Categoriearchief: columns

Op vakantie in Putten

Monument 2 october 1942 in Putten

Als je in Putten op vakantie bent – en dat zijn wij – dan bezoek je het monument. Het monument bestaat uit een beeld van Marie Andriessen en stelt een rouwende vrouw in Puttense klederdracht voor wiens mannelijke familieleden werden weggevoerd naar ellende en dood. Ze staat er sober en helder in een klein herdenkingsparkje en het schrijnende verdriet druipt van haar af. Ik vind het een mooi beeld en een gepast monument ter nagedachtenis aan de meedogenloze terreurdaad die door de nazi’s in de laatste periode van de tweede wereldoorlog werd begaan. In het nabijgelegen bezoekerscentrum wordt het verhaal van de razzia van 2 oktober 1944 verteld. Zeker een indrukwekkend verhaal.

Rond de tijd van de mislukte slag om ‘The bridge too far’ in Arnhem, waren de relatief ongeorganiseerde Nederlandse verzetslieden door koningin Wilhelmina op afstand gevormd tot een ware gevechtseenheid onder leiding van prins Bernhard. Een van de verzetsgroepen had de opdracht gekregen om een auto met Duitse hoge officieren op te wachten en alle inzittenden te doden. Na gedane arbeid had de auto, inclusief lijken, verdonkeremaand moeten worden zodat niemand te weten zou komen hoe of waar. Maar helaas, de aanslag liep niet zoals voorbereid en drie van de vier inzittenden van de auto in kwestie, wisten te ontsnappen. Verdonkeremanen van auto en lijk had daardoor weinig zin en de verzetsgroep maakte dat ze weg kwam en dus bleef de doorzeefde auto op de weg vlakbij Putten staan. Dit had best grote gevolgen…

Het dorp Putten werd omsingeld. Alle mensen werden uit hun huizen gehaald. Alle mannen tussen de zeventien en vijftig – een slordige zeshonderdvijftig mannen – werden overgedragen aan de SS die hen verder transporteerde naar noord Duitsland waar ze in het concentratiekamp Neuengamme werden opgesloten. Daar werden ze gedwongen om zich onder erbarmelijke omstandigheden dood te werken. De vrouwen en kinderen en ouderen werd gesommeerd het dorp te verlaten. Putten werd platgebrand. Terecht wordt hier heel veel aandacht aan geschonken. In het plaatselijke museumpje ‘Tien malen’ dat wij bezochten, worden brieven tentoongesteld van koningin Wilhelmina die de rouwende weduwen, zussen en moeders enige troost moesten bieden. Indrukwekkend!

Maar toch…Ik kan het niet laten…(kan je leed vergelijken?)…

Op 11 november 1942 werd de confectiefabriek Hollandia-Kattenburg omsingeld. Alle joodse werknemers werden gearresteerd; ongeveer de helft van de mensen die daar werkten. Ondertussen waren de gezinnen van de gevangengenomen werknemers ook opgehaald. Samen werden ze naar Westerbork vervoerd en vandaar naar de dood in Polen. Dat waren een slordige achthonderdvijftig mensen. Maar joden, dus. Anders dan Puttenaren, denk ik. Een van de werknemers was mijn grootvader (die dus nooit mijn opa is geworden). Oma en mijn moeder waren niet thuis toen de joden-ophaaldienst aanbelde…Enige troost van koninklijke zijde kwam afgelopen 5 mei; een slordige tachtig jaar na dato…treurende weduwe-oma was toen al achttien jaar overleden.

Brief van koningin Wilhelmina ter ondersteuning van een Puttense weduwe.

Tussen Otterlo en Harskamp.

Als je van Otterlo naar Harskamp fietst, krijg je ongeveer halverwege te maken met een varkensbedrijf die je in een klap duidelijk maakt wat er mis is in de vleessector. De stank is adembenemend. Dat is geen gezonde boerenlucht meer, dit is de reinste luchtvervuiling. Je denkt dat je een bos nadert, maar nog voor je de loods tussen die rijen bomen ontdekt, slaat de stank al op je keel. Zelfs als het flink doorwaait. En wij staan op gepaste afstand van die stal en relatief gezien hebben we een slecht ontwikkeld reukorgaan. Vergelijk dat eens met een varken; het beest ruikt een truffel onder de grond op meters afstand. Hoe moet het voor een varken met zo’n gevoelige neus zijn om in de ondragelijke ammoniak- en strontgeur te bivakkeren? Nee, niet voor die twee minuten die het mij kost om erlangs te fietsen, maar zijn hele verrotte leven lang. Denk daar eens aan! Ja, Frits, denk daar eens aan als je weer eens een lekkere sappige varkenshaas staat te bakken… Het maakt duidelijk dat het dus heel anders moet. Die ene varkensmesterij halverwege Otterlo en Harskamp maakt het duidelijk dat er heel wat mis is in de Nederlandse landbouw.

Ik ben een stadse jongen en weet te weinig van het boerenbedrijf om de weg te kunnen wijzen, maar dat we een verkeerde kant op zijn gegroeid, dat is mij wel duidelijk. Helemaal als je bedenkt dat er in de omgeving van Harskamp slechts enkele van deze vleesproducerende bedrijven staan terwijl het er in Brabant helemaal mee volstaat. Dat is gewoon verkeerd, fout en niet goed. Men kan mij van alles wijsmaken over de moderne boerderij, maar ik weet zeker dat we niet op deze manier door kunnen gaan. Bij het kweken van ons voedsel, moeten we met meer respect omgaan met de natuur. We zijn afhankelijk van de natuur en dus moeten we de natuur koesteren. Dat is nu niet het geval.

Mijn trots dat ik in Spanje, Italië, Duitsland, Tsjechië en eigenlijk overal in Europa, bijna uitsluitend Nederlandse tomaten kan kopen, is omgeslagen in zorgen. Als dat voor tomaten geldt, dan zou het best zo kunnen zijn dat Nederland ook een groot deel van het varkensvlees van Europa produceert. En het rundvlees. En het kippenvlees. De vraag is: Moet een klein dichtbevolkt land voedsel produceren voor heel Europa? Hebben wij daar wel de ruimte voor? Gaat dat niet ten koste van heel veel plaatselijke vervuiling? Veroorzaakt dit niet onevenredig veel dierenleed? Ik denk dat we zo niet door kunnen gaan. Ik denk dat het anders moet.

Het moeilijke van het hele verhaal is, dat ik de boer zijn inkomen gun en ook wil dat het eten van bijvoorbeeld vlees, niet voorbehouden is aan de rijken van het land. Zo doorgaan zoals het nu gaat, kan niet, maar wat het alternatief is…Ik vrees toch dat we ons consumptiepatroon moeten veranderen. Ik kan me niet anders voorstellen dan dat de gehele vleessector flink moet krimpen. Ik denk ook dat we flink veel meer moeten gaan betalen voor onze varkenshaas. Het zij zo…

Fiets eens van Otterlo naar Harskamp en laat me weten wat je denkt als je langs de betreffende ‘vleesproducent’ rijdt…Ik denk: Het kan zo niet langer.

Bonus – Saskia Noort; als je eenmaal begonnen bent…

Als er iets traumatisch in mijn kindertijd is geweest, dan is het wel het liefdesleven van mijn ouders. Als het goed is, dan krijg je daar als kind niets van mee. Je ouders zijn je ouders. Ze zijn er en ze blijven er. Of ze van elkaar houden, het boeit je pas tijdens je pubertijd. Daarvoor is de liefde tussen je ouders even vanzelfsprekend als de liefde die ze voor jou – hun kind – hebben. Mijn pa, zo bleek, was een feestneus tot en met terwijl mijn moeder veel serieuzer in het leven stond. Veel feesten betekent veel drinken en veel drinken betekent een lagere drempel om gehoor te geven aan allerlei leuke impulsen. Om een lang verhaal kort te maken, toen ik net acht jaar oud was, ging mijn pa er met B. vandoor. Ik verviel in volkomen apathie omdat de wereld niet meer klopte en B. werd de meest gehate vrouw in mijn universum. Maar daar eindigde het verhaal niet, want mijn ma kwam ietsjes na de scheiding thuis met T. Een persoon die mijn pa had moeten vergeten, vervangen, overklassen. Na een maandje of wat, werd T. de onbetwist meest gehate man in mijn universum. Scheiden was voor mij lijden, zonder meer. Omdat sindsdien veel ouders het voorbeeld van mijn ouders volgden, vraag je je af of dat lijden van de slachtoffer-kinderen kleiner is geworden. Als ik Saskia Noort mag geloven in haar nieuwe roman ‘Bonus’, dan is dat zeker niet verandert.

In ‘Bonus’ gaat het om een vechtscheiding. De vader in het verhaal gaat er niet alleen met een ander vandoor, maar laat dit volgen door een strijd met de moeder – zijn ex-partner, dus – over van alles en nog wat. Vooral over de vraag wie het over de kinderen voor het zeggen krijgt. En dat zo’n vechtscheiding ver kan gaan, laat dat maar aan Saskia Noort over. ‘Bonus’ is een thriller en bespreek je een thriller dan ben je een vervelende klier als je te veel over de inhoud van het boek zegt. Dat ga ik dan dus ook niet doen. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van de vijftienjarige dochter. Pa is er met zijn secretaresse vandoor gegaan en ja hoor, secretaresse Laura is de meest gehate vrouw in het leven van de hoofdpersoon. Hoe Laura ook haar best doet om het de hoofdpersoon en haar broertje naar de zin te maken, ze blijft tot op het bot gehaat. Zelfs als Laura laat zien dat ze een bondgenoot is in de strijd die de hoofdpersoon voert, wordt ze afgewezen.

Het liefdesleven van de moeder na het huwelijk wordt in geheime video’s en een door moeder opgeschreven verhaal uit de doeken gedaan. Eigenlijk meer haar seksleven. Ongekuist en grof. Als er iets is dat je als kind niet wilt weten en zeker niet mee wil worden lastiggevallen, dan is het wel het seksleven van je ouders. Bij de vijftienjarige hoofdpersoon wordt het seksleven van haar moeder er, bij wijze van spreken, ingeramd. Van dik hout zaagt men planken. Je moeder als hoofdpersoon in een soort van pornovideo, dat is echt niet fijn. En ja, moeders partner wordt de meest gehate man in het universum van de hoofdpersoon.

Saskia Noort schrijft echt verschrikkelijk lekker. Ze weet je aan het boek te binden als geen ander. Na twee hoofdstukken heeft ze je te pakken en laat ze je pas weer los als je het uit hebt. Ik vind dat verschrikkelijk knap want de laatste tijd ben ik een regelrechte bofferd want ik heb veel heel goede boeken gelezen, maar mij zo extreem aan een verhaal binden, dat lukt alleen Saskia Noort. Gisteren werd ik wakker en een van mijn eerste gedachten was om snel dat boek weer op te pakken. Zo ken ik mezelf niet!

Toch, en dat is het rare, blijft Saskia Noort oppervlakkig. Ik heb geen idee waar dat precies aan ligt. Ook als je deze roman leest dan heb je het gevoel dat het om oppervlakkige mensen gaat. Heb je het gevoel dat het verhaal oppervlakkig is. Ik heb lang nagedacht over waarom ik dit denk en voel en lees, maar ik kom er niet echt uit. Het kan zijn omdat Saskia Noort mensen en situaties kiest waarin lusten en instincten de hoofdrol spelen. Misschien. Het kan net zo goed zijn dat het vrijwel geen intellectuele inspanning kost om de roman te lezen. Ik weet het dus echt niet.

Wat jammer is, is dat er een dijk van een fout in de roman zit die ik hier niet kan bespreken. In dat geval zou ik te veel de inhoud van de roman prijsgeven. Dat dit een fout is, is evident. Saskia Noort zal dit zelf ook wel gezien hebben. Ik denk dat ze gewoonweg geen andere oplossing kon bedenken om de roman naar dit punt te brengen. Als ik er iets meer over zeg…nee, doe ik niet; lees zelf maar.

Kortom, de roman ‘Bonus’ van Saskia Noort is een ideaal vakantieboek. Je bent wel een hele vakantiedag kwijt, want stoppen met lezen voordat je het boek uit hebt, gaat je niet meer lukken!

Is antisemitisme racisme?

Ineens was daar de onzekerheid. Over antisemitisme. Staat antisemitisme gelijk aan racisme of niet? Ik had daar zomaar een discussie over met geliefde J. en omdat ik wat zaakjes had nagezocht was ik ervan overtuigd dat die twee begrippen in elkaars verlengde lagen: alle antisemitisme is racisme maar niet alle racisme is antisemitisme. Antisemitisme is racisme naar een bepaalde groep, namelijk de joden. Daarmee nemen joden een speciale plaats in. Net alsof het erger of minder erg is om joden dan om anderen te discrimineren op grond van…achtergrond. Want ja, daar begon ik dus over te twijfelen. Wat wordt nu precies verstaan onder ‘ras’ en wanneer spreek je precies over racisme. Geliefde J. bracht mij – ongetwijfeld onbedoeld – in diepe twijfel want omdat ik meteen Google als getuige erbij wilde halen op het hoogtepunt van discussie, gaf Google slechts matig beargumenteerde meningen als antwoord; tijdens een vurige discussie is Google een slechte getuige. Schrijver dezes wil nog wel eens veel van stal halen tijdens een discussie, in tegenstelling tot geliefde J.. Geliefde J. zet je, met al haar kalmte, gewoon niet zo makkelijk opzij, en dat is maar goed ook. Hoe dan ook, op dat moment kwamen wij er niet goed uit.

Vandaag in de ‘Volkskrant’ een opiniestuk van Karin de Vries. Zij is universitair docent bestuursrecht en in haar stukje in de krant verschaft ze wat duidelijkheid over de begrippen racisme, etniciteit en nationaliteit. Ze neemt het voorbeeld van de ‘minder Marokkanen’ ophitserij van Wilders en vraagt zich af of het hier nu bij Marokkanen om nationaliteit of om ras gaat. Volgens de advocaten van Wilders is het geen racisme want Marokkaans is een nationaliteit en geen etniciteit of ras. Maar Karin de Vries steekt voor die redenatie een stokje en geeft mij meteen antwoord op mijn (en geliefde J. d’r) prangende vraag wat precies racisme is.

Zij heeft het over de goed Nederlandse woorden ‘markers’ en ‘triggers’ die de kern vormen van gedrag dat je racisme noemt. Markers, kenmerken dus, zijn eigenschappen van groepen mensen waarmee ze zich onderscheiden van andere groepen maar waar ze niets aan kunnen doen of veranderen. Triggers, aanleidingen dus, zorgen ervoor dat men op grond van markers onderscheid tussen groepen gaat maken en dat is dus racisme. Om nog eens terug te komen op Geert Wilders en zijn hetze tegen Marokkanen. Van de Marokkaanse nationaliteit kan je niet afkomen. Je bent Marokkaan en je blijft Marokkaan, of je het wilt of niet. De Marokkaanse nationaliteit is, in tegenstelling tot de Nederlandse nationaliteit, een eigenschap cq marker van iemand en die kun je niet veranderen. Als je ‘minder Marokkanen’ scandeert, gaat het om mensen die er niets aan kunnen doen of kunnen veranderen dat ze de eigenschap cq marker Marokkaan hebben. Volgens de definitie van Karin de Vries gaat het in dit geval dus wel degelijk om racisme en…Meneer Wilders, racisme mag niet in Nederland en dus: Verschuil je niet achter allerlei trucjes, maar leg voor de rechter verantwoording af over je racistische gedrag!

Komen we weer bij antisemitisme want dat was de discussie tussen geliefde J. en mij. Je bent jood of je bent het niet. Veel er aan veranderen, kan niet. Heb je een joodse moeder, dan ben je jood, heb je die niet, dan ben je geen jood. Je hbt het ermee te doen en dat is dat. Daarmee is het dus racisme als je onderscheid maakt tussen joden en niet-joden. In principe werkt dat twee kanten op, racisme vanuit het perspectief van joden en vanuit het perspectief van de niet-joden. Het ene perspectief is kwaadaardiger dan het andere perspectief. Maar beiden zijn puur racisme.

De avond is ongemak – Marieke Lucas Rijneveld; subliem.

Doordat ik inmiddels jarenlang meelees met de Librisliteratuurprijs, voel ik enige verantwoordelijkheid voor boeken die onterecht verloren hebben of onterecht niet eens op de shortlist terecht zijn gekomen. Ik heb net ‘De avond is ongemak’ uit van Marieke Lucas Rijneveld en dan verbaas je erover dat ik het nog niet gelezen heb; het is toch één van de allerbeste romans van de afgelopen jaren. Zo’n overweldigende roman zou toch minstens op één van de shortlisten hebben moeten staan van die prijs; en de boeken op de shortlist heb ik allemaal gelezen. Maar nee, dus. De roman staat wel op de longlist van 2019; dat jaar waar men (ik vermoed per ongeluk) de slechtste roman als winnaar aanwees. Onbegrijpelijk, nog steeds. Ik had die longlist nog nooit bekeken; een boel boeken van die lijst heb ik nog niet gelezen, maar de boeken die ik wel gelezen heb zijn stuk voor stuk beter dan de uiteindelijke winnaar. Maar goed, het gaat nu niet om de Librisliteratuurprijs of wat ik van die prijs vind, maar om de roman van Marieke Lucas Rijneveld. Mijn eindoordeel is eigenlijk al geveld; een juweeltje. Ik heb hem in één ruk uitgelezen. Echt een heel mooi boek! In een artikel van W.F. Hermans, de eeuwige mopperaar, heb ik eens gelezen dat hij een roman (van een ander) best goed vond, maar dat een schrijver zich moest bewijzen in een oeuvre. Nu ik de roman ‘De avond is ongemak’ heb gelezen denk ik daar heel anders over; Marieke Lucas Rijneveld heeft zich bewezen en als ze er nu de brui aan geeft, dan is dat prima en gaat ze toch de geschiedenis in als een groot auteur.

De roman is een boerenroman. De vergelijking met andere romans die zich in gereformeerde boerenkringen afspelen, dringt zich erg aan mij op. Ik moet dan vooral denken aan de boeken van Franca Treur en Josien Laurier. Misschien is opgroeiend meisje in een gereformeerd boeren milieu wel iets van een genre aan het worden. Ik zie toch wel degelijk een heel groot verschil tussen de roman van Rijneveld en de anderen; bij Treur en Laurier wordt de beklemming gevormd door het geloof en probeert de hoofdpersoon daaruit te komen. Marieke Lucas Rijneveld probeert niet uit de klem van het geloof te komen. In haar roman is het geloof, net als de koeien en de natuur en de boerderij, onderdeel van het decor waartegen de roman zich afspeelt. De beklemming vindt in haar roman zijn oorsprong in dood en opgekropte, onverwerkte rouw.

Aan het begin van de roman zakt oudste broer Matthies door het ijs en verdrinkt. In het gereformeerde boerengezin beheerst dit noodlottig ongeval alles. Moeder eet nauwelijks meer en heeft, door verdriet en rouw overmand, nauwelijks aandacht en tijd voor het gezin. Vader is vrijwel uitsluitend met de boerderij bezig en de koeien. Grote broer Obbe straft zichzelf en anderen met erotisch geladen en vaak wrede spelletjes. Klein zusje Hannah probeert de troost van iedereen te zijn en de hoofdpersoon heeft zich in haar jas verschanst en weigert eruit te komen.  Maar niet alleen verschanst ze zich in haar jas, maar ook in haar fantasie. Zo bedenkt ze dat alles weer goed gaat komen in de natuur als dieren, maar vooral haar ouders, weer gaan paren. De twee padden die ze in het begin van de roman vangt stopt ze in een emmer die in haar kamertje staat. Als ze gaan paren, dan komt alles goed, denkt de hoofdpersoon. Maar de padden eten niet en kwijnen weg zonder dat ze paren. Het lijkt een parallel te zijn met haar ouders. Verder weet de hoofdpersoon zeker dat er joden in de kelder ondergedoken zitten.

Een roman vol anus, poepgaatjes, stront, poep en mest. Zelden in een roman zoveel anale fixatie tegelijkertijd gezien. Dat weer samen met de focus op ‘paren’ maar ook de erotische spelletjes die de kinderen onderling spelen. Het maakt de roman behoorlijk boers. Omdat de hoofdpersoon niet poepen kan (of houdt ze de poep expres binnen) duwt haar vader stukjes groene zeep in haar poepgaatje. Dat is een vernederende ervaring die de rest van de roman steeds in verschillende toonaarden terug blijft komen. Hartverscheurend is het als mond-en-klauwzeer de boerderij teistert en alle koeien afgemaakt moeten worden. Ik weet niet of de schrijfster het zelf ook echt heeft meegemaakt, maar de beschrijving over hoe alles verloopt en het grote verdriet, is zo goed geschreven dat de auteur het voor haar ogen heeft moeten zien gebeuren (denk ik). De wanhoop van vader en broer en de onverbiddelijke ambtenaren die één voor één de koeien omleggen en tussendoor koffie met roze koek eten (en de suiker met hun tanden van de koek schrapen) Erg schrijnend allemaal.

Marieke Lucas Rijneveld stond met haar roman ‘De avond is ongemak’ in de longlist van de Librisliteratuurprijs 2019. Ik weet niet zeker of ze bij mij gewonnen zou hebben, maar dat ze hele hoge ogen gooide, dat is wel zeker; een subliem boek.

Zwartkijkers – Herman Vuijsje: Mijn mening maar dan van Vuijsje

Gezien de felheid waarmee racisme en discriminatie besproken wordt, een blik op waar de wind in dit stukje vandaan waait. Hier de kenmerken van schrijver dezes, mij dus: Ik heb een rozige huidskleur (maar ben niet iemand ‘van kleur’). Ik ben hetero, wat ouder, heb een ongezond buikje, verdien meer dan lekker, ben best hoog opgeleid en heb een goj als pa maar een jiddische ma. Ik ben overtuigd sociaal-democraat, vind dat we zuinig moeten zijn op de aarde en hou vooral van pais en vree. Een lekkere discussie ga ik niet uit de weg en ik laat niet over me lopen maar bij het woord racist krimp ik in elkaar. Ik wil geen racist zijn. Ik pas ondanks en dankzij dit alles in de ‘witte’ karikatuur die men op dit moment graag tekent. Een groot deel van de bovengenoemde kenmerken zijn zonder meer ook van toepassing op Herman Vuijsje en, zo zal menig deelnemer aan alle oververhitte racisme discussies ogenblikkelijk denken, daarom vond ik zijn boekje ‘Zwartkijkers’ zo goed. Het is een boekje dat precies in mijn straatje past omdat onze ‘constructen’ en onze ‘narratieven’ naadloos op elkaar passen of op elkaar aansluiten. Een hikje? Vuijsje heeft een jiddische pa en een sjikse ma en dus ben ik volgens de preciezen in de leer veel joodser dan hij. Maar dat is onzin…vind ik.

Het boekje ‘Zwartkijkers’ beschrijft verschillende facetten van de huidige, opnieuw opgelaaide en al snel oververhitte discussie over de verhouding tussen mensen met een roze-achtig huidje (WIT, dus) en iedereen die daarvan ietsjes afwijkt (ZWART, dus). Vaak zijn de mensen uit die laatste groep zelf, of hun ouder(s) of hun grootouder(s) van elders naar hier verhuist. Het boekje bevat grotendeels mijn mening, ik kan dat moeilijk ontkennen, en daarom vind ik het boek een aanrader.

Het boekje beschrijft mijn afkeer van vrouwen als: de over het paard getilde Gloria Wekker, de pedante aanstelster Anousha Nzume en de zelfkastijdende en witte mensen beschuldigende Sunny Bergman. (eigenlijk wel een boel bijvoegelijke naamwoorden…hou ik daar wel van?) Ik moet zeggen dat ik het niet alleen leuk vind om mijn mening te lezen, maar ben vooral content omdat ik het nauwelijks leesbare boek van Gloria Wekker goed begrepen blijk te hebben. Ik was erg bang dat ik haar quasi-geleerde woordendiarree verkeerd las of dat ik de zaken anders voorstelde dan ze schreef. Maar nee, als socioloog – Gloria Wekker beweegt zich op zijn vakgebied dus – leest Vuijsje dezelfde dingen in haar boek als ik. Gloria Wekker promoveert haar eigen ervaringen tot algemeen geldende misstanden. Ze bekijkt de wereld met oogkleppen en ontkomt daardoor niet aan een zeer benepen tunnelvisie. Ze verdeelt de wereld in witte en zwarte mensen zonder dat ze ook maar ergens vertelt wat of wie dat zijn. Ze plant Amerikaanse theorieën kritiekloos en klakkeloos over op Nederland. En eigenlijk kan ik nog wel een tijdje zo doorgaan. Aanstelster Nzume maakt het nog iets bonter; zij zou wel eens even vertellen hoe of wat en het racisme waarvan zij SLACHTOFFER is. De pedanterie en de arrogantie spat ervan af vinden Vuijsje en ik. En Sunny Bergman wil zo graag lief doen dat ze ondeugdelijk wetenschappelijk onderzoek nog veel onwetenschappelijker overdoet en dan ook nog verkeerde conclusies trekt. Vuijsje noemt de drie vrouwen de ‘Schrikgodinnen’. Ik ga daar graag in mee.

Vuijsje geeft in het boek ook zijn mening over de zwarte pietendiscussie. Hij is van mening dat er eigenlijk niets mis is met de figuur van zwarte piet. Zwarte piet zou in de loop der jaren allang niet meer de persoon zijn als waartegen al het protest zich richt. Hij neem het Sinterklaasjournaal als uitgangspunt en, zo vertelt hij, Sinterklaas figureert daar als de domme man die eigenlijk nauwelijks nog zelfstandig functioneert. Zwarte pieten houden de business draaiende. Ze zijn de CEO en de logistieke managers. Sinterklaas speelt nog maar een marginale rol. Ik kan een heel eind meegaan met het verhaal van Herman Vuijsje, maar de zwarte piet-discussie speelt al heel lang. Gerda Havertong vertelde al in de vorige eeuw dat ze last had van de figuur zwarte piet en dat ze daar niet alleen in stond. Wel heeft hij gelijk dat de roetvegen aan de figuur zwarte piet veel verandert. Door de vegen op de roetveegpiet heen herken je de persoon die hem speelt, dat is bij een zwarte piet niet zo. Een deel van de mythe van het Sinterklaasfeest wordt daardoor van haar charme ontdaan. Vuijsje vindt dat jammer. Ik ook, maar ik zie ook de bezwaren. Hoewel…wie heeft er nou precies echt last van gehad van die zwarte pietenfiguur? Mij is dat nog steeds niet duidelijk. Zie hier recente Sinterklaasintochten in Paramaribo en op de Antillen. Onder een overwegend donkere bevolking is zwarte piet no problemo, waarom hier dan wel? Een kind ziet heel duidelijk het verschil tussen een kind met een donkere huid en een zwarte piet. Ik ben daarvan overtuigd. Maar goed, als iemand als Gerda Havertong het zegt, en die staat echt boven elke verdenking, dat zal het zo zijn. Vandaar dat ik wat dat betreft niet helemaal op dezelfde lijn zit met Herman Vuijsje.

Hoe dan ook: Voor wie mijn mening wil lezen, een aanrader; ligt voor een luttel bedrag bij Scheltema in de ramsj!

Akwasi jokkebrokt om het vuurtje op te stoken

Ik doe het zelf ook wel eens. Om het verhaal net even iets lekkerder te maken. Het is dan misschien wel niet helemaal waar, wat ik schrijf, maar toch maakt het de boel leesbaarder. Boeiender. Meestal een klein dingetje, Niemand die er last van heeft, niemand die er erg in heeft. Ik, hoogstens. Ik weet het. De grote lijn van het verhaal is doorgaans echt wel het verhaal. De grote lijn is zeker nooit gelogen. Ik vind dat als je voor een voetlicht treedt – en dat doe ik dus want ik zet mijn stukjes op internet en daar zijn ze voor iedereen leesbaar – dan moet wat ik schrijf waarachtig zijn. Het moet eerlijk zijn.

Akwasi is iemand die de media opzoekt en zich helemaal senang voelt in de schijnwerpers. Hij neemt graag aan discussies deel als het over rassendiscriminatie gaat. Tot grote schrik van alle aanwezigen verklaarde Akwasi onlangs op de televisie dat een vroegere leraar tegen hem heeft gezegd dat hij ‘kankerzwart’ was. Dat hij een erg donkere huidskleur heeft, dat ziet een ieder, maar dat voorvoegsel ‘kanker’ maakt die huidskleur negatief. Door een leraar nota bene. ‘kankerzwart’ en ‘leraar’, die combinatie voelt een beetje gek. Maar toch; Akwasi is iemand met een hoge aaibaarheidsfactor en met ogen die niet kunnen liegen. Dacht ik….

Vandaag las ik het boekje ‘Zwartkijkers’ van Herman Vuijsje. In dat boekje kwam ik opnieuw Akwasi tegen. Een verhaaltje over de rapper. De context van het verhaal is racisme onder mensen met een donkere huidskleur. Akwasi zat op een school in de Amsterdamse Bijlmer en had daar een Surinaamse creoolse juf. Lang niet zo donker als Akwasi. Zij noemde hem ‘bokoe’ en dat is een belediging voor mensen met een donkere huidskleur. Omdat deze jongen van uitzoeken houdt, vond hij al snel het interview met Akwasi waar Vuijsje het over heeft. In dat interview zelfs naam en toenaam van de boosdoenster. Een interview uit 2017 in de Volkskrant. Hij was zo boos op juf B. dat hij van plan was om haar (als hij groot was) op te zoeken en een steen door haar ruit te gooien.

Een jaartje later vind ik dat andere Akwasi-verhaal in een interview met Trouw. Over meester John. Het verhaal waar hij recent ook op terugkomt op de televisie. Het verhaal luidt als volgt: Volgens meester John hoefde Akwasi zich niet te schminken als zwarte piet want hij was toch al kankerzwart. Beledigend en racistisch! En…ook bij meester John was hij van plan om (als hij groot was) een steen door zijn ruit te gooien.

Maar dan ga je je toch dingen afvragen: Had Akwasi in de Bijlmer twee keer een racistische leerkracht? Op regelrechte ‘zwarte’ scholen? Of…is het verhaal verandert in een jaartje; was het eerst een racistische Surinaamse creoolse en is zij zomaar ineens de hagelwitte nazi-meester John geworden? Ik ben gaan geloven in de metamorfose van juf B. in meester John omdat het heel onwaarschijnlijk is dat op scholen in de Amsterdamse Bijlmer meerdere racistische mensen werken. Op zo’n beetje de zwartste scholen in Nederland kan dat gewoon niet kloppen.  Die metamorfose heeft plaatsgevonden in het brein van Akwasi! In werkelijkheid was er alleen maar de creoolse juf B.; zijn oorspronkelijke verhaal.

Het meester John-verhaal gooit olie op het toch al zo oververhitte racisme vuur. Juf B. zou er de angel  hebben uit getrokken, want het zou betogen dat racisme niet alleen maar zwart-wit is.

Ik denk dat Akwasi liegt om de boel willens en wetens op scherp te zetten. Van ‘discriminatie-komt-overal-voor’ maakt hij er een ‘wit-zwart’ verhaal van. Ik neem dat Akwasi erg kwalijk. Akwasi, met de eerlijke hertenogen, is een vervelende jokkebrok!

Thuis is thuis en werk is werk.

Vandaag is het de laatste dag voor de vakantie. Een heel raar laatste half jaar op mijn werk. Het grootste deel heb ik thuis gewerkt. Ik ben geen thuiswerker van nature. Thuis is thuis en werk is werk. Als ik thuis ben wil ik me vrij kunnen voelen om te doen en te laten wat ik wil. Als ik een ‘thuis’ heb dan ben ik graag bereid om me tijdens mijn werkuren in de altijd weer boeiende wereld van de pensioenverzekeringen te storten. Werk en thuis wil ik eigenlijk niet door elkaar hebben lopen; gescheiden werelden. Maar door een akelig virus liep het de afgelopen maanden ineens heel anders en heb ik een kunstmatig onderscheid moeten ontwikkelen tussen werk en thuis. Dat is me in zekere zin gelukt. Maar uiteindelijk blijft het toch behelpen. Omdat het niet alleen míjn laatste dag is voor de vakantie maar ook de laatste dag van andere collegae, hebben we besloten om met z’n allen naar kantoor te komen in Rotterdam. Kunnen we toch nog even in den lijve elkaar ontmoeten en fijne vakantie wensen. Maar daarvoor moet deze Amsterdammer met de trein naar Rotterdam. Deze Amsterdammer is niet zo jong meer, niet zo dun meer en heeft problemen met zijn suikerhuishouding; precies het lichaam waar het Covid-virus erg gek op is. Precies het soort lichaam dat heel erg ziek wordt en soms overlijdt en ik wil nog niet dood. Dus dubben en peinzen en uiteindelijk toch maar besloten om thuis te blijven en het risico van de treinreis niet te nemen. Voelt ook wel een beetje laf nu het virus het land zo’n beetje verlaten heeft.

Ondertussen drizzelt er een druilerige miezerregen over het land. Toch is de temperatuur niet verkeerd. De balkondeur van mijn kamertje heb ik wagenwijd opengezet en laat ik me strelen door een streepje frisse lucht. Op mijn bureau mijn nieuwe laptop. Die heb ik gekocht om mijn thuiskantoor op orde te krijgen. Ik hoef nu alleen maar mijn laptop te wisselen voor de laptop van mijn werk en dan zit ik in de wereld van de pensioenen. Zonder afleiding, want ik kan niet tegelijkertijd ook nog bij mijn eigen laptop. Die staat namelijk uit en die laat ik UIT. Ik heb echt die afleiding moeten uitschakelen om goed te kunnen werken thuis.

Aan het eind van de dag heeft de manager een borrel georganiseerd. Ergens in een heel groot café waar we allemaal op anderhalve meter afstand van elkaar lekker kunnen kletsen en afscheid nemen en vieren dat we het, ondanks al dat thuiswerken, prima gedaan hebben. Dat we veel werk hebben verricht en dat niet alleen ik goed ben omgeschakeld, maar ook mijn collegae. Maar daar komt de oude mopperkont weer boven. Ik, dus. Deze Amsterdammer ziet in een lawaaierige ruimte op anderhalve meter wel lippen bewegen en hoort iets als: whoa, whoa, maar meer ook niet. Echte spraakklanken willen doorgaans niet meer goed binnenkomen zonder dat ik mijn oor heel dicht bij de sprekende mond breng… Ik ben zielig…denk ik.

Door de open balkondeuren heb ik zicht op de drie grote potten op ons balkon. Op een rijtje een olijven-, een kersen- en een pruimenboompje. Het pruimenboompje hangt vol bijna rijpe pruimpjes; dat boompje heeft het duidelijk naar zijn zin.

Het is bijna zover dat ik mijn thuis werkplek ga inruilen voor mijn werk werkplek. Voor mijn laatste dag. Ik heb eigenlijk alles af en alles al overgedragen. Wat mis ik de scheiding tussen thuis en werk! Als ik – zoals vandaag – de kans heb om weer helemaal ‘gewoon’ naar mijn  werk te gaan en mijn collega’s te ontmoeten en lekker samen te werken en praatjes over niets te hebben, dan ben ik te laf om met de trein te reizen.

Slachtoffer van racisme?

Ik liep met een groepje collega’s tussen de middag langs de Amstel uit te waaien. Het was lekker weer. Eén van de collega’s was aan het woord. Hij vertelde dat hij tijdens het weekend met een groep vrienden weg was geweest. Met de mannen op stap. Hij vertelde heel erg enthousiast want het was een leuk weekend geweest. De beurs was leuk maar het oude jongens krentenbrood was nog veel leuker. En hij vertelde dat ze alles samen betaalden en dat dat leuk was en fijn. Maar één van zijn vrienden maakte een foutje en rekende één keer helemaal alleen voor zichzelf af. Die vriend schaamde zich omdat hij even niet één met zijn vrienden was en verontschuldigde zich: ‘Soms ben ik gewoon een jood’ zei hij. Mijn  collega begon hard te lachen: ‘Ja, zeiden we toen tegen hem, je bent echt een vuile Jood.’ Met die herinnering voor ogen schaterde hij het daar langs de Amstel uit. Mijn  andere collega’s lachten met hem mee. ‘Vuile jodenstreek’, zei hij nagenietend… (Ik noem naam noch toenaam)

Wat was mijn reactie? Lachte ik met mijn collega’s mee? Nee, het lachen was mij vergaan. Bij mij liepen tintelingen en rillingen over mijn rug. Een strijd woedde er in mij. Wat te doen? Je weet het gewoon niet. Echt niet. Zelfs mijn bek houden voelde geeneens laf. Kan je nagaan. Perplex? Is dat het goede woord? Eenzaam, zelfs… Je weet niet meer hoe je reageren moet. Het was voor de eerste keer dat ik me zo openlijk geconfronteerd wist met vooroordelen tegen een groep mensen waar ik me mee verbonden voel. Waar ik mee verbonden ben, of ik het wil of niet. Maar aan mij zie je niets. Mijn achternaam noch mijn voornaam doet iets vermoeden; ik ben niet donker, heb geen haakneus ben niet zonder meer voor Israël (meer vooroordelen weet ik even niet te verzinnen), nee niets van dat alles. Zelfs als je mijn broek uittrekt zie je dat mijn pielemoos nog helemaal compleet is en een varken? Die vind ik om op te vreten. En toch, en toch… Volgens de definitie van het naziregime van destijds behoorde mijn ma met haar vier joodse grootouders volledig tot het Joodse ras. RAS, ja. Als mijn moeder vier joodse grootouders heeft, heb ik er op z’n minst twee en dan voel je je verbonden met het RAS van je ma.

De eigenschap gierigheid toekennen aan een groep mensen waarvan men vindt dat ze tot een bepaald ras horen, is racisme. Racisme is fout (zeg ik er maar even bij). Racisme leidt tot haat, dood en verderf en daarvan hebben we met z’n allen afgesproken dat we dat in Nederland niet doen. Het mag zelfs niet eens. Gek genoeg deed mijn collega geen racistische uitspraken, maar antisemitische. Zeg je dat Marokkanen stelen, dan is dat racistisch maar beweer je dat joden gierig of doortrapt zijn, dan is dat antisemitisch. Zelfs wat dat betreft nemen joden een aparte positie in en sorry, dat wil ik niet.

Wat mijn collega deed – de eigenschap ‘gierig’ toekennen aan joden – is puur racistisch. Antisemitisch vind ik een raar woord. Antisemitisch impliceert dat je ook pro-semitisch hebt. Hoe kan je tegen (anti) of voor (pro) Semieten (bedoelen we joden mee) zijn? Laten we het alsjeblieft ‘racisme’ noemen als iemand die met een keppeltje op, door Amsterdam loopt en uitgescholden wordt voor ‘vuile jood’. Van een aparte status voor joden is alleen maar ellende gekomen…

Of…zit er een heel klein wit kleinzielig mannetje in mij dat graag wil zeggen dat hij ook en net zo goed slachtoffer is van racisme?

Vondelingen; Het Aalmoezeniersweeshuis van Amsterdam – in het Amsterdamse Stadsarchief.

Eén van mijn favoriete programma’s op de televisie is ‘Spoorloos’. Het programma waar mensen hun uit het zicht geraakte familie proberen te vinden. Vooral de speurtocht trekt mij aan. Het kan mij niet ver en complex genoeg zijn. Op het moment dat de door moedwil en misverstand uit elkaar gedreven moeder of vader met hun verloren gewaande kind worden herenigd, zet ik het geluid zacht en kijk ik eventjes ergens anders naar; ik zit niet te wachten op de sentimenten die zo’n ontmoeting teweeg brengt. Bovendien vind ik diep van binnen dat ik helemaal geen recht heb om getuige te zijn van zo’n intieme ontmoeting. Eén van de mooiste speurtochten werd gedaan door een jonge vrouw naar haar biologische ouders. Met haar amberkleurige huid en prachtige bos zwarte krullen kon je je haast niet voorstellen dat zij haar familie aan het eind niet in haar armen zou sluiten. Maar zo ging het wel, aan het eind was er niets. Dat kwam ook doordat er aan het begin van haar leven eigenlijk ook niets was; er waren nauwelijks aanwijzingen over wie of wat. Ze was als pasgeboren baby in een portiek achtergelaten met eigenlijk niet veel anders dan haar naakte huid. De ontmoeting met de politieagent die haar destijds vond, was indringend want ook hij worstelt sinds hij haar vond met zichzelf. Ze deelden iets dat te maken had met de kern van het leven. Aan het eind van de spoorloos-zoektocht was de familie nog even spoorloos als aan het begin. Ze was teleurgesteld en verdrietig en je gunde dat haar niet. Je wilde zo graag dat het tot een goed einde kwam. Maar nee, helaas.

Wat mij het meeste zal bijblijven aan de tentoonstelling ‘Vondelingen. Het Aalmoezeniersweeshuis van Amsterdam’ zijn de gevallen waar de moeder juist wel teruggevonden wil worden. Het verhaal dat in deze tentoonstelling verteld wordt, is het verhaal van schrijnende armoe van rond 1800, de Franse tijd. In die periode was de armoede groot. Zo groot dat vele ouders niet meer voor hun kinderen konden zorgen en ze hun kroost te vondeling legden. Dat dit voor heel veel moeders een haast niet te verteren noodgreep was wordt bewezen door de dingen die bij de vondelingetjes werden achtergelaten. Vaak zaten er dingen bij die een latere hereniging tussen ouders en kind mogelijk moesten maken. Hoe kon je, in een tijd waarin men geen idee had van DNA, bewijzen dat je kind je kind was als je het te vondeling had gelegd? Je moest iets in je bezit hebben dat een directe link bewees tussen jou en het kind. Vaak werd er ‘iets’ in tweeën geknipt en één deel bij het kind achtergelaten. Op de tentoonstelling kwam ik in tweeën geknipte bidprentjes tegen, maar ook een briefje waarin met hele grote letters ‘ONGELUKKIG’ was geschreven en het briefje halverwege het woord doorgeknipt was. Mochten ouder en kind elkaar weer vinden dan konden ze, door de twee helften tegen elkaar te passen, bewijzen dat ze echt diegenen waren als waar ze zich voor voordeden. Op de tentoonstelling in het Amsterdamse Stadsarchief ben ik, helaas, geen verhaal tegengekomen van een hereniging.

Op de tentoonstelling wordt getoond wat de weg van de vondelingen was. Als er een kind werd gevonden dan werd het ‘ingenomen’ in het Aalmoezeniersweeshuis. Bij dat innemen kreeg het kind een naam. In veel gevallen werd de naam overgenomen door briefjes die bij de vondeling werd gevonden: ‘Mijn kind heet Willem Kraan en hij moet nog geriffermeert gedoopt worden.’ (zelfverzonnen voorbeeld) Maar vaak was er helemaal geen briefje en dan werd er een naam verzonnen die al of niet ergens op sloeg: Jacob Weetniet, Claartje Zonderbericht. Er was een meisje dat de achternaam ‘Mout’ kreeg omdat ze, waar ze was gevonden, het erg naar mout rook. Zodra het kind een naam had werd er een min gezocht. Ook een uit armoede ontstaan beroep want tegen een geringe vergoeding legde een vrouw naast haar eigen kind ook een vondeling aan de borst. De vergoeding voor de min hield na vijf jaar op en dan werd het kind opgenomen in het Aalmoezeniersweeshuis alwaar er via tucht en orde en een opleiding, een nuttig mens van werd gemaakt. Jongens kregen bij het verlaten van het weeshuis als start het gereedschap mee waar ze mee hadden leren werken. In de wat vroegere periode in de geschiedenis eindigden de jongens na het weeshuis in de legers van Napoleon of werden ze als bemanning op de schepen van de VOC en de WIC gezet. Ik kreeg de indruk dat men met meisjes voorzichtiger omsprong. Vooraf had ik gedacht dat dat soort beschadigde meisjes al snel in de prostitutie terecht kwamen, maar daar wordt op de tentoonstelling niets over gezegd.

Een aantal vondelingenlevens wordt door de archieven heen gevolgd. Dat levert hele bijzondere verhalen op. Zoals de vrouw die als min een jongetje te verzorgen krijgt. Het jochie blijft tot aan zijn negende bij haar (geen plaats in het weeshuis, toen hij vijf was? Het wordt niet verteld). Daarna wordt hij naar een weeshuis in de arme sloebers kolonie Veenhuizen gestuurd in het verre Drenthe. Het breekt het hart van de min en ze beweegt hemel en aarde om haar ‘lieveling’ terug te krijgen. En dat lukt haar ook. Maar helaas, de ongemeen harde tijd in Veenhuizen heeft het joch veranderd; haar lieveling is niet meer het kind waarvan ze afscheid nam. Na een half jaar lukt het niet meer om hem bij haar te houden en keert hij terug naar het weeshuis.

Het weekmenu van het weeshuis

Dat het in het weeshuis niet direct gezond was, laat wel het menu zien. Zoals ik het begreep was er een vast weekmenu. Hou je dat menu tegen de tegenwoordige schijf van vijf, dan vraag je je af hoe kinderen het überhaupt overleefd hebben. Aan de andere kant weet ik wel dat er voor veel armen er niet veel anders op zat dan dagelijks het gevecht aan te gaan om de dagelijkse ongezonde maaltijd. In die zin werd er best aardig voor de vondelingen en weesjes gezorgd. Ik wil ook absoluut niet in de val trappen dat ik denk dat het mededogen en de wil om te zorgen voor de onfortuinlijke medemens veel veranderd is in de tijd. Ik denk wel dat we nu als geheel oneindig veel rijker zijn en dat daardoor de zorg voor onze kinderen die om wat voor reden dan ook niet bij hun ouders kunnen opgroeien, beter is. Maar laten we ons niet op de borst kloppen want zodra het een beetje tegenzit, bezuinigen we als eerste op de die zorg terwijl we de sterkste schouders relatief de minste lasten laten dragen.

Ik moet zeggen dat ik de tentoonstelling in het Amsterdamse stadsarchief een aanrader vind. Schrijnend, vertederend, leerzaam en zeker een aanrader!