Categoriearchief: columns

Mooi Doodliggen – A.F.Th. van der Heijden; Wel aardig maar zeker niet de beste.

Op 29 mei 2018 zette – waarschijnlijk – de Oekraïense inlichtingendienst de moord op  Arkadi Babtsjenko in scene. Niemand behalve de vermeende inlichtingendienst en Babtsjenko zelf wisten van dit toneelstuk af. Na de zogenaamde moord, was half kritisch journalistiek Rusland in diepe rouw. De volgende dag al bleek alle rouw helemaal voor niets; de man was nog springlevend en bleek een act te hebben opgevoerd om ‘echte’ moordenaars te pakken. Een verhaal dat zich ervoor leent om gedachtenexperimenten uit te voeren, want wat betekent dat nou allemaal. Wat betekent zoiets voor hemzelf? Een journalist die altijd kritisch was over overheden en die nu ineens, door angst gedreven, kritiekloos luistert naar een vermeende overheidsdienst. Wat betekent dat voor zijn integriteit. Wie gelooft hem na het opvoeren van zo’n act nog? Wat betekent zo’n leugen voor zijn naaste omgeving; van de mensen die van hem houden en die hem vereren? Een kolfje naar de hand van A.F.Th. van der Heijden.

Vaak grijpt Van der Heijden in zijn romans een bepaalde gebeurtenis in de werkelijkheid aan om er zijn roman omheen te spinnen. Dat stramien begon eigenlijk al in het vierde deel van zijn Tandeloze Tijd reeks. Daar was het de dood in een politiecel van kraker Hans Kok. In Het Schervengericht was de Amerikaanse zedenzaak tegen cineast Roman Polanski het onderwerp van de fantasie van Van der Heijden. In Mooi Doodliggen is de in scène gezette moord op Arkadi Babtsjenko de centrale gebeurtenis. Of Arkadi Babtsjenko zich net als romanfiguur Grigori Moerasjko heeft beziggehouden met het onderzoek naar het schietongeluk en MH17 (in de roman een beetje flauw MX17), dat weet ik niet. In de roman is zijn kritische houding ten opzichte van dat ongeluk reden voor de Russische geheime dienst om hem te vermoorden. Door zijn moord samen met de Oekraïense inlichtingendienst in scene te zetten, zouden de echte Russische moordenaars, die inmiddels al onderweg waren, gepakt kunnen worden.

In de roman Mooi Doodliggen heet Arkadi Babtsjenko Grigori Moerasjko. In velerlei opzichten lijken de twee dubbelgangers, maar dat zijn ze niet. Van der Heijden heeft alles verzonnen en heeft wat koppen uit de krant en het portret van Babtsjenko als uitgangspunt voor zijn roman genomen. Ga je associëren met deze uitgangspunten in je hoofd, dan kom je al snel bij de mensen die van hem gehouden hebben. Zijn vrouw, bijvoorbeeld. Ook de vrouw van Moerasjko wist niets van het toneelstukje dat hij samen met de veiligheidsdiensten in elkaar aan het zetten was. Voor haar moet de in scène gezette moord een nachtmerrie geweest zijn. Zijn vrouw Yulia en hun liefde belichamen de dramatische lijn in de roman.

Ik moet zeggen dat ik het deze keer niet altijd even makkelijk had bij het lezen van de roman. Sommige dingen spint Van der Heijden naar mijn smaak te veel uit. Op een gegeven moment is het wel genoeg. Zo besteedt de schrijver bladzijde na bladzijde aan de navel van Yulia, de vrouw van Moerasjko. Daarin verzamelt zich een plukje blauwwitte stof. Best intiem en illustreert vast iets. Maar om daar een pagina of tien aan te besteden, gaat wel ver. Eerlijk gezegd ben ik daar een keer compleet gestrand; heb het boek weggelegd. Pas heel veel later heb ik de roman weer opnieuw opgepakt en las ik het weer vanaf het begin en heb me toen over de weerzin van de navelfluff heen gezet. Dat viel niet mee. Maar de navelfluff staat niet op zichzelf. Er zijn meer keren dat ik vind dat iets bepaalds te veel wordt uitgesponnen.

Ook het effect dat de roman op mijn emoties heeft, maakt het best zwaar om te lezen. De in scène gezette pseudo-moord zie je van verre aankomen. Ik heb mensen die van mij houden en waarvan ik hou. Van hen kan ik me heel goed voorstellen wat het voor impact heeft als mij iets ernstigs overkomt. Ik kan namelijk heel goed invoelen wat het voor gevolgen heeft op mij als hen iets dergelijks overkomt. Als lezer voelde ik heel sterk het onrecht en het geschonden vertrouwen dat de hoofdpersoon zijn geliefden ging aandoen. Dat is natuurlijk de kracht van de roman, maar dat maakt het allemaal niet makkelijk. Een aantal keer voelde ik me zo in de klem zitten dat ik echt moeite had om door te lezen. Je ziet het allemaal gewoon veel te scherp voor je. Dat verschrikkelijke verdriet dat je een ander aandoet. Dat het dan niet echt is, maakt het allemaal nog heel veel erger.

De naam Moerasjko is wel leuk gekozen want de hoofdpersoon zakt in een ‘moeras’ van leugen en bedrog terwijl hij als journalist pal voor de waarheid en de feiten had willen staan. Dat Yulia de russische variant is van Julliet; de roman verwijst er eindeloos naar. Vooral naar de schijndood van Julliet.

Al met al is Mooi Doodliggen zeker niet de sterkste roman die ik van Van der Heijden gelezen heb. Best wel boeiend en een interessant gedachten experiment. Ik sla toch maar gewoon het boek dicht, denk ik…

Op de fiets naar je werk.

Ik ben weer forens geworden. Nee, dat vind ik niet leuk. Ik heb jarenlang moeten reizen om op mijn werk te komen. Ben een echte leaseautoman geweest. Ik moest daar eerst nog naartoe groeien. Ik kreeg een baan waarin ik door het arbeidsbureau gedwongen was. Ik had geen idee over de waarde van wat ik kon voor een bedrijf. Ik had me koud ingeschreven bij het arbeidsbureau of zij kwamen op de proppen. Jong als ik was had ik geen idee dat ik best verder mocht kijken of dat ik ook best mocht solliciteren naar hele andere banen. En zo kwam ik terecht bij mijn eerste forenzenbaan. Elke dag op en neer naar Zoetermeer. Doorgaans met de trein en soms, als het niet anders kon, met de auto. Al mijn reiskosten moest ik voorschieten en als ik met de auto ging dan kreeg ik maar een fractie terug van wat ik aan benzinekosten gemaakt had. Ik begreep eigenlijk nog helemaal niets van geld verdienen. Wat ik in Zoetermeer wel leerde was dat ik een heleboel collega’s had die op dezelfde basis gedetacheerd waren bij dat semi-overheidsbedrijf. Alleen hun reiskosten…dat ging dus heel erg anders. Mijn gedetacheerde collega’s hadden stuk voor stuk de beschikking over een leaseauto. Ik niet. Ik dacht dat dat helemaal niet voor mij weggelegd was. Een leasebak. Ikke…? Ja, ik. En zo werd ik dus hartstikke ontevreden en solliciteerde ik bij een paar detacheringsbureau’s. Allemaal wilde ze me graag in dienst nemen. Onbegrijpelijk. Ze deden stuk voor stuk hun best om mij binnen te halen. En ik kreeg er een auto bij!

En zo werd ik in mijn eigen stad gedetacheerd en had een auto tot mijn beschikking terwijl ik geeneens hoefde te reizen. Heel erg apart. Op de veelvuldige gezellige avonden die voor ons, personeel, georganiseerd werd, hadden we het onderling eigenlijk alleen maar over…auto’s. Wat de ene voor voordelen had boven de andere. Een leaseauto terwijl ik helemaal niet hoefde te forenzen. In de weekends reed ik met de mijnen het hele land door en als het even meezat, pikte ik ook wat buitenland mee. Allemaal gratis. En dat ik het milieu aan het vervuilen was, acht, dat wist ik wel, maar stond er echt niet bij stil. Maar helaas, er kwam een crisis en hup, deze jongen werd ontslagen. Moest ik ook mijn auto inleveren. Op de een of andere manier was mijn ontslag bitter – want wie wordt nou graag ontslagen? – maar ook een schot in de roos want op het moment dat mijn ontslag definitief rond was en er een fiks bedrag werd uitgekeerd, werd ik elders aangenomen. Ik liet mijn nieuwe leaseauto bezorgen op de plek en het uur dat ik mijn oude moest inleveren. Zo werd mij een ritje met het openbaar vervoer bespaard. Aan de andere kant was het nu wel uit met wel een leaseauto en toch niet reizen. Ik reed de volgende vier jaar dagelijks naar Gouda heen en terug en daarna nog drie jaar van en naar Woerden. En toen had ik er helemaal genoeg van van al dat gereis.

Dus ging ik alleen nog maar solliciteren op banen in mijn eigen stadje. Ik wilde FIETSEN. Elke dag op de fiets naar mijn werk. Omdat ik een beroep heb dat vrij makkelijk in de markt ligt, duurde het niet lang voordat ik een nieuwe baan had. In Amsterdam. Te bereiken op de fiets. En elke dag reed ik op de fiets naar mijn werk. Maar helaas, mijn bedrijf bleek een kleine vis – hoewel ik nog nooit bij zo’n groot bedrijf gewerkt had – en mijn kleine vis werd overgenomen door een grotere vis en die grotere vis zetelt in een andere grote stad… En dus heb ik nu van mijn nieuwe baas een OV- businesskaart gekregen. Met het openbaar vervoer kan ik het hele land door. Gratis en voor niets. Voorlopig is dat het enige voordeel, want jemig wat mis ik nu dat lekkere stuk fietsen naar mijn werk.

Anne Reburn op Youtube

Ik vertelde al dat ik een YouTube addict ben. Het blijkt dat ik daarmee perfect pas in de trend naar minder tv-kijken en meer zelf bepalen waar je naar kijkt. Kinderen en jongeren van nu kijken nauwelijks meer televisie want waarom zou je op opoe televisie wachten terwijl alles zo’n beetje online en op welk moment het jou ook uitkomt, beschikbaar is? Zo zie je maar…ik ben heel erg bij de tijd met mijn liefde voor YouTube. Nou ja, laat ik eerlijk zijn…vaak heb ik naast YouTube ook nog de tv-app aanstaan. Mocht het op mijn rechter tv-monitor interessant zijn, dan schakel ik even qua geluid over van YouTube naar de tv. Nog een klein beetje van de oude stempel dus met mijn twee monitoren op mijn bureau.

In het arsenaal van YouTube vind ik dagelijks nieuwe dingen. Soms, als iets me erg bevalt dan blijf ik een dagje langer hangen en soms wel eens een week en soms nog langer. Een van zo’n YouTube sterretje waar ik wat langer bij ben blijven hangen is de Amerikaanse Anne Reburn. Ze heeft een heerlijke stem en is beremuzikaal. Daarnaast ook nog origineel in de uitvoering. Ze zingt vooral liedjes en hits van anderen en begeleidt zichzelf daarbij op piano, gitaar, basgitaar en handslaginstrumentjes (tamboerijn bijvoorbeeld.). Bijna alles brengt ze tegelijkertijd gefragmenteerd beeld.

Anna Reburn is ook nog eens een meid waar je als man graag naar kijkt. Geen wonder dus dat deze jongen al geruime tijd aan haar muzikale lippen hangt. En…je kan je lol op want, zo vertelt ze, ze streeft ernaar om elke veertien dagen een nieuw liedje op YouTube te zetten. Het vroegste liedje dat ik kon vinden werd in 2016 geüpload. Wil je al haar nummers zien en horen, dan ben je best wel even bezig.

Hoogtepunten van Anne Reburn:

I put a spell on you’. Ik kende het alleen van Creedense Clearwater Revival die versie moet het hebben van het rauwe stemgeluid van John Fogerty en zijn snerpende gitaarsolo. Bij Anne Reburn geen gitaarsolo maar een zoetgevooisde stem en in mimiek en wijze van zingen een duidelijke interpretatie van de tekst. Ik moet zeggen dat dat het lied wel een heel bijzondere dimensie geeft. En dan dat knappe smoeltje erbij…

California dreaming’. Bij haar uitvoering van het nummer, zie ik meer een interpretatie van de tijd waarin het nummer ontstond. Weliswaar heeft Reburn geen bloemen in d’r haar, maar toch verwijst ze subtiel naar de bloemenkinderen en vrijheid blijheid.

How deep is your love’ van de Bee Gees. Heel erg sterk vind ik haar vertolking. Dat is dan ook een van de latere nummers die ze opgenomen heeft.

I Love You van Woodkid ; Een lied waar ik lang naar geluisterd heb is. Echt heel fijntjes gezongen. De begeleiding met piano gaat helaas een beetje stuk. Met een elektrische piano mis je de subtiliteit van een echte piano. Geen verschil tussen dunnetjes aanslaan of vet aanslaan, geen hard en zacht. Jammer. Met een betere pianobegeleiding was het nummer heel erg ver uitgestegen boven het niveau van de originele uitvoering.

Op haar patreon pagina vraagt ze zich af waar ze het geschonken geld aan zal besteden. Een echte piano staat er niet op… Ben ik mecenas geworden van Anne Reburn? Ik heb het overwogen, maar nee. Ik ben nu weer andere talenten op het spoor. Russische meisjes die in Russische close harmony samen zingen.

I love YouTube!

Het Nationale Holocaust Museum

Over de holocaust kan wat mij betreft niet voldoende gezegd worden. Voor mij is het een keerpunt in de geschiedenis. Overal in de wereld zijn oorlogen en vallen er doden. Overal in die oorlogen gaan mensen dood die niets met de strijd te maken hebben. Tijdens een oorlog is niemands leven meer zeker en is iedereen een potentieel doelwit. Wreedheden kan je de soldaten van de strijdende partijen nauwelijks verwijten omdat ze haat moeten voelen voor de partij waartegen ze oorlog voeren. Als je de andere groep niet haat kan je de soldaten van de tegenstander niet doden. Haat doet het slechtste in mensen bovenkomen en dus kan je soldaten het vermoorden en verkrachten van de andere partij nauwelijks verwijten. Maar met de holocaust is het toch anders. Joden waren niet perse partij in de oorlog die gevoerd werd. De holocaust is een uitvloeisel van puur racistische haat. Het mondde uit in het systematisch, op fabrieksmatige manier vermoorden van enorme hoeveelheden mensen. Een enkeling mocht het genoegen smaken om als slaaf te helpen bij het volvoeren van de massale moordpartij of ingezet te worden in de oorlogsindustrie.

Met deze gedachten over de holocaust stapte ik het nieuwe Nationale Holocaust Museum binnen aan de Plantage Middenlaan tegenover de Hollandse Schouwburg. Ik bezocht daar de tentoonstelling De Jodenvervolging in foto’s. Nederland 1940-1945. Een aangrijpende fototentoonstelling maar toch voor mij behoorlijk teleurstellend. De foto’s zijn genomen in de periode vanaf de aanloop van de oorlog tot de terugkeer van de overlevenden. De focus ligt in de tentoonstelling op enerzijds de foto’s die amateurs maakten over het dagelijkse leven en hoe om te gaan met de doem die langzaam maar gestaag over het joodse volksdeel heen schoof en anderzijds professionele fotografen die al dan niet in opdracht, foto’s maakten die te maken hebben met de jodenvervolging. Foto’s uit die periode over het joodse leven zijn altijd interessant omdat je weet wat de mensen op de foto’s te wachten staat. Zo zie je een foto van een groep mensen van ze rond de twintig. De kracht van hun jeugd en verwachtingen voor de toekomst stralen in hun ogen. Mooie jonge mensen. Vrienden van elkaar. Studenten nog. Kinderen nog. Bij het onderschrift lees je dat op één na iedereen binnen een jaar na het maken van de foto was overleden, dat schuurt verschrikkelijk. Of…die schoolklas vol kinderen. Ook daar maar één meisje dat alle ellende overleefd heeft.

Ik had van de foto’s over de terugkeer van de joodse overlevenden hoge verwachtingen. Ik hoopte iets te begrijpen over de verhouding tussen mijn oma en mijn moeder. Het idee dat mijn ondergedoken moeder als kind van niets wist en dat er op een dag zomaar een vrouw voor haar stond die beweerde dat ze haar moeder was, fascineert mij enorm. Hoe zag mijn omaatje eruit toen ze vanuit de hel in Oost-Europa terugkeerde in Nederland? Wat voor indruk maakte ze op mijn moeder? Op de laatste vraag antwoordde mijn moeder al eens…eng. De dood stond in haar ogen en ze was broodmager. Die foto’s had ik graag gezien. Maar helaas werd ik daarin behoorlijk teleurgesteld. Terugkerende joden waren in die dagen niet voldoende interessant om te fotograferen, helaas. Slechts een enkele foto…

Ik was onder de indruk van de foto’s, maar… Op de terugweg naar huis vroeg ik me wel af wat deze foto’s voor meerwaarde hebben. Eigenlijk begon ik behoorlijk te twijfelen aan het bestaansrecht van dit nieuwe museum. Komt de holocaust niet al voldoende tot haar recht in andere musea? We hebben het Joods Historisch Museum waar veel aandacht is voor de jodenvervolging door de eeuwen heen, maar de holocaust (uiteraard) in het bijzonder. We hebben het bezoekerscentrum met een permanente tentoonstelling in Westerbork, en – last but not least – aan de overkant het monument De Hollandse Schouwburg.  Waarom ook nog een holocaust museum? Ik zie er het nut eigenlijk niet van in. Hoewel er in mijn ogen niet genoeg onderzoek gedaan kan worden naar de genocide (opdat het nooit meer gebeurt) een nieuw museum maakt het teveel. Het is niet nodig. Het kan de goede zaak ook tegenwerken. We moeten beseffen dat de holocaust een zwarte bladzijde in de geschiedenis is. Het leeft niet meer. De volwassenen die het hebben meegemaakt zijn nagenoeg allemaal overleden. De kinderen die het nog meegemaakt hebben en er nauwelijks levende herinneringen aan hebben, zijn oud of gaan dood. De levende herinnering is aan het vervagen.  Het wordt bijgezet in de geschiedenis en neemt daar een belangrijke plaats in. Meer is niet nodig en ook niet gewenst, denk ik. Het boek moet gesloten; we hebben er nu voldoende in geschreven; velen kunnen het lezen; nieuwe hoofdstukken zijn niet echt meer nodig.

Night Watching – Video-opstelling van Rineke Dijkstra in het Rijks

Ik heb al veel geschreven over fotografe Rineke Dijkstra. Niet zo gek, want wat ze ook maakt, het boeit. Ze weet in haar portretten van mensen de ziel van de gefotografeerde te vangen. Als je voor haar foto’s staat vraag je je af of het een bepaalde verborgen techniek is; je ziet het gezicht van een mens en op de een of andere manier geeft Dijkstra je het gevoel dat je dat mens al heel lang kent. Een heel bijzonder fenomeen dat je vooral bij grote kunstenaars tegenkomt, volgens mij – en vele anderen – is Rineke Dijkstra zo’n grote kunstenaar. In elk ander geval – namelijk – hebben veel musea het bij het verkeerde eind, want Rineke Dijkstra wordt ook door de museumwereld als een hele grote gezien en behandeld. Een grote overzichtstentoonstelling, om maar een voorbeeld te noemen, in het Stedelijk museum, nog niet zo lang geleden en waarvan ik hier op mijn eigen website verslag deed. Wat ik vrijwel onbesproken liet van die tentoonstelling waren haar video-opstellingen. Wat me daarover is bijgebleven is een groep kinderen die ze filmt terwijl ze naar een schilderij van Picasso kijken en met elkaar bespreken wat ze zien. Een bijzonder fascinerende video waar ik lang naar heb staan kijken.

Het Rijksmuseum heeft Dijkstra de opdracht gegeven om zo’n zelfde soort video-opstelling te maken over mensen die naar De Nachtwacht staan te kijken. Deze video-opstelling is te bekijken in de eregalerij van het Rijks vlak naast het glazen huis waarin de Nachtwacht wordt gerestaureerd. Deze video-opstelling is een absoluut hoogtepunt in het van hoogtepunten wemelende Rijks. In de video komt de ene groep mensen na de andere voorbij en je leest de karakters en moeiteloos weet je wat hun beweegredenen zijn; wat ze van de wereld vinden en hoe ze met de wereld om gaan en wat ze ervan verwachten. Je kijkt naar de mensen die samen met hun vrienden, klasgenoten, studiegenoten, collega’s of familieleden een schilderij bekijken en aan elkaar vertellen wat ze zien. Natuurlijk niet zomaar een schilderij, maar De Nachtwacht. Mensen van heel verschillend pluimage.

Twee Japanse jongens: Ze hebben geen idee waar ze naar staan te kijken. Complete verwarring. Kennelijk is het belangrijk om dit schilderij te bekijken, maar wat het is of wie erop staat…geen idee. Zeelieden?

Japanse zakenlieden: Voor hen gaat het al snel over de waarde en hoe je met behulp van zo’n schilderij enorme winsten kunt maken. Met elkaar bedenken ze hoe Japanners zo’n beroemd schilderij zouden vermarkten: een nachtwacht met gaten erin op de plek van de gezichten zodat je er, tegen betaling, met je eigen gezicht kan laten fotograferen. Ze zouden nachwacht cakejes verkopen.

Drie directeuren: Zij zien de macht en kracht en hadden best zichzelf door Rembrandt geportretteerd willen zien; macht en kracht voor de eeuwigheid. Eén van hen had voor zijn grote verdiensten voor de stad de Frans Banning Cocq-penning gekregen; hij vond eigenlijk wel dat hij ook het recht had om op het schilderij te staan. Vooraan. En heus niet daar ergens achter in de schaduw.

Prepuber jochies: Wat doet dat meisje daar op dat schilderij. Zo’n meid moet wel Frederique heten. Nou, zegt een ander: Eerder Monique. Nee Frederique. Waarom moet er altijd een meisje de jongens- en mannenorde verstoren? Onderzoekende pretogen!

Een groep meiden waarvan maar één een witte huid heeft: Ze weten het zeker; zo’n groep kerels moet geweldig gestonken hebben want ze waren zo onhygiënisch in die tijd. Of…waren het alleen de armen die zichzelf niet verzorgden? Waren dit niet de rijke stinkerds aan wie de enge ziektes voorbijging?

Een groep studenten van de kunstacademie: In hoeverre was Rembrandt bezig met de mogelijkheid dat hij eeuwige roem zou kunnen vergaren met zijn schilderij. In hoeverre moet je je als schilder bewust zijn dat je iets voor de eeuwigheid maakt. Hoe ga je om met de roem en hoe zuur is het als de roem je pas na je dood ten deel valt.

Een groep klasgenoten meisjes: Eentje heeft de hoed van een tovenaar op. Zo’n puntige. En…wat is dat voor ding linksonder? Is het een steen? Is het soms een knikker? Wie speelt er met die knikker?

Kortom iedereen projecteert zijn of haar wereld in het schilderij. Wordt er over een abstract schilderij vaak gezegd dat je erin mag zien wat je wilt; Rineke Dijkstra laat zien dat iedereen altijd – en dus ook in een beroemd schilderij uit de zeventiende eeuw – ziet wat men wil zien. Iedereen wil er een stukje van zichzelf in zien en door de film van Rineke Dijkstra leren we de ziel van een aantal geportretteerden zien en leren we wat hun beweegredenen zijn om te zijn wie ze zijn. Meteen leren we ook wat het belang van kunst is; kunst laat je namelijk op een hoger vlak over jezelf nadenken. Het leert je reflecteren op wie je bent en wat jouw plaats in de wereld is.

Na de video wilde ik meteen kijken naar wat al die mensen zo fascineerde in het schilderij, maar helaas, De Nachtwacht wordt op dit moment gerestaureerd en heus, je kan het schilderij steeds blijven zien…maar wel met een hele installatie ervoor en van een wat grotere afstand. Die video Van Dijkstra is echt fantastisch!

De Fuggerei in Augsburg

We bivakkeren op dit moment in de buurt van Augsburg. De naam Augsburg doet een heel klein gesjeesd historicus lampje branden bij mij; de vrede van Augsburg. Ik heb het toch maar even opgezocht. Die vrede was een vrede van helemaal niets. Meer een voorbode van heel veel ellende. In het begin van de zestiende eeuw rommelde het. De kerk was corrupt geworden. Volgens velen was de kerk ver afgedreven van wat het oorspronkelijk was. Hervormers lieten zich horen. Vooral in de noordelijke landen. De machtigste heerser van Europa, Karel V, bestreed de hervormers met hand en tand. De inquisitie en de brandstapel tierde welig… In Augsburg wilde men de geest weer in de fles stoppen. ‘Cuius regio, eius religio’ was de uitkomst: De bezitter van het land bepaalt welke godsdienst er heerst. Van dat vredesverdrag of congres in 1555 hebben we weinig terug kunnen vinden, gisteren in Augsburg. In de geschiedenis heeft het ook niet echt stand gehouden want de strubbelingen gingen gewoon door om uiteindelijk toe te groeien naar een afgrijselijk, van bloed doordrenkte climax; de dertig jarige oorlog in de Duitse streken en de tachtig jarige oorlog in de Nederlanden. Qua slachtoffers in de Duitse streken is men niet helemaal zeker; de verhalen verschillen van een kwart van de bevolking tot driekwart van de bevolking…

Daarom misschien dat de Fuggerei mij zo trof. Het is een toppunt van naastenliefde in bittere tijden. De Fuggerei is het eerste sociale woningproject ter wereld. De steenrijke koopman Jakob Fugger stichtte het project in 1521 voor mensen die tot armoede waren vervallen en moesten zien hoe ze het leven weer konden oppakken. Een klein dorpje met heuse toegangspoorten in het centrum van Augsburg. Hoewel je toegang moet betalen om het project te mogen bekijken, en het dus een aardig museumgevoel geeft, zijn de ruim honderdveertig woningen nog steeds, onder dezelfde condities als vijfhonderd jaar geleden, bewoond. Omgerekend betalen de bewoners nog geen euro per jaar. Het onderhoud wordt grotendeels betaald uit toegangsgelden en wat een verderop gelegen bos oplevert. Of dat genoeg is, heb ik niet terug kunnen vinden, helaas. Rondlopen in het dorpje in de stad voelt een beetje gek; zeker omdat alle huisjes nog steeds bewoond zijn. Een soort van apies kijken. Omdat we zelf ook in een monument wonen waar veel bezoekers aan voorbij trekken weten we hoe vervelend het voor de bewoners is als je naar binnen gluurt; de verleiding is best groot. Gelukkig hebben ze ook twee woningen die je bezichtigen kunt. Een is modern ingericht , zoals de woninkjes nu in gebruik zijn en een andere woning hebben ze ingericht zoals ze in 1900 ingericht waren. Het zijn allemaal betrekkelijk ruime tweekamer woningen. Om te zorgen dat men zijn waardigheid houdt, is in de architectuur alles vermeden wat zou kunnen lijken op een armenhuis. Zo heeft iedereen een eigen deur naar buiten.

Midden in het project wordt je herinnerd aan die andere ramp die Duitsland is overkomen. Vierhonderdvijftig jaar na de verwoestende godsdienstoorlogen; het Hitlerregime. Ook Augsburg heeft enkele wraakaanvallen gehad vanuit de lucht. Om te kunnen overleven bij een bombardement zijn in het centrum van de Fuggerei schuilkelders ingericht. In die schuilkelders is een tentoonstelling opgezet over bombardementen en de bevolking. In het najaar van 1944 zijn er twee aanvallen op de stad geweest. Ook de Fuggerei is geraakt. Niet ernstig, maar toch… De angst zal er niet minder om geweest zijn. Na de oorlog zijn de huizen die beschadigd raakten meteen weer hersteld.

De Fuggerei in Augsburg is echt een van de hoogtepunten van deze stad. (Ook de kathedraal, trouwens, met een serie indrukwekkende Maria-schilderijen van Hans Holbein de Oude)

En de winnaar is…En de winnaars zijn…

Ik heb ze alle zes uit. De shortlist van de Librisliteratuurlijst 2019. Ik moet zeggen dat ik de kwaliteit van de boeken die dit jaar op de shortlist stonden, hoger inschat dan de lijst van vorig jaar. Maar desalniettemin vraag ik me af welke criteria de jury aanhoudt als ze boeken selecteert. Ik zou ook graag willen weten waarom een bepaald boek uiteindelijk wint. Ik kon dat op Internet niet terugvinden. Als ik zo langs het lijstje kijk, dan begrijp ik het allemaal niet zo erg. Ik zou graag horen wat ik gemist heb, want mijn mening verschilt nogal met dat van de jury. Vorig jaar, kan ik me herinneren, begreep ik niet eens wat een bepaald boek op de longlist deed, laat staan hoe het op de shortlist terecht kwam.

We gaan het niet nog eens hebben over vorig jaar; aan dit jaar hebben we onze handen al vol genoeg.
De boeken op de shortlist Libris literatuurprijs 2019:
• Jan van Aken – De ommegang, Querido
• Johan de Boose – Het vloekhout, De Bezige Bij
• Rob van Essen – De goede zoon, Atlas|Contact
• Esther Gerritsen – De trooster, De Geus
• Bregje Hofstede – Drift, Das Mag
• Ilja Leonard Pfeijffer – Grand Hotel Europa, De Arbeiderspers

Op de laatste plaats eindigt Rob van Essen met zijn roman De Goede zoon. Ik heb me er doorheen gewerkt. Vond het doodsaai om te lezen. De SF elementen waren onrealistisch en slecht uitgewerkt. Ik snapte eigenlijk niet eens waarom het boek op de longlist was gekomen gezien alle boeken die verschenen zijn dit jaar. Gek genoeg heeft deze roman de prijs in het echt gewonnen. Ik moet dus wel een hoop gemist hebben. Wat was ik blij dat ik het uit had!

Op de vijfde plaats eindigt bij mij Drift van Bregje Hofstede. Een goed geschreven boek dat ik geboeid heb gelezen. Alleen is het wat mij betreft geen roman maar meer een verslag van een scheiding. Ik denk dat het talent van Bregje Hofstede moet rijpen. Ik zie een heleboel positiefs in het boek, maar net niet goed genoeg gecomponeerd om in dit rijtje boeken hoge ogen te gooien. ‘Gecomponeerd’ schrijf ik omdat ik de vorm van het boek te mager vind. Een scheiding kan best een onderwerp van een roman zijn, alleen moet je je dan afvragen in wat voor vorm je het giet.

Op de vierde plaats eindigt bij mij Het Vloekhout van Johan de Boose. Een fantastische roman. Bijzonder fantasievol en met heel veel respect voor spiritualiteit geschreven. De roman heeft de pech dat er op de shortlist een paar boeken staan die ik gewoon nog veel beter vind en helaas, ik heb mezelf opgelegd om jury te spelen en de boeken met elkaar te vergelijken.

Op de derde plaats zet ik De Trooster van Esther Gerritsen. Ik heb denk ik wel alle boeken van Gerritsen gelezen en vind de ene nog bijzonderder dan de andere. Toen ik het boek uithad was ik verschrikkelijk enthousiast. Misschien heeft De Trooster de pech dat ik het al zo lang geleden gelezen heb; meteen toen het uitkwam. Maar helaas, op de shortlist staan nog boeiender boeken, vind ik nu.

Wat de eerste en de tweede plaats betreft, kan ik niet kiezen. Twee reusachtige boeken die ik in een adem uitgelezen heb. Twee boeken die de spanningsboog voortdurend hoog hielden. Twee romans vol met een gigantische ideeënrijkdom. Jan van Aken met de Ommegang en Ilja Leonard Pfeijffer met Grand-Hotel Europa komen wat mij betreft met z’n tweeën op de eerste plek. Dat moet kunnen omdat kunstwerken niet te vergelijken zijn en de twee romans beiden absolute topstukken zijn.

Kom ik toch nog even terug op de ‘echte’ winnaar: Kan iemand mij alsjeblieft uitleggen wat ik in De Goede Zoon gemist heb? Echt niet te hachelen dat boek. Hoe kan een jury bij een vergelijking dit boek kiezen boven de vijf andere boeken die stuk voor stuk veel boeiender zijn. Ik kan er eigenlijk niet bij…

Ilja Leonard Pfeiffer – Grand-Hotel Europa; Rijk en geweldig!

Ik moet zeggen dat ik er een beetje tegenop zie om dit stukje over deze roman te schrijven. Het is een roman namelijk die heel lekker wegleest, maar ondertussen een zeer diepgaande beschouwing is over verleden en heden van Europa ten opzichte van de rest van de wereld en ook een blik werpt op de toekomst. Het is een diepgaande beschouwing over de mensheid en het exploreren van de aarde, waarvan massatoerisme een aspect is. Kortom, Grand-Hotel Europa is een zeer rijke omvangrijke roman en als recensent – en dat ben ik – wil ik geen steken laten vallen. Door zijn enorme ideeënrijkdom zou dit wel eens in onze literatuurgeschiedenis een heel belangrijke roman kunnen worden… Maar dat weet ik niet, want daarvoor zou ik vanuit de toekomst terug moeten kunnen kijken.

Ilja Leonard Pfeiffer is met naam en toenaam de verteller van de roman, de ik-figuur. Hij neemt zijn intrek in het Grand-Hotel Europa om verslag te doen van zijn liefdesrelatie met Clio. In zijn woonplaats Genua wil de verteller een lezing bezoeken, maar hij heeft zich vergist in de datum. Op de plek waar de lezing gehouden wordt, blijkt zich nog iemand vergist te hebben in de datum; de kunsthistorica Clio. Dat is het begin van een gepassioneerde liefdesverhouding tussen de temperamentvolle adellijke Italiaanse Clio en de meer beschouwende noordelijke classicus Pfeiffer. Twee mensen die beroepshalve naar het verleden kijken. Samen gaan ze in Venetië wonen; de stad die in Europa mogelijk het meeste last heeft van het massatoerisme. Maar aan de andere kant ook een van de mooiste steden van Europa.

Het hotel Grand-Europa is net overgenomen door de Chinees Wang. Het hotel is vergane glorie. Er zijn een aantal vaste bewoners die als het ware symbool zijn voor verschillende aspecten van de oude Europese cultuur. Zo is er de Franse dichteres Albane die zich voor alles iets te goed voelt. Er is de geleerde Patelski, een steenrijke Griek, de vluchteling Abdul en de Majordomus. Allen vertellen hun verhaal in de roman en belichten daarmee hun deel van de geschiedenis van Europa. Abdul komt uiteraard met het meest nieuwe deel van de geschiedenis, maar voor zijn vluchtverhaal gebruikt hij de Aeneas. Zo wordt zelfs zijn verhaal in de Europese geschiedenis ingebed. Nieuwe eigenaar Wang gaat het Grand-Hotel nieuw leven inblazen door het geschikt te maken voor de Chinese markt. Dat betekent dat hij het gaat aanpassen aan het idee van Chinezen hoe een Europees hotel eruit ziet. Symbolisch is het portret van Paganini aan de muur dat hij vervangt door een Engels jachttafereel op het platteland.

Clio voelt zich zwaar ondergewaardeerd als kunsthistorica. Ze werkt bij een veilinghuis en heeft een tijdelijke aanstelling aan de universiteit. Ze wil als conservator aan de slag bij een groot museum. Bovendien wil ze haar onderzoek naar Caravagio voortzetten. De schilder werd destijds ter dood veroordeeld, maar wist aan zijn straf te ontkomen door drie schilderijen te maken en aan de juiste persoon te schenken. Van twee van de schilderijen is bekend waar ze zijn, de derde is zoek. Dat schilderij stelt de berouwvolle Maria Magdalena voor maar in het gezicht van Maria zijn trekken van de schilder zelf te herkennen; met Maria Magdalena toont ook Caravagio berouw. Clio en de verteller gaan op verschillende plekken zoeken naar dit schilderij; naar het verloren gegane Europa?

De wereld is voor iedereen heel veel kleiner geworden en daarmee zijn de Europese kunstschatten ook bereikbaar geworden voor de ‘gewone’ man. Pfeiffer lijkt te willen afrekenen met deze in korte broek op teenslippers lopende toerist waarvoor hele binnensteden worden opgegeven. In Venetië bijvoorbeeld verdient men alleen nog maar aan het toerisme. De bevolking trekt weg, de toeristen komen en daarmee worden de steden (in dit geval dus Venetie) geconserveerd en vervolgens aangepast aan wat de toerist verwacht.

De roman biedt zo verschrikkelijk veel meer dan ik hier kan en wil vertellen dat ik slechts een advies kan geven: Lees zelf die roman. Het verhaal leest als een trein en is volgepakt met zaken waar je eindeloos over kunt nadenken. Met de liefde tussen de verteller Ilja Leonard Pfeiffer en Clio loopt het slecht af, dat weet je al aan het begin…of… lees het zelf maar.

Afgelopen weken was het vakantie… Ik was dus ook in Italië. Het was smoorheet en ik was dolgelukkig dat ik op teenslippers en sandalen en in mijn korte broek de fantastische Scrovegni kapel met die fantastische fresco’s van Giotto in het echt heb mogen bekijken en dat ik in de moordende hitte enigszins verkoeling kreeg in de kerken met prachtige mozaïeken in Ravenna. Ik was dus ook zo’n massa-toerist waar Pfeiffer zo op af geeft. Ik moet eerlijk zeggen, en dat zeg ik tegen de verteller van de roman persoonlijk, dat ik altijd medelijden heb met mannen die ondanks de hitte in volledig kostuum rondlopen. Wat mij betreft mag iedereen zich qua kleding helemaal aan de omstandigheden aanpassen. Ik vind het wat ver gaan om in je zwembroek de Scrovegni kapel in te gaan, maar ach…als het heel erg warm is…

Boerkaverbod

Ik kom zelden iemand tegen waarvan het gezicht schuil gaat achter een doek. Af en toe een vrouw. Ze draagt een bril. Ik kan me niet voor de geest halen of die bril achter of voor het doek zit, maar ik weet zeker dat ze een bril draagt. Ook zag ik wel eens een man en een vrouw in de supermarkt waarvan de vrouw zich volledig bedekte. Als ik alleen op het uiterlijk van de man af zou gaan – de vrouw kon ik dus niet zien – dan zou ik zeggen: White Trash. Losers. Maar eng vind ik het wel. Bijna agressief. Beetje bedreigend. Ik wil weten wat ik te verwachten heb van iemand. Zelfs als dat helemaal niets is. Als iemand helemaal afgedekt is, kan ik dat niet zien en is alles mogelijk. Ik ben blij met het boerkaverbod.

Aan de andere kant zijn er in Nederland geen vrouwen die gedwongen een boerka dragen volgens hoogleraar cross-cultureel recht Tom Zwart vandaag in de Volkskrant. Hij heeft dat kennelijk onderzocht. En als vrouwen er bewust voor kiezen om een bepaald kledingstuk te dragen vanwege hun interpretatie van de gedragsregels van de godsdienst die zij belijden, wie zijn wij dan om dat te verbieden? Als het iemands goed recht is om naakt de bevrijding van religie te vieren, waarom hebben we er dan moeite mee als iemand zich vrijwillig totaal bedekt onderwerpt aan haar religie?

In dezelfde Volkskrant van vandaag het verhaal over Atjeh waar fanatieke moslims het leven zijn gaan beheersen en waar iedereen inmiddels, al dan niet gedwongen, zich dient te onderwerpen aan een islam die geen enkele individuele vrijheid toestaat. Alhoewel onze cultuur maar heel relatief is en een mix van allerhande invloeden, zou je je, met de hoeveelheid mensen die zichzelf moslim noemen, af kunnen vragen in hoeverre we een soort Atjeh in het vooruitzicht hebben als we niet ook af en toe ingrijpen. Onze cultuur op dit moment wordt gekenmerkt als een open cultuur die uitgaat van persoonlijke vrijheid en ontplooiingskansen. In de film ‘Een goede moslima’ zet Frans Bromet zijn hoofdpersoon tegenover een betrekkelijk extremistische moslima. De hoofdpersoon wordt de oren gewassen door de fanatiekeling over de zondes die ze pleegt als ze zich gedraagt zoals ze doet. Wat ik op het gezicht van de hoofdpersoon las was schuld en wroeging; ze gaf de extremiste gelijk. Ik vind het niet zo gek dat Nederland deze beperkende religie een halt toeroept. Het boerkaverbod is een mooie eerste stap. We willen niet langzaam zonder protest naar een Atjeh of Saoedi-Arabië afglijden.

Het dragen van een hoofddoek en van een boerka hoort bij een samenleving waar vrouwen geen rechten hebben en volledig onderworpen zijn aan mannen. Het hoort bij samenlevingen waar vrouwen zichtbaar mogen zijn als schim. Bij samenlevingen waar vrouwen niet zelfstandig kunnen functioneren. Ik wil niet in zo’n samenleving wonen. Ik woon ook niet in zo’n samenleving. Vrouwen die hier in een boerka rondlopen hebben de verkeerde samenleving gekozen; het past hier niet. We vinden het hier eng. Daarom ben ik erg blij met het boerkaverbod.

Hitte

Sinds ik onbewust een dikke jas aangetrokken heb, zo rond mijn veertigste, heb ik het moeilijk met mijn interne temperatuur. Die dikke jas kan ik helaas nooit uitdoen en is een deel van mij. Tot mijn vijfendertigste was ik een dunnertje. Af en toe loop ik tegen foto’s aan van mij met een van mijn kleine jongetjes op mijn arm. Dan zie ik de persoon die ik toen aan de buitenkant was en die qua vorm verdomd veel lijkt op een van mijn volwassen zonen van nu. Hoewel ik van binnen dezelfde ben gebleven en ik het gevoel van een klein zoontje op mijn arm nog best wel kan oproepen, ben ik aan de buitenkant gewoon niet meer wie ik was, destijds. Ik rolde in die dagen met veel plezier sjekkies en rookte ze met veel smaak op. Zelfs als er kleine jongetjes bij waren. Ik zag zelf ook wel in dat dat niet echt gezond was. Voor niemand niet in ons huis. Bovendien kreeg ik er een akelig hoestje van en omdat ik ervan overtuigd was dat niemand wilde vrijen met een oudere roggelend hoestende kerel, stopte ik met sjekkies rollen en roken. Als ik het me goed herinner werd ik op de dag dat ik het roken eraan gaf, meteen tien kilo zwaarder. Die gewichtstoename zette zich voort terwijl ik, volgens mij, niet speciaal slecht of heel veel meer at dan gewoon. Ik creëerde een solide isolerende vetlaag die er met geen dieet meer vanaf te krijgen is.

In de zomer breekt die vetlaag mij wel vaak op. Het lukt me niet om af te koelen en ik zweet me een ongeluk. Op vakantie hier in het zuidelijke Ravenna heb ik er extra veel last van. Vooral ’s avonds. Alles zindert boven de dertig graden. Mijn lijf werkt als het nooit gewerkt heeft om de temperatuur op peil te houden. Maar de temperatuur wil maar niet zakken. Het laken waarop ik lig in de tent is me eigenlijk al teveel. Ik wil weg. Weg naar koelere oorden. Ik denk dat het vandaag ons laatste dagje Ravenna wordt en dat we morgen koers naar het noorden zetten.

Maar vandaag nog even genieten van al het moois dat Italië, en dan vooral Ravenna te bieden heeft. Hebben we met Giotta in Padua de start van de (heel erg vroege) renaissance mogen zien, in Ravenna zien we de geboorte van de middeleeuwen. Eigenlijk zien we hier het uitdoven van het grote romeinse rijk. De laatste stuiptrekkingen, om het zo maar uit te drukken. Nee, geen stuiptrekkingen…daarvoor zijn de half tempels, half kerken met hun prachtige mozaïeken te mooi. Toch uitdoven…want die mozaïeken hebben in de beeldende kunst niet echt navolging gehad in West-Europa. Moeilijk. Laat ik ze bekijken zoals ze zijn; wonderschoon wat betreft de kleuren en fantastisch naïef als plaatje. Gisteren hebben we de basiliek die geweid is aan St. Apollinare in Classe bezocht. Vandaag gaan we naar het centrum van Ravenna.

Nu, op dit moment – om kwart over acht in de ochtend – is het nog heel goed uit te houden. Maar als ik naar de lucht kijk en de strakblauwe hemel zie, dan weet ik dat het weer puffen, hijgen en zweten wordt…helaas. Morgen weer naar het noorden waar de hitte al lang verdreven is!