Categoriearchief: Beeldende kunst

Blogs over beeldende kunst

Jaloerse Kaïn

Op de laatste dag in Frankrijk, wilden we naar het Musee des Beaux Arts hier in Valenciennes. Alleen al met de website van het museum had Ik al behoorlijk wat voorpret want…Een fantastisch doek van Joachim Beuckelaer van een 16e eeuwse groentekoopvrouw bij haar stal met een enorme verscheidenheid aan groente en fruit. Kijken of we alle gewassen thuis konden brengen. Verder het schilderij ‘Saint Jacques et le magicien Hermogène’ van Jérôme Bosch geboren te Bois-le-Duc en nog veel meer. Dus wij op onze fietsen richting het museum. Maar helaas, sinds het Rijksmuseum een renovatie van meer dan tien jaar onderging, lijkt er een renovatie epidemie door Europese musea te waren. Het museum had haar poorten voor onbepaalde tijd gesloten. Een imposant museum, trouwens, voor zo’n klein stadje.

Dus fietsten we verder naar een bijzonder parkje; nummer twee op het lijstje bezienswaardigheden van Tripadvisor. Een oud park met heel veel zeer oude bomen. Erg smaakvol ingericht. Veel bloemen in veel kleuren. Echt een lust voor de zintuigen. Dat vonden de inwoners van Valenciennes ook; bijna alle bankjes waren bezet. Vaak met ontluikende liefde op de zittingen. We zaten er prima. Het verving het museum niet, maar toch fijn.

Kaïn die ‘iets’ mist.

In het parkje ook wat beelden. We kwamen het beeld ‘Cain jaloux’ tegen van Paul Theunissen. Je zou met zo’n naam denken aan een Nederlandse beeldhouwer of toch minstens een Vlaming. Maar nee, de man is geboren in een dorpje Anzin in de buurt van Valenciennes en heeft naar verluidt zijn hele leven in Frankrijk gewoond. De jaloezie van Kaïn. Het beeld is in 1904 gemaakt en is zelfs voor die tijd al wel wat belegen qua vorm. Het lijkt een beetje te passen bij de prerafaelieten. Beetje romantisch, beetje een knappe vrouw met grote borsten. Misschien ook niet. Maar doet er eigenlijk niet toe. We zien een pronte knappe vrouw, grotendeels naakt met een baby op schoot. Daarnaast een klein jongetje die de baby afwijst. Het zou de jaloerse Kaïn moeten zijn. Maar, bij nader inzien…is dat jochie dat daar staat wel een jongetje? Waar is zijn pielemosie? Juist ja, iemand is langsgekomen met een hamer en heeft het jongetje met een klap gecastreerd. Kennelijk was er ook weer iemand jaloers op Kaïn, omdat hij zo’n mooi pikkie had.

Klopt dit beeld met het bijbelverhaal? Nee. Kaïn wordt pas jaloers op Abel als God een duit in het zakje doet. Wie? God dus. God maakt het leven van Kaïn tot een hel. Kaïn en Abel offeren aan God. Het offer van Abel wordt door God aanvaard, het offer van Kaïn – om volstrekt duistere redenen – niet. God is niet alleen de bron van alles, maar ook de schuld van alles. Had hij die hele boom met appelen gewoon weggelaten uit de hof van Eden, dan hadden Kaïn en Abel niet met barenspijn ter wereld hoeven komen en als God ook het offer van Kaïn had aanvaard, dan was er geen broedermoord gepleegd. Treurig hoe een zo machtig iemand omgaat met ons, onmachtige mensen!

De heiligen van Reims

Hier in Reims hebben twee verschrikkelijk belangrijke heiligen rondgelopen, vindt ‘de kerk’. De belangrijkste is Saint Remi. Niet omdat hij nou zulke spectaculaire dingen heeft gedaan. Hij heeft, voor zover ik kan nagaan weinig wonderen verricht, maar voor de geschiedenis van Reims en meteen ook heel Frankrijk, is zijn belang enorm. De man heeft Clovis, koning van de Franken en daarmee de eerste koning van Frankrijk gedoopt. Op de kathedraal staat Clovis afgebeeld in iets dat best een beetje lijkt op een wastobbe, maar wat in werkelijkheid natuurlijk een doopfont is. Voor Saint Remi is een aparte basiliek gebouwd met klooster, waar zijn lichaam bewaard wordt in een gouden kist. Gisteren heb ik de gouden kist bewonderd. Door Saint Remi werd het Franse koningschap door God gegeven en kon het absolutisme welig tieren tot dat men er genoeg van kreeg en toen rolde de koppen.

Die andere verschrikkelijk belangrijke heilige van Reims is Saint Nicasius. De man wordt doorgaans afgebeeld met zijn afgehakte hoofd in zijn handen. Wat is er aandoenlijker dan een man die zijn eigen hoofd in zijn handen heeft en haast doet of er niets aan de hand is? De heilige is de stichter van het christelijke Reims. Op de kathedraal komt zijn verhaal op diverse manieren terug. Op z’n compleetst staat hij als groot beeld aan de noordelijke poort van de kathedraal. De heilige houdt zijn hoofd in zijn handen terwijl twee engeltjes boven de vrijgekomen plek van zijn lichaam iets onduidelijks vasthouden (een kroon?). Ook de engeltjes missen wel wat onderdelen maar dat heeft te maken met de tand des tijds.

Het leven van Saint Nacasius speelde zich af in de periode toen het romeinse rijk wankelde. Hordes uit alle windstreken vielen het rijk binnen. Reims was een romeinse stad. Het zou niet lang meer duren voor het West-Romeinse rijk definitief ineenstortte, maar dat wist men toen nog niet. De Vandalen, afkomstig uit Oost-Europa uit de streek waar we nu Polen situeren, was een van de volken die vanuit het oosten het romeinse rijk binnenviel. De Vandalen hielden er rare gewoonten en ideeën over gastvrijheid op na: Waar ze als gasten kwamen vermoordde ze de mannen meteen, de vrouwen verkrachtte ze eerst en vermoordde ze daarna. Vervolgens pakten ze wat ze konden gebruiken en staken de rest in de fik. Ze deden hun naam eer aan. Een spoor van verwoesting achterlatend, trokken ze door Europa. Nadat ze Rome even ‘aangedaan’ hadden, klopten ze ook aan de poort van Reims. (nou ja, kloppen…). Het plaatselijke hoofd van de net gestichte kerk, de op dat moment nog niet heilige pater Niceaise redde de kerkgemeenschap door zichzelf op te offeren. Hij ging naar de bruten toe. Meteen hieven de Vandalen hun bijlen want des paters kop wilden ze zien rollen. Niet onder de indruk van de bloeddorstig dreigende barbaren, reclameerde de pater psalm 118. Juist halverwege vers 26 viel zijn hoofd. De eerste helft van het vers werd gezegd door het hoofd nog aan de romp, en het tweede deel door het hoofd zonder romp. Door deze opoffering werd de kerkgemeenschap gered…en werd pater Niceaise de Sint Nicasius wiens beeld nu aan de noordelijke poort van de kathedraal in Reims staat. Ik geloof dat een enkele vandaal zich na de onthoofding meteen bekeerde tot het christendom… Omdat er volgens Christenen altijd vergeving is, kom je nu waarschijnlijk, ook een barbaarse vandaal tegen in de hemel.

Het stedelijk museum…van Laon.

We zijn een paar dagen in Laon. In de middeleeuwen was Laon een stad van aanzien. Een stad met een universiteit waar geleerden van naam lesgaven. Pierre Abelardus, een van de grootste geesten uit de hoge middeleeuwen, heeft in deze stad zijn opleiding gehad, kan je nagaan. Een stad waar ze de op dat moment mooiste en grootste kathedraal bouwden. Een kathedraal die het voorbeeld werd voor Chartres en Parijs. In die stad zijn we dus. Maar sinds de middeleeuwen is Laon niet meer gegroeid. Omdat de andere steden wel groeiden, krijgen we nu de indruk dat Laon een enorme kathedraal is, met een onooglijk stadje er omheen. Naast de kathedraal is er eigenlijk weinig te beleven in Laon. Op het kaartje van de VVV zagen we dat er ook een tempelierskapel was. Daar aangekomen bleek de kapel in volledige restauratie en dus gesloten te zijn. In het naastgelegen gebouwtje is het gemeentemuseum gevestigd.

De collectie bleek een ratjetoe. Van alles en nog wat; uit alle eeuwen en uit alle windstreken. Op zich wel vreemd want als de stad in de middeleeuwen zo’n voorname stad was, dan moeten daarvan toch objecten zijn die je in dit museum kunt laten zien? Juist de ‘afdeling’ middeleeuwen was uitermate pover.

Toch wel een paar aardige dingen. In de collectie een schilderijtje van Isaak van Ostade, het broertje van Adriaen, dat zeker de moeite waard is. Met het blote oog is er nauwelijks iets op te herkennen. Het schilderij is vies en verdient een schoonmaakbeurt. De titel: ‘De onderbroken lunch’ (Le dejeuner interrompu). Het schilderij is grotendeels zwart waarop met wat moeite wat figuurtjes te herkennen zijn. Toen ik de camera van mijn telefoon op het schilderijtje richtte; leek de camera dwars door de vuiligheid heen te kunnen kijken en daardoor ontwaarde we een grappig bedoeld huiselijk tafereeltje. Twee kinderen houden hun neus dicht terwijl een vrouw de baby verschoond. Op een tafeltje een bord pap. Een man kijkt lachend naar de kinderen. Ik geef toe dat ik geen mooie foto maakte, maar je ziet in ieder geval iets.

Het tweede schilderij dat de moeite waard was, is een zeventiende eeuws portret van een onbekende oudere vrouw gemaakt door een onbekende schilder. Die anonimiteit is gek, want het is absoluut een mooi schilderij; de vrouw staat er levensecht op. Ze lijkt begijn of non en zou je zo bestraffend kunnen toespreken. Volgens het bijschrift zou de kunstenaar een Franse schilder zijn. Maar ja, wie dan?

Beeldenstorm

De rijkdom van de kerk was helemaal uit de hand gelopen. In de kerk kon je je weg naar het paradijs kopen met aflaten. Met het geld dat verdiend werd met aflaten, werden grotere kerken gebouwd en paleizen voor de corrupte kerkvorsten. Om het volk dom te houden, werd de mis in het latijn, en niet in de volkstaal opgevoerd en bestonden bijbels alleen in het latijn. Daardoor was het voor het volk onmogelijk om zelf te lezen wat God’s wil was. Het volk werd dom gehouden. Maarten Luther was de leider van de opstand tegen de kerk. Die opstand breidde zich als een olievlek uit. Ook tot in de Nederlanden. Men vertaalde de bijbel in het Nederlands en daardoor kon het volk lezen dat God verbood om gesneden beelden (afgoden) te aanbidden. Niettemin stonden de kerken vol met die beelden. Revolutie! Vermorzel het oude en maak plaats voor het nieuwe! Trek de beelden om! Mij werd op de lagere school verteld hoe rechtvaardig de beeldenstorm wel niet was. Op een seculiere lagere school in het vooruitstrevende Amsterdam! En we smulden ervan als kinderen; weg met die volgevreten paapsen! En dat terwijl het geloof geen enkele rol in ons leven speelde. Wij zagen de beeldenstorm als een heldendaad van verzet tegen de macht.

Laten we eerlijk zijn, dat heroïsche protestante geloof van ons, dat werd voor het overgrote deel ingegeven door uitbuitende adel. Die adel was uit op de bezittingen en dus de macht van de kerk. Door de kerk te slopen viel al dat land toe aan de ‘bekeerde’ adel en de onderdanen van die adel diende zich eveneens te bekeren. Wrede straffen voor ongehoorzaamheid aan de adel waren aan de orde van de dag. De kerken en de beelden en de schilderijen waren het mooiste dat de mensen konden maken en getuigden van de liefde van het volk voor datgene wat hen van boven bestierde. Met heel veel talent, geduld en passie werden de kerken de mooiste plaatsen op aarde; een afspiegeling van de hemel. In de hemel heersen liefde en rechtvaardigheid en rechtvaardigheid was voor hen op aarde niet te vinden. Maar de jongeren werden opgezweept om samen met betaalde bendes alle beelden neer te halen. Wat zullen veel heel gewone mensen geleden hebben onder deze vernielzucht!

Hier in Laon kwamen we dezelfde vernielzucht tegen. In Frankrijk heet de revolutie niet reformatie en beeldenstorm, maar de Franse revolutie. Gelukkig heeft de vernielzucht van die revolutie van ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’ niet elke kerk evenveel getroffen, maar de vernieling is aanzienlijk. Het noorden van Frankrijk staat vol met middeleeuwse volkse passie, want zo kan je die gigantische gotische kathedralen wel noemen. Ook hier in Frankrijk werden beelden naar beneden gehaald, eeuwenoude kerken ineens gebruikt als paardenstal of torens neergehaald die door massa’s arme drommels met veel liefde waren gebouwd. Gelukkig werd in Laon de kathedraal niet neergehaald. Gelukkig niet. Maar het interieur…wat is daar veel vernield! Nauwelijks zijn er nog gebrandschilderde ramen terwijl dat er vast heel veel zullen zijn geweest. Ook nauwelijks beelden in de kerk. Als getuige van al die vernielzucht lieten ze een beeldengroepje hangen. Het maakt me zo treurig…

Saint Ache en Sint Acheul

Vakantie in Frankrijk. Nog nooit is dat zo ingewikkeld geweest. Nou ja, heeft het zo ingewikkeld geleken. Een verplichte QR-code als bewijs van volledige vaccinatie plus een verklaring op erewoord dat je geen covid symptomen vertoond. Niet dat ik iets daarvan ooit aan iemand heb moeten laten zien, maar het feit dat je ‘iets’ bij je moet hebben om naar Frankrijk te rijden maakt alles al anders dan anders. Nog steeds weten we niet wanneer het allemaal gaat eindigen. Tijdens de pestepidemie in het verleden wist men niets beters te doen dan bidden. Iedereen die niet sterk genoeg was ging dood en de sterken bleven over en konden hun leven weer oppakken. Veel mensen van nu willen, geloof ik, opnieuw zoiets als men in het verleden deed: Met z’n allen gaan bidden en hopen dat een hogere macht – zeg de natuur – ervoor zorgt dat op den duur het sterven aan covid op houdt; dat we ons leven nu niet moeten beperken. De zwakkeren zullen het niet allemaal overleven; een verlies dat we moeten nemen… Gelukkig zijn er niet veel mensen die er zo over denken!

Hoe dan ook, we zitten in Frankrijk op de camping vlakbij het provinciestadje Amiens. Het stadje heeft alle kenmerken van een provinciestad met een glorieus verleden. Ik weet dat niet zeker want ik heb de geschiedenis van Amiens niet bestudeerd, maar gezien de omvang en de schoonheid van de kathedraal, moet het wel een belangrijk stadje zijn geweest. Geliefde J. en ik duiken steevast in elke Franse stad van enige omvang op de eerste dag dat we er zijn, de kerk in. Al helemaal als de kerk een kathedraal is. Enige voorwaarde die wij stellen; hij moet oud zijn. Heel erg oud. In Amiens kom je aan je trekken wat dat betreft. Gebouwd in de dertiende eeuw in een rijtje gotische kathedralen van ongekende schoonheid aan de meer noordelijke kant van Frankrijk.

Wat trekt mij nou zo verschrikkelijk aan in die eeuwenoude kathedralen? De naïviteit, denk ik. Mensen stonden in onze ogen nog zo puur en onbedorven in het leven. In hun gedachtenleven, moet ik zeggen. Het wereldse leven werd niet anders dan nu, bepaald door de zucht naar macht en rijkdom en ging gepaard met geweld en uitbuiting. Maar dat gedachteleven, zo kinderlijk naïef. Als je doodgaat wordt je ziel gewogen. Als het goede zwaarder weegt dan het kwaad dat je verricht hebt tijdens je leven, dan mag je in mooie gewaden het hemelrijk binnenstappen anders wacht je de eeuwige kwelling. Een erg grappige uiting van naïviteit vormen twee beelden bij de linker ingang van de kathedraal. De heiligen zijn onthoofd voor het geloof en als beeld weer opgestaan. Dat heeft er kennelijk niet voor gezorgd dat hun hoofd weer op de juiste plaats kwam. Zou dat niet een enorme kwelling zijn als je met je hoofd onder je arm het eeuwige hemelse leven instapt? De ongelukkigen zijn de heilige Ache en Acheul. Over hun levens heb ik slechts een Franse site gevonden en het gaat wel even duren voor ik de tekst volledig ontcijferd heb…

Het rijksmuseum is woke geworden

De treurnis over alle cultuur die verboden was de afgelopen maanden is in mijn botten gaan zitten. Het enige wat nog mocht was datgene wat je thuis kunt doen. Qua cultuur is dat niet veel als het streamen en het Zoomen je neus uit komt. Ja, boeken lezen. Dat heb ik dan ook veel gedaan. Nog nooit was ik zoveel eerder klaar met het lezen van de shortlist voor de Librisliteratuurprijs, als dit jaar. Dan te bedenken dat ik bij het bekend worden van de korte lijst, pas één boek gelezen had en ik er nog vijf te gaan had. Als lezen je enige culturele vertier is, dan moet dat wel lukken.  Zelfs het Rijks was dus maanden gesloten, maar sinds kort mogen we weer. Omdat ik vroegboeker ben (zo graag wilde ik) had de boekingsapp nog geen rekening gehouden met het feit dat alles een weekje eerder open mocht en had ik pas voor gisteren een kaartje. Daar aangekomen bleek dat ik het vinkje voor de grote slavernijtentoonstelling gemist had bij het boeken en kon ik daar dus niet naar binnen. Wel mocht ik naar de rest van het museum en dat was toch ook erg fijn.

Op de eregalerij bleek dat het woke-virus had toegeslagen in het museum. Bij verschillende schilderijen waren extra bordjes gehangen om te vertellen over het verband tussen het schilderij en slavernij. Behoorlijk inadequaat moet ik zeggen. Het ontsierde de getoonde kunst nogal. Neem bijvoorbeeld één van de mooiste stillevens uit de zeventiende eeuw: Stilleven met kalkoenpastei. Het woke bijgevoegde bordje vertelt ons dat de specerijen in de pastei door geweld en slavernij waren verkregen. De kruidnagel zou van Ambon komen en de nootmuskaat van de Banda-eilanden. Het zal allemaal wel. Terug naar het schilderij. Waar ligt de kruidnagel? Geen kruidnagel te bekennen op het schilderij. Goed, dan de nootmuskaat. Het hele schilderij afgezocht, maar geen nootmuskaat te ontdekken. Laat me dan in ieder geval het foelieblad zien dat men van de nootmuskaat moest verwijderen…ook in geen velden of wegen te bekennen op het schilderij. Zijn er dan helemaal geen exotische specerijen te ontdekken op het schilderij? Ja, maar daar lees ik dan weer helemaal niets over. Peper ligt er, gemalen peper. Waar komt dat dan vandaan? Een link leggen met moderne slavernij? Daar doet het woke deel van het museum niet aan. Eén van de schrijnendste vormen van moderne slavernij vindt plaats in de huidige  citrusvruchtenpluk in Zuid-Europa. Daar had je met die prachtig geschilderde citroen naar kunnen verwijzen.

geen kruidnagel, noormuskaat of foelie, wel peper en citroen

Het volgende irritante bordje dat ik tegenkwam vertelt ons iets over slavernij en Michiel de Ruyter bij diens portret. Onze zeeheld zou zich ingezet hebben voor het vrijkopen van blanke slaven in Noord-Afrika. Vervolgens veroverde hij de kust van West Afrika op Engeland zodat onze republiek een ‘doorstart’ kon maken in de slavenhandel. De conservators concluderen: “Blijkbaar accepteerde De Ruyter slavernij zolang het niet om witte christenen ging.” Kan je die conclusie trekken? Nou, ik denk van niet. Ik denk dat De Ruyter slavernij beschouwde als een gegeven maar dat hij voor Europese slaven – vaak gevangengenomen bemanning van VOC schepen – een extra verantwoordelijkheid voelde. Een dergelijke verantwoordelijkheid werd trouwens in Afrika nergens gevoeld, zoals we weten. De Ghanese ashanti verkochten gerust hun buren; ik geloof niet dat ze daarvoor ooit ter verantwoording geroepen zijn of zich er ooit voor verantwoordelijk hebben gevoeld. Maar dat is een jij-bak waar je je verre van moet houden…

Op deze kleine ontsieringen na, was het heerlijk toeven in het Rijks. Ik heb, zoals al vaker in het verleden, lang staan kijken naar het laat-middeleeuwse schilderij: Boerenkermis met een opvoering van de klucht ‘Een cluyte van Plaeyerwater’ van Peeter Baltens. Er valt zoveel op te zien en gelukkig is er niets op het schilderij dat je ook maar enigszins in verband kunt brengen met slavernij…hoewel…horigen, lijfeigenen, is dat niet ook slavernij? Laten we zeggen dat je woke slavernij hebt (de witte mens is dader, de gekleurde mens is slachtoffer) en niet-woke slavernij (de gekleurde mens is dader en slachtoffer of…de witte mens is dader en slachtoffer of de witte mens is slachtoffer en de gekleurde mens is dader). En nou hou ik op over slavernij!

Fré Cohen en ik.

Fré Cohen en ik. Hoe zit dat precies? Enkele jaren geleden werd mijn  moeder benaderd door een zekere meneer Van Dam die bezig was om van zijn familie een stamboom te maken. Kennelijk was hij met zijn genealogisch onderzoek bij mijn moeder uitgekomen. Hij vroeg haar om de namen van haar kinderen en kleinkinderen en partners met geboortedata en -plaatsen en huwelijksdata naar hem op te sturen en zo kwam ik met geliefde J. en onze drie zonen in deze stamboom terecht. Mijn moeder kreeg een pdf bestand waarin onze hele stamboom stond en die stuurde ze ons toe. Ik heb zitten smullen van die stamboom want hij gaat ver terug, en deze jongen houdt van ver terug. Ik werd destijds zo enthousiast dat ik zelf ook dacht om een stamboom te maken, maar helaas, dat strandde al snel. Een stamboom maken kost heel veel tijd omdat je heel veel moet uitzoeken en dus gaf ik er al snel de brui aan.

Kortgeleden was ik op zoek naar Schoontje Boas-Sarlie (wie was zij?). Deze vrouw stond volgens het joodsmonument.nl ingeschreven op het adres waar ook Fré Cohen ingeschreven stond: Tweede Oosterparkstraat 11 I, terwijl we wisten dat Fré in de Karel du Jardinstraat 11 II woonde. Gek, en dus een onderzoekje waard. Google is nog steeds mijn grote vraagbaak en via één van haar antwoorden kwam ik in dezelfde stamboom, maar dan on-line, terecht als waar ook ik in sta. Schoontje Boas-Sarlie bleek de tante van Fré. Fré Cohen en ik in dezelfde stamboom? Dat maakte mij natuurlijk heel erg nieuwsgierig. Op die betreffende stamboomsite  kan je verwantschap berekenen. Aldus voerde ik mijn naam in en de naam van Fré Cohen en liet de website rekenen. Met resultaat!

Elias Salomon van Cleef is onze stamvader. De man overleed in 1808 in Amstelveen en oefende aldaar het beroep van doodgraver uit. Zijn zoon, slager Abraham Elias van Kleef, overleefde zijn vader maar een paar jaar maar was wel de vader van Salomon Abraham van Kleef die de slagerszaak van zijn vader overnam. Tien kinderen kreeg hij waarvan drie de kleutertijd niet overleefden. Eén van de overlevers was Mozes van Kleef. Nou ja, overlever…Hij oefende het beroep van schijvenschuurder uit en werd nog geen veertig. Schijvenschuurder was niet direct een gezond beroep. Zijn vrouw Lea Gobets heeft hun drie kinderen alleen moeten opvoeden. Alle drie haar kinderen werden in 1943 vermoord. Zij zelf ook. Oudste zoon Salomon van Kleef, die sigarenmaker was, werd, voordat hij vermoord werd, de vader van mijn grootvader Hijman en Hijman heeft nooit de kans gekregen om mijn opa te worden want ook Hijman werd – in 1943 – vermoord en oma hertrouwde later met mijn opa. Zo gaat dat. Hijman kreeg nog net op tijd een dochter, mijn moeder en…mijn moeder is dus mijn moeder en ik haar oudste zoon.

Voor Fré Cohen keren we terug naar onze stamvader Elias Salomon van Cleef. Hij had namelijk, naast zoon Abraham, ook nog een zoon Philip die ook al zijn heil had gezocht in de vleessector. Zijn dochter Sara Philip van Cleef trouwde met broodventer Joel Abraham Cohen Bromet. Hun zoon Abraham Joel Bromet trouwde met Schoontje Lucas Sarlie wiens vroege dood en vermoorde dochter er in dit verhaal niet meer toe doen. Schoontje had namelijk een broer, Hartog Sarlie, die de opa van Fré Cohen was. Uit zijn huwelijk met Vrouwtje Hen (wie heeft die namen verzonnen?) werd de moeder van Fré, Esther Sarlie, geboren en dus ook tante Schoontje Sarlie waarbij Fré, volgens officiële bronnen, inwoonde.

Kortom: Een DNA-onderzoeker zal geen verwantschap tussen mij en Fré Cohen kunnen vaststellen, maar onze verwantschap past wel op een A4-tje. Ben ik even trots op mijn familie!

Gedicht geschreven in Bergen-Belsen

En toen was er een gedicht. Een opmerkelijk gedicht. Niet zozeer qua inhoud, maar meer door de omstandigheden waar het tot stand kwam. En toch ook de inhoud, een beetje. De dichter: Joseph Gompers. De datum 1 mei 1944 en de plaats waar het geschreven werd: Bergen-Belsen. Op die plek wil je als jood niet zijn op 1 mei 1944. Een concentratiekamp van nazi-Duitsland. Weliswaar geen plek met gaskamers en crematoria waar de dood een fabrieksproces was, maar ook geen plek waar het de bedoeling was dat je, als jood, overleefde. Honger en gebrek en verschrikkelijke epidemieën moesten ervoor zorgen dat men snel dood ging. Een afgrijselijke plek om te zijn op 1 mei 1944. Gompers overleefde Bergen-Belsen dan ook niet. Hij schreef het gedicht ter nagedachtenis aan Fre Cohen… Met de dood voor ogen tekende Gompers een gedicht op voor Fre Cohen. Vriend Joop Voet zag daar na de oorlog in dat Fre Cohen en Joseph Gompers een meer dan vriendschappelijke relatie moeten hebben gehad; dat ze minnaars waren.

Ik ben geïnteresseerd in het leven van Fre Cohen. Liefde en partnerschap is een belangrijk element in het leven van een mens. Omdat Fre Cohen altijd ongetrouwd is gebleven, is het niet zo gek om te kijken of onze kunstenares de liefde gekend heeft. Waarom? Geen idee. Misschien wel sensatiezucht. Laten we het houden op dat we graag een compleet beeld willen krijgen van de vrouw die ons zoveel moois schonk.

Eerst maar eens kijken wat er wel bekend is over de relatie tussen Gompers en Cohen want dat ze ‘iets’ hadden, dat is wel duidelijk. Cohen leerde Gompers goed kennen na de machtsovername van Hitler in 1933 in Duitsland. Die greep naar de macht leidde al snel tot anti-joodse maatregelen in Duisland en bracht een joodse vluchtelingenstroom op gang naar Nederland. De zeer sociaal voelende Cohen wilde een rol spelen in de opvang van de vluchtelingen. Er was onder anderen een steunfonds opgericht om de vluchtelingen financieel te helpen. Vertaler, dichter en journalist Joseph Gompers was een van de beheerders van het steunfonds. Gompers was voorstander van een joodse staat in Palestina; een zionist.  Socialisten – en dat was Fre Cohen – zagen internationale verbroedering van de arbeidersklasse als toekomst en daarbij speelde godsdienst of afkomst geen rol van betekenis. We weten niet precies wat Fre Cohen voor ogen stond. Ik zie dat juist in de periode na 1933 meer en meer joodse motieven in haar werk opduiken… Dat Fre Cohen en Joseph Gompers ‘iets’ met elkaar hebben, ligt voor de hand want ze komen veel bij elkaar over de vloer. Ze verzorgen samen artikelen in het Nieuw Isrealitisch Weekblad die Gompers schrijft en worden geïllustreerd door Fre Cohen. De kunstenares maakt twee mooie ex-librissen voor Gompers.

Terug naar het gedicht ‘De roode meidoorn’; het gedicht dat Joseph Gompers in Bergen-Belsen ter nagedachtenis aan Fre Cohen schreef. Kunnen we daar iets in lezen dat een beeld geeft van de relatie die Gompers en Cohen met elkaar hadden? Ik denk het wel. Als we ervan uitgaan dat zij een liefdesrelatie hadden dan verwacht ik dat het gedicht ‘De roode meidoorn’ een liefdesgedicht is. Dat is het niet. Gompers heeft tal van liefdesgedichten geschreven en dit gedicht lijkt daar niet op. Bovendien denk ik dat je een gedicht opdraagt aan je geliefde (zelfs als ze al overleden is) en dat ‘ter nagedachtenis’ op meer afstand duidt.

Ik zie in het gedicht meer gezamenlijke strijd en gezamenlijke idealen en daarmee een diepe vriendschap. Geen erotiek. Ik denk niet dat Gompers en Cohen een liefdespaar waren. Ik lees in het gedicht een groot verlangen naar betere tijden. Ik denk dat Cohen is gaan geloven in een joodse staat in Palestina waar joden vrij van vervolging zijn. In die nieuwe staat zal een joodse vorm van socialisme ontstaan waarin veel AJC-idealen werkelijkheid zouden moeten worden. Ik denk dat Gompers en Cohen daar eindeloos over hebben gediscussieerd en het heel erg met elkaar eens zijn geweest. Zionisme was uiteindelijk toch wel de weg uit de hel waar ze vanaf de jaren dertig als joden in terecht waren gekomen.

Looking for Lucien Freud part two; Stanley Spencer.

In het statige museum Gare d’Orsay liep ik argeloos te genieten van al het moois dat in de negentiende eeuw in Frankrijk bij elkaar was geschilderd, en toen keek ik recht in ‘l’Origine du Monde’ van Gustave Courbet. Nota bene geschilderd tijdens het meest preutse tijdperk dat men gekend heeft. Een bijna fotografisch geschilderde kut. Natuurlijk behaard, met door het schaamhaar heen piepende schaamlippen. Verder geen herkenbare kenmerken van de eigenaresse. Als je daar in een museum mee geconfronteerd wordt, geeft dat je een ongemakkelijk gevoel. Ga je er nou gewoon voor staan en bekijk je het op dezelfde manier als een zelfportret van Rembrandt? Of mijd je het schilderij en doe je net of het er niet hangt. Als man doe je het voor zo’n schilderij nooit goed; als je er niet naar kijkt, dan ben je een preutse lafaard (zeker voor je eigen gevoel), maar als je er uitgebreid naar gaat staan kijken dan voel je je een beetje vies; een gluurder. Zo’n soort spanning in mezelf vind ik erg interessanten ik ben er vaak naar op zoek.

Stanley Spencer (1891-1959) – Double nude partait: The artist and his second wife 1937

Om die reden wilde ik graag de schilderijen van Lucien Freud zien. Zijn ongepolijste naakten zijn erg beroemd en ik hoopte in de stad – Londen – waar hij zo’n beetje zijn hele leven heeft gewoond, werk van hem te zien. Gisteren was ik al naar Tate Modern geweest. Maar daar hing niets. Ik moest in Tate Brittain zijn, wilde ik enigszins kans maken. Maar al van te voren werd ik teleurgesteld. Wijs geworden na gisteren, had ik de website van het museum onderzocht en daar ontdekt dat het museum verschillende werken bezit, maar er geen enkel doek aan de muur hangt. Helaas.

In Tate Brittain trof ik tot mijn grote verbazing toch een Lucien Freud aan…dacht ik. Dezelfde verwarring en ontluistering. Maar het was geen Freud. In mijn onschuld concludeerde ik dat een zo’n groot schilder epigonen moet hebben; naäpers. Dit moest wel zo’n naäper zijn…Maar toen keek ik naar de jaartallen… De schilder stierf toen ik geboren werd. Het schilderij was zelfs precies gedateerd: 1937. Het beroemde werk van Lucien Freud stamt van heel veel later. Wellicht, bedacht ik, heeft Freud zijn stijl wel met behulp van dit werk van Stanley Spencer ontwikkeld.

Wat ik zie op dit schilderij zijn twee blote mensen op leeftijd. Geen strakke lijven meer; de schoonheid van de jeugd hebben ze achter zich gelaten. Het is een dubbelportret van de schilder met zijn vrouw. Een lamsbout op de voorgrond versterkt het gevoel van vlezigheid. Ook wel een beetje een versterking van het ontluisterende. De wat ingevallen, smalle borst van de schilder. De slappe borsten van zijn vrouw. Gek genoeg een heerlijk schilderij om naar te kijken. Eigenlijk, en misschien geldt dat ook voor de doeken van Freud die ik nog nooit in het echt heb gezien, is het getoonde beeld ontdaan van alle erotiek door de harde manier waarop de lichamen zijn tentoongesteld. Een schilderij dat ons vertelt dat we allemaal mensen zijn en het moeten doen met het vlees rond onze botten dat we hebben gekregen en dat het in de loop van de tijd verandert.

Geen Freud dus maar een Spencer; ik hou van dit schilderij!

Looking for Lucien Freud and Francis Bacon

Als je als liefhebber van de kunsten in Londen bent – zoals ik, op dit moment – en je hebt het over moderne Britse beeldende kunst, dan heb je het in mijn geval, vooral over twee schilders: Lucien Freud en Francis Bacon. Hoewel ze beiden al geruime tijd dood zijn, vertegenwoordigen zij voor mij de Britse moderne schilderkunst. Van hen heb ik te weinig werk in het echt gezien. Gisteren zou dus dé dag worden en dus reisde ik, samen met geliefde J., per dubbeldekker naar de Tate gallery voor moderne kunst.

De Tate gallery bleek een gigantisch gebouw. Als ik zeg gigantisch, dan bedoel ik dat ook. Twee flatgebouwen, dus. Vlak naast elkaar met een overdekte ruimte er tussenin. Een imposante ruimte. Vrijwel leeg. En hoog. Waar moet je in zo’n gebouw beginnen? Met het kopen van een plattegrond dus. Dat leverde, behalve wat papier, weinig op. De nietszeggende plattegrond stond weliswaar op de gekochte versie, maar verder ook op zo’n beetje elke muur. Meer dan dat er op een verdieping beeldende kunst hing, leverde die plattegrond niet op. Dus begonnen we maar lukraak ergens. Op zich liepen we langs mooie werken. Het feit dat bijna alle kunstenaars van de getoonde kunst dood waren, gaf ons het idee dat we zo ook tegen de kunst van het illustere duo aan zouden kunnen lopen. Maar nee dus. Geliefde J. vond dat een goede reden om het te gaan vragen. Op dezelfde verdieping maar precies in het andere gebouw… werd haar verteld.

Via roltrappen, gewone trappen en ook nog eens liften, kwamen we uiteindelijk op de aangewezen verdieping. Maar daar bleek een tentoonstelling van de Deens- IJslandse kunstenaar Olafur Eliasson. Nooit van de goede man gehoord, maar hij maakte indruk. Zeker, dat wel.

Een wand helemaal gevuld met rendiermos. En…spreek je over een wand in de Tate gallery, dan is dat ook echt een wand. Ik ben slecht in schatten, maar zal het tien bij twintig geweest zijn, het zou best kunnen. En ga je daar dan vlak voor staan, dan krijgt deze persoon een hallucinerend toendra gevoel in zijn hoofd. Al die aaneengesloten plukjes mos in dat enorme tapijt steken iets aan in je brein dat je niet helemaal onder controle hebt. Met dat verlies van controle over je brein, daar speelde de kunstenaar voortdurend mee. Zo was er een opstelling die hij ‘Beauty’ noemde. Een ruimte waar een superplantenspuit een voortdurende wolk produceerde waarop een bundel licht gericht was. De wolk veranderde steeds van richting en het licht speelde met die veranderingen. Inderdaad heel fraai. En best hypnotiserend; je kan uren kijken naar dat spel van water, lucht en licht.

Het hoogtepunt van de tentoonstelling was toch wel de tunnel. Hoewel, bij mij viel dat een beetje in het water. Als toeschouwer loop je door een veertig meter lange gang, gevuld met dichte mist. Je zicht is hooguit één meter. Met felle lampen krijgt de mist kleur. Als toeschouwer word je daardoor met kleur omgeven; één met kleur. Maar helaas, dat vertelde geliefde J. me achteraf. De mist had een andere invloed op mijn brein. Survival. Ik raakte volledig gefocust op J., die voor me liep en die ik niet uit het oog wilde verliezen en de muur die ik wilde blijven voelen. En zo had ik het idee dat ik slechts in een witte omgeving had gelopen…

Maar van Francis Bacon en Lucien Freud dus geen spoor. Later bleek dat er nog een Tate Gallery is in Londen. Wellicht hangt hun werk daar… Wie weet of we er deze vakantie nog tijd en zin in hebben; er valt in deze stad zo veel te beleven!!!

Gisteren ook nog een dansje gemaakt in de overblijfselen van het Shakespearetheater The Rose. (J. helemaal verguld, want zo makkelijk ben ik niet naar de dansvloer te krijgen…maar ik deed het…) De dans werd geleid door een mevrouw die ik, volgens mij, had zien figureren in The Lord of the Rings films.