Tagarchief: Amsterdam

Hoerenramen en de Wallen

En toen liep ik met bonkend hart over de Wallen… Dus, als je geld betaalt, dan doen ze ‘het’ met je. Alleen het idee al wond me verschrikkelijk op. Ik probeerde een houding aan te nemen alsof ik ergens naar onderweg was en me die deernen achter de ramen niet veel deden. Ik was ook wel onderweg naar iets, alleen had ik een korte omweg gekozen. En hoewel mijn houding absolute onverschilligheid moest uitdrukken, lukte me dat natuurlijk helemaal niet. Ik moest wel naar binnen kijken, naar die vrouw achter het raam. En toen kruisten onze blikken elkaar en mijn hart sloeg over en ze knipoogde en mijn hart ging nog veel harder kloppen en ik was even bang dat ik erin zou blijven en zette er toen stevig de pas in. Weg! Daar vandaan. Heus, geen morele bezwaren; ik was en ben erg van: Vrijheid blijheid, maar ik vond het eng. Ik kon me niet indenken dat ik het ooit met zo’n vrouw zou doen. Een best wel hoog bedrag betalen en mezelf daarna zomaar uitkleden en mijn pielemoos laten wassen (want daar was ik inmiddels wel achter gekomen, dat ze dat deden), ik dacht het niet, hè.

Ik heb heel lang het idee gehad dat de Wallen vol verleidelijke ramen, net zo bij Amsterdam hoorden als Ajax of de Nachtwacht of het Koninklijk paleis op de Dam. Dat het helemaal niet anders kon. Ik had zo mijn bedenkingen toen Lodewijk Asscher als wethouder ramen begon op te kopen om er zich andere bedrijven in te laten vestigen. Ging dat niet een beetje ver? Was hij niet ook een deel van onze cultuur aan het slopen? Het argument dat hij gebruikte was dat het mooiste stukje van Amsterdam was overgenomen door criminelen en dat de vrouwen die er werkten minder aandacht van de overheid kregen dan de gemiddelde frikandel. Hij beweerde dat de zelfbewuste hoer die zelf voor het vak gekozen heeft, maar mondjesmaat bestaat. Dat je eigenlijk vooral heel veel leed en ellende in de wereld van prostitutie tegenkomt. Dat het vooral onfortuinlijke vrouwen zijn die een slecht functionerend land met een haperende economie en regering ontvlucht zijn. Of slavinnenhandel. Als dat zo is, dan moet ik Asscher natuurlijk wel gelijk geven.

Ik slenter nog wel eens over de Wallen. Sinds ik daar voor het eerst als puber met bonkend hart liep, is er best veel veranderd. Groepjes lollig bedoelde Engelse toeristen, zie je er vaak. Doorgaans al behoorlijk bezopen. Steevast is er één die een luier omheeft, een Pippie Langkous pruik op heeft of zich vermomd heeft als ET of Spiderman; een Engels hengstenbal, kortom. Op de Wallen zie je ze overal. En niet alleen op de Wallen…Ze irriteren me behoorlijk. (Wat dat betreft pleit ik ook voor de Brexit zodat dit soort mensen er bij de grenscontroles goed uitgefilterd kunnen worden). ’s Avonds schijnt het met die hengstenballende Engelsen op de Wallen volledig uit de hand te lopen. Ze schijnen hoeren te vernederen en te beschimpen en uit te schelden en uit te lachen. Bovendien is het voor de gemiddelde bewoner niet meer te harden van de in hun portiek pissende en schijtende en kotsende hengsteballers. Het is niet de cultuur van Amsterdam om een hoerenbuurt als toeristische attractie in stand te houden. Dan liever helemaal geen ramen meer met dames erachter. Ik kan me denk ik het meeste vinden in het alternatieve plan van onze burgemeester om alle hoerenramen te verbieden en dat hele mooie oude stukje Amsterdam weer als heel lang geleden te laten gloreren.

Hoeren achter een raam is ook compleet uit de tijd. Dan maar liever een dame via www.hoer_online.nl besteld als het toch zonodig moet. Alleen niet voor mij. Niet omdat ik er morele bezwaren tegen zou hebben of dat ik zelf graag in een één of ander hemel terecht wil komen. Nee heus niet; ik ben er veel te schijterig voor…stel je voor, het gaat mis…je bent niet de kerel die je denkt te zijn…

Uit Schatkamers vol lekkers in de Hermitage Amsterdam

Een tentoonstelling waarin de tentoongestelde zaken niets anders met elkaar gemeen hebben, dan dat het topstukken zijn. Geen schilderijen van een bepaalde stroming, geen schatten uit een bepaalde streek, uit een bepaalde periode in de geschiedenis. Niets van dat alles. Gewoon bij elkaar genomen omdat het mooie werken zijn en allemaal uit de Hermitage in Sint-Petersburg komen. Ik hou er eigenlijk wel van. Je komt niet zozeer iets te weten over de stukken, maar meer over de collectie die kennelijk in de Hermitage is. Ook leuk.

Zo’n diverse tentoonstelling, maakt het niet makkelijk om er iets over te zeggen. Eigenlijk kan ik beter op papier (cyberspace, dus) door de tentoonstelling wandelen en laten zien wat ik zo mooi vond.

Misschien dat ik niet helemaal tevreden ben over de oren van het Christuskind en het ouwelijke koppie, maar voor de rest; Wat een schoonheid deze Granach!

De eerste zaal was wat mij betreft meteen fantastisch. Een madonna met kind van Granach. Prachtig qua kleur. En zo’n knappe madonna! Geen wijze, vrome of oudere vrouw, maar het meisje dat Maria moet zijn geweest, als je de bijbel serieus neemt. Een piepjonge moeder. Zo sereen. Het jezuskindje heeft wel een wat ouwelijk koppetje. Maar zo mooi. Directeur van de Hermitage Amsterdam Cathelijne Broers, leidt ons in de audiotour langs de kunstwerken. Naast de Granach eenzelfde tafereel van Italiaanse tijdgenoot Lorenzo Lotto. Veel meer drama, dan zie ik ook wel, maar jongens wat valt dat schilderij in het niet bij de Granach! Met heel subtiele krasjes heeft de Duitse meester een netje over haar hoofd gedrapeerd. Of zijn het toch penseelstreekjes?

Aan het eind van de eerste tentoonstellingszaal objecten van een heel andere orde maar waar je oog wel meteen op valt. Twee levensgrote paardmodellen. Op het ene paard zit een geharnaste man. Een Ottomaanse soldaat. De volledige wapenuitrusting weegt 450 kilo. Arm dier! Het paard kan moeilijk gewond raken want niet alleen de strijder is van top tot teen in ijzer gehuld, ook het paard. De lans wijst dreigend naar voren. Naast de Ottomaanse strijder een paard met een tuigage van heel veel oudere datering. Dit tuigage stamt uit de derde eeuw voor Christus en is uit het ijs naar boven gekomen. Het moet het rituele tuigage geweest zijn van een Scythisch stamhoofd. Het leer, hout en de wol waarvan het gemaakt is, is door het ijs goed geconserveerd. Het tuig maakt het paard tot een mythisch wezen met een gewei en een extra vogelkop. Op de tentoonstelling zijn de Scythen trouwens in meerdere objecten vertegenwoordigd.

Op zich had ik nog nooit van de steensoort malachiet gehoord. Dat is nu wel even anders. De eerste opstelling als je de trap opgelopen bent is een opstelling van een negentiende eeuws interieur. Wat je naast de ruisende baljurk opvalt is de harde kleur groen van de objecten. Een tafelblad, vazen, klokje, brievenbak. Allemaal gemaakt van een gemarmerd soort hardgroen gekleurd steen; malachiet. Schijnt heel kostbaar te zijn. Op het plaatje van de Hermitage in Sint-Petersburg zien we zuilen van malachiet. Ik vind het leuker om me een knappe dame in de negentiende-eeuwse baljurk te fantaseren. Hoe zou ze gelopen hebben en hoe gedanst…en waarop? De wals?

Sla ik weer van alles over. Ook aan een buste van de hand van Bernini loop ik voorbij. Kom ik bij de typische romantische Duitse schilder Caspar David Friedrich. Nooit van gehoord. Briljant door eenvoud. Twee achttiende-eeuwse heren, herkenbaar aan hun hoeden, staan te kijken naar de zonsondergang. Ik ben het met Cathelijne Broers eens, je kan jezelf makkelijk verliezen in de eindeloze diepte en de sobere kleuren. In mei naar Berlijn en dan hoop ik veel van Friedrichs schilderijen te zien.

Deze tentoonstelling is een ware dwaaltocht door de schatkamers van een museum met een heel erg diverse collectie. Niet alleen beeldende kunst, maar ook archeologische schatten en gebruiksvoorwerpen. Allemaal van een uitzonderlijke schoonheid. Hoewel…dat harnas is eigenlijk weer heel gewoon. Wel mateloos interessant, maar niet buitengewoon mooi.

Ik heb genoten van deze tentoonstelling!

Wat ik wat lastig vond was de manier van kaartjes kopen. Soms kan er voor de kassa van de Hermitage Amsterdam een lange rij staan. Om die rij te vermijden kocht ik kaartjes via de webshop. Dat haalde dus niets uit want ik moest toch in de rij gaan staan om mijn museumjaarkaart te laten scannen. Zonde. Wellicht dat je bij het kopen van je kaartje met museumjaarkaart, volgende keer je museumjaarkaartnummer kan opgeven zodat je meteen kunt doorlopen. Een tip.

Gelijk hebben en gelijk krijgen

Ik behoor te weinig tot de mensen die niet alleen gelijk hebben, maar het ook nog krijgen. Ja, soms achteraf. ‘Nu ik er nog eens naar kijk, met alle kennis van nu, dan moet ik wel toegeven dat je een half jaar geleden gelijk had.’ Als iemand dat tegen me zegt, word ik daar niet meer gelukkig van. Natuurlijk gaat er even een zwak lichtje van zie-je-wel-zo-dom-ben-ik-niet branden. Maar dat dooft meteen weer want een half jaar geleden, toen het ertoe deed, verloor ik de slag; ik had wel gelijk, maar ik kreeg het niet, en nu zitten we met de ellende die we samen moeten oplossen.

Op mijn werk ben ik altijd samen met collega’s aan het klooien aan software. Ja, klooien. Onverbrekelijk verbonden aan software zijn bugs. Fouten. Grote fouten en kleine fouten. Software zonder fouten bestaat niet. Ontwikkelaars moeten rekening houden met te veel omstandigheden. Dat leidt onherroepelijk tot fouten. Bugs zijn lastig voor gebruikers. Gebruikers doen gewoon hun werk en doen volgens hen zelf niets fout, maar de software heeft geen rekening gehouden met wat ze doen. ‘Fout’ zegt de software in het gunstigste geval, helemaal niets zegt de software in het ergste geval. Wat veel collega’s na verloop van tijd zeggen is: ‘We moeten helemaal opnieuw beginnen en de software overnieuw bouwen en zorgen dat we de fouten die we nu gemaakt hebben vermijden. Bovendien moeten we het in een modernere taal programmeren.’ Ik vind dat vaak een heilloze weg. Mijn collega’s hebben gelijk dat de oude fouten vermeden worden (maar die hadden we in de oude software natuurlijk ook allemaal al opgelost) maar helaas, in de nieuwe software maken we weer nieuwe fouten. De software blijft even vol fouten als eerst, maar de fouten zijn anders. Meestal is de oude software stabieler dan de nieuwe.

Op mijn werk wisten de ‘overnieuw-bouwers’ een jaar geleden van me te winnen. We hadden testsoftware die haperde en waar we van alles steeds aan moesten corrigeren. Toen kwam iemand met het idee om de zooi overnieuw te bouwen in een nieuwe, modernere ontwikkeltool. We zijn een jaar verder. Geen enkel onderdeel van de nieuwgebouwde software krijgen we enigszins stabiel aan de praat… Eén van mijn collega’s gaf ruiterlijk toe dat ik een jaar geleden gelijk had… Maar we zitten wel met de gebakken peren. Ik had gelijk; geef me dan ook gelijk! …Op het juiste moment.

Heel soms gebeurt het dat ik volgens mijn opponent ongelijk heb maar dat hij mij gelijk geeft. Dat is me laatst overkomen met de parkeerdienst van Amsterdam. Ik heb een parkeervergunning voor mijn auto. Tijdelijk had ik een leenauto en ik had de parkeervergunning gewijzigd voor de leenauto. Toen kreeg ik mijn eigen auto weer terug. Op vrijdagmiddag vijf uur ’s middags. Zo snel mogelijk wijzigde ik op de website het kenteken op mijn parkeervergunning terug naar mijn eigen auto. ‘Goed gedaan, ga maar lekker slapen’, antwoordde de website van de gemeentelijke parkeerdienst. Die zondag werd er gecontroleerd en ja hoor, parkeerbon. Wat bleek, een ambtenaar moest nog ‘iets’ doen alvorens mijn wijziging geldig werd, en die ambtenaar was al met weekendverlof op vrijdagmiddag. De dienstdoende ambtenaar schreef, in antwoord op mijn beroep tegen de parkeerboete, dat ik me aan geen enkele regel had gehouden en dus ONGELIJK had, maar omdat ik nog nooit eerder zo’n ongelooflijk stomme, idiote, criminele fout had begaan, zagen ze het deze keer door de vingers. Gelijk krijgen zonder dat er toegegeven wordt dat je ook gelijk hebt, voelt veel minder lekker… Ik wil veel liever gelijk krijgen en van hun horen dat ik ook gelijk had.

Zo weet iedereen van tijd tot tijd je feestje te bederven…

IJsvogel langs de Weespertrekvaart

Mijn moeder heeft haar leukste tijd beleefd bij de NJN; de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. Ook ik ben daar een blauwe maandag lid van geweest, maar bij mij was de liefde al gauw over. Bij de NJN trekt men er in het weekend op uit om in de natuur vogels en plantjes te determineren. Men trekt de natuur in om kennis op te doen. Kennis van de natuur was voor mijn vader een gruwel. Met behulp van een vergrootglas de meeldraden van een boterbloem tellen was helemaal niets voor hem. Zijn bestudering van de natuur beperkte zich tot de voortplanting der mens, en van dat proces slechts dat ene kleine stukje. Omdat mijn ouders elkaar in hun late pubertijd leerde kennen en elkaar onverwacht tot ouders bombardeerden, was het met mijn moeders lidmaatschap van de NJN snel gedaan. Omdat ik alles wat mannelijk is van mijn vader dacht te moeten leren, was het determineren van plant en dier voor mij not done. Jammer, want achteraf beschouwd had ik er best plezier in. Ik kan verschrikkelijk enthousiast raken als ik een zeldzaam plantje, diertje of vogeltje zie. Omdat mijn kennis zo beperkt is, gebeurd mij dat zelden. Maar soms dus wel.

Ik liep met mijn collega’s tussen de middag een rondje. Het was die dag wat warmer dan vandaag en omdat het toch al halverwege de herfst was, hadden we het over het broeikaseffect en de opwarming van de aarde. Een gewichtige zaak, dus. We liepen langs de voetbalvelden waar ik als jongetje gevoetbald had en waar ik telkens een onbestemd verlangen voelde. En we liepen het poldertje uit naar de Weespertrekvaart. Langs het poldertje van voetbalvelden en schooltuintjes is een sloot met bomen die over het water groeien. In één van die bomen boven dat slootje zag ik het diertje zitten. Het kon niet missen. Een ijsvogel. De kleur blauw verblindde me bijna. Zo mooi. Maar ik hield het voor mezelf. Ik liet mijn collega’s niets merken. Mijn brein reageerde instinctief op wat ik als piepklein jochie van mijn pa geleerd had; vogeltjes kijken is niet mannelijk. En met die haast mystieke ervaring, want zo voelde het wel, liep ik met mijn collega’s weer naar kantoor.

Een week of drie geleden liep ik tussen de middag weer langs dezelfde plek. En…ja hoor. Daar zat het vogeltje. Het schitterde in de zonneschijn. Zo mooi. Zo verschrikkelijk mooi. Haast ontroerend. En…waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. Ik hield stil en vertelde wat ik zag. En mijn collega’s keken en ze schrokken haast; zo’n prachtig stukje natuur zomaar in Amsterdam. Zo schitterend blauw. En om te laten zien dat blauw niet eens het enige mooie was, draaide het vogeltje zich op de tak boven het water om en liet het haar knaloranje borst zien. Mijn collega’s probeerden foto’s te maken, maar dat beestje was veel te ver weg voor de camera van de telefoon. Met moeite rukten we ons los van de ijsvogel om onze weg te vervolgen naar waar het geld verdiend werd; de realiteit van de loonslaaf. Maar op kantoor was mijn ijsvogeltje midden in Amsterdam het gesprek van de dag.

Gisteren was ik met mijn zoon naar de film ‘De Wilde Stad’. Vol verwachting wachtte ik op de ijsvogel. Allerhande dieren en vogels kwamen voorbij. Toen de aftiteling begon merkte ik dat ik best een beetje teleurgesteld was. Waar bleef mijn ijsvogel? Verder was het best een aardige film.

Burgemeester Van der Laan en Sint Rombout

De lucht is grauw. Alles is sompig. Niet echt nat maar zeker niet droog. Vochtige windvlagen zouden me in het gezicht slaan als ik buiten was. Maar ik ben binnen. Buiten is het koud maar binnen ook. De kachel kan niet aan want de schoorsteen zit verstopt en pas overmorgen komt de schoorsteenveger. Achteraan sluiten. Iedereen wil warmte. Dikke kleren houden me warm. Mijn gemoed past zich aan de herfst aan en ik pik de zaken eruit die dat gevoel ondersteunen. De herfst brengt mij in een sombere stemming. Het wil allemaal niet meer zo vlotten.

Onze burgemeester deed een duit in het zakje door te overlijden. Die wilde dit sombere jaargetij kennelijk niet meer meemaken. Had hij het dan voor het zeggen? Liever was hij burgemeester gebleven, denk ik, maar daar had hij geen zeggenschap over; zijn lichaam dicteerde de regels… Het overlijden van burgemeester Van der Laan brengt me een beetje terug op onze pelgrimstocht naar Santiago de Compostelle. Nauwelijks uit Nederland kwamen we door Mechelen. Belgisch Mechelen, dus. We konden kamperen in het recreatiegebied de Nekkerspoel. Overdag wemelde het er van de zwemmers, maar ’s avonds ging iedereen naar huis en bleven wij en ons tentje achter. In de Sint Rombout kathedraal haalden we ons stempeltje. De stempel werd beheerd en gehanteerd door een dame op leeftijd. Haar bewonderende woorden lieten we graag over ons heenkomen, hoewel we nog niets gepresteerd hadden. In de kathedraal een vijftigtal onbeholpen geschilderde panelen over het leven van Sint Rombout. Hele oude panelen. Gelukkig was er een brochure die ons uitlegde wat we op de panelen zagen: Sint Rombout kwam vanuit de Britse eilanden om de Mechelse heidenen te bekeren. Hij maakte zich nogal geliefd. Na zijn dood verrichtte hij wonderen die van hem een heilige maakte. Sint Rombout zorgde ervoor dat de vos de gedode kippetjes weer levend afleverde bij het klooster alwaar ze eerst gedood en gestolen waren, lazen we en zagen het op één van de panelen afgebeeld.

Eberhard van der Laan heeft geen vos en geen kippetjes nodig. Heiligen van nu hebben dat niet meer nodig. Hij moest zijn dood aankondigen in een brief gericht aan alle ‘Lieve Amsterdammers’. Hij moest zeggen te hopen dat hij nog even onze burgemeester mocht zijn. Hij moest een hele avond Zomergasten vullen met daarin een reeks ontroerende momenten die nog veel ontroerender werden omdat de burgemeester zijn tranen niet kon onderdrukken. En de interviewster ook problemen kreeg om het droog te houden. En de burgemeester moest door de koning ondersteund zijn laatste bezoek brengen aan de Jordaan; de koning dienstbaar aan onze Amsterdamse burgemeester. Daarna schreef hij alweer een brief aan mij, lieve Amsterdammer, met de mededeling dat het niet meer ging en dat hij zich ziek gemeld had en dat hij binnen de warme kring van zijn gezin zijn laatste dagen ging slijten. En toen zijn dood…

De lucht is grauw, alles is sompig. Onze burgemeester is dood; zijn overlijden zorgt voor gedeeld verdriet maar verlicht ook ons pad; als heilige. Moderne heilige. Iedereen doet mee aan zijn heiligverklaring. Ik ook.

Blunder van de Amsterdamse politie

Het is gewoon waar: Mensen die veertig, vijftig jaar geleden naar Nederland kwamen, waren gasten in onze samenleving. Ze hadden andere gewoonten, droegen (iets) andere kleren en ze aten andere gerechten. Natuurlijk mochten die mensen hun partner laten overkomen! Maar gasten met een partner krijgen vaak kinderen en kinderen die hier geboren worden zijn geen gasten; die zijn van hier. En omdat hun kinderen zich – gelukkig – wat aantrokken van de opvoeding die ze kregen, werden die ‘andere’ gewoonten en dat ‘andere’ kleden en dat ‘andere’ eten iets dat bij ons hoort. Bij Nederland. Zo is het gegaan en dat kon ook niet anders

Veel mensen hebben moeite om mee te komen met deze nieuwe samenstelling van de Nederlandse bevolking. Ik zie de aanhang van de PVV als mensen die moeite hebben om het tempo waarin Nederland verandert, bij te benen en die dat duidelijk maken door problemen die er zijn uit te vergroten. Dat geeft het gevoel dat we overvallen worden en onze staat uitgehold wordt. Ik denk dat dat wel meevalt. Aan de andere kant zie ik een vaak extreme verbondenheid met het moederland van hun voorouders van veel kinderen en kinderen van kinderen van gastarbeiders. Neem nu bijvoorbeeld de Nederlanders met een Turkse achtergrond die vlaggenzwaaiend hun steun aan dictator Erdogan betuigen. Ik denk dat dat een symptoom is van hetzelfde probleem; ze kunnen niet meekomen met het tempo waarin de wereld, en dus ook Nederland, verandert.

Gezien het feit dat de diversiteit van de Nederlandse bevolking steeds anders wordt, en de politie een afspiegeling moet zijn van de samenleving, werft de overheid agenten in spé onder groepen in de samenleving die nog niet voldoende vertegenwoordigd zijn binnen het korps. De politie van Amsterdam vindt dat er te weinig vrouwelijke politieagenten zijn met een Turkse of Marokkaanse culturele achtergrond. Om die reden wordt er nagedacht over hoe eventuele barrières kunnen worden weggenomen voor die mensen om bij de politie in dienst te treden. Omdat veel vrouwen uit die culturele hoek een hoofddoek dragen denkt men erover na om vrouwelijke agenten toe te staan om een hoofddoek te dragen.

Ik vind dat een heel slecht idee en ik zou willen dat de Amsterdamse politie deze discussie niet teweeg had gebracht. Het tekent voor mij dat de leiding van het Amsterdamse korps te weinig politieke antennes heeft en niet beter heeft nagedacht over de gevolgen. Voor het dragen van een hoofddoek is geen politiek draagvlak. Kuzu’s DENK zal één van de weinigen zijn die dat wel ziet zitten. De rest is, allemaal om zo ongeveer dezelfde reden, fel tegen. Als er zoveel politieke tegenstand is, waarom stel je het dan voor? Nu het voorgesteld is om erover te discussiëren, heeft ook iedereen mening terwijl die mening nauwelijks relevant is. De discussie schiet niet op omdat de standpunten al lang vastlagen. Ik vind dat de leiding van het Amsterdamse korps een blunder begaan heeft door dit proefballonnetje op te laten.

Omdat ik het niet laten kan…mijn mening. De politie draagt om heel veel redenen een uniform. Uniform betekent gelijk. We willen dat de politie uniform gekleed gaat vanwege al die redenen. En die redenen ga ik niet nog eens herkauwen!

 

Op bezoek bij Hans ‘t Mannetje

Toen Amsterdam zevenhonderd jaar bestond in 1975, zat ik op de middelbare school. Amsterdam 700 werd uitgebreid gevierd. Je kon je op school inschrijven voor allerhande werkgroepjes. Waarvoor ik me precies inschreef weet ik niet meer, maar het had te maken met de geschiedenis van Amsterdam. Dat werkgroepje van toen heeft mijn liefde voor Amsterdam en geschiedenis bepaald. Ik moet er vandaag aan denken omdat in de Volkskrant een interview met Cees van Soestbergen staat. Hij heeft langdurig samengewerkt met Hans ’t Mannetje. Zijn restauratieatelier bezochten we destijds en dat heeft een onuitwisbare indruk op mij gemaakt. Dat werkgroepje van toen, samen met het bezoek aan Hans ’t Mannetje heeft me leren kijken naar Amsterdam.

Ik was nog een jochie en aan de muur hingen de lijstjes met werkgroepen waarvoor je je kon inschrijven. Bij één van de groepjes zag ik Miranda staan. Miranda kende ik van de natuurbeschermingsorganisatie waar mijn moeder werkte. Miranda zat in één van de hogere klassen en was weliswaar niet moeders allermooiste maar wel moeders allerliefste. Ik was gek op Miranda, misschien wel een beetje verliefd, wie weet. Een goede reden om bij dat werkgroepje te gaan, vond ik. Het groepje werd geleid door Hans van Lent, de geschiedenisleraar van de eindexamenklassen. Met dat groepje hebben we de oude binnenstad van Amsterdam op alle mogelijke manieren verkend. We gingen naar hofjes waarvan we het bestaan niet kenden en die ik later nooit meer teruggevonden heb. We bestudeerden de verschillende gevels. We bezochten ook renovatieprojecten. Renovatie was toen vrij nieuw. Doorgaans gooide men de boel plat en bouwde men er nieuwe huizen op. Maar in de tijd waar ik nu over spreek, kwam ineens het idee op dat die oude zooi meer was dan alleen maar…oude zooi. Ze gingen huizen renoveren waarbij de buitenkant oud bleef maar de binnenkant van alle gemakken werd voorzien. Een heel nieuwe opvatting, toen. Ik genoot!

We bezochten ook het atelier van Hans ’t Mannetje. Alleen al om zijn mooie naam, zou ik hem nooit meer vergeten. De man had een heerlijk Amsterdams accent en rookte onophoudelijk Roxy filtersigaretten. Hij vertelde aanstekelijk en we hingen aan zijn lip. Vooral gevelstenen restaureerde hij toen. Overal hingen gevelstenen. Natuurlijk had ik die ‘in het wild’ wel op oude huizen gezien, maar nooit beseft dat ze zo bijzonder waren. Hans ’t Mannetje was één van de eersten die mij erop wees dat wat ik in eerste instantie als ‘gewoon’ ervaar niet altijd ‘gewoon’ hoeft te zijn. Dat je door goed te kijken en de dingen tot je door te laten dringen, je meer ziet en dat de dingen meer waarde krijgen. Je openstellen, heb ik toen geleerd en dat is een groot goed gebleken. In zijn atelier stond ook een grote gebeeldhouwde stoel, herinner ik me. Maar kapot. Wat mij betreft waard om bij de vuilnisbak te zetten, destijds. Maar Hans liet me de fijne lijnen zien en dat de stoel leeuwenklauwen had. Behalve één, die was weg; die ging één van zijn medewerkers er weer aanmaken. Misschien wel Cees van Soestbergen die toen net voor Hans ’t Mannetje was gaan werken. Voordat ze, jaren later, met ruzie uit elkaar zouden gaan. In de oude sjoel aan de Uilenburgerstraat. Midden in de oude jodenbuurt… waar sinds de oorlog geen joden meer woonden…