Categoriearchief: columns

Europa; hoe verder?

Ik heb me altijd verzet tegen het idee dat wat uit het Europese parlement kwam, ondemocratisch was. Wetten en regels die Europabreed ingevoerd werden en waar iedereen in Europa zich aan moet houden, leken wat mij betreft democratisch tot stand gekomen. Wij Europeanen hebben gestemd voor een Europees parlement. Iedere stem in Europa weegt even zwaar. Vervolgens worden er wetten ter stemming gebracht en als er een meerderheid voor is, aangenomen. Dat leek mij lange tijd heel erg democratisch. Maar ik ben erop teruggekomen.

Eén van mijn bezwaren is dat Nederlandse partijen zijn opgegaan in fracties met ‘soortgenoten’ uit de andere Europese landen. Maar wat zijn die ‘soortgenoten’ precies? Wat willen ze? Wil de partij waar wij in Nederland op stemmen wel hetzelfde als wat de Europese fractie in zijn geheel wil? Ik weet zeker dat de Europese fracties niet hetzelfde willen als de partij waarop we hier in Nederland kunnen stemmen. Dat kan je al afleiden uit het feit dat bijvoorbeeld D’66 en de VVD in dezelfde fractie zitten terwijl ze compleet anders denken over hoe en wat in Europa. Wil de VVD minder Europa, D’66 is juist voor uitbreiding van de bevoegdheden van Europa. Hoe zit dat dan? Stemt een deel van de fractie tegen en een ander deel voor bepaalde wetten? Voor zover ik weet, gebeurt dat zelden. Kortom; als je CDA stemt, dan stem je ook op de partij van Orban van Hongarije. Het CDA is kritisch op Europa terwijl de partij van Orban eigenlijk tegen Europa is. De Christenunie zit in dezelfde fractie als de Poolse PIS partij. PIS wil optimaal gebruik maken van de energiegrondstoffen waar Polen aan rijk is; steenkool. Met het gebruik van steenkool komen alle milieuafspraken waarvoor de Christenunie zich hard maakt, op losse schroeven te staan. Hoe democratisch is Europa als je niet weet wat de standpunten zijn die de fracties innemen? Als Europa democratischer wil worden, dan zouden we moeten weten waar fracties voor staan en niet Nederlandse partijen want die zijn ondergeschikt aan de Europese fracties.

Een tweede issue met betrekking tot Europa is dat Europa niet voortkomt uit een gezamenlijke geschiedenis, maar meer uit een economische samenwerking. De focus ligt vooral op economie en het wegnemen van handelsbarrières. Een neo-liberaal standpunt. Het wegnemen van handelsbarrières heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de gigantische welvaart die we in Europa kennen. Maar, zoals we de afgelopen decennia hebben moeten ervaren, heeft het neoliberalisme ook een enorme keerzijde. Buitenlandse investeringsmaatschappijen, bijvoorbeeld, investeren in Europese steden massaal in koopwoningen. Deze worden vervolgens voor heel duur geld aan expats verhuurd. Voor de eigen bevolking blijven er geen goedkope woningen meer over. Dat alles in het kader van het ongebreidelde neoliberalisme dat vanuit Europa gepredikt wordt. Dat heeft enorme gevolgen voor de toekomst van de Europese steden. De armen in de steden worden als vanouds beschermd en zullen niet hoeven weg te trekken. De allerrijksten ook niet. Maar wel de enorme middenklasse. Mensen die gestudeerd hebben en een goede baan maar niet direct heel rijk, kunnen niet meer in de steden wonen omdat de huizen onbetaalbaar zijn. De vraag is of wij een stad willen waar de middenklasse niet meer kan wonen. Beleid is moeilijk te voeren door alle neo-liberale regels die betrekkelijk ondemocratisch tot stand komen. Hoe nu verder? En…belangrijker nog: Wat ga ik donderdag stemmen?

Mens blijven in tijden van wanhoop

De laatste jaren van haar leven ging het niet echt goed met mijn oma. Tijdens de laatste jaren van haar leven kwam ze zomaar terecht in een door haar zelfgeschapen wereld waarin iedereen, op een enkeling na, het op haar gemunt had. Ze was ervan overtuigd dat mensen zonder te vragen haar huis in- en uitliepen en haar spullen naar goeddunken gebruikten. Ze had daardoor zelf haast geen leven meer, maar ook haar buren hadden het zwaar. Misschien had ik moeten ingrijpen. Ik zag dat het fout ging. Ik probeerde haar gerust te stellen. Aan de andere kant zou ik niet geweten hebben hoe en met wat ik had moeten ingrijpen. Dat de buren onder haar geleden hebben…ik weet het. Oma gilde en schreeuwde tot diep in de nacht. Oma deed aangifte van van alles en nog wat. Mensen waar tegen aangifte was gedaan, werden verhoord op het politiebureau. Allemaal geen dingen die echt leuk zijn. Maar oma had het natuurlijk het zwaarst met zichzelf, hoewel ze zich daar nauwelijks van bewust was. Velen meden haar. Behalve sommige vrienden van heel vroeger. Die konden door alle verhullende lagen nog steeds die idealistische jonge vrouw zien van voor de tweede wereldoorlog. Maar voor velen was dat niet weggelegd. En dan was er nog ‘ik’. Mijn persoon. Voor haar was ik het toonbeeld van het goede in de wereld. Ik kan er niets aan doen en ik kon aan dat beeld niets veranderen. In mijn oma d’r ogen kon ik niet stuk. Dat benauwde me soms. Meestal kon ik daar redelijk mee omgaan. Ik was één van de weinigen die ze nog zoveel vertrouwde tijdens haar laatste jaren dat ik haar kon helpen. Boodschappen doen, bijvoorbeeld.

Met mijn moeder samen, gingen we door de spulletjes die ze had nagelaten. Veel lidmaatschapskaarten van de AJC of toegangskaarten voor AJC-evenementen. Allemaal ontworpen door Fré Cohen. Elk AJC-document ziet er daardoor fantastisch uit. We stuitte ook op dit zelf genaaide etuitje. We wisten van het bestaan. Nu we het zagen vervulde het ons met groot ontzag. Het etuitje heeft ze in Auschwitz gemaakt. Een lapje en een paar drukkertjes. Bang om iets kapot te maken liet ik mijn moeder het etuitje openmaken. Ik wist al wat erin zat, daar niet van, maar we wilden het toch graag in het echt zien. Een minuscuul kammetje en een stukje spiegel. Je kunt je er zelf nauwelijks in zien. Toen we jaren geleden hoorden van het bestaan van dit etuitje moesten we een beetje besmuikt lachen; zelfs in Auschwitz bleef oma een dame die goed voor de dag wil komen. Maar dat beeld is nu bij mij toch wel gewijzigd. Ik heb me de vraag gesteld wat het betekent als je niet meer weet hoe je er zelf uitziet. Wat doet het met je als anderen je reduceren tot minder dan een beest en jou ook graag willen doen geloven dat je minder dan slachtvee bent. Om dat te overleven moet je jezelf ervan overtuigen dat dat beeld niet klopt. Met een kam en een spiegel kan je iets van een mens blijven. Tenminste voor jezelf.

Oma heeft anderhalf jaar lang, constant, de dood in de ogen gekeken. Ze wist dat ze elk moment kon sterven en dat daar geen enkele reden voor nodig was. Wat moet er door haar heen gegaan zijn toen ze daar op die godvergeten plek overleefde terwijl ze besefte dat bijna iedereen waar ze van hield dood was. Dat kammetje en dat spiegeltje moeten haar eraan herinnerd hebben dat ze mens was.

Oma en Fré Cohen

We zitten nog net in de eerste helft van mei. Een periode waarin teruggekeken wordt naar de eerste helft van de twintigste eeuw. Vijftig jaar die ongekend bloederig zijn geweest. Er zijn altijd in de geschiedenis wel oorlogen geweest en er heeft altijd wel bloed gevloeid, maar de eerste vijftig jaar van de twintigste eeuw zijn ongekend geweest wat dat betreft. Toch is het ook een periode waar ik heel graag naar kijk omdat er tegelijkertijd een ongekende bloei was van kunst en cultuur. Soms tegelijkertijd met uitspattingen van wreedheid, maar vaker als er luwte was in het bloedvergieten. En dat er tussen alle ellendige periodes door mensen bleven geloven in de goedheid van de mensheid en hun ideaal probeerden te verwezenlijken van gelijke kansen voor iedereen. Eén van de personen waarbij zowel de ellende, de cultuur en het idealisme samenkomen is Fré Cohen. Over Fré Cohen gaat een tentoonstelling komen in ‘ons’ museum. Fré Cohen zette mij op een speurtocht die me onverwacht heel erg dicht langs mijn eigen familie leidde…

Tekening van Fré Cohen – ‘Tevje der Milchman’ – aan de muur bij mijn moeder

Ik ging namelijk bij mijn moeder eten en vond deze tekening aan de muur. Een erfstuk van mijn oma. Mijn oma en Fré Cohen waren enthousiaste leden van de AJC; de Arbeiders Jeugd Centrale. Na de eerste wereldoorlog hoopten ze dat de wereld zou genezen van de verschrikkelijke wond die de oorlogsellende had veroorzaakt. Ze wisten niet wat hun, joden, nog te wachten stond. Hun onwetendheid is achteraf gezien een gelukkige omstandigheid want daardoor hebben ze nog wat jaren kunnen geloven in al het goeds dat het leven voor hen in petto had. Van Fre Cohen weet ik dat het grootste deel van haar werk in deze periode ontstond. Mijn oma had de tijd van haar leven. Ze was wat jaartjes jonger dan Fré Cohen maar minstens zo enthousiast voor de AJC. Mijn oma moet de tekening van Fré Cohen gekregen hebben en er totaal niet bij stil gestaan hebben wie of wat – anders dan een mede-AJC’er – Fré was. Mijn moeder vertelde dat ze de tekeningen na oma’s overlijden vond tussen heel veel andere papieren met punaisegaatjes en resten van plakband op de hoeken.

Die luwte in de wereld tussen de twee wereldoorlogen in fascineert me enorm. Dat geloven in de goedheid van de mensheid. Geloven in de mogelijkheid van het opvoeden van de mens tot een fantastisch wezen dat net als zij niets dan goeds voorheeft met de wereld. Weliswaar joods – en heus dat bleef altijd een zekere rol spelen – maar fel tegen religie omdat dat de mensen dom zou houden; opium voor het volk. Tussen de spulletjes van oma vond ik veel foto’s. Ook deze foto. Natuurlijk heb ik mijn oma zo nooit gekend. Zelfs van mijn moeder was nog in geen velden of wegen sprake toen deze foto gemaakt werd. Maar haar gezichtsuitdrukking…dat heb ik nooit meer zo gezien. Een gezichtsuitdrukking, ontspannen en vol verwachting, diep gelukkig en onbevreesd. Oma als naïeve lieve puber. Mijn oma hield iets van de dood in haar ogen nadat ze terugkeerde uit Auschwitz. Heus, ze heeft nog wel gelukkige momenten gehad, maar dood en verderf en algehele ondergang lagen altijd op de loer. Voor Fré Cohen eindigde de oorlog anders; ze pleegde zelfmoord voordat ze gedeporteerd kon worden.

Johan de Boose – Het Vloekhout; De dingen de baas

Op de middelbare school lazen wij graag de verhalen van de nu vrijwel compleet vergeten schrijver Belcampo. Een verhaal dat destijds in de klas behandeld werd, was het verhaal ‘De dingen de baas’. Op een dag hebben de dingen er genoeg van en nemen het roer over van de mensen. Aan dit verhaal moest ik een heel klein beetje denken toen ik de roman ‘Het Vloekhout’ van Johan de Boose las. Net als in het verhaal van Belcampo spelen in deze roman ‘dingen’ een rol; ze spreken met elkaar en ze denken over de dingen na.

Het Vloekhout: De olijfboom waaronder het pubermeisje Maryam door Romeinse soldaten wordt verkracht en waaronder haar daardoor verwekte zoon Jesjoea later mediteert wordt omgezaagd en tot kruis verwerkt waaraan Jesjoea sterft. Vervolgens wordt een deel van het kruishout gebruikt als stut voor het decor van een toneelvoorstelling die na verloop van tijd ook wordt opgevoerd voor keizer Nero in Rome. Het stuk hout komt terecht in de Lage Landen bij twee uit Rusland gevluchte monniken die er een icoon van maken. De icoon reist eerst met de monniken terug naar Rusland om vervolgens zo’n beetje de hele wereld en de hele wereldgeschiedenis door te reizen om te eindigen bij een man die zich als moslimterrorist opblaast. Aldus in een notendop het verhaal. Het bijzondere is dat het verhaal verteld wordt vanuit het perspectief van het stuk hout. Het blijkt dat dingen kunnen denken, een gevoelsloeven hebben en kunnen communiceren met andere dingen. Helaas kunnen de dingen niet communiceren met mensen en kunnen ze eigenlijk niets bewerkstelligen. Behalve dan een rilling veroorzaken. Ieder mens die het vloekhout aanraakt ervaart een rilling. Het vloekhout is niet zomaar een stuk hout. Dat Jeshoea (lees: Jezus) eraan gestorven is, geeft het kennelijk wel een speciale inhoud die door iedereen te voelen is. (In de kathedraal van Doornik zag ik overigens ‘echt’ een stukje van het kruishout. Jammer dat ik het niet mocht en kon aanraken want ik had graag gevoeld wat het aanraken met mij zou doen.)

‘Het Vloekhout’ is een mooie gelaagde roman. Het enige probleem dat ik ondervond bij het lezen was, dat alles zo snel gaat. Het vloekhout doet zoveel plaatsen aan en reist zo intensief door de geschiedenis dat ik soms wat moeite had waar we ook alweer waren. De roman houdt geen rekening met de werkende mens die de roman niet in één keer kan uitlezen. Een paar keer heb ik gehad dat ik het boek opensloeg bij waar ik was gebleven, maar dat ik me niet meer kon herinneren in welke tijd we waren aangeland en bij welk persoon. Met terugbladeren kwam ik er dan ook maar moeilijk uit; kennelijk is de schrijver van mening dat je het dan maar goed moet lezen…

Het vloekhout wordt een icoon en stelt Maria voor met gesloten ogen. Een object dat aanbeden wordt en dat iets doet met de mens die het ziet of die het aanraakt. Johan de Boose laat het vloekhout als icoon praten met een vergeten bril over het wezen van de icoon en daarmee over het wezen van de kunst. Waar gaat het bij kunst precies om; is het het schilderijtje op het stuk hout van het meisje met de gesloten ogen waar het om gaat of is het de belevenis van de kijker die het portret ziet het wezen van de kunst? De vergeten bril weet het wel: ‘Het gaat om wat er gebeurt met mensen die naar jou, blind portret, komen kijken…’ Dat is een opvatting over het wezen van de kunst die ik de laatste tijd veel tegenkom. Niet zozeer kijken naar het wezen van bijvoorbeeld een roman, maar meer kijken naar wat een roman precies met je doet tijdens het lezen. Een interessant perspectief.

Ik heb ‘Het vloekhout’ met veel plezier gelezen. Vond het een sterke roman. In het kader van mijn leesavontuur van de Librisliteratuurprijs 2019 waarin ik de romans van de shortlist met elkaar vergelijk om te kijken wat ik de beste en mooiste roman vind, scoort dit boek goed, maar is het niet de winnaar; daarvoor heb ik al boeken gelezen van het lijstje die boven deze roman eindigen. Maar desalniettemin een boek dat ik geboeid heb gelezen en zeker een aanrader!

Verloren!

Ik heb verloren. Ik geef het toe. Mijn leesrace tegen de uitreiking van de Librisliteratuurprijs 2019 heb ik verloren. Gisterenavond werd hij uitgereikt. Rob van Essen met ‘De Goede zoon’ heeft gewonnen. Eén van de twee boeken die ik nog niet gelezen heb. Tweederde van de boeken heb ik wél gelezen maar juist uit dat rijtje dat ik niet gelezen heb, komt de winnaar. Irritant. Ik dacht dat ik de winnaar wel gelezen had, maar nee, dus. Voor mij rest nu niets anders dan hard doorlezen en kijken of ik het met de jury eens ben. Vervolgens mijn volgorde van boeken tonen. De jury zal het dit jaar moeilijker hebben gehad dan vorig jaar want tot nu toe ben ik alleen boeiende boeken tegengekomen, terwijl ik vorig jaar me ook door boeken heen heb moeten lezen terwijl dat helemaal niet vanzelf ging.

Dit jaar glij ik soepeltjes van het ene boek in het andere en heb veel plezier bij het lezen. Maar zoals gezegd, ik heb nog maar vier van de zes uit. Pas na de zesde kan ik een oordeel geven. Hoewel…volgens mij heb ik echt mijn winnaar al gelezen en krijgt de jury geen gelijk met Rob van Essen. Maar wie weet. Zojuist aan ‘De Goede Zoon’ begonnen…

Mazelen

Wij behoorden dus ook tot die groep van – als je de media mag geloven – achterlijke en zweverige mensen die hun kinderen niet lieten inenten tegen de mazelen. Dertig jaar geleden stonden we voor die keuze. We dachten er onderling verschillend over maar uiteindelijk hebben we ervoor gekozen om onze kinderen de ziekte ‘te laten doormaken’.

Ik heb de mazelen gehad en mijn vrouw heeft de mazelen gehad. Een ziekte waar we behoorlijk ziek van waren maar waarvan werd gezegd dat je sterker uit de strijd komt. Dat was niet alleen wat onze ouders tegen elkaar zeiden of wat ze dachten; vrij algemeen werd zo gedacht; kinderziektes waren ziekten die kinderen gehad moesten hebben om volledig tegen het leven opgewassen te raken. Het krijgen van een kinderziekte was meer afstrepen dan dat er aandacht werd besteed aan het voorkomen van de ziekte. Mazelen werd toen als kinderziekte gezien (Nu niet meer, trouwens?).

Toen onze kinderen klein waren was men nog niet zo lang aan het inenten tegen de mazelen. Wel bijvoorbeeld tegen polio, kinkhoest, difterie of andere enge ziektes, maar niet tegen de mazelen. Wij waren best kritische ouders en vroegen ons af wat er dan in die tussenliggende twintig jaar veranderd was. We informeerden bij iedereen die er iets meer over wist en die wij deskundig achtte. Onze huisarts, bijvoorbeeld en de arts van het consultatiebureau. Uiteindelijk zette we de argumenten voor en tegen het doormaken van de ziekte tegen elkaar af en wogen we de risico’s die we namen. De risico’s leken ons aanvaardbaar en er waren veel argumenten voor het doormaken van de ziekte en daarom besloten we ze niet in te laten enten. Dat betekende dat alle drie onze kinderen heel erg ziek van de mazelen werden en ze er – naar onze overtuiging – gesterkt weer uitkwamen. Niets aan de hand dus.

Maar toch, nu denk ik anders over inenten tegen de mazelen. Niet vanwege de risico’s. Die zijn niet veranderd sinds dertig jaar geleden. De kans dat je kind overlijdt aan de ziekte is verschrikkelijk heel erg klein. Een dagje Tietjerkstradeel, om maar iets te noemen, is met al haar verkeersdrukte, zeker zo gevaarlijk. Maar als ik mijn kinderen naar de dagopvang zou moeten brengen waar ook andermans kinderen worden opgevangen, zou ik niet graag willen dat zij besmet zouden raken door mijn kinderen, zeker niet met de huidige hysterie. Ik vind niet dat ik als ouder van mijn kind kan beslissen over het al of niet krijgen van de mazelen van een kind van een ander. Wil ik mijn kind dus laten opgroeien met andere kinderen, dan zal ik mijn kind moeten laten inenten. (Wij hebben onze kinderen overigens nooit naar de kinderopvang gebracht, destijds.) Nog even over dat ‘doormaken’ van de ziekte. Ik begreep dat uit onderzoek blijkt dat het onzin is, dat een kind beter uit de strijd met de mazelen komt. Nog een argument minder om tegen inenten te zijn. We zouden nu alles opnieuw gaan wegen, denk ik, maar gelukkig staan wij niet meer voor die keuze. Ik kan me herinneren dat het gepaard ging met veel lezen, praten, ruzie zoeken en je gelijk halen; daar wordt in ieder geval niemand erg vrolijk van.

Terugkijken is heerlijk

Natuurlijk heeft deze jongen weer alle mooie vrouwen lopen fotograferen die hij tegenkwam. Zo ben ik wel! Gisteren in de Alte Nationalgalerie hier in Berlijn. In dit museum op het Museum Insel aan de voormalige Oost-Duitse kant hangt veel negentiende-eeuwse schilderkunst van Duitse kunstenaars. Onder het geweld van de Franse schilderkunst een beetje door mij vergeten, maar ongeveer even mooi, constateerde ik gisteren. En dus met veel mooie jonge vrouwen die geportretteerd werden. Jonge vrouwen in lange ruisende rokken die met hun heldere ogen vragen om bevrijd te worden uit hun knellende korsetten. Vrouwen wiens adem afgeknepen wordt door een dwingende moraal die hun haast verbiedt om hun talenten te ontwikkelen en een zinvolle bijdrage te leveren aan de maatschappij. Voor wie de moraal voorschrijft dat ze er zijn ‘ten dienste van’ en voor wie de ziekte hysterie speciaal werd uitgevonden. Die vrouwen dus. En ik vind ze zo mooi dat ik het niet kan laten om van al die geportretteerden foto’s te maken en die te koesteren. Ik zou absoluut niet meer willen dat vrouwen zo machteloos en onmondig gehouden werden en ik ben blij met hoe de maatschappij zich ontwikkeld heeft ten opzichte van meisjes en vrouwen. Dat ze hun eigen weg mogen gaan en hun talenten ontplooien.

Adolph Menzel – Frederike Arnold (1845). Bekneld in het keurslijf van haar bestaan.

Deze knappe, mooie vrouwen waarvoor en waarover Freud van alles bedacht, vertegenwoordigen slechts de bovenklasse. De bovenklasse van vrouwen die getrouwd waren met industriëlen, kunstenaars en geleerden. Loop je wat verder het museum in, dan komen ook de mensen aan bod die zich niet onder de rijken kunnen scharen. De arbeiders en de loonwerkers.

Van de schilder Max Liebermann had ik nog nooit gehoord. Nu dus wel. Hij doet me aan vader en zoon Israels denken. Vader Jozef vanwege de keuze van zijn onderwerpen – namelijk de minder bedeelden en de hardwerkenden in de maatschappij – en aan zoon Isaak vanwege zijn manier van schilderen. Wat ik heel bijzonder vind is dat Liebermann naar Nederland trok om daar het licht en de sfeer te zien en te voelen van de zeventiende meesters. De meeste schilderijen van zijn hand die in de Alte Nationalgalerie hangen zijn geschilderd in Nederland en laten de Nederlandse armoede zien zo vlak voor en tijdens de industriële revolutie.

Max Lieberman – Vlas spinnen

Dit schilderij van Liebermann trof mij het sterkst, denk ik. Misschien omdat het contrast, maar tegelijkertijd ook de overeenkomst met de mooie vrouwen uit de eerste alinea van dit stukje zo duidelijk maakt. Meisjes staan in een bedompte, lage stoffige schuur vlas te spinnen. Hoe oud zouden de meisjes zijn? Vijftien, zestien zo te zien. Erg jong. Niets geleerd en nu gedwongen om geestdodend vies werk te doen totdat ze trouwen en kinderen krijgen. Maar nog erger dan de meisjes vind ik de jongetjes en het meisje die het spinnenwiel bedienen. Hoe oud zouden zij zijn? Ik kan de kinderen niet goed zien, maar laten we vaststellen dat ze jong zijn, heel erg jong. Kinderarbeid heeft Liebermann geschilderd in Nederland.

Wat ben ik blij met hoe de maatschappij zich ontwikkeld heeft. Vrouwen hoeven niet meer in keurslijfjes alleen maar mooi te wezen en kinderen mogen naar school en het mens worden dat eigenlijk al in hen zit. Maar terugkijken naar al dat moois en hoe dat allemaal destijds is vastgelegd in fantastische kunst, dat is toch heerlijk!!!

Malle Babbe is niet rond en ook niet blond…

We zijn weer in Berlijn. Na negen jaar zijn we er weer. Wat een prachtige stad! Heel erg nieuw maar tegelijkertijd verschrikkelijk oud. Een stad die zich, gemeten naar de geschiedenis, kortgeleden opnieuw heeft moeten uitvinden. Waren de sporen van de grote verdeling van de stad nog vers en tastbaar de vorige keer dat we hier waren, nu is de muur geconserveerd en worden we op een afstandje gehouden zodat we geen schade kunnen berokkenen. De stad van de nachtegalen ook. Ze lijken hier massaal te zijn gaan wonen. De vorige keer toen we hier waren dachten we dat we een unicum zagen; midden in de woonwijk waar wij verbleven in het struikgewas, een nachtegaal. Als de vogel zingt herken je hem meteen. Zo gevarieerd en zo stevig; het kan niet anders; het moet wel een nachtegaal zijn. Een merel in het kwadraat. Op het moment dat de merels zwijgen, begint de nachtegaal. Hier en nu horen we de nachtegalen tegen elkaar opbieden. Een fantastisch geluid!

Gisteren hebben we de Gemaldegalerie bezocht. Vorige keer dat we hier waren had ik het idee dat alle moois zich had geconcentreerd op het Museuminsel. Maar dat is dus niet zo; het museuminsel hoorde altijd bij Oost-Berlijn terwijl de Gemaldegalerie tot het kultuurgedeelte van West-Berlijn behoorde. Een museum waar je geweest moet zijn als je net als ik warm loopt voor de kunstgeschiedenis van middeleeuwen tot aan de pruikentijd. Wat betreft Hollandse Meesters lijkt het wel op een filiaal van het Rijksmuseum. Twee Vermeers en heel veel Rembrandts. Ik heb ze niet geteld, maar het waren er erg veel. Ook een paar schilderijen van Frans Hals. Malle Babbe onder anderen. Als je dit schilderij ziet weet je meteen dat Leonard Nijgh zich compleet vergist heeft toen hij het liedje schreef. Deze Malle Babbe is niet blond en deze malle Babbe is niet blond. Deze malle Babbe geef je niet zomaar een zoen op d’r mond en d’r kont is niet direct waar je aan denk. Leonard Nijgh had ongetwijfeld een heel ander schilderij voor ogen. Malle Babbe is, zo te zien, een vrouw met een beperking. Razend knap geschilderd want je ziet aan haar houding en haar oogopslag dat ze niet helemaal spoort. Waarom zit er een uil op haar schouder? Wijsheid niet in haar hoofd maar op haar schouder? Nee, dus. In de zestiende en zeventiende eeuw stond het symbool uil voor domheid en slechtheid…

Ik las al eerder over de vergissing van Leonard Nijgh; de schrijver van het artikeltje had ook de vermeende malle Babbe opgespoord. Ze hangt in het Louvre en heet De Zigeunerin. Hoewel ze volgens mij niet blond is, spat de verleiding van het doek. Haar gulle lach lijkt voor ons mannen bedoeld; om ons te verleiden. Haar ferme borsten bulken zachtjes naar ons toe uit haar laag uitgesneden bloesje. Ze wil ons… Ze is de verleiding zelve. Maar zeg nou zelf, bekt het lekker: De zigeunerin is blond, de zigeunerin is rond… Afgezien dat het wat racistische en onprettige associaties opwekt, is het geen gehoor. Maar malle Babbe is blond, malle babbe is rond… Daar wordt ook ik een beetje warm van. Maakt het dan nog wat uit dat malle Babbe eigenlijk een heel ander persoon is? Zowel malle Babbe als de Zigeunerin als Frans Hals zijn al verschrikkelijk lang dood. Dan maakt het helemaal niets meer uit wie wie is.

Bregje Hofstede – Drift; WAAROM?

Of ik denk dat Drift van Bregje Hofstede de winnaar van de Librisliteratuurprijs 2019 wordt? Nee, dat denk ik niet. De roman is niet groots. Bregje Hofstede moet nog groeien, vind ik. De roman is wel goed geschreven. Boeiend ook. De hoofdpersoon in de roman heet Bregje Hofstede. Juist ja, net als de auteur. Dat brengt je meteen op de gedachte of je eigenlijk een autobiografie zit te lezen. Dat maakt voor je leeshouding veel verschil. Dat een romanpersonage haar kut laat waxen heeft een andere impact op de lezer dan als een schrijfster en plein public laat weten dat ze dat laat doen. Bovendien zou dat waxen beschreven in een roman in het kader van het verhaal verteld worden terwijl als de schrijfster het over zichzelf vertelt het meer een mededeling is. Je vraagt je dan af; waarom moet ik dat als lezer precies weten. Waarom moet ik weten dat de auteur graag een kale poes heeft? Lijkt banaal, maar Bregje Hofstede beschrijft dat ze haar kut laat waxen. Ogenschijnlijk zonder dat dat iets toevoegt aan het verhaal behalve dan dat ze een gladde venusheuvel heeft. Dat is in een notendop de kritiek die ik op deze roman heb; er staat zoveel in waarvan ik me afvraag waarom ik het lees; wat het voor doel dient binnen de roman. Misschien houd ik teveel van romans zoals W.F. Hermans beschreef dat ze moesten zijn en waarin alles wat er gebeurt en wat er beschreven staat betekenis moet hebben binnen het verhaal. Alles wat die klassieke Hermans roman van buitenaf komt binnenwaaien en dus niets met de roman zelf te maken heeft, noemt hij een witte pater (had te maken met een verfilming van een roman waarin witte paters optraden). Drift zit vol witte paters, in mijn ogen.

Is het dan geen interessant boek? Jazeker wel. Ik heb het geboeid gelezen, daar niet van. Het heeft me verbaasd, dat ook. Ik merkte dat ik overging naar een andere leesmodus toen ik voor het eerst de naam van de hoofdpersoon tegenkwam. Een roman zie ik als meer dan een eenzijdig verslag van een ontsporend huwelijk en bij tijd en wijle had ik meer het gevoel van dat eenzijdige verslag dan van een roman. Huwelijk…ik proef het woord op mijn tong. Heel traditioneel allemaal. Misschien had ik niet verwacht van een jonge hippe vrouw die in de Correspondent schrijft over feminisme, dat ze anno 2018 zichzelf beschrijft in een haast jaren vijftig aandoend huwelijk.

Het verhaal is het verhaal van een jonge schrijfster die ‘wegloopt’ (zijn haar woorden!) bij haar man. Ze heeft haar dagboeken – en dat zijn er nogal wat – in een rugzak gestopt en is er vandoor gegaan. Ze beschrijft de veertig dagen na haar vertrek en kijkt daarin terug op haar huwelijk. Ze is, zo blijkt, getrouwd met haar liefje waarmee ze al op de middelbare school verkering kreeg. In de veertig dagen na haar vertrek uit hun woning ‘verdedigd’ ze de stap die ze genomen heeft. Eigenlijk had ze geen andere keuze. ‘Verdedigd’ tussen aanhalingstekens. Haar echtgenoot blijkt best jaloers. Zelden een moderne roman gelezen waarin zo de nadruk wordt gelegd op de kuisheid van de hoofdpersoon. Ze beschrijft diverse gelegenheden waarin andere mannen belangstelling voor haar hebben, en door wie ze zelf ook gecharmeerd raakt, maar nee; ze blijft kuis. Haar echtgenoot is de enige met wie ze ‘het’ doet. Hoewel ze openhartig schrijft over de seks met haar man krijg ik er soms een wat vervelende smaak van in mijn mond. Ik weet het niet..misschien ervaart ze het zelf anders…maar af en toe is het beste onderhorige seks. Zolang het met wederzijds goedvinden gebeurt, mag iedereen seksen en vrijen zoals hij en zij het zelf wil, vind ik. Schrijf je het op en geef je het uit in de vorm van een boek, dan is ineens dat intieme liefdesgedrag een onderwerp geworden waar anderen over spreken. Maar dat terzijde. Hij neukte haar zo wild van achteren dat ze steeds met haar hoofd tegen de muur bonkte…pff, ik weet niet. Zo’n beschrijving voelt niet als fijne seks; moet ze zelf weten natuurlijk, maar wil je dat ‘in de krant’?

Dit alles wil niet zeggen dat ik het een slecht boek vind. Ik heb het zeer geboeid gelezen. Bregje Hofstede kan heel goed schrijven. Ik begrijp dat je over jezelf schrijft maar wat meer afstand zou de roman enorm kunnen verbeteren. Een schrijfster hoeft niet haar ‘weglopen’ uit een huwelijk te verdedigen, vind ik. Ook ietsje minder uitleggerig zou ik fijner vinden; ik ben niet geïnteresseerd in de VVV folder van Pompeji als ik een roman lees, hoe goed bedoeld ook.

Ik vind het erg jammer dat als je zo goed kunt schrijven als Bregje Hofstede je dan desalniettemin een roman schrijft waarbij de lezer zich steeds afvraagt: Waarom? Waarom schrijf je dit op; waarom moet ik juist dit lezen? Deze roman zal niet hoog eindigen op mijn versie van de Librisliteratuurprijs; er ontbreekt nog teveel aan waarbij ‘ontbreken’ net zo goed staat voor dat er te weinig in deze roman/autobiografie is geschrapt.

Jan van Aken – De Ommegang; Fantastisch!

Heb ik het winnende boek van de Libris literatuurprijs net uit? Dat zou best wel kunnen. Wat een verschrikkelijk goed boek! Het is dat ik een verstandig man ben en veel verplichtingen heb, anders had ik aan één stuk door gelezen. Bijna de ideale roman: Spannend van het begin tot het eind, een intellectuele zoektocht van heb-ik-jou-daar; geweldig! Ik heb de afgelopen jaren weinig boeken gelezen die dit boek overtreffen. Het moet haast wel de winnaar worden van de Libris literatuurprijs en waarschijnlijk wordt het ook mijn winnaar. Zeker weten doe ik dat natuurlijk nog niet, want ik heb pas een derde van de boeken gelezen. Maar wat kan deze roman nog overtreffen? De Ommegang van Jan van Aken; helaas heb ik het uit.

De wereld is roerig aan het begin van de vijftiende eeuw: Er zijn drie pausen die geen van allen willen wijken voor de ander. Een groot concilie zou aan dit schisma van de kerk een eind moeten maken. Maar ondertussen lopen de gemoederen overal hoog op. Het grote concilie dat alles zou moeten regelen wordt gehouden aan de huidige Duits-Zwitserse grens in het plaatsje Konstanz. In deze gevaarlijke periode van de geschiedenis ligt de arts en architect Isidorus van Rillington, hoofdpersoon van de roman, beschuldigd van ketterij, geketend, in een volkomen duistere cel. Hij ziet niets en hoort niets…behalve de ademhaling van een ander. Of niet. Isidorus weet het niet, maar de duisternis en een mogelijke celgenoot doen Isidorus besluiten om hem – en dus ons – deelgenoot te maken van zijn levensverhaal en aldus te vertellen van zijn ommegang door het leven en hoe hij op deze plaats des onheils terecht is gekomen. De brandstapel is zijn vooruitzicht zonder dat dit met name genoemd wordt.

Isidorus wordt te vondeling gelegd bij het klooster Bellalande in Engeland. Hij wordt daar opgevoed door een monnik die vroeger bibliothecaris is geweest van een ander klooster, maar nu de functie van poortwachter uitoefent. De poortwachter leert Isidorus lezen en bovendien leert hij hem een manier om al het gelezene te onthouden. Dat doet hij door in zijn brein geheugenplaatsen te definiëren in de vorm van een gebouw en de opgedane kennis te koppelen aan een bepaalde ruimte in dat gebouw. Later kan hij dan een ommegang maken door de gebouwen en de ruimtes en lezen welke kennis er opgeslagen ligt in zijn brein. In het klooster is een vleugel afgesloten nadat een groot deel van de monniken aan de pest waren overleden. Die onbekende vleugel openen de poortwachter en Isidorus opnieuw en vinden daar een bibliotheek. Met deze bibliotheek worden de eerste geheugenbouwwerken opgezet. Een apart plekje in zijn geheugenbouwwerk wordt ingenomen door een boek over de bouwkunde van Vitruvius. Zoals later uit de roman blijkt wil Isidorus maar één ding doen in zijn leven; bouwen. Grootse bouwwerken maken. Vooral kathedralen.

Om zijn bouwambities waar te maken gaat hij studeren. Bisschoppen en aartsbisschoppen bouwen kathedralen en dus moet hij een hoge positie in de kerk krijgen. Om een hoge geestelijke te worden moet je geen theoloog worden. Je moet rijk zijn want een bisschopszetel koop je. Om rijk te worden, moet je arts worden want daar betalen de mensen grif voor en dus wordt Isidorus arts zodat hij later in staat zal zijn om een bisschopszetel te kopen en zijn kathedraal te bouwen. Isidorus wordt een arts die qua kennis en kunde zijn tijd ver vooruit is. Zijn ambities om te bouwen kan hij niet waarmaken. Daarom reist hij naar het verre oosten omdat daar de wrede Timoer Lenk heerst die de beste architecten samenbrengt om een oogverblindende stad te bouwen. Uiteindelijk lukt het Isidorus om bij Timoer Lenk als bouwmeester op te treden. Helaas voor de hoofdpersoon wel onder extreme druk – al zijn voorgangers-bouwmeesters, zijn op bamboestaken gespietst – en moet hij het ontwerp van een grote moskee van een ander, in tien dagen, realiseren. In die tijdspanne kan hij een moskee bouwen die er mooi uitziet maar dat is ook alles. Bij de eerste dienst begint de grote koepel in te storten. Wonder boven wonder weet Isidorus weg te komen en via heel veel omzwervingen op de weg te komen die naar Konstanz leidt. Hij sluit zich aan bij Maelgys en zijn dochter die onderweg zijn naar deze stad. Maelgys onthult Isidorus iets dat het geheim van het leven is, de kern van alle waarheid, het summum… Daarna valt de dochter van Maelgys in een ravijn en slaat Isidorus Maelgys de hersens in.

De rest van de roman speelt zich in Konstanz af waar Isidorus zich vestigt als arts. Hij doet er alles aan om zijn kathedraal in Konstanz te mogen bouwen, maar het gaat hem niet lukken. Ondertussen heeft hij wel een gigantisch geheugenbouwwerk gemaakt in zijn hoofd waarin zo’n beetje alle kennis van de wereld zit. Isidorus maakt regelmatig ommegangen door zijn geheugenbouwwerk. Verwikkelingen met zijn Boheemse vrouw Galina die een aanhangster blijkt te zijn van de in die periode op de brandstapel geëindigde kerkhervormer (ketter) Johannes Hus, zorgen ervoor dat Isidorus in de kerker terecht komt waar hij zijn hele verhaal aan ons vertelt. Op zijn rechtzitting vertelt hij dat hij aan de koning een geheim moet vertellen dat zo belangrijk is dat het de hele wereld zou kunnen veranderen. Als de koning Isidorus een gewillig oor biedt, kan de geheugenkunstenaar zich niet meer herinneren wat het geheim van Maelgys was…

De Ommegang is echt een heerlijke roman; een aanrader. Als gesjeesd geschiedenis student val er verschrikkelijk veel te genieten van alle historische gebeurtenissen en personen die voorbijkomen. Ook de sfeer van pest en ketters is raak weergegeven. De levens van de mensen die de roman bevolken hangt steeds aan een zijden draadje. Is het zo dat Isidorus steeds ommegangen maakt door zijn geheugenbouwwerk, wijzelf maken eenzelfde soort ommegang door het bouwwerk van de roman. Wat is werkelijkheid wat is verzonnen; wat is de kern van een verhaal, van de roman. De vragen kan je impliciet en expliciet vinden in deze roman en daarmee nodigt het je uit tot het doen van intellectuele hoogstandjes; Wat verschrikkelijk fijn dat deze roman geschreven is!