergeten plek overleefde terwijl ze besefte dat bijna iedereen waar ze van hield dood was. Dat kammetje en dat spiegeltje moeten haar eraan herinnerd hebben dat ze mens was.

Charlotte Salomons in het Joods Historisch Museum

Als ik het achteraf reconstrueer, dan moet ik nog heel erg jong zijn geweest toen ik voor het eerst in aanraking kwam met het werk van Charlotte Salomons. Ik lees net dat het Joods Historisch Museum in 1971 in bezit kwam van haar levenswerk ’Leben? Oder Theater?’ Ik ga ervan uit dat het museum niet lang daarna deze schat tentoonstelde. Ik kan me de tentoonstelling herinneren. Mijn moeder was niet gewoon onder de indruk, maar heel diep onder de indruk. Gek genoeg kan ik me een heel apart tentoonstellingsgebouw herinneren. Als ik me niet vergis was het de Waag op de Nieuwmarkt. In mijn herinnering was dat voor even het Joods Historisch Museum. In ieder geval was het de plek waar de honderden gouaches werden tentoongesteld. Om de schilderijen te bekijken moesten we trapje op en trapje af. In mijn herinnering waren ze met punaises aan de muur geprikt. Maar dat kan heel goed een foute herinnering zijn. Ik vond het vooral erg veel die schilderijtjes. Wel speciaal, maar wel heel erg veel. Ik schaarde mijn ma’s enthousiasme onder haar enthousiasme voor alles wat met talent en joden te maken had en wat uiteindelijk altijd eindigde met de vernietiging in Auschwitz. Dat is nou eenmaal waar ik mee opgegroeid ben en waar zij mee opgegroeid is.

Verder moet ik denken aan Birgit Doll. Zij speelde Charlotte Salomons in de speelfilm die Frans Weisz maakte. Een actrice met verschrikkelijk mooie ogen, vond ik toen. Een prachtige vrouw om te zien. Een vrouw waarvan ik me graag voorstelde hoe het megatalent Charlotte Salomons eruit moet hebben gezien. Maar dat viel tegen. Op de paar kleine foto’s die er van haar resten, zie ik geen knappe vrouw. Een plat gezicht met een heel erg verlegen oogopslag.

Gisteren had ik voor de tweede keer de mogelijkheid om haar werk integraal te zien. Het Joods Historisch Museum heeft het volledige werd tentoongesteld. Laat ik eerlijk wezen; het zijn er veel, erg veel en na verloop van tijd besloot ik om ze niet allemaal één voor één te bekijken. Vooral het begin van het verhaal verraadt een enorm talent op verschillende terreinen. Van dat talent zijn de schilderijen zichtbaar, maar ondertussen gaat het voortdurend over muziek. Niet gek, omdat Charlotte’s stiefmoeder zangeres was. Charlotte moet temidden van de kunsten zijn opgegroeid en een grote liefde hebben gevoeld voor alle schoonheid.

Toen ze na de Kristallnacht van Berlijn bij haar grootouders in Zuid Frankrijk terecht kwam, kreeg ze te horen dat psychiatrische aandoeningen en zelfmoord tot de familieziektes behoorde. Ze kreeg te horen dat haar moeder zelfmoord had gepleegd toen Charlotte nog maar heel jong was. De schok over deze waarheid, zette haar aan om haar autobiografie te gaan schilderen. Die autobiografie gaat voor een heel groot deel over haar grote verliefdheid op muziekpedagoog Alfred Wolfsohn die ze in haar werk de naam Amadeus Daberlohn geeft. Daberlohn komt als zangpedagoog bij de stiefmoeder Paulinka in beeld. Daberlohn heeft zichzelf van zijn eerste wereldoorlog trauma’s genezen met een techniek die hij zelf ontwikkeld had. Hij kon zijn stem niet meer gebruiken en vond een weg om dat te genezen. Deze techniek gebruikte hij bij het beter maken van zangers en dus van Charlottes stiefmoeder Paulinka. Eén van de aspecten was ‘Liefde’. Zij moest van hem houden om iets aan zijn techniek te hebben. Dat gebeurde dan ook naar ik begreep. Maar de liefde sloeg ook bij de toen nog puberende Charlotte toe. Daberlohn ontdekte het buitengewone tekentalent van het meisje en vroeg haar zijn boek te illustreren. Die aandacht en die erkenning van haar talent deed haar volledig ontvlammen voor hem. Dat is ook bijzonder goed te zien in de gouaches die ze over hem schildert. De passie en de grote liefde die ze voelt. Hoewel ook de dood altijd op de loer ligt. De muziek die ze onder haar verhouding met Daberlohn bedenkt is ‘Der Tod und das Mädchen’. Uit alles blijkt dat Daberlohn nooit geweten heeft van haar passie voor hem. Tenminste dat is mijn interpretatie. Hij lijkt haar soms wreed te behandelen, maar leeft gewoon zijn leven. Deelt zijn tijd in zoals hij het wil. Maar Charlotte wil aandacht van hem, de aandacht van de verliefde. Hij laat haar zitten voor een andere afspraak. Ze wacht uren op het station. Tot midden in de nacht. Maar hij had gewoon een andere afspraak. Niet om haar dwars te zitten; hij wist niets van haar grote liefde. Denk je er Schuberts muziek eronder, dan krijgt het allemaal een diep tragische en donkerbruine lading. Het schijnt dat Daberlohn, toen hij onder zijn eigen naam Alfred Wolfsohn aan het eind van zijn leven was gekomen in de begin jaren zestig, dat hij toen pas hoorde over de liefde van Charlotte Salomons en dat hij toen pas hoorde hoe zeer hij muze was. Lijkt me een heel speciale gewaarwording…Misschien droom ik daar wel eens over…dat er iemand is wie ik, zonder dat ik dat weet, gigantisch heb geïnspireerd…en die hopeloos verliefd was op mij. (Maar dat zal wel niet…)

Charlotte Salomons levensweg eindigde in Auschwitz. Ze heeft zelfs de eerste selectie niet doorstaan. Het blijft je verbazen dat er in een land dat zo bol staat van de cultuur, waar elk gat zo’n beetje een eigen professioneel symfonieorkest, een professioneel toneelgezelschap en een professioneel operagezelschap heeft, een tijdlang volledig van cultuur verschoond is gebleven. Het blijft tragisch en fascinerend tegelijkertijd.

Een enorma aanrader die tentoonstelling van het levenswerk van Charlotte Salomons in het Joods Historisch Museum. Maar…neem je niet voor om al die schilderijen goed te bekijken, want dan wordt het wel heel vermoeiend.

Johann Sebastiaan Bach en het Nederlands Kamerorkest

Gezien en gehoord op 11 november in het Concertgebouw te Amsterdam.

Aan het eind van de zomervakantie van 2010, streken wij neer in de Poolse plaats Katowice. We hadden onze landing in deze plaats behoorlijk slecht voorbereid want eigenlijk hadden we natuurlijk naar het nabijgelegen Krakau moeten gaan. Katowice is zo’n beetje de lelijkste stad van Polen en Krakau één van de mooiste. Aan de andere kant paste zo’n lelijke stad heel goed bij het doel van ons verblijf op die plek; we gingen Auschwitz bezoeken. Niet gewoon emotioneel maar heel erg emotioneel. Ik heb in de geest zelden zo’n intensief contact met omaatje gehad als toen. Zelden heb ik me dichter bij de hel gevoeld als toen. Naarmate we dichter bij Birkenau kwamen, voelden we ons kouder vanbinnen worden. We voelden ons geconfronteerd met het slechtste dat de mens ooit voortgebracht had. Het slechtste ook dat ooit uit de Duitse cultuur voortgekomen was. Op dat moment kon ik daar alleen maar het beste dat de Duitse cultuur ooit voorgebracht had tegenover zetten. Daarom de muziek van Johann Sebastiaan Bach. De mooiste muziek van Bach. Het langzame deel uit het 6e Brandenburgse concert. Op dat moment vond ik dat het mooiste dat het genie Bach had voortgebracht. Op de één of andere manier was dat laatste Brandenburgse concert anders dan de vijf anderen. Melancholieker. Nog diepzinniger. De donkere tonen en de om elkaar heen zwevende melodielijnen die dan weer ver uit elkaar gaan en dan weer helemaal met elkaar verbonden zijn. Zo verschrikkelijk mooi. Die muziek verwarmde mijn hart toen we de auto parkeerden voor de ingang van Birkenau en we de eerste barakken zagen.

Het 6e Brandenburgse concert ken ik noot voor noot, maar gisteren kreeg ik de ene na de andere verrassing te verwerken. Ik kende het concert alleen van opnames en ik was ervan overtuigd dat gamba’s de solisten waren. Maar dat was dus helemaal niet zo; altviolen spelen de boventoon. Weliswaar wordt de bezetting mede gevormd door twee gamba’s, maar die spelen in dit concert vrijwel uitsluitend een begeleidende rol. In het langzame deel spelen de gamba’s, die ik een hoofdrol had toegedicht, in z’n geheel niet mee. Een tweede verrassing was de bezetting. Ik dacht toch zeker wel aan een kamerorkest. Maar dat was dus ook niet zo: Twee gamba’s, twee altviolen, een cello een contrabas en een klavecimbel. Meer niet. Eigenlijk een septet dus. Ook een bezetting die ik nauwelijks bij enig ander stuk tegengekomen ben. De derde verrassing die ik kreeg was de ontstaansgeschiedenis van de Brandenburgse concerten. Ik moet toegeven dat ik vooral aannames had gedaan, wat dat betreft. Ik was ervan uitgegaan dat de Brandenburgse concerten in Brandenburg geschreven waren. Maar dat was dus niet zo. De Brandenburgse concerten zijn een sollicitatiebrief van Bach aan de Markgraaf van Brandenburg. Bach toonde een proeve van zijn kunne aan de Markgraaf. De Markgraaf vond het zelfs niet nodig om te antwoorden. Nu zal de arrogante man zich in zijn graf omdraaien, mag ik hopen.

(Mooie uitvoering…5:40 begint het langzame deel)

Gisterenavond werd het 6e Brandenburgse concert uitgevoerd door het Nederlands Kamerorkest. Niet alleen door alle verrassingen, maar ook door de uitvoering zelf werd ik behoorlijk blij. Juist met een stuk dat ik zo goed ken, is het risico groot dat bepaalde tonen niet helemaal op de juiste plek zitten tijdens de uitvoering want ik weet precies waar ze horen. Maar dat soort situaties deden zich niet voor. Het was gewoon een mooie uitvoering.

Daarna werd Pulcinella uitgevoerd. Met drie zangstemmen. Nog nooit eerder die versie van het stuk gehoord. Ik had het gevoel dat het er erg lang van werd. Eigenlijk wel een beetje té lang. Eerlijk gezegd kon het me maar moeilijk boeien. Ook in de zaal merkte ik dat er een bepaalde onrust was door het ontbreken van spanning tussen orkest, zangers en publiek. Het applaus achteraf was zonder meer lauw. Vrij kort en mensen stroomden al heel snel richting de pauzedrankjes. Ik was niet echt kapot van deze uitvoering van Pulcinella. Misschien wel omdat het contrast met het 6e Brandenburgse concert zo enorm was.

Na de pauze keerde alleen Katrien Baerts als zanger terug om de cantate ‘Weichet nur, betrübte Schatten’ uit te voeren. Deze sopraan had ik al eens eerder met het Nederlands Kamerorkest gehoord. In het Stabat Mater van Pergolesi. Ook toen viel ze me positief op. Hoewel ik haar duidelijk minder op dreef vond als destijds in het Stabat Mater, heb ik toch genoten. Zeker van de prachtige hobo waarmee Baerts – namens Johann Sebastiaan – een paar prachtige duetten aanging.

Ik heb een lekkere avond gehad. Behalve Pulcinella. Ik weet niet goed wat ik daarvan moet denken.

Het vernietigde paradijs

Mij hoor je niemand iets verwijten en je hoort mij zeker niet klagen, maar ik ben opgegroeid in de schaduw van de tweede wereldoorlog. Over mijn kindertijd lag een deken van Auschwitz, jodenvervolging, uithongering en gaskamers. Een doem van mensen die er niet meer waren maar er wel hadden horen te zijn. En over dat alles werd niet gesproken want dat zou maar oude wonden openrijten. Maar als we andere ouderen tegenkwamen met de mensonterende tatoeages op hun arm, dan wisten we dat ze bij ons hoorden. Bij hen die over onnoemelijk verdriet in de familie beschikten. Elk boek, elke film en elke foto over jodenvervolging was belangrijk, vonden we, maar erover praten deed je niet. Zo zat het met mij en mijn familie. En al dat lijden gaf ons ook nog het gevoel ergens bij te horen; de vervolgde joodse gemeenschap. Maar, omdat mijn ma hartstikke verliefd werd op een goy (mijn pa), en samen met hem, onder anderen, mij kreeg, had ik ook een niet vervolgde kant.

Mijn omaatje had Auschwitz overleefd. Meteen na de oorlog had ze haar tatoeages laten wegsnijden. Alsof ze Auschwitz uit haar herinnering wilde verwijderen. Maar voor de tatoeages in de plaats kreeg ze een lelijk litteken. Omaatje maakte ons wijs dat het een brandwond was geweest en lange tijd heb ik dat ook gedacht.

Mijn opa, en mijn ma en mijn oma en wij waren best in een identiteit-chaos beland. Opa is veertig jaar met mijn omaatje getrouwd geweest en was zonder meer mijn echte opa. Maar in het licht van genen en DNA heeft hij weer niets met ons te maken. Maar wie boeit dat wat? Mijn ma, dus. Zij kijkt vooral naar de man die al in 1942 vermoord werd. Met hem was omaatje maar enkele jaartjes getrouwd. Wie is er dan belangrijker? Het boeit inderdaad niet, maar het speelt wel een rol. Sinds zijn dood vijfentwintig jaar geleden, mis ik mijn opa. Ik heb eindeloze gesprekken met hem gevoerd over kunst, politiek en vooral de literatuur.

Ik woonde net op mezelf en opa en oma gingen op vakantie. Of ik poes Joepje wilde verzorgen. Natuurlijk wilde ik dat. Op 4 mei zouden ze Joepje komen brengen. Rond acht uur hadden we afgesproken. Geen idee waarom we juist op die dag op dat moment hadden afgesproken. Ik had de televisie aanstaan toen ze de poes kwamen brengen. Opa en oma verheugden zich op de vakantie, merkte ik. Ze wilden de poes afleveren en weer weggaan. Maar ze zagen dat acht uur en de stilte eraan kwamen. “Nou goed dan”, zei omaatje onwillig toen de trompettist de trompet aan zijn mond zette. Oma en opa gingen even zitten. Ongeduldig wachtte ze de stilte af. “Ik denk er altijd aan”, zei oma: “Wat maakt die twee minuten dan uit?” Op dat moment wist ik niets van oma. Helemaal niets. Ja, dood en verderf en dat weggesneden kampnummer. En we bleven tegen elkaar zwijgen. Tegen oma en ook tegen opa.

Opa’s oorlogsjaren kwam ik pas in de autobiografie van Ies Jacobs tegen. Ik bladerde door het boek Overleven een kunst en stond ineens keihard oog in oog met een jeugdfoto van mijn lang geleden overleden opa. Ies en hij hadden zich samen met succes door de oorlog geworsteld en ik wist daar niets van.

Met mijn omaatje heb ik wel gesproken. Toen ze al heel oud was trok ik de stoute schoenen aan. Ik vroeg naar wat ze had meegemaakt. Zij was zo gelukkig dat ik haar ernaar vroeg. Het is één van de beste dingen die ik ooit heb gedaan, want daardoor ken ik haar verhaal. Het verhaal van voor de oorlog was veel belangrijker dan het verhaal van de jodenvervolging tijdens de oorlog, ontdekte ik. Ze leefde niet zozeer met de herinneringen aan de hel van Auschwitz, maar meer met het paradijs dat door Auschwitz werd vernietigd.

Denial: Grote acteurs in een matige film.

Gisteren, toen mijn jongste zoon en ik terugfietsten, begon ik te begrijpen wat hij altijd bedoeld met wat ik aanzie voor holocaustontkenning; hij vindt het fout om een feit in de geschiedenis absoluut te maken. Aan een verhaal zitten veel meer kanten dan één waarheid. Als iemand zegt dat de gaskamers er alleen waren om kleren te ontluizen, dan dien je zo’n opmerking serieus te nemen. Bewijs dan maar dat er echt werkelijk mensen vergast zijn. Alleen al door zoiets te beweren, beledig je al zo verschrikkelijk diep, dat er geen bereidheid is om naar argumentatie te luisteren. Bewijs wil je niet leveren; het is duidelijk dat het ‘waar’ is, waarom zou je het dan nog bewijzen? In het geval van de holocaust is het bewijs zo torenhoog, vertelde ik hem, dat er geen enkele twijfel is. Een overdonderende meerderheid van historici zijn het erover eens; In Auschwitz zijn meer dan een miljoen joodse mensen op gruwelijke wijze vermoord. Bovendien hebben wij zelfs kennis uit eerste bron; mijn omaatje. Zij zag lange rijen mensen de trap  van de crematoria van Auschwitz afdalen en nooit meer boven de grond komen. Daarentegen zag ze de berg as groeien en rook ze de stinkende walm die uit de schoorsteen van het crematorium kwam.

Dat neemt niet weg dat er documentaires op History Channel en National Geographic worden uitgezonden die een beeld scheppen van een Empire of Evil in Duitsland in de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw. Documentaires die een rijk van de duivel tonen. Die als het ware ons, de mens, tegenover de leiders van Nazi-Duitsland, de monsters, zetten. Zulke documentaires ontnemen de mensheid hun verantwoordelijkheid. Het Nazi-monster zit namelijk in ons allen.  Mijn zoon en ik hadden samen de film Denial gezien. Het gaf ons weliswaar aanleiding tot discussie, maar toch had ik van deze film meer verwacht.

De film gaf nou juist niet datgene waar ik op gehoopt had: Ontegenzeggelijk overtuigend bewijs voor iedereen dat de gaskamers van Auschwitz hebben bestaan en dat ze gebruikt werden om grote hoeveelheden mensen te vermoorden. Dat bewijs heb ik niet gehoord. Ik twijfelde niet, maar ik wilde het bewijs zien waardoor niemand meer hoefde te twijfelen. De film ging wat mij betreft niet exact genoeg in op die bewijsvoering.

De film Denial draait om een rechtszaak wegens smaad, die David Irving tegen Deborah Lipstadt aanspande omdat ze hem als holocaustontkenner en geschiedvervalser in haar boek over de holocaustontkenning opnam. Hij zei zich tekort gedaan en beledigd te voelen door haar quote. David Irving was een notoire holocaust-ontkenner met nazistische ideeën die zichzelf graag als historicus neerzette.

In de film kwamen wel argumenten van de tegenstander aan bod. Ik vond dat daar vanuit het kamp Lipstadt geen gepast antwoord op kwam. Neem bijvoorbeeld de bewering dat er in de overblijfselen van het dak van de gaskamers geen gaten zichtbaar zijn waardoor de Zyklon B kristallen naar binnen werden gegooid. In de film wordt deze observatie breed uitgemeten. Dit zou haast een kentering teweeg hebben gebracht ten gunste van Irving. Maar tegenargumenten heb ik niet gehoord.

Opmerkelijk in deze zaak was dat het Brits rechtssysteem voorschrijft dat het aan de gedaagde partij is, om te bewijzen dat wat er over aanklager (David Irving) beweerd werd, waar is. Met andere woorden: Het was aan Lipstadt en haar advocaten om te bewijzen dat Irving inderdaad een holocaust-ontkenner is en dat hij inderdaad de geschiedenis vervalste. In dat geval wordt er  geredeneerd dat het geen smaad is omdat de gewraakte beweringen waar zijn.

Met dit verhaal kan je verhaaltechnisch twee kanten op: Je gaat de bewijzen aanvoeren zodat het voor de kijker duidelijk wordt waarom David Irving de zaak verloor. Je kunt ook kijken naar de menselijke interactie tussen Lipstadt, haar advocaten en David Irving. In dat geval ga je ervan uit dat de bewijsvoering eigenlijk niet nodig is. Voor dat laatste point of view kozen de makers van de film. Voor ons, helaas, de minst interessante kant. Dat was dus een tegenvaller.

Tijdens de film komen zaken voorbij die kant nog wal raken. Stijlfouten. Ik irriteer me daar nogal aan, merk ik. Losse flodders in het verhaal. Ik ga ervan uit dat alles wat je toont in een film een betekenis moet hebben. Ik kwam een paar van dit soort storende zaken tegen. De meest opmerkelijke vond ik een stukje prikkeldraad. De hoofdpersonen stonden op het dak van één van de crematoria in Auschwitz en daar prikte een stuk oud prikkeldraad in de schoen en voet van de advocaat. Als een kleinood nam hij het stukje prikkeldraad mee naar huis. En daar strandde het verhaal van het prikkeldraad; het speelde geen enkele rol meer. Was dat een onderdeel van de schacht waardoor het Zyklon B naar binnen werd gegooid? Waarom kwam de advocaat daar, bovenop die ruïne een stukje prikkeldraad tegen? Antwoord op de vragen bleef uit.

Een ander storend merkwaardig uitstapje was de twee-minuten-duik in het privéleven van één van de leden van het advocatenteam. In het verhaal speelt ze nauwelijks een rol van betekenis. Maar…Ineens zitten we in haar slaapkamer waar haar vriend mag aantonen dat ze hard werkt. Daarna niets meer.  Je gaat je dan van alles afvragen waar helemaal geen antwoord meer op komt: Wat was die vriend voor een man? Werkte hij het onderzoek tegen?

Conclusie is dat ik de film maar matigjes vond. Ik had er veel meer van verwacht. Desalniettemin is het altijd fijn om een knappe vrouw als Rachel Weisz de rol van Deborah Lipstadt te zien spelen. Dat deed ze uitstekend. Maar ook Timothy Spall, als David Irving kwam erg goed uit de verf. Ik ken hem als de eeuwige slechterik. Nu dus ook. Ik zie hem vooral als een van de slechteriken bij Harry Potter. Maar als David Irving mocht hij er wezen. Tom Wilkinson als de onderkoelde advocaat was prima. Maar helaas, goede acteurs maken er nog geen goede film van.

 

 

 

Son of Saul

De makers van Son of Saul hebben zich afgevraagd hoe je in filmtaal kunt vertellen over iets dat zo gruwelijk is, dat elke beschrijving te kort schiet. Dat idioom hebben ze gevonden! Ik kan niet anders zeggen. Lásló Nemes heeft een enorme prestatie neergezet. Je kijkt naar een film die je naar het crematorium brengt van een vernietigingskamp. Je ziet van alles gebeuren, maar dat komt niet scherp op je netvlies. Het gebeurt gewoon. Je krijgt geen andere keus dan je te identificeren met Saul. Saul doet wat hij doet. Hij overleeft. Als een robot. Zonder gevoel. Met onze kennis van nu, proberen we achter van alles te komen. Maar dat lukt niet want we zijn Saul. Niets dringt tot ons door. Maar ineens is een ongeschonden dood jongetje het middelpunt. Vanaf dat moment draait alles om dat jongetje. Saul laat wat gevoel toe. Maar alleen voor dat jongetje.

Als je deze film vergelijkt met een andere film die zich zo ongeveer in dezelfde contreien afspeelt, dan wordt de prestatie van Nemes nog duidelijker. Laten we er Schindlers List van Spielberg bij halen. Spielberg wil zo veel mogelijk emotie. In Schindlers List wordt aan emotie-maximalisatie gedaan. Door dat prachtige stukje vioolmuziek op de achtergrond. De mooie mensen op de voorgrond. De absoluut slechterik en de absolute held met zijn geweldige boekhouder. Bovendien een sterke plot. Het ging ergens over. Son of Saul staat diametraal tegenover Schindlers List. Gevoelens zijn weg. Slachtoffers zie je wazig op de achtergrond. Die zie je filmisch in je ooghoeken. Je ziet Saul. Saul doet wat hem opgedragen wordt. Saul voelt niet. Wij als toeschouwers laten het over ons heen komen. Achtergrond muziek; ik heb het niet gehoord. Als er Duitsers komen, dan probeer je te begrijpen wat ze willen zodat je overleeft. Willen ze dat je een dansje maakt? Best, Saul danst. Willen ze dat je de stront van de vloer boent? Saul vindt het best. Saul bestaat niet. Saul is al dood; alleen nog niet gestorven.

De eerste scene, die in één lang shot is opgenomen, maakt duidelijk waar we, met wie, zijn. Controleren of de historische werkelijkheid juist is, wat ik altijd zo graag doe, gaat niet lukken. Je wordt het brein van Saul in gedwongen. We zien het gezicht van Saul en uit geluiden en wazige beelden op de achtergrond, zien we hoe een groep mensen naar een ondergrondse ruimte wordt gebracht. Daar wordt hun verteld dat ze een douche krijgen en dat er warme soep staat te wachten. Dat ze zich snel moeten uitkleden anders wordt de soep koud. In het Duits. Je hoort het, maar je hoort het net zo goed niet. Het is achtergrondruis. Net als het uitkleden van de mensen. De wazige achtergrond kleur wordt steeds meer naakte-mensen-roze. Je ziet Saul. Saul die rondloopt en de mensen helpt bij het uitkleden. Geen spier vertrekt als al deze blote mensen een ruimte inlopen. Hij lijkt al die mensen niet te zien. Als kijker probeer je te achterhalen wie er naar binnen gaan. Zijn het oude mannen, zijn het kinderen, zijn het knappe vrouwen. Je ziet het niet of nauwelijks. Je bent Saul en Saul ondergaat het.

De deur gaat dicht en Saul begint meteen de kleren van de haken te halen. Ondertussen geschreeuw en gebonk vanuit de ruimte waar de blote mensen in gingen. Saul vertrekt geen spier. Allemaal in één lang shot. Het heeft ons in een volslagen vreemde wereld gebracht waar gevoelens geen plaats hebben. Je weet wat er op de achtergrond wordt gesuggereerd, en je spiegelt het tegen je referentiekader, maar meer doet het je ook niet. De plek waar Saul leeft, is geen aangename plek om te zijn, en je leven is voortdurend in gevaar, maar dat is dat. Verder niets.

Dat er verder nog een verhaaltje is, vind ik nauwelijks van belang. Op de keper beschouwd is het een heel erg dun verhaaltje. Ook de opstand van het Sondercommando in Auschwitz is meegenomen in het verhaal. Wat mij betreft niet zo heel erg belangrijk.

Son of Saul is een film waarin de maker heeft geprobeerd het onzegbare te zeggen door je een tijdje mee te laten lopen met een lid van het Sondercommando. Hierin is de film absoluut geslaagd. De film is geen statement tegen onmenselijk gedrag. De film speelt niet met je gevoelens. Feitelijk brengt het je dichter bij de dierlijke kern die ieder mens in zich heeft. Die dierlijke kern draagt je op om te overleven zelfs als de kans daarop maar heel klein is. Voor dat overleven wordt in dit geval de juiste strategie in stelling gebracht; het uitschakelen van je gevoelens. Dat lukt Saul…maar dat lukt ons ook. Son of Saul is een heel speciale film.

(Gisteren de film op DVD gezien.)

 

Het feest van de verbroken ketenen

Vandaag is het Keti Koti. Een feest waarvan ik vind dat we dat in Nederland moeten vieren. Massaal. Maar ook een feest waar ik een beetje bang voor ben. Met Keti Koti vieren we dat westerse landen zo’n honderdvijftig jaar geleden anders zijn gaan denken over slavernij. Dat regeringen van die landen het niet meer gewoon vonden dat mensen dwangarbeid verrichtten; verhandeld werden. Tot die tijd was dat heel gewoon en in veel andere culturen dan de westerse, vindt men dat nog steeds heel gewoon. Enkele weken geleden schreef ik over de  Global slavery index . Bekijk de site en je weet; Keti koti gaat niet over de afschaffing van de slavernij.

Wat de westerse vorm van slavernij wel uniek maakte was dat slaven van het ene naar het andere continent versleept werden. Westerse landen namen slavenhandel serieuzer dan andere landen. Was het daar zo dat je je slaaf aan je buurman verkocht; in het westen werden slaven gelijkgesteld aan een lading graan, steenkool of suiker. Dat was wel behoorlijk uniek. Maar verder blijven slaven mensen die voor een ander dwangarbeid verrichten. Mensen die het eigendom zijn van andere mensen. Mensen overal ter wereld moeten van hun ketenen worden bevrijd. Dat is mijn mening.

Keti koti wil ik vieren in Nederland, en herdenken. Ik wil dat het niet alleen onze gedachten laat gaan over de westerse vorm van slavernij, maar dat we nadenken over alle vormen van slavernij. Dat het een dag wordt in het teken van de bevrijding van de mens van haar ketenen. Dwangarbeid honderdvijftig jaar geleden in Suriname is net zo erg als dwangarbeid in India op dit moment.

Maar ik ben bang dat mijn idee over keti koti het hem niet gaat worden. Ik ben bang dat het toch vooral zal gaan om blanke slavenhandelaren in het verleden en blanke plantage-eigenaren en dat er zwarte slaven werden aangevoerd. Dat er blanke slavendrijvers waren en dat zwarte mensen de klappen kregen. Dat keti koti daarover zal blijven gaan.

Mijn huid is zo blank dat het met het minste zonnestraaltje verbrand. Ik heb nog nooit iets met slavernij te maken gehad. Wel in mijn familie. Mijn opa deed slavenarbeid op de Drentse hei en mijn oma in Auschwitz. Dat moesten ze doen omdat ze joods waren en sterk en jong tijdens de tweede wereldoorlog. Maar dat telt denk ik niet mee voor keti koti. Dat maakt me ook erg bang; veel slavendrijvende plantage-eigenaren in Suriname waren joods. Als keti koti gaat over de tegenstelling blanke dader en zwart slachtoffer, waarom gaat het dan niet binnenkort over joodse dader en zwart slachtoffer? Daarom maakt keti koti mij bang.

Ondanks mijn blanke huid en ondanks mijn gedeeltelijk joodse afkomst ben ik schuldig noch slachtoffer. Ik wil op geen enkele manier geassocieerd worden met de slavenhandel of de slavenhouderij. Zolang keti koti een blank-zwart feest blijft, verandert er niets. Ook bijvoorbeeld Gloria Wekker is schuldig noch slachtoffer. Zij vindt wel dat mensen met een blanke huid schuldig zijn. Laat haar nadenken tijdens keti koti. Laat haar bedenken of haar ideeën ons allen verder brengt.

Laten we er wel een feest van maken. Het feest van de verbroken ketenen. Van iedereen!

Auschwitz en het nationalisme

Ik kijk op het ogenblik naar een populairwetenschappelijke reeks documentaires over Auschwitz op Netflix. Echt niet de beste documentaires. Maar toch werd ik gisteren getroffen door iets wat een holocaust slachtoffer zei. Het verhaal dat verteld werd ging over de Hamburgse joden die in eerste instantie naar het getto van Lodz waren gedeporteerd. Van mensen die over het algemeen behoorden tot de middenklasse van Duitsland, werden het paupers in een vreemd en vijandig getto. Alles wat ze mee hadden kunnen nemen en wat hun tijdens de reis niet ontnomen was, moesten ze ruilen voor voedsel en onderdak. Ze leefden onder de erbarmelijkste omstandigheden. Met de nek aangekeken door de Poolse joden (het waren immers Duitsers) en door de Duitsers (want het waren joden).

Op enig moment begonnen de deportaties naar de vernietigingskampen. Voor de bewoners van het getto was dat een reis met onbekende bestemming. Dat de reis naar een plek ging waar ze zouden worden vermoord, wisten ze niet. Wisten ook veel Duitsers niet. Je zou dan kunnen denken: Het getto van Lodz is een verschrikkelijke plek. Daar wilden de mensen graag weg. Het transport naar onbekende bestemming, bood een uitweg. Was het zo dat mensen graag gedeporteerd wilden worden? Weg uit dat getto en naar een onbekende bestemming. Nee dus. Dat was dus niet zo. Liever in dat vieze, hongerige door epidemieën bezochte getto dan vertrekken naar onbekende bestemming.

Ik loop weer over dat immense terrein van Auschwitz-Birkenau. Ik zie de toiletten weer voor me. De barakken die nog overeind staan en de barakken die platliggen. En ik voel me geweten knagen omdat ik een paar steentjes heb meegenomen van barak 18…waar mijn oma heeft gezeten omdat ik vind dat je met je poten van dit soort plekken af moet blijven. Ik heb de steentjes in een wijnglas gedaan en op een goed zichtbare plek in de huiskamer gezet. Ik wil niet vergeten dat mensen zoals jij en ik. Die geslaagd waren in het leven van de ene op de andere dag weggezet werden als minderwaardig. Wat er daarna ook gebeurde….

Ik leg geen verband tussen het dreigende uiteenvallen van Europa en Auschwitz, maar toch vraag ik me af waarom het nationalisme zo verschrikkelijk opkomt. Nationalisme heeft alleen maar voor ellende gezorgd. Ik begrijp het niet. Ik begrijp niet dat anderen dat niet zien en ik begrijp niet dat mensen die doorgeleerd hebben en echt niet de stomste zijn, dat niet zien. Bij Wilders zie ik vooral honger naar macht. Maar ik zie ook bij sommigen idealisme. Onbegrijpelijk. Nationalisme als idealisme. Ik word er bang van. Nationalisme leidt niet automatisch naar Auschwitz, maar Auschwitz is wel degelijk voortgekomen uit nationalisme!