Categoriearchief: muziek

Met de Mattheus begint de lente.

Elke jaar tijdens de Mattheus moet ik aan de mooiste uitvoering ooit denken. Lang geleden. In Naarden. Via toenmalig schoonzus C. hadden we kaartjes gekregen voor de uitvoering in de grote kerk. Dé uitvoering. Met Ton Koopmans en zijn orkest. Michael Chance zong de altpartij. Voor het eerst dat ik een man de altpartij hoorde zingen. Hoe lang geleden? Heel erg lang geleden. Volgens mij hadden J. en ik nog hele kleine jongetjes thuis en hadden we de jongetjes voor een dag mogen afleveren bij hun grootouders in Badhoevedorp. Die kleine jongetjes zijn al heel erg lang niet meer klein en wij hoeven met niets meer rekening te houden als we naar de Mattheus gaan. Maar die uitvoering in Naarden, dat was de mooiste die ik ooit gehoord heb. Zo mooi dat ik geen herinnering meer heb aan de harde kerkbanken… Daarom was de afgang een aantal jaren geleden zo enorm toen ik kaartjes had gekocht voor de Mattheus onder leiding van Koopman en hij de uitvoering uit bozigheid liet afzeggen en we daarvoor in de plaats – het concertgebouw moest toch wat – de slechtste uitvoering kregen die ik ooit gehoord heb. Sindsdien, zo heb ik met mezelf afgesproken, zal ik nooit meer kaartjes kopen voor een concert met Ton Koopman. Hoe mooi zijn uitvoeringen ook zijn; ik zal nooit meer een kaartje kopen; hij heeft het helemaal verpest bij mij.

Maar gelukkig blijken er ook andere orkesten en andere dirigenten te zijn die een Mattheus kunnen brengen. Gisterenavond heb ik dat ervaren. Het Nederlands Kamerorkest onder leiding van Marc Albrecht. Het orkest hoor ik regelmatig en de dirigent is ook geen vreemde voor me en hoewel orkest en dirigent onder dezelfde muziekkoepel zitten heb ik ze nog nooit samen gezien. Ik ken Marc Albrechts vooral als chef-dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest met de grote symfonische werken. In ieder geval geen kamermuziek en zeker geen Mattheus Passion. Maar dat je voor barokmuziek specialisten nodig hebt bleek gisterenavond achterhaald; Marc Albrechts bracht een uitvoering die makkelijk in het rijtje past van die fantastische uitvoering zo verschrikkelijk lang geleden in Naarden. Is dit het einde van de originele uitvoeringspraktijk? Niks geen oorspronkelijke instrumenten meer. Niks geen zoeken meer naar de omvang van koor en orkest dat Bach tot zijn beschikking had, destijds. Niks geen proberen te reconstrueren hoe Bach zelf die Mattheuspassion gehoord en uitgevoerd moet hebben. Niets van dat alles. Puur de muziek nemen en daar het mooiste van maken. Dat deed Marc Albrechts dus gisteren. En daar slaagde hij ook in.

Wat viel mij in positieve zin op? De koralen, bijvoorbeeld. Doorgaans de wat saaiere stukken in het oratorium omdat ze dezelfde melodie hebben (veertien koralen lees ik in het uitstekende programmaboekje, Veertien want dat is de handtekening van Bach => (B=2 + A=1 + C=3 + H=8) = 14). Albrecht wist sommige van deze koralen zo’n kracht mee te geven dat de spanning in de zaal haast tastbaar werd. Die spanning werd doorgaans doorbroken door evangelist Padmore die, ondanks alle troost of verontwaardiging die het koraal opriep, door moest met het verhaal waarvan hij getuigde. Wat een stem! Was er ook een solist bij die negatief opviel? Nee, eigenlijk niet. Alt Helena Rasker kende ik al; zij moest het heiligste der heiligen (Erbarme dich) van de Mattheus vertolken en deed dat perfect.  Tegenwoordig heb ik meerder favoriete aria’s. ‘Aus liebe will mein Heiland sterben’ bijvoorbeeld. Hemelse muziek met fluiten en sopraan. De sopraan die, onder anderen, deze aria zong, leek nog maar nauwelijks droog achter d’r oren…in 2015 afgestudeerd en zomaar opgetrommeld om de zieke Sibylla Rubens te vervangen; Lucie Chartin. Wat een fantastische sopraan! Wat zong ze de genoemde aria mooi.

In de eerste van de twee tenoraria’s had ik het gevoel dat Kenneth Tarver wat kneep in de hoogte. In de tweede aria had ik daar weer helemaal geen last van en ontroerde hij me diep. Nee, iets negatiefs kan ik moeilijk vinden.

Wat een leuke traditie is die Mattheus toch in Nederland. Heel veel meer jongeren in de zaal dan tijdens welk willekeurig concert van het Nederlands Philharmonisch of het Nederlands Kamerorkest dan ook. Het is dan een stuk onrustiger in de zaal (niet alleen door het jongere publiek, vooral doordat de zaal afgeladen vol zit), maar dat neem ik voor lief. Regelmatig verliet iemand zachtjes – maar toch storend – de zaal en ik zag dat er veel gefluisterd werd. Normaal is elk geluid dus taboe… Aan de andere kant waren er hele stukken waar er alleen muziek was samen met de spanning die het opriep. Mooi! Heel erg mooi. De lente is begonnen!

Karin Strobos in het Muziekgebouw en Thierry Baudet

Het Europa zoals het eens was. Ik verlang er ook af en toe naar. Net als Thierry Baudet. Zie de toespraak die hij hield nadat zijn overwinning voor de provinciale staten 2019 onomstreden bleek. De dagen van weleer. Het paradijs op aarde. Toen alles nog ‘gewoon’ was. Toen het grootste deel van Europa nog vrijwel in z’n geheel bewoond werd door blanke mensen. Toen we kritiekloos onze feesten vierden. Toen we van Pasen tot Kerst precies wisten waar de feesten over gingen. Laten we zeggen de wereld rond 1900. Een mooie tijd. Novecento. Thierry Baudet. Maar dat is een leugen. Eigenlijk verlang ik niet terug naar die tijd. Afgemeten aan factoren als gezondheid, rijkdom, verschillen tussen arm en rijk en vrijheid kan je tot geen enkele andere conclusie komen dan dat het nu heel verschrikkelijk goed gaat met Nederland in tegenstelling tot in 1900. We zitten zeker niet te midden van brokstukken van een ineengestorte beschaving. In tegendeel; we zijn nog steeds aan het herstellen wat er in de twintigste eeuw tijdens verschrikkelijke oorlogen kapot gemaakt is. Thierry Baudet liegt als hij beweert dat het vroeger, laten we zeggen zo rond 1900, beter was dan nu. Dat is gewoon niet zo.

Maar desalniettemin ken ik dat verlangen toch ook. Het verlangen naar de tijd van Frederik van Eeden, Willem Kloos, Herman Gorter en Louis Couperus. De ruisende rokken. De ratelende koetsen langs de grachten van Amsterdam. Dat alles wordt opgeroepen door de klanken van Gustav Mahler. Vooral het langzame deel uit de vijfde symfonie. Dat romantische schmieren, je hebt het gewoon soms nodig. Wegdromen op de diepromantische klanken. Naar honderd jaar terug. Toen de dames nog heel tevreden leken met hun ruisende rokken en culturele soirees. Waar de jonge huwbare dames aanbeden werden en met fraaie muziek het hof werden gemaakt als de jongeheren op visite kwamen in de salons van weleer. Gisteren zat ik niet in een salon maar in het Muziekgebouw aan het IJ. Het Nederlands Kamerorkest speelde onder leiding van concertmeester en artistiek leider Gordan Nikolić. Het klonk zo intens en het was zo intiem. Naar mijn gevoel heel veel langzamer dan ik doorgaans gewend ben, maar zo mooi! Ik ervaarde hoe de klanken tot stand kwamen en zich in harmonie over de zaal verspreidde. Dan te bedenken dat het Adagietto uit de vijfde symfonie van Mahler nog maar de opmaat was van het concert. Het zorgde ervoor dat ik diep ontroerd klaar zat voor de rest die ging komen.

Een deel van de rest was Karin Strobos. Ik heb haar nu een paar keer tijdens een concert of opera gehoord. Altijd een belevenis. In Michelintermen is ze het waard om voor om te rijden en omdat ze inmiddels een vaste kracht is in het operagezelschap van Essen, ben ik heel erg van plan om daar weer eens een opera te gaan horen. Met haar. Karin Strobos, een wereldster in wording, waarvan ik hoop dat ze niet alleen nog maar in exclusieve theaters in landen ver weg zal gaan zingen. Het Nederlands kamerorkest werd teruggebracht tot het ensemble zoals Arnold Schönberg dat bedacht heeft in zijn arrangement van Lieder eines fahrenden Gesellen van Gustav Mahler. In dat ensemble naast strijkers, klarinet en fluit ook een harmonium en een piano. En Karin Strobos. Ik zat op rij drie en kon zien hoe deze fantastische zangeres haar podiumangst wegslikte en overwon en meteen vanaf de eerste inzet de sterren van de hemel zong. Met zo’n soepele stem met zoveel expressie. Ik heb genoten.

Na de pauze Verklärte Nacht van Arnold Schönberg. Ook een belevenis. Omdat ik Schönberg vooral associeerde met zijn twaalftoons atonale muziek en ik daar nauwelijks een touw aan kan vastknopen, kwam ik er niet makkelijk toe om muziek van Schönberg te beluisteren. Maar Verklärte Nacht kreeg ik cadeau op een CD die ik voor andere muziek, die er ook op stond, had gekocht. Meteen toen ik het de eerste keer hoorde was ik verkocht. Onmogelijk doorwrochte muziek. Ik ervaar het als een filosofische manier om depressie in muziek weer te geven. Echter, de componist bedoelde er, naar ik later las, iets heel anders en heel veel vrolijkers mee. Een liefdesgedicht die de diverse fasen van twee individuen naar een koppel bezingt, heeft Schönberg op muziek gezet. Deze kennis laat mij de muziek niet anders ervaren; ik geniet er op mijn manier van met het verhaal dat ik ervoor gekozen heb. Dat mag met muziek! Ik heb een heerlijke avond gehad die me voor even naar de mooiste kant van het begin van de twintigste eeuw voerde.

Toen het concert afgelopen was en ik weer met beide benen op de grond stond realiseerde ik me dat de eerste helft van de twintigste eeuw een waardeloze tijd was voor de Europese mens. Dat het een tijd was die weliswaar de mooiste kunst opleverde, maar waarin ook miljoenen mensen onder erbarmelijke omstandigheden stierven. Geen tijd om naar terug te verlangen. In het tweede deel van de twintigste eeuw hebben we in Europa langzaam geleerd hoe het moet. Samenleven. Er een mooie samenleving van maken. We hebben ervaren dat onze techniek tot van alles in staat is. Hele slechte dingen maar ook heel mooie dingen. De mensheid heeft zoveel ellende overwonnen! In de eenentwintigste eeuw zouden we dat mooie samenleven moeten vormgeven. Wat kleine problemen oplossen en dan genieten. Maar Thierry Baudet ziet kennelijk in het verleden het paradijs en in het heden de brokstukken van dat verloren gegane paradijs. Raar.

Een verschrikkelijke man

De lente kan voor ons niet beginnen als er geen muziek van Bach geklonken heeft. Speciale muziek; passiemuziek. Het moet of de Mattheuspassion of de Johannespassion zijn. Sinds mijn geliefde en ik bij elkaar zijn, hebben we geen jaar overgeslagen. Maar ook voordat we elkaar kenden, was het elke lente raak. We hebben echt een heleboel uitvoeringen gehoord en gezien. Lang selecteerden we de goedkoopste uitvoering in het Concertgebouw; een slechte uitvoering vonden we in ieder geval beter dan geen uitvoering. Maar langzamerhand kwamen we wat in betere doen en sindsdien nemen we een uitvoering die ons bevalt.

In de loop der jaren zagen we diverse passie-modes voorbijkomen. We begonnen met twee enorme orkesten met ieder een eigen klavecinist. Daarna uitvoeringen op originele instrumenten, met minimale bezetting of alleen maar mannen. Die uitvoering met alleen maar mannen (uitgezonderd de zware sopraansolo’s) werd zo’n vijftien jaar geleden geleid door een toen nog redelijk onbekende Pieter Jan Leusink.

Een hele speciale uitvoering was het. Jongetjes vanaf een jaar of tien op het podium. Allemaal met dezelfde soort kleren aan. De allerjongsten playbackte wat mee. De andere kinderen en de volwassen mannen maakte er samen met het orkest een mooie uitvoering van. Tenminste ik heb die avond echt genoten en ook Josien was erg onder de indruk. Wat we ook leuk vonden was dat Leusink een nieuwe cultuur wilde beginnen van kinderkoren waar ook echt wat van gevraagd werd. Geen sinterklaasliedjes met een discostamp eronder. Nee, echte, serieuze muziek. Bach. Ik denk dat Leusink om zijn aanpak enorm geprezen is.

Terwijl wij hoopten dat Leusink doorging op het ingeslagen pad, gebeurde dit niet. Hij ging meer traditioneel bemenste uitvoeringen geven. Met mannen en vrouwen, dus. Volwassenen. Waar je geil op wordt. Waar hij geil op werd. Bovendien verloor hij ineens de nederigheid die hoort bij het uitvoeren van de muziek van Bach. Die Leusink raakte nogal vol van zichzelf. Bovendien ontdekte hij kennelijk de zakenman in zichzelf. Wij gingen naar een uitvoering van Leusink op zijn nieuwe manier en wij vonden de uitvoering grotendeels waardeloos. De roem was hem kennelijk compleet naar het hoofd gestegen. Naar nu blijkt, uit dit zich ook in zijn contacten met vrouwen die hij onder zijn bewind heeft. Werk in de klassieke muzieksector is schaars sinds Halbe Zijlstra een bijna geslaagde poging deed om de hele cultuursector om zeep te brengen. Werkgevers in die sector zijn daardoor oppermachtig. Dat maakt musici kwetsbaar. Helemaal vrouwen. Het schijnt dat Leusink zich al billen en borsten knijpend en in broekjes voelend wentelt in zijn macht. Verschrikkelijk. En ondertussen is het ook nog eens zoeken naar een mooie uitvoering van de Mattheus naast al dat passiegeweld van Leusink; hij heeft zo’n beetje het hele passieseizoen het concertgebouw afgehuurd. Met agressieve campagnes lokt hij zijn publiek; Een verschrikkelijke man.

Rachmaninoff, Strawinsky en Janáček; een fraaie seizoen opener

Gezien en gehoord op 15 september in het Concertgebouw.  Nederlands Philharmonisch olv Marc Albrecht en met Dejan Lazićop, piano.

In het foldertje dat we bij het concert kregen, staat een beetje besmuikt hoe het zit met Leoš Janáček en zijn succes als componist. Vanaf zijn lagereschooltijd was de man bezig met componeren en muziek maar pas op z’n tweeënzestigste kreeg hij succes toen hij op een heel andere manier ging componeren. Oorzaak van deze cesuur in zijn leven; de liefde. De man leerde op die leeftijd de tweeëndertigjaar jongere Kamila Stösslová kennen en was op slag verliefd. Een oude bok en een blaadje groen? Als bijna even oude bok vroeg ik me af of er niet meer aan de hand was dan enkel het feit dat Janáček op zijn oude dag een opwindende jonge vrouw tegenkwam. Als ik van mezelf uitga en bedenk hoe het is om met een vrouw samen te zijn die ongeveer van de leeftijd is van mijn kinderen, dan geeft me dat een raar gevoel. Niet helemaal prettig. Heus, seksueel waanzinnig aantrekkelijk, zo’n jonge vrouw, daar niet van, maar verder, nee. Ze zijn van de generatie mensen wiens luiers ik heb verschoond; die ik heb leren lopen en fietsen. Waarbij ik langs de lijn heb staan aanmoedigen. Met vrouwen van die leeftijd iets erotisch beginnen voelt niet goed. Vandaar misschien ook de ietwat afkeurende woorden in het programmafoldertje: ‘De oude Tsjech werd stapelverliefd op de…’ en ‘Waar haalde de jong-bejaarde ineens de energie vandaan?’ De schrijver van het foldertje, Alexander Klapwijk, heeft duidelijk zijn oordeel.

Olga, de jonggestorven dochter van Leoš Janáček

Kamila Stösslová; groen blaadje?

Ik ben in de biografie van Janáček gedoken en ik denk zijn grote liefde te begrijpen. De man wilde zijn dochter terug. Zijn verlangen naar zijn dochter was zo groot dat hij een verwarrende relatie kreeg met Kamila Stösslová. Janáček had heus wel erotische gevoelens voor d’r, maar hoofdzaak was dat hij in de jonge vrouw zijn jong overleden dochter terugzag. Niet dat ík het weet, maar dat denk ik als ik me in de componist inleef. De man was gek op zijn dochter. Samen bestudeerden ze de Russische volksmuziek. Net volwassen geworden werd ze ziek en overleed ze. De componist moet in een rouwcoma geraakt zijn. Ik zou in zijn plaats niet weten hoe ik uit zo’n put vol ellende moet komen. Gek zou ik worden. Je kind verliezen. En dan nog wel het kind waar je zoveel mee deelt. Dat overkwam Janáček. Kamila Stösslová moet de plaatsvervangende dochter geweest zijn. Omdat het niet zijn dochter was, kwamen er ook wat erotische gevoelens bij kijken. Als je Janáčeks nieuwe elan op latere leeftijd ziet in het licht van het terugvinden van zijn geliefde dochter in de persoon van Kamila Stösslová, dan is dat beetje oude-viezerik-vindt-blaadje-groen gedoe niet meer zo nodig. Maar…in het echt weet ik het natuurlijk allemaal net zo min.

Wat ik wel weet is dat, als je het programma van het concert van afgelopen zaterdag in het concertgebouw bekijkt, Janáček degene is van de drie componisten van de stukken die ten gehore werden gebracht, die het meeste experimenteerde met klank en melodie. Waar Strawinsky in zijn Vuurvogel, vooral in het ritme vernieuwing zocht, deed Janáček het met de klanken. Rachmaninoff en zijn tweede pianoconcert zijn wars van experimenten. Hij houdt lekker alles bij het oude en ook dat leverde prachtige muziek op.

Mijn immer beschonken pa was nogal een fan van het tweede pianoconcert van Rachmaninoff. Dat spectaculaire begin van het concert speelde hij na op de piano. Op het moment dat het orkest moest inzetten zong hij de orkestpartij. Wat was ik toen trots op hem en wat deed ik mijn best om die openingsakkoorden ook te vinden op de piano. Met Rachmaninoff ben ik redelijk opgegroeid en ik merkte dat ik nog steeds elk nootje wist te vinden in mijn hoofd. Daarom kan ik gerust zeggen dat Dejan Lazić het fantastisch uitvoerde.

Bij de Symfonietta van Leoš Janáček was er geen enkele herkenning. Ik kende het stuk niet. Daarom kon ik me blij laten verrassen. Ik herkende wel de klankkleuren van het Sluwe Vosje; de opera die ik een paar jaar geleden bij de Nationale Opera had gezien. Bij Janáček moet je opnieuw naar muziek leren luisteren. Rare klanken die als ze goed tot je doordringen, fantastisch klinken. Een beetje als rauwe oesters eten als je dat nog nooit gedaan hebt. Een rilling over je rug als je de zilte massa in je mond krijgt. Zo klinkt Janáček. In dit geval met heel veel trompetten. Prachtige muziek van een componist die net zijn jonggestorven dochter had teruggevonden in Kamila Stösslová en die hem troostte in zijn door dood en verderf geplaagde leven waaruit alle liefde verdwenen leek… (Of interpreteer ik het nu ook weer veel te veel…)

Tenslotte de Vuurvogel van Strawinsky. Ja. Prachtig. Wat kan ik er meer over zeggen? Behalve dat ik het publiek zag schrikken bij de eerste klap van de Helledans. Want in het concertgebouw komt die klap best stevig aan. Maar ik wist waar hij zat…dus zag ik hoe een groot deel van het publiek een hartverzakking kreeg. Mooie muziek die ik drie jaar geleden ook had gehoord bij het Nederlands Philharmonisch, maar toen samen met een film.

Ik heb heerlijk zitten genieten afgelopen zaterdagavond in het Concertgebouw; Een fraaie seizoen opener!

Parsifal en Rubens

Op één dag na, precies 20 jaar geleden, kreeg ik een fantastische uitvoering van Parsifal van Josien op CD cadeau. Ik was al helemaal gegrepen door Wagners Siegfried en Lohengrin, maar Parsifal was nieuw. De ouverture is zo sacraal. De hemel breekt open op de muziek van Parsifal. De ouverture duurt meer dan een kwartier. Nog niemand heeft er iets gezegd of gezongen en toch is alles al duidelijk. Alles wat Richard Wagner wilde zeggen. De woorden die hij bij zijn opera schreef zijn een slap aftreksel van de muziek. De woorden vertellen een schier onbegrijpelijk verhaal over een reine dwaas. Maar de muziek… De muziek is hemels. Was je nog niet spiritueel dan word je het wel als de koperblazers inzetten. Prachtig. Omdat ik die eerste kant van de CD zo mooi vond, draaide ik hem keer op keer opnieuw en steeds weer trof me dat geweldige gevoel van even niet meer op de wereld te zijn en één te worden met het al.

Een paar weken later hadden Josien en ik ons weekendje zonder kinderen gepland. Naar Antwerpen. De jongens verheugden zich er enorm op om of bij oma of bij grootmoeder te mogen logeren. Wij verheugden ons enorm in een weekendje zonder dat we jongetjes moesten verzorgen. En zo togen wij, met de muziek van Wagner in de autoradio naar Antwerpen en zette wij onze tent op op de stadscamping. Dat het sanitair best bar en boos was, kon ons even helemaal niet deren.

Met z’n tweetjes wandelden we naar de Kathedraal en hadden er graag wat franken voor over om hem van binnen te bezichtigen. En toen stuitte we op twee onvergetelijke doeken van Rubens. Aan de linkerkant voor het koor de Kruisoprichting en aan de rechterkant van het koor de kruisafname. Wat een schilderijen! Zo midden in de actie geschilderd. Het zweet in de oksel van de kale krachtpatser bij de Kruisoprichting kan je ruiken. Jezus verbijt de pijn en verwacht nog meer pijn als hij rechtop staat. Wagners muziek zwelt aan en schiet naar onverwachte hoogte terwijl het tempo steeds gedragen blijft. Je voelt Jezus sidderen van angst en pijn; ook Jezus was (voor even) maar een mens! En vervolgens door naar de kruisafname. Even het koor oversteken in de kathedraal… Nooit zo’n absoluut lijk gezien op een schilderij. Morsdood is jezus en iedereen treurt. Voorzichtig laten ze het lichaam zakken. Ondertussen neemt de intensiteit van de muziek weer af maar zo prachtig, zo verschrikkelijk mooi, zo hemels. Parsifal en de twee doeken in de kathedraal van Antwerpen zijn voor immer met elkaar verbonden.

We zijn nu op vakantie in Saumur aan de Loire. We bezochten net de plaatselijke Petruskerk. De schilder van het schilderij dat in deze kerk hangt, was zo te zien ook erg getroffen door de doeken in de Antwerpse kathedraal… Bij mij gaat in mijn hoofd geen Parsifal spelen als ik dit doek zie, maar grappig is het wel.

De kruisafname in de Petruskerk in Saumur

Symphonie fantastique op een warme middag in mei

Gehoord en gezien op 27 mei 2018 in het concertgebouw door het Nederlands Philharmonisch Orkest olv Marc Albrecht

Soms was mijn doorgaans beschonken pa nuchter. Dat heb ik van horen zeggen want in de eerste acht jaar van mijn leven heb ik hem nooit dronken ervaren. Voor mijn achtste had ik een geweldige vader…volgens mijzelf, maar wat wist ik ervan? Mijn vader liet me op zijn manier kennis maken met muziek. Dat heeft me geleerd om van muziek te genieten. Ik weet niet of ik het zonder hem niet ook geleerd had, maar met hem in ieder geval wel. We luisterden samen en hij leidde me erbij: Wanneer komt een thema terug; wanneer wordt muziek spannend, wat zijn de verhalen achter de muziek? Vooral de verhalen raakten mij diep. Daarom zocht mijn pa naar verhalende muziek om naar te luisteren. Onder anderen de Symphonie Fantastique van Berlioz. De gang naar het schavot en de dreunende pauken spraken tot mijn verbeelding, maar ook de heksensabbat. Ik zag de lelijke wijven dansen op het graf van de arme kunstenaar met zijn afgehakte hoofd. De kerkklokken, de tuba’s en het geweld maar ook dat waanzinnige klarinetje en de fagotten. Ik wilde de symfonie steeds opnieuw horen en daarom had mijn pa een verassing in petto; we zouden samen naar het concertgebouw gaan om daar de symfonie in het ‘echt’ te horen. Eenmaal in het concertgebouw speelden ze iets heel anders. Iets van Tsjakovski. Ook best mooi, maar geen Symphonie fantastique. Ik verbeet mijn teleurstelling. De zaterdag daarop reden we naar Concerto in de Utrechtse straat en daar kreeg ik mijn eerste grammofoonplaat van dé symfonie en als ik me niet vergis heb ik die nog steeds. Grijsgedraaid in het verleden.

Afgelopen zondag kreeg ik een nieuwe kans om deze geweldige symfonie in het ‘echt’ mee te maken. Veel muziek ga je luisteren, en sommige muziek ga je meemaken. De Symphonie fantastique is een avontuur waar je instapt. Een avontuur met buitensporig veel muziekinstrumenten. Twee en soms drie paukenisten. Kerkklokken. Vier harpen. Het kan allemaal niet op. Sensatie op en top. Deze jongen zat te genieten toen in het vierde deel de bovendeuren van de concertzaal openzwaaiden en achter die deuren zowaar echte kerkklokken stonden. Die moest geluid worden met een zware hamer en gaven een fantastisch geluid. We sidderden in onze stoelen. Ik voelde me tijdens het concert weer dat kleine zesjarige jongetje worden op schoot bij zijn vader. Gelukzalig en beschermd gehuld in de roze wolk van een vermeend verleden. Om eerlijk te zijn over zondagmiddag (ja, zondagmiddag want ik had geen andere keus dan een matinee…dat was vooraf balen doordat het zo’n heerlijk weer was…) het genieten was eigenlijk al veel eerder begonnen. Symphonie fantastique werd na de pauze gespeeld. Voor de pauze twee minder bekende werken die mij net zo goed erg enthousiast maakten.

Het laatste werk voor de pauze was een compositie voor serpent en orkest van de componist Benjamin Attahir. Een fantastisch stuk muziek dat me regelmatig aan de Sacre du Printemps deed denken vanwege de ritmes. Het instrument dat ik slechts vanuit de theorie kende maar nog nooit in het echt gehoord had. Patrick Wibart bespeelde de (of het?) serpent. Een sonore toon met een klank ergens in het gebied van de houtblazers: klarinet, fagot en hobo. Ik vermoed dat we van deze componist nog veel gaan horen en dat hoop ik ook van harte. Maar toen we deze Adh-dhor voor serpent en orkest gingen horen waren we al helemaal enthousiast door het geweldige stemgeluid van de bariton Thomas Oliemans. Hij zong Sechs Momologe aus ‘Jederman’ van Frank Martin.

Ik heb een fantastisch middag gehad in het concertgebouw. Ondanks het mooie weer waarbij je eerder denkt aan lekker fietsen door de bossen dan aan een concert in dat warme concertgebouw.

Nederlands Kamerorkest: Requiem van Fauré en Ralph Vaughan Williams

Gezien en gehoord op 3 maart 2018 in het Concertgebouw

De meeste films gaan langs me heen als een zacht briesje in maart. Je voelt ze wel, maar je bent het ook zo weer vergeten. Soms is er een film die inslaat als een bom. Master and Commander: The far side of the World, was er zo één. Het is moeilijk te zeggen wat me nou zo verschrikkelijk aansprak, maar dat hij mij aansprak, dat is overduidelijk. Inmiddels heb ik de film een keer of vijf gezien en dat is uitzonderlijk voor een film. De meeste films op DVD staan stof te vangen en worden zelden uit hun hoesje gehaald. Maar deze film dus wel. Een opmerkelijke film. Op een enkele figurante na, speelt er geen enkele vrouw in de film. Verder een prachtige confrontatie tussen twee vrienden; kapitein (lucky) Jack Aubrey en de scheeparts Maturin. De één uit plichtsbesef jagend op de vijand en de ander vol onderzoeksdrift. De jonge adelborsten aan boord – jochies aan het begin van de pubertijd soms nog – en de opvoeding die de kapitein hen geeft; vol zorgzaamheid maar hard waar het moet. Ook heel erg ontroerende scènes. Als na de zeeslag de lijken worden klaargemaakt voor het zeemansgraf. Eén van de adelborsten naait zijn vriend in zijn slaapmat. Vooral ontroerend omdat de jongen het met één hand moet doen omdat zijn andere arm in een eerder stadium werd afgezet. Haast ongemerkt wordt je emotie nog eens extra geprikkeld door de muziek. Je hoort de muziek wel, maar je merkt het niet en je voelt zeker niet wat het met je doet. Dat is zo’n beetje de kracht van muziek in een film.

Begeleid door de muziek van Vaughan Williams

We zaten in het Concertgebouw voor een concert van het Nederlands Kamerorkest. Vanwege het Requiem van Fauré had ik dit concert gekozen. Maar wat gebeurt er. Er wordt muziek gespeeld waarvan de titel mij niets zei. Té lui om het even van tevoren te beluisteren. Dan begint het orkest te spelen en deze jongen werd door een mokerslag getroffen. Het stuk heeft ook zo’n idiote naam. ‘Fantasia on a Theme by Thomas Tallis’. Maar de componist Ralph Vaughan Williams had me moeten waarschuwen; een zeer ondergewaardeerde componist. Hij krijgt veel minder aandacht dan hij verdiend. Prachtige symfonien heeft hij geschreven en dus ook ‘Fantasia on a Theme by Thomas Tallis’. De muziek was koud begonnen of ik zat met kippenvel mijn tranen in te houden en zag voor me hoe een oude zeebonk het eenarmige adelijke jochie hielp bij het dichtnaaien van de slaapzak met daarin zijn dode gesneuvelde vriend. Zo verschrikkelijk mooi! Zo mooi gespeeld ook. Terwijl je tijdens de film de muziek als toegift krijgt, zag ik nu de filmbeelden als bijzaak. Alles draaide nu om deze bijzondere muziek waarbij een speciale opstelling van het orkest vereist bleek. Een strijkkwintet zat afgescheiden van de rest van het orkest. Dat gaf een heel apart ruimtelijk effect aan het stuk. En natuurlijk was het zo dat in de film alleen datgene werd gebruikt van de muziek dat ze konden gebruiken en nu kregen we het hele stuk te horen. Heel apart omdat de componist eerst het thema laat horen en vervolgens elk deelthema uitwerkt en niet meer terugkeert naar het hoofdthema. Wat verschrikkelijk mooi! Thuisgekomen had ik de muziek al snel op Spotify gevonden en sindsdien schrijft hier een Vaughan Williams addict en zou ik haast vergeten dat er nog meer gespeeld werd.

Het programma begon met de wereldpremiere van ‘Liturgies de Lumière’ van de componist Guillaume Connessons. De compositie bestaat uit drie delen voor koor en orkest. Een compositie op twee gedichten van Charles van Leberghe en een gedicht van Hildegard von Bingen. De muziek van deze componist deed me erg aan het werk van impressionisten als Debussy denken. Datzelfde ingekeerde ervaarde ik. Vooral het tweede deel, het deel op tekst van Von Bingen sprak mij aan. De woorden: ‘Maria Mater Materia’ dat alleen al door de mooie alliteratie ietwat in je hoofd blijft hangen, gebruikte Connessons als een soort mantra. Na Connessons dus Vaughan Williams…en daarna gelukkig pauze zodat ik even van de emoties kon betijen en niet meteen door hoefde naar dat fantastisch requiem.

Onder leiding van Risto Joosten werd het beroemde requiem van Fauré uitgevoerd. Het griepvirus(..?) had toegeslagen want sopraan Judith van Wanroij bleek niet in staat om te zingen. Zij werd vervangen door Anna Dennis. Fantastisch vervangen. Ze stond er! En hoe. Het publiek ging over tot gejuich toen zij na afloop het applaus in ontvangst nam. Terecht. Ook Martijn Cornet zong een mooie rol, maar had gewoon niet de power van Dennis. Gordan Nikolić speelde een vervreemdende rol. Zowel het werk van Connessons als het requiem van Fauré werden gedirigeerd door dirigent Risto Joost. Maar die dirigent had niet de leiding. Het Nederlands Kamerorkest is zo verschrikkelijk het orkest van Gordan Nikolić dat de eventueel extern aangetrokken dirigent altijd de tweede viool speelt. Dat vind ik heel erg opmerkelijk. Of hij het nou wil of niet, HET is Nikolić. In het requiem nam Nikolić helemaal een vreemde rol in. Hij zat in een hoekje van het podium ver van het orkest weg. In sommige delen speelde hij een vrijwel onhoorbare vioolsolo. Heel merkwaardig.

Desalniettemin een fantastische avond gehad. Ralph Vaughan Williams, waarom spelen ze niet vaker wat van die man!

 

Stravinsky en Weil in het Muziekgebouw aan het IJ

Het Nederlands Kamerorkest olv Gordan Nikoliç, gehoord op 9 februari 2018

De voorbereiding laat tegenwoordig te wensen over. Voorheen was het zo dat als ik naar een concert ging, ik de gespeelde werken van haver tot gort kende. Maar dat is ietsje veranderd. Gisteren een concert met werken die ik hoogstens één keer had gehoord. Dan kan je moeilijk zeggen dat je de werken kent. Helemaal omdat het niet meteen de lichtste muziek was. Kurt Weil en Igor Stravinsky. Maar juist doordat het werk voor mij nieuw was, werd ik aangenaam verrast. Bovendien is de atmosfeer in het Muziekgebouw aan het IJ zo verschrikkelijk veel makkelijker als in het Concertgebouw. (Geen slecht woord trouwens over het Concertgebouw). De combinatie Muziekgebouw aan het IJ en die onbekende maar fijne muziek, maakte het gisterenavond tot een unieke avond om mee te maken.

De avond begon met het Vioolconcert van Kurt Weil. Ik ben er bijna zeker van dat Gordan Nikoliç het geënsceneerd had, maar het concert had een ietwat vreemd begin. Het orkest had gestemd en langzaam viel de zaal stil. Maar toen gebeurde er niets. Het licht bleef aan. In de verte hoorde je een violist inspelen met vermoedelijk een partita van Bach. Heel apart. Er ontstond een wat vreemde sfeer in de zaal. Had misschien wel iets huiselijk intiems; je hoort iemand viool studeren en spelen voor zichzelf. Pas toen ging het zaallicht uit en kwam Nikoliç op.

Het vioolconcert van Kurt Weil kent een opmerkelijke orkestbezetting. Behalve de solist en drie contrabassen geen strijkers. Daarentegen wel blazers en slagwerk. Uiteraard nam Nikoliç de solopartij voor zijn rekening. Geen makkelijke. Weils muziek schurkte dicht aan tegen het atonale. Muziek die je niet al te veel houvast geeft maar wel buitengewoon fascinerend is. Maar toch, af en toe hoorde ik de Dreigroschenoper opbloeien uit de betrekkelijk chaotische klankwereld van het vioolconcert. Vooral in de harmonieën en de ritmes. Ineens zag je toch weer de opstanding van Mackie Messer.

Na de pauze Stravinsky en Stravinsky. Het Concert in D   komt aardig in de buurt bij de grootste werken van Stravinsky die ik ken. Het bracht me terug naar de tijd dat ik de Sacre du Printemps leerde kennen. Niet dat we thuis een hekel aan Stravinsky hadden, maar zijn muziek werd gewoon niet zo vaak gedraaid. Mijn vriend Chi bracht Stravinsky in mijn leven. Van de ene dag op de andere. Dat terwijl hij eigenlijk nauwelijks gecharmeerd was van ‘klassieke’ muziek. Maar de Sacre du Printemps was hem, op de één of andere manier in de schoot gevallen. Vanaf dat hij het voor het eerst hoorde was hij meteen verslaafd en hij stak mij aan. De inzettende hobo pakt je al meteen bij je lurven. En daarna die haast gewelddadige dreunen. Vanaf het huis van mijn vriend nam ik de kortste weg naar de platenzaak en schafte mezelf een grammofoonplaat aan met dit fantastische werk. Eindeloos heb ik ernaar geluisterd. Een zweem van de sensatie van toen voelde ik bij het eerste deel van het Concert in D. In tegenstelling tot voor de pauze alleen nog maar strijkers. Geen blazers meer en geen slagwerk.

Omdat ik gisteren de hele dag gewerkt had, was Apollon musagète ietsje teveel. Maar dat lag heel erg aan mij en helemaal niet aan de uitstekende musici. Dat is de reden dat ik veel concerten plan op dagen dat ik niet werk. Het verlies van Apollon musagète moet ik nemen, vrees ik. Zo gaat dat soms!

Nicole Kidman als Virginia Woolf

Vanochtend vroeg mijn computer voor de zoveelste maal of hij updates mocht installeren. Gisteren had ik het uitgesteld en gevraagd of hij het ’s nachts wilde doen. Maar ‘s nachts had ik mijn computer uitgezet en kon de softwaregigant er niet bij. Dus vanochtend de zoveelste smeekbede. Omdat ik weet dat updates ellende voorkomen, gaf ik toe en liet ik mijn pc haar ding doen. En toen vroeg de computer of ik een paar minuutjes kon wachten en dat ik absoluut mijn computer niet uit mocht zetten en zat ik te kijken naar het getal vier prominent in het midden van het beeldscherm. Dat was het percentage van wat hij al verwerkt had aan updatecode. En die vier bleef er maar staan. Zo lang, dat ik begon te vrezen dat hij vastgelopen was. Net op het moment dat ik mijn pc een reset wilde geven, sprong het cijfer naar vijf en wist ik dat het heel erg lang ging duren, die update. Een paar minuutjes? Aan mijn neus. Niet voor niets had de grote leverancier voorgesteld om het ’s nachts in alle stilte te doen. En zo zat ik dus te staren naar cijfers op mijn beeldscherm die tergend langzaam opliepen. Ik voelde me volkomen hulpeloos, want wat kon ik doen? Maar gelukkig, na heel lang wachten zag ik op het beeldscherm dat we op 100 zaten. Dacht ik. Want nadat de computer opnieuw was opgestart, begon de teller gewoon weer opnieuw. En nu nog veel langzamer. Terwijl ik zo graag wilde schrijven!

Over gisteren. Gisteren had ik een dag waarop ik heel weinig gepresteerd heb. We waren van plan geweest om stiekem ons bijna affe huis in te sneaken en gewapend met onze nieuw gekochte meetlinten en notitieboekjes alvast aan het werk te gaan. Ramen opmeten zodat we gordijnen konden bestellen. Daarom gingen wij naar het museum en probeerden we via de binnenplaats onze tuin in te komen en zo via de openstaande deuren naar binnen te gaan. Onze tuin insluipen bleek nog altijd geen probleem. Maar helaas, men had alle deuren afgesloten dus ons huis binnenkomen zat er niet in. Een beetje teleurgesteld keerde we met onze ongebruikte meetlinten huiswaarts. En toen begon het te sneeuwen. En ik hou helemaal niet van sneeuwballen. Sneeuwballen zijn koud en nat en heeft zo’n snotneus zijn bal iets te lang in zijn hand dan zijn ze nog hard ook. Die wil ik in ieder geval niet tegen mijn hoofd.

Dus bleef ik thuis en deed de hele dag helemaal niets. Filmpje kijken. Op Netflix is de film Hours beschikbaar. Terwijl het toch echt in deze film niet om de muziek gaat, hebben ze bijzondere muziek op de achtergrond gekozen. Prachtige muziek van Philip Glass. Zo mooi, dat ik het verhaal dreigde kwijt te raken. Ook één van de orkestliederen van Richard Strauss kwam langs. De meest verstilde maar tegelijkertijd zo dynamische liederen die er ooit geschreven zijn. De film ging onder anderen over Virginia Woolf in de periode dat ze Mrs Dalloway schrijft. Een fascinerend persoon.

Virginia Woolf had een fascinerende lelijke kop, als je haar foto’s bekijkt. In de film leek haar gezicht best goed gelukt; leek redelijk veel op de foto’s van de schrijfster. Alleen niet lelijk. Een oneindig mooi en levendig en intelligent gezicht waar je graag naar kijkt. Men had de actrice Nicole Kidman gemetamorfiseerd naar Virgina Woolf. Vrijwel onherkenbaar. Wat een fascinerende metamorfose! En dat terwijl het stuk Metamorfose van Philip Glass ten gehore werd gebracht. Heel speciaal. Ik heb de film nog niet helemaal uitgekeken. Wie weet vandaag. Het is mijn parttime dag. En…vandaag gaat het weer sneeuwen!

Het Pieter Jan Leusink geweld

In muziekland lijkt een revolutionaire kaping plaats te vinden. In de popmuziek? Nee, in de klassieke muziek. Kan je je haast niet voorstellen, maar toch is het zo. In de muziekgeschiedenis zijn twee werken geschreven die (bijna) strikt horen bij een tijd van het jaar. Heel veel mensen zijn die werken gaan zien als een overgangsritueel van het ene seizoen naar het andere. Ben je eenmaal toegetreden tot de mensen die van zo’n ritueel zijn gaan houden, dan laat je dat niet zo makkelijk meer los. Ik heb daar helemaal niets op tegen. Eerlijk gezegd behoor ik ook wel tot diegenen die de nieuwe rituelen omarmen. Zo heb je in de donkerste tijd van het jaar behoefte aan een ritueel waarbij je hoopt dat het licht weer terugkeert. In onze beschaving is dat de Messias. Daarover heeft Georg Friedrich Händel een fantastisch oratorium geschreven dat prima in de kersttijd past: Messiah. Een fenomenaal stuk waarin zo’n beetje alle hoop is gevestigd op de wederkomst van het licht. En ja…als de Messiah geklonken heeft, dan worden de dagen weer korter.

Een andere overgang die een ritueel behoeft, is de overgang naar de lente. Het licht is weer terug en nu moet alles gaan groeien en bloeien. Daarvoor heeft Johann Sebastiaan Bach twee oratoria geschreven: Eentje naar het evangelie van Johannes en een naar het evangelie van Mattheus. Als zo rond Pasen deze stukken gespeeld worden, dan stromen de concertzalen en kerken vol. Niet gewoon vol, maar afgeladen vol. En echt niet alleen in de Randstad; elk gat ken haar eigen Mattheus. Het is natuurlijk wel zo dat de Mattheus in Amsterdam heel vaak uitgevoerd wordt.

Op deze hang naar rituelen in combinatie met muziek is één man handig ingesprongen. Was het zo dat tot voor kort diverse orkesten en koren elk jaar de Mattheus en de Messiah opnamen in hun repertoire, deze man heeft alleen deze twee oratoria in zijn repertoire. Hij doet gewoon niets anders dan de Messiah en de Mattheus uitvoeren. Om mensen naar zijn uitvoeringen te lokken, heeft hij een ongekende reclamecampagne opgezet. Pieter Jan Leusink. Inmiddels is het al zo ver dat Pieter Jan Leusink zo’n beetje dé Mattheus is en dé Messiah. Rond het eind van maart is het concertgebouw in zijn geheel in bezit genomen door Leusink en zijn medewerkers. Op dit moment is het best moeilijk om een uitvoering in Amsterdam te vinden zonder Leusink; Leusink is de Mattheus en de Messiah aan het kapen. Dat is niet zo leuk, vind ik. Want wat is precies de kwaliteit van Leusinks uitvoeringen? Schrijft de man muziekgeschiedenis? De Mattheus heb ik een paar keer van hem gehoord. In het begin nog met het jongenskoor dat hij opgericht had. Dat waren best aardige uitvoeringen. Toen probeerde hij nog de muziek van Bach te benaderen zoals Bach het ook zelf gehoord zou kunnen hebben. Met dat succes is hij aan de haal gegaan (of is het andersom?). Nu voert hij de muziek op een heel klassieke en toegankelijke manier uit. Niet verschrikkelijk slecht, maar ook zeker niet goed. Ik heb heel wat betere uitvoeringen gehoord. Krijgen die andere uitvoeringen nog wel een kans? Dat was best even zoeken voor het komend jaar. Tuurlijk waren de twee uitvoeringen van Ton Koopman al uitverkocht, maar gelukkig heb ik nog een andere goede uitvoering kunnen vinden tussen al het Pieter Jan Leusink geweld.