Categoriearchief: columns

Mijn lieve Gunsteling – Marieke Lucas Rijneveld; Fantastisch!

Het is vreemd hoe, bij het lezen van een roman, je eigen fantasie soms met een aantal gegevens aan de haal gaat. Je associeert en fantaseert. De betekenis voor de lezer ontstaat en die hoeft niet perse door de schrijver zo geschreven te zijn. De fantasie van de lezer gaat verder dan wat er staat. De lezer denkt dwarsverbanden te zien die er eigenlijk niet zijn, maar die uiteindelijk wel een juiste interpretatie geven. In de roman ‘Mijn lieve gunsteling’ van Marieke Lucas Rijneveld, wordt voorgelezen uit een roman van Gerard Reve. Een scene waarin de hoofdpersoon met zijn minnaar in bed ligt en hem allerhande erotische avonturen – zondes – opbiecht. Een zeer herkenbare scene in het oeuvre van Gerard Reve. Een stukje verder in de roman van Rijneveld wordt verteld dat de hoofdpersoon zich wat betreft de liefde in zijn pubertijd een circusjongen voelde met hoogtevrees. In mijn brein hadden ‘Gerard Reve’ en ‘Circusjongen’ zich ogenblikkelijk aaneen gesmeed en was ik er zeker van dat de hoofdpersoon in Rijnevelds roman uit ‘Een circusjongen’ van Gerard Reve voorlas. Dat leek mij ook best logisch want de scene die me uit die roman van Reve het meest is bijgebleven is, is een brute verkrachting van een pubermeisje achter in de auto. Terwijl hij haar misbruikte, fantaseerde hij dat ‘zij’ eigenlijk een ‘hij’ was. In mijn brein was er een niet bestaand, maar zeker wel helemaal op zijn plaats, dwarsverband ontstaan tussen de roman van Reve en Rijneveld. Maar het bleek een ontspoorde gedachtenkronkel van mij als lezer; er werd voorgelezen uit ‘Lieve Jongens’. Maar dat wil niet zeggen dat mijn gedachtenkronkel fout was want het illustreerde de inhoud van Rijneveld d’r roman juist. Het verkrachte meisje in Reve’s roman komt – in een andere vorm – terug bij Marieke Lucas Rijneveld: De veertien jarige gunsteling zit tussen kind en volwassenheid in, zoekt naar haar gender en wordt zonder meer misbruikt.

Ik moet zeggen dat ik een bofkont ben want ik heb deze roman gelezen. Als je de laatste bladzijde omslaat, ben je rijker dan toen je aan de roman begon. Superieur geschreven. Compleet vernieuwend in zoveel aspecten. Eigenlijk heb ik er geen woorden voor. Terecht kreeg ze de internationale Booker Price, maar wat heeft dat dan voor betekenis voor deze nieuwe roman die zoveel vernieuwender is? Wat voor prijzen staan haar nog te wachten? Marieke Rijneveld vertelde dat ze blij was dat haar tweede roman af was toen ze de prijs kreeg die haar ook internationaal op de kaart zette. Kan ik me voorstellen! Wat doet zoveel aandacht met haar en d’r talent? Ik hoop dat het haar lukt om ermee om te gaan en ons nog meer van dit soort fantastische romans te schenken. In de roman vertelt ze via de hoofdpersoon wat ze verwacht van alle aandacht die ze krijgt als ze beroemd is. Het betekent: “…dat je alleen in de duisternis groeide, dat je vaak naar het licht verlangde, naar de schijnwerpers, maar je wist ook dat het je zou verblinden, dat de roem die je zou vinden alleen maar zou groeien door je in te graven…”

Mijn lieve gunsteling is een monoloog interieur van een veearts die het verhaal vertelt van zijn vurige liefde voor een veertienjarige boerendochter. Die monoloog interieur wordt zo dicht bij het meisje gevoerd dat je vaak meer het gevoel krijgt dat het verhaal een inkijkje geeft in het gevoelsleven van het meisje. Er is net voldoende afstand om zijn verhaal van het hare te onderscheiden, maar feitelijk is zij de hoofdpersoon. De roman kent hoofdstukken maar geen alinea’s. Binnen de hoofdstukken een enkele punt, maar niet veel. In een fantastische taal meander je langs lange poëtische zinnen met prachtige metaforen door de gedachten en gebeurtenissen van een gemankeerde veearts en zijn obsessie voor een jong meisje. Ondanks de lengte van de zinnen en ondanks het ontbreken van alinea’s, blijft alles goed te volgen en boeit het. Het houdt je haast gekluisterd aan alles wat er verteld wordt.

De mond- en klauwzeer epidemie van jaren geleden is nog altijd actueel bij de veearts. De ellende die het gaf en de eenzaamheid. Hij ziet steeds het gezicht voor zich van een getroffen veehouder die zich opgehangen heeft. Het beeld achtervolgt hem. Hij was degene die de veehouders het slechte nieuws moest brengen en die altijd aanwezig was als het vee geruimd werd. Verder lijkt hij niet losgekomen van zijn misbruikende moeder. De roman speelt zich af in het gereformeerde milieu. Dat maakt het seksueel misbruik op de een of andere manier indrukwekkender. “…maar ze bedacht zich niet en met gespreide benen ging ze op de bedrand zitten en gebood mij op mijn blote knieën als een hondje voor haar te knielen…” en een stukje verder: “…en toen zei ze met een hese stem die ik niet van haar kende: Je mag pas stoppen als God weer in je is.” Hij wordt op zijn veertiende misbruikt door zijn moeder en dat zou er de oorzaak van zijn dat hij daar in zijn ontwikkeling gestopt is en vooral valt voor meisjes van diezelfde leeftijd. De veearts is getrouwd met Camillia die lerares is op de school van de gunsteling.

Het meisje woont met broer en vader op een melkveehouderij. Er is een verlorene en een verlatenen. De verlorene is iemand (broer) die bij een verkeersongeluk om het leven is gekomen en de verlatene is de moeder die ‘vertrok’ nadat ze hoorde van de verlorene. Dit drama zou zich in 1993 hebben afgespeeld terwijl het meisje zelf in 1991 geboren is. De verlatene zou in Stavanger in Noorwegen wonen. Het meisje houdt gesprekken met Freud en Hitler en ze weet zeker dat zij één van de vliegtuigen was die zich in de Twintorens op 11-9-2001 boorde. Ze vraagt zich af waarom ze geen piemel heeft en ontwikkelt een sterk verlangen naar een ‘jongens gewei’.

Laat ik het hier maar bij laten. Over deze roman zullen vast nog vele studenten Nederlands afstuderen en er zullen vast nog vele masterscripties over worden geschreven. Bijzonder! Een heel erg bijzondere roman die je niet zomaar loslaat!

Borne en Hengelo

Als je iets geleerd hebt als je boven de zestig bent is het wel dat de natuur een datum helemaal niets zegt; je viert je verjaardag of nieuwjaar en niets verandert. De epidemie, de natuur dus, gaat gewoon door zonder zich van wat voor datum dan ook iets aan te trekken. Tijd is slechts een afspraak tussen mensen. Een van de mythes om onze mensenmaatschappijen te laten draaien zoals wij dat willen. Willen? Nou ja, hoe dan ook,  vandaag is het nieuwe jaar begonnen en kan alleen maar beter worden dan het oude. In het nieuwe jaar gaat in september – als alles mee zit (en waarom ook niet) – onze tentoonstelling over Fré Cohen geopend worden. Vanwege de pandemie blijft de huidige Taut-tentoonstelling wat langer open en is ‘onze’ tentoonstelling wat naar achteren geschoven. Naar het Coronavrije tijdperk, mag ik hopen.

Geliefde J. en ik hebben een appartementje gehuurd in het oosten van het land. Het mooiste en wijdste uitzicht dat we ooit gehad hebben. Was er niet net een nieuwe weg aangelegd, dan was het hier ook nog heel stil geweest. Het is de streek waar Fré Cohen in 1942 haar laatste periode heeft geleefd. Gedwongen door de omstandigheden moet ik wel zeggen, want anders was ze ongetwijfeld gewoon in Amsterdam blijven wonen, in haar atelier op de Karel du Jardinstraat. Lees je de verhalen over die periode in haar leven dat ze in het oosten van het land woonde, dan lijkt het een beetje alsof de rust van het landschap in haar gevaren was. Het leven kabbelde voort. Ze deed klusjes in het huishouden – hoewel dat niet direct haar sterkste kant was – en tekende veel. Onder anderen een mooi portret van Minie, de dochter van het gezin waarbij Fré Cohen ondergedoken zat.

Omdat J. en ik in de buurt waren, zijn we op zoek gegaan naar de bewuste boerderij. Aan de Deldersedwarsweg in Borne.  Die weg heeft een andere naam gekregen: De leemweg. Nummer 2 zou het huis zijn. Toen we over de Leemweg liepen hadden we heus niet gedacht dat we hetzelfde zouden zien als Fre Cohen toen ze in september 1942 haar onderduikadres in het vizier kreeg, maar wat wij ervaarden was, denk ik, het tegenovergestelde. De Deldenseweg – waar Fre Cohen d’r straat dus een dwarsweg van was geweest – bleek een vrij drukke provinciale autoweg. De voormalige dwarsweg – nu Leemweg – lag er lawaaierig, verloren en verwilderd bij. Op nummer 2 een huis waarvan het ongeloofwaardig was dat het er al in 1942 had gestaan. Het leek verwaarloosd. Geliefde J. en ik stonden stil op de plek waar Fré Cohen haar laatste teug vrije lucht naar binnen moet hebben gezogen, maar wij konden haar ons niet voor de geest halen. Op deze plek was niets hetzelfde gebleven als in de zomer van 1943.

We reden door naar Hengelo, waar Fre Cohen begraven lag. Een mooi ommuurd kerkhofje heel erg in de buurt waar zoonlief J. een tijdlang, betrekkelijk ongelukkig in een luxeappartement, gewoond had. We konden door de spijlen van de toegangspoort de graven zien. Het zag er vredig uit. Wat konden we er meer over zeggen… Fre Cohen is dood en begraven, maar in september 2021 wordt er een tentoonstelling geopend van haar werk in museum Het Schip. Haar werk houden we inleven!

Pieter Waterdrinker – De rat van Amsterdam; Een dikke pil.

Omdat ik bijna over elk boek dat ik gelezen heb een recensie schrijf op mijn eigen website, kan ik mooi achterhalen hoe lang ik over het lezen van deze roman gedaan heb; verschrikkelijk lang! Op 6 september publiceerde ik hier een recensie over ‘Bezette gebieden’ van Arnon Grunberg. Tussendoor heb ik ook nog een groot deel van de nieuwste roman van Arthur Japin gelezen, maar die heb ik halverwege dichtgeslagen omdat het me van geen enkele kant kon boeien. Maar desalniettemin heb ik waanzinnig lang gedaan over het lezen van deze roman. Hij boeide wel, maar hij laat me ook achter met een aantal onbeantwoorde vragen.

In een gevangenis in Amsterdam schrijft Ruben Katz zijn levensverhaal. Hij zit vast omdat hij valsheid in geschrifte heeft gepleegd. In de paar maanden dat hij opgesloten zit, schrijft hij in zeven HEMA-schriften voor ons op wat hem in zijn leven tot nog toe overkomen is.

Als kind groeit hij op in Riga in Letland dat op dat moment nog deel uitmaakt van de Sovjet Unie. Het is een gezin met hoogopgeleide en zeer geletterde ouders. Het zusje van Ruben is een talentvolle ballerina. Maar de mensen, en dan vooral de mensen met macht, zijn corrupt. Vader doet werk onder zijn niveau omdat hij tegen het zere been van machthebbers geschopt heeft. Nadat het zusje door koolmonoxidevergiftiging overleden is (krijgt nog een staartje), besluit vader zijn gezin met vervalste papieren (moeder zou joods zijn, maar is dat niet) naar Israël te laten emigreren. Ze stranden in Amsterdam. Moeder heeft al meteen verschrikkelijke heimwee naar Riga en vooral naar het graf van haar overleden dochter. Bovendien vlucht ze in haar Russisch orthodoxe geloof en moet ze helemaal niets van het jodendom hebben. Ruben gaat naar school in Amsterdam. Daar blijkt hij zeer begaafd. Hij wordt verliefd op klasgenote Phaedra Mudmann, de geadopteerde dochter van de puissant rijke directeur van de ‘Armenloterij’. Dit meisje blijft zijn verdere leven een rol spelen. Dagelijks wordt het meisje van en naar school gebracht in een auto met chauffeur. Ondertussen probeert de vader van Ruben de eindjes aan elkaar te knopen door elke baan aan te pakken die hij maar kan krijgen. Het huwelijk van zijn ouders loopt spaak.

Ruben gaat rechten studeren. Zijn studie wordt voor een groot deel betaald door een vrouw die hij in ruil seksuele diensten levert.  Ze is bovendien één van de kopstukken van de Armenloterij. Hij heeft het schrijven van columns onder de knie gekregen en ze vallen op door originaliteit. Ze komen onder ogen van Mudmann die in hem het talent ziet wat hij nodig heeft. Zo komt Ruben te werken in het propagandateam van de Armenloterij. Hij ziet dat er een klein deel van het bedrag aan liefdadigheid wordt besteedt, maar dat het overgrote deel van de opbrengst verdwijnt in de diepe zakken van Mudmann en de zijnen. Ruben Katz wordt een rat in het rattenbedrijf van Mudmann. In de tijd dat Ruben studeert en zijn eerste schreden zet in de Armenloterij, studeert Phaedra Mudmann in Amerika. Maar daar raakt ze aan de drugs en belandt ze in de gevangenis. Als ze uiteindelijk weer in Nederland komt, gaat ze samenwonen met Ruben. Vanwege deze relatie wordt de verteller ontslagen bij de Armenloterij. Zijn ontslag maakt ook een einde aan zijn samenwonen met Phaedra.

Na verloop van tijd duikt Phaedra weer op. Nu als iemand die, samen met haar nieuwe liefde,  een organisatie leidt die de emigratie van westerlingen naar Rusland bevordert. Ze vraagt Ruben mee te gaan om – gezien zijn ervaring bij de Armenloterij – te zorgen voor de propaganda. Samen met mensen uit verschillende West-Europese landen maken ze een reis door Rusland. De reis loopt vast in Kazan. Er ontstaat tussen de deelnemers onenigheid en bovendien breekt er een geheimzinnige ziekte uit. Na een lange quarantaineperiode in Siberië wordt iedereen naar huis gestuurd, maar de mensen die in meer of mindere mate leiding gaven aan de organisatie moeten blijven. Ruben behoort tot dat groepje en Phaedra ook. Phaedra komt om en Ruben krijgt daarvan de schuld en zal daarvoor vervolgd worden…maar dat laatste valt buiten deze roman.

De eerste twee delen lazen vlotjes weg, maar het laatste deel was best taai te noemen. Steeds keert het lot zich tegen de hoofdpersoon zonder dat helemaal duidelijk is waarom. Waarom wil Mudmann zo graag dat Ruben de relatie met Phaedra eindigt. Waarom ontslaat hij één van zijn talentvolste creatievelingen. Een paar argumentjes worden er gegeven, maar te weinig om het echt geloofwaardig te maken. Waarom wil Mudmann Ruben voor de moord op zijn dochter laten opdraaien; er is geen enkel bewijs dat hij er de hand in heeft gehad. Zo zijn er nog veel meer vragen waar niet echt een antwoord op komt. Ik vind dat moeilijk.

Ruben zet zichzelf wel erg neer als een genie. Niet alleen blijkt hij binnen weinig tijd vele talen te kunnen leren en is hij de grote creatieve kracht achter de Armenloterij, ook op seksueel gebied is hij een geweldenaar. De vrouwen komen op hem af als vliegen op de stroop. Eigenlijk is Ruben qua karakter behoorlijk plat; er zit weinig ontwikkeling in.

Aan de andere kant is Pieter Waterdrinker een verteller pur sang. Zeker tot aan de Ruslandreis leest het boek lekker weg. Daarna – want dan heb je al een heel eind gelezen – wil je ook weten hoe het afloopt. Niet direct mijn favoriete boek, maar desalniettemin aardig om te lezen. En voor Mudmann leze men Poelmann, zo is mij duidelijk geworden en Poelmann is de stinkend rijk geworden baas van de Postcodeloterij.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 7: Angst.

Alle aanwezige joodse werknemers van het bedrijf Hollandia-Kattenburg werden op 11 november 1942 gearresteerd. Een twintigjarig meisje wees in het geniep aan wie van de joodse medewerkers socialist of communist was. De socialisten en de communisten werden afgevoerd naar de strafgevangenis van Scheveningen alwaar ze verder ‘verhoord’ werden. Met de personeelsadministratie bij de hand werden diezelfde dag de familieleden van de joodse werknemers opgehaald en samen met hen naar kamp Westerbork gebracht. Het toeval wil dat mijn omaatje met mijn toen bijna vierjarige kleutermoeder niet thuis waren toen er zwaar op hun deur – De Nigellestraat nummer 85 – gebonkt werd. Ik ben er pas geleden naar toe geweest: Een beetje een straat maar meer een pleintje. Ik heb er de rust geproefd die er nu heerst. Een paradijselijk pleintje met lage huizen; lucht en ruimte en groen te over; de ideale plek om als kind uit de arbeidersklasse op te groeien.

Mijn opa en oma waren socialisten van het eerste uur. De AJC was hun alles. Voor mijn oma is godsdienst altijd opium voor het volk gebleven; ze moest er niets van hebben. Ze hadden niets met het jodendom. Uitzonderingen: Kippensoep en Peren met Koegel. En vast nog wel meer gerechten, maar meer toch niet. Varkensvlees consumeerden ze met veel plezier en volgens mijn omaatje konden alleen kapitalisten zich de koosjere keuken permitteren. De oorlog en de nazi’s hebben joden van hen gemaakt. En dus waren ze bang toen de nazi’s het hier voor het zeggen kregen. Toen mijn grootvader opgepakt was, werd de nachtmerrie werkelijkheid. Ik probeer me in te leven in mijn omaatje van toen. Wat moet ze toen gevoeld hebben. Verdriet en angst zullen gestreden hebben om de boventoon. Sta je er ineens helemaal alleen voor met je kleuter terwijl je van alle kanten wordt bedreigd. Niemand om je diepste angsten mee te delen; eigenlijk is je diepste angst uitgekomen. Waar naar toe nu je eigen huis geen veilige plek bleek…

Voor zover ik weet heeft mijn oma een tijdje met mijn moeder van veilig adres naar veilig adres gezworven. Toen heeft ze besloten mijn moeder bij vrienden onder te brengen zodat ze zelf meer armslag had. Mijn kleutermoeder kwam via via bij bloembollenbaron en barones Van Santen terecht alwaar ze het gelukkige leventje ging leiden van een rijk gereformeerd meisje.

Mijn grootvader werd naar Scheveningen afgevoerd. Geen pretje. Het staat op het kaartje van de Joodse Raad. Er zijn veel getuigenissen over hoe het er in die gevangenis aan toe ging. Van wat mijn grootvader daar heeft moeten ondergaan kan ik me alleen maar een voorstelling maken, weten doe ik niets. Ik projecteer mijn angst voor pijn op hem en weet me met mijn angst geen raad.

De angst die we wel bijna kunnen ruiken, is de angst van Martha Korthagen; dat twintigjarige meisje die in het geniep de socialisten en de communisten aanwees. Zij wist dat ze iets heel erg fout had gedaan. Dat ik daar nu mild over oordeel – twintig jaar, zwaar bedreigd etc. – maakt voor haar weinig uit. Ze was doodsbang voor de gevolgen van haar verraad en besloot te vluchten. Ze vroeg een paspoort aan en  vluchtte naar Duitsland waar ze zich veilig waande voor de wraak van het verzet.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 6: De razzia

In het zesde deel van dat gigantische werk van professor De Jong over Nederland en de Tweede Wereldoorlog komen we de catastrofe van Hollandia-Kattenburg tegen. Ook wat eraan vooraf ging en hoe het uiteindelijk uitpakte. Hoewel onze Martha in zijn boek niet bij naam en toenaam wordt genoemd en zeker niet haar leeftijd van destijds, erkent De Jonge wel de cruciale rol die ze speelde. Ondanks haar beruchte rol, erodeerde haar naam weg in de loop van de tijd. Net als de namen van ‘haar’ slachtoffers. Zie de herdenkingszuil op het IJplein…wie kijkt daar nog naar? Martha Korthagen komt voor in weinig verhalen. Hier, op mijn website, en heel soms in een artikel of op een andere website, doemt ze nog een keertje op. Dan weer als de duivel zelve, dan weer als dat naïeve twintigjarige meisje; meer slachtoffer dan dader. Ik denk toch meer aan slachtoffer. Aan de andere kant rust het noodlot van een slordige negenhonderd mensen op haar frêle schoudertjes. Dat is niet niks…

Martha Korthagen

Op het onderduikadres van Sally Dormits vonden de nazi’s in oktober 1942 de ledenlijst van zijn communistische Nederlandse Volksmilitie. De tweehonderd mensen op die lijst werden gearresteerd en naar een schoolgebouw aan de Mathenesserdijk in Rotterdam gebracht dat toen even als kazerne dienst deed. Daar ging men niet bepaald zachtzinnig met de arrestanten om. Naar verluidt was de vloer zo smerig geworden dat de Sicherheitsdienst met een Jodin de vloer dweilden. Dat tot groot plezier van de daar aanwezige nazi’s. Naast de ledenlijsten vond men op dat onderduikadres dus ook dat notitieboekje met daarin de naam van Martha Korthagen.

De verhalen over wat er vervolgens gebeurde met Martha lopen wat uiteen. Volgens de ene bron werd de hele familie Korthagen in een auto geladen en naar Scheveningen gebracht, volgens een andere bron alleen Martha. De ene bron spreekt van een verhoor van zes uur terwijl Martha voortdurend uitzicht had op de binnenplaats waar haar familie stond. Zij zouden klappen hebben gekregen als Martha het ‘verkeerde’ antwoord gaf. De andere bron (Loe de Jong, dus) maakt het wat minder dramatisch; de nazi’s dreigden haar dood te schieten als ze niet ‘de waarheid’ zou vertellen. En dus bekende ze dat ze een tijdje bij Hollandia Kattenburg had gewerkt en dat ze daar de communistische leden van de NVM kende en ook de andere socialistische agitatoren… Dit was een spekkie naar het bekkie van Rauter, de opperbaas, en voor Wölk, de onderbaas, die de NVM operatie leidde. Eindelijk kreeg Rauter de mogelijkheid om van een aantal mensen met een Sperr af te komen; om zijn treinen vol naar het oosten te laten rijden; om van wat Rüstungsjuden af te komen.

Op 11 november 1942 werd de Hollandia-Kattenburg fabriek hermetisch afgesloten. De joodse medewerkers werden volgens de verhalen, hardhandig van de niet-joodse medewerkers gescheiden. Vervolgens werden de joodse werknemers langs een luik gevoerd waarachter Martha zat. Zij gaf aan wie van de joden actief socialist of communist was. Alle joodse medewerkers werden weggevoerd. De socialisten en communisten naar de strafgevangenis van Scheveningen de anderen naar Westerbork. Mijn grootvader, die nooit mijn opa werd, bracht men naar Scheveningen; hij was, net als mijn oma, zeer enthousiast lid van de AJC; een socialist in hart en nieren. Omdat de nazi’s na de inval in de fabriek de beschikking hadden over de personeelsadministratie kon men dezelfde dag ook nog de joodse familieleden van huis halen. Mijn oma was niet thuis toen ze haar en mijn ma kwamen halen. Vandaar dat ik nu in staat ben om deze geschiedenis op te schrijven.

AJC brochure met omslag van Fré Cohen

Forum voor Democratie; the end!

Je had er op kunnen wachten maar nog voordat Forum voor Democratie geheel instortte, kwam Thierry Baudet al met de aantijging dat de verkiezingen van maart in Nederland vast oneerlijk zouden verlopen. Die ontwrichtende beschuldigingen had hij zijn narcistische evenknie in Amerika zien doen dus waarom hij niet ook, moet onze Thierry gedacht hebben. Gelukkig voor iedereen zakte de partij voordien al door haar hoeven; de integriteit van de Nederlandse verkiezingen hoefde niet eens ter discussie gesteld te worden. Baudet vond dat hij de mensen waarmee hij na de verkiezingen een fractie zou gaan vormen in de tweede kamer, moest uitleggen hoe de wereld in elkaar zat. Volgens de leider van Forum voor Democratie wordt de wereld geregeerd door geslepen joden die profijt trekken van alle leed die er op deze aardkloot heerst. Ja, ja; dus vooral van het corona virus. Die akelige joden ook. De antisemitische versie van racisme na tachtig jaar ineens weer terug in de Nederlandse politiek. Kennelijk kwamen velen op dat kieslijstje van Forum ineens tot hun positieven. Kennelijk waren er in hun brein nog voldoende resten moraal en fatsoen over om geheel en al op tilt te slaan. Aldus geschiedde.

Sommigen sloegen helemaal niet op tilt. Wybren van Haga, bijvoorbeeld. De paria. De man die uit de VVD Kamerfractie was gezet vanwege een gebrek aan integriteit. Een Amsterdamse huisjesmelker van de buitencategorie. Hij moet gedacht hebben dat hij langer uit de overheidsruif kon eten als hij zich onvoorwaardelijk loyaal toonde aan de leider. Bovendien wilde hij ook wel de klus klaren om de succesvolle ontwrichting van het wat simpelere volk met behulp van vreemde complottheorieën naar het volgende niveau te tillen. En dus zat Van Haga aan bij onze opper completdenker Lange Frans en filosofeerde over een pedofielennetwerk in de hogere sociaaldemocratische kringen. Machtigen die uit het bloed van kinderen een onsterfelijkheidselixer destilleren. Nee, Lange Frans is niet persé een antisemiet anders had hij wel geweten dat in het oosten de pogroms tegen de joden doorgaans met een beschuldiging begon over bloed van christenkinderen dat gebruikt werd bij de bereiding van hun matzes…

Ach Van Haga, wie maalt er om; een rat die graag rat wil blijven. Maar er is er één die ook geen problemen heeft met het onverhuld racisme van Baudet: Paul Cliteur. Toch een heel ander verhaal dan Van Haga de rat. Paul Cliteur is hoogleraar. Leerde ik van mijn moeder nog dat professor worden toch wel het hoogste was wat je kon bereiken, sinds Gloria Wekker en Roos Vonk weet ik wel beter. En ja, in het rijtje van wetenschappelijke charlatans vind ik ook Paul Cliteur. Zonder blikken of blozen zegt hij dat er veel teveel linkse mensen aan de universiteit werken. Hij vindt dat iedereen die bij de universiteit werkt moet vertellen wat zijn of haar politieke oriëntatie is – waar diegene kortom op stemt – om dat vervolgens te laten meewegen bij de aanstelling. Een onmogelijke inbreuk op het stemgeheim! Bovendien een ongewenste verwarring van wetenschap en politiek. Hij ontpopte zich tot één van de trouwste volgelingen van Baudet. Strijden Vonk en Wekker nog tot het uiterste, Paul Cliteur is daar ook nog eens een slappe lul bij; als het even tegenzit ‘heeft hij er geen zin meer in’.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 5: De leider van de NVM

Als je dat verhaal wat ik aan het vertellen ben over mijn grootvader, probeert te volgen, dan moet je nu wel aardig wanhopig zijn. Op z’n minst moet je al je motivatie om verder te lezen wel verloren hebben. Een hele maand zit er tussen het vorige stukje over de verliefde Martha en wat ik hier en nu zit te schrijven. Dat is zo stroperig en zo langzaam… Ik wilde wel, maar het ging niet. Bij mij was de inspiratie om te schrijven helemaal weg. Laat ik proberen om de draad weer op te pakken. Laten we onze focus terugzetten op die tasjesdief die zich in oktober 1942 op het politiebureau zomaar door zijn hoofd schoot. Nou ja, ‘zo maar’… We gaan het zien.

Het is opmerkelijk als een arrestant  zich door het hoofd schiet. Het in bezit hebben van een pistool is al vreemd. En dan jezelf door het hoofdschieten. Om een luttel gestolen tasje. Daar moest meer aan de hand zijn, moeten de onverschrokken helden van de politie gedacht hebben. De dienders doorzochten alles wat de man bij zich had en vonden in één van zijn zakken een textielbon. Op die bon een naam: Dormits. Samuel Zacharias Dormits! Sally Dormits! En toen rinkelden alle nazistische-politie-alarmbellen, want die man werd gezocht! Na een brandstichting in een opslagplaats van de Wehrmacht in Den Haag waarbij de stro- en hooivoorraad volledig verloren was gegaan, had men via een in de haast achtergelaten fiets kunnen achterhalen dat Sally Dormits betrokken was bij de aanslag. En…de groep rond Dormits werd verdacht van diverse andere – in meer of mindere mate geslaagde – aanslagen. Geruchtmakend was de aanslag op een spoorbrug in Rotterdam. Het was dat hij mislukte, maar als de aanslag geslaagd was, dan waren er een hoop Duitse soldaten omgekomen. Het koste de rechercheurs niet veel moeite om aan het onderduikadres van Sally Dormits te vinden.

Dormits was een strijdbare communist die onder anderen had meegevochten in de Spaanse burgeroorlog. Terug in Nederland en geconfronteerd met de Duitse bezetting, was het wel duidelijk dat hij verzet zou plegen. Kennelijk wilde hij zich niet aansluiten bij de Communistische Partij Nederland, maar wilde hij een eigen groep. De CPN had vanaf het begin al meteen de hoogste veiligheidsmaatregelen genomen. Zo werden namen en adressen met de hoogst mogelijke voorzichtigheid bewaard. Dat vond Sally Dormits niet echt nodig. (Even tussen haakjes; zoek je echt een schuldige voor wat mijn grootvader uiteindelijk overkwam…de ijdelheid van een communistische splintergroep die zwaar amateuristisch te werk ging! Maar dat is ook weer niet eerlijk, want uiteindelijk waren het natuurlijk de nazi’s…). Toen het onderduikadres van Sally Dormits gevonden was vond men de ledenlijsten van de door hem geleidde Nederlandse Volksmilitie, de NVM. Die lijsten waren weliswaar gecodeerd, maar die codering hadden de jongens van de meteen opgeroepen Sicherheitsdienst in no-time gekraakt. En toen hadden de nazi’s een mooi en schoon lijstje voor huisbezoek en het duurde niet lang of de hele NVM, inclusief de adspirantleden, waren opgepakt, gemarteld en vermoord…meteen of op termijn. Nog voor het eind van oktober 1942.

Die gecodeerde ledenlijst was niet het enige op dat onderduikadres; men vond er ook een notitieboekje. In dat notitieboekje stond een naam die de politie naar een meisje in Amsterdam Noord leidde. Naar haar adres: Sperwerlaan 11…

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 4: Verliefde Martha

En hier de volgende hoofdrolspeler in het Kattenburgdrama: Martha. Twintig jaar. Tot over d’r oren verliefd op een joodse jongen. Wie misgunt een twintigjarig meisje haar liefde? Niemand, toch? Martha Korthage uit Amsterdam-Noord. Ze woonde met haar ouders en broertjes en zusjes in de Sperwerlaan 11. We zijn Hollandia-Kattenburg genaderd, want de fabriek van de firma Hollandia-Kattenburg stond ook in de vogeltjesbuurt van Amsterdam-Noord; aan de Valkenweg en dus bij Martha om de hoek. Nog geen twee minuten lopen. Ze had er een blauwe maandag gewerkt. Wellicht dat ze in de fabriek, op de werkvloer haar vriendje had leren kennen, we weten het niet. Martha werd ontslagen wegens onzedig gedrag; waarschijnlijk had ze staan zoenen met haar joodse vriendje onder werktijd.

De vogeltjesbuurt in Amsterdam-Noord 1940

Er werkten veel joodse mensen bij Hollandia Kattenburg. De directeur, Jacques Kattenburg, was van joodse komaf. Of dat de reden was dat er zoveel joodse mensen werkten; het zou kunnen. Wat betekende het eigenlijk om joods te zijn in Amsterdam voordat de tweede wereldoorlog ook Nederland in haar klauwen kreeg? Niets, helemaal niets.

Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen…maar nauwelijks in Amsterdam. De Amsterdamse wethouder voor onderwijs en kunstzaken – maar ook statisticus – Emanuel Boekman, deed in de jaren dertig onderzoek naar de demografie van de joden in Nederland. Hij constateerde dat de meeste Nederlandse joden in Amsterdam woonde en dat ongeveer negen procent van de Amsterdammers een joodse achtergrond had. Bovendien maakte hij, met de volkstellingen vanaf 1905 als leidraad een lijstje dat liet zien hoe de Amsterdamse bevolking en het joodse deel steeds meer één geheel werden. Hij liet zien dat vanaf 1905 het aantal gemengde huwelijken tussen joden en niet-joden in rap tempo toenam; dat je partner al of niet joods was, werd steeds minder belangrijk. In 1930 trouwde één op de vijf joden met een niet-jood. Dat onze Martha verliefd werd op een jodenjongen en hij op haar is dus helemaal niet gek. En dat die jodenjongen plotseling verdwenen was, was ook niet zo heel gek in de tijd nadat de nazi’s Nederland hadden overgenomen. Van dat gemoedelijke Amsterdam zonder scheiding tussen joden en niet-joden was weinig overgebleven. Jonge joodse mannen waren vaak het doelwit van de nazi’s in de beginjaren van de oorlog. Die werden zomaar opgepakt en – toen nog – naar Mauthausen gebracht waar ze al snel overleden en de overlijdensberichten drongen toen nog door in Amsterdam. Mauthausen was een schrikbeeld. Met Mauthausen werd voortdurend gedreigd. De angst zat er goed in. Velen kozen voor onderduik. Zo ook het vriendje van onze Martha.

Het Joodsche Weekblad van 7 augustus 1942

Gedumpt door je grote liefde. Bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal is je eerste liefde ook je grote liefde. Ze moet wanhopig zijn geweest van liefdesverdriet. Zo sta je nog te zoenen en dan is hij, zonder boe af bah, verdwenen. Niemand die haar iets kon vertellen over haar vriendje. Toen moet ze gehoord hebben dat hij ondergedoken zat. Hoe kom je erachter waar iemand ondergedoken zit? Via het verzet. Ze zal links gevraagd hebben en rechts gesmeekt…niemand kan haar verwijten dat ze dat deed; je hoofd wordt erg schimmig als het bezeten is van liefde. Zo kwam de naam van Martha Korthagen terecht in een notitieboekje van verzetsstrijder Sally Dormits die ik in de vorige aflevering van dit vervolgverhaal een kogel door zijn hoofd heb laten schieten als gearresteerde tasjesdief op het politiebureau in Rotterdam. De naam van verliefde Martha in het notitieboekje van Sally Dormits, zou een akelige staart krijgen.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 3: De tasjesdief.

Rauter kon in 1942 maar moeilijk aan zijn verplichtingen voldoen, de stakker. Hij had er moeite mee de treinen naar het oosten te vullen met joden. In de loop van 1942 had hij van hoger hand targets opgelegd gekregen en hoewel hij de joodse bevolking niets dan slechts toewenste en er joden genoeg voor handen waren, lukte het hem niet om die targets te halen. Iedereen had wel een reden om niet gedeporteerd te worden. Maar gelukkig voor hem, daar kwam verandering in…er ging iets gebeuren. Zelfs de Rüstungsjuden van Hollandia-Kattenburg zouden de dans niet ontspringen… Er was een aanleiding nodig. Die aanleiding zou niet lang op zich laten wachten in 1942 maar had wel een aanloopje nodig. Een klein aanloopje.

In oktober 1942 gebeurde er iets opmerkelijks in Rotterdam. Een ordinaire tasjesroof. Eigenlijk meer een diefstal. Bij de bakker zag ene  Sally Dormits een onbeheerd handtasje staan. Omdat hij verschrikkelijk omhoog zat om bepaalde spullen en hij vermoedde dat ze in dat tasje zaten, stopte hij het vergeten handtasje ongezien in de aktetas die hij bij zich had. Toen de bezitster van het tasje thuis ontdekte dat ze haar tasje met haar hele hebben en houden bij de bakker vergeten moest zijn, repte ze zich terug. Daar zag ze haar tas niet. Wel een slungelige jongeman met een brilletje en een uitpuilende aktentas.

De vrouw overzag het strijdperk; een bakkerszaak in Rotterdam; tasje weg; slungel met een uitpuilende aktetas. De verdachte was binnen enkele seconden gevonden. ‘Waar is mijn tas, ik ben hem vijf minuten geleden vergeten en toen stond hij hier,’ zal ze gezegd hebben. Op dat moment werd het Sally Dormits wat te heet onder zijn voeten. Ik denk dat hij ongezien de pleiterik wilde maken. ‘Hier blijven!’ zal de vrouw geroepen hebben. Anderen hielpen de vrouw door voor de uitgang van de bakkerij te gaan staan. Sally Dormits kon geen kant op. ‘Laat jij eens zien wat je in de uitpuilende tas hebt?’ Vroeg ze op een toon die echt niet vriendelijk was terwijl ze dreigend dichterbij kwam. Hij drukte zijn tas beschermend tegen zich aan. Maar de vrouw gaf zich niet zomaar gewonnen en rukte de aktetas uit zijn hand en opende hem en vond haar handtasje. Mocht hij nog gehoopt hebben dat dat dat het was, mooi niet. Voor een afloop met een sisser was het te laat, want welke vrouw laat haar tasje stelen? Er ontstond veel reuring. In ieder geval staat vast dat iemand Dormits stevig in de greep nam en dat viel een juist op dat moment langslopende diender op. Geen gewone diender  maar een lid van de Vrijwillige Hulppolitie die in 1942 door de nazi’s was opgericht. Lid werd je van deze hulppolitie als je het geen enkel probleem vond om wat joodse mensen – mannen, vrouwen, kinderen, oudjes – op te pakken om ze naar de hel te sturen. Zo iemand dus.

Sally Dormits

Sally Dormits werd naar het bureau aan de Rotterdamse Oostervantstraat gebracht. Professionals fouilleren bij arrestatie, maar die stap was door de hobby politieagent overgeslagen. Toen men dat alsnog wilde doen, trok Dormits een pistool uit zijn kleren en schoot zichzelf door het hoofd. Nog niet helemaal dood werd Dormits in allerijl naar het ziekenhuis aan de Coolsingel gebracht alwaar hij overleed.

So far so good. Ware het hier bij gebleven – een handtasjesdief schiet zich door zijn hoofd – dan was het verhaal hiermee afgelopen. Maar het mocht helaas niet zo zijn…

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 2: Rauter.

Als je een column een nummer meegeeft – deel 1, dus – dan verwacht je een vervolg. Heus, dat vervolg komt er wel, maar het gaat allemaal niet zo snel. Die tentoonstelling – je-weet-wel-over-wie – houdt mij vreselijk bezig. Eigenlijk is het een argument dat helemaal nergens op slaat; ga door met deel 2 van je Hollandia Kattenburg verhaal en hou op met zeuren!

Het verhaal. Hoe vervolg ik het? Moet ik verder gaan met de tasjesroof? Dat opstootje in 1942 dat de opmaat betekende voor alle ellende? Nee, eerst maar eens hoog over; ik heb niet voor niets dat onovertroffen boek van Theo Gerritse gekocht over Rauter[*]. Gerritse biedt een inkijkje in wat er voorafgaand aan 11 november 1942 allemaal speelde in Nazikringen. In januari 1942 was op de Wannsee conferentie besloten dat Europa Judenfrei zou worden, dat was stap één. De praktische uitvoering was stap twee. Met die stap twee was Hans Albin Rauter belast. Een veel moeilijkere taak dan zo op het eerste gezicht leek. Hoe vervoer je meer dan 100.000 mensen naar het oosten van Europa zonder noemenswaardig protest? Hoe voorkom je dat de andere Nederlanders tegen de deportaties in opstand komen?

De Februaristaking in 1941 had best voor wat beroering gezorgd in nazikringen. Die staking was een reactie op een razzia waarbij joden waren opgepakt. Kennelijk waren die Nederlanders lang niet zo racistisch als gehoopt was. Het moest dus slinks gaan, met list en bedrog. En nee, het kwam helemaal niet goed uit dat collega Schmidt in een toespraak van leer ging en beloofde dat hij al die joden zou gaan uitroeien; dat bracht maar onrust. Heus, Rauter en Schmidt waren het inhoudelijk helemaal met elkaar eens, maar hun tactiek was nogal verschillend. Rauter had targets gekregen van bovenbazen Himmler en Eichmann. In 1942 moest hij ervoor zorgen dat er duizenden joden gedeporteerd werden terwijl alles hem leek tegen te werken. Om te voorkomen dat er stakingen en opstanden zouden uitbreken, moest hij uitkijken met teveel openlijk geweld. Op de oproep om zich vrijwillig te melden, kwam maar de helft van de joden opdagen. Dan waren er nog duizenden joden die om de één of andere manier vrijstelling hadden om gedeporteerd te worden. Eigenlijk bijna iedereen met een baan of een studie. Daar werd geleidelijk wel wat paal en perk aan gesteld, maar voor de joden die werkten in fabrieken die aan het Duitse leger leverden, bleef onverminderd de ‘Sperr’ van kracht.

Bij Hollandia-Kattenburg werden grondzeilen en regenjassen gemaakt voor het Duitse leger; waterdichte grondzeilen en waterdichte regenjassen. Iedereen die in die fabriek in Amsterdam-Noord werkte, was hard nodig. Een derde van de werknemers en de directeuren (al waren ze uit hun functie, ze speelde op de achtergrond een grote rol) waren van joodse komaf.

Zo’n ‘Sperr’ lijkt wel fijn als je hem hebt, maar achteraf was dat ook dé gewiekste manier om mensen te misleiden. Door de angst om de Sperr te verliezen deed men angstvallig wat de nazi’s vroegen. Het verdeelde de slachtoffers in mensen met een Sperr en mensen zonder en hoewel men best medelijden had met degene zonder sperr – die rücksichtslos werden gedeporteerd – was de angst om de eigen positie te verliezen veel te groot om ook maar te denken aan in opstand komen. Heus, er was wel tegenstand, we gaan er nog van horen, maar die was niet groot.

De mensen met een Sperr waren een doorn in het oog van Hans Albin Rauter ook de zogenaamde Rüstungsjuden bij Hollandia Kattenburg. Hij moest zijn targets halen. Weg al die joden. Weg uit Nederland.

Natuurlijk kreeg hij uiteindelijk zijn zin, die Rauter.


[*] Gerritse, T. (2018). Rauter: Himmlers vuist in Nederland (Dutch Edition) (2de editie). Boom.