Categoriearchief: Beeldende kunst

Blogs over beeldende kunst

Oma en Fré Cohen

We zitten nog net in de eerste helft van mei. Een periode waarin teruggekeken wordt naar de eerste helft van de twintigste eeuw. Vijftig jaar die ongekend bloederig zijn geweest. Er zijn altijd in de geschiedenis wel oorlogen geweest en er heeft altijd wel bloed gevloeid, maar de eerste vijftig jaar van de twintigste eeuw zijn ongekend geweest wat dat betreft. Toch is het ook een periode waar ik heel graag naar kijk omdat er tegelijkertijd een ongekende bloei was van kunst en cultuur. Soms tegelijkertijd met uitspattingen van wreedheid, maar vaker als er luwte was in het bloedvergieten. En dat er tussen alle ellendige periodes door mensen bleven geloven in de goedheid van de mensheid en hun ideaal probeerden te verwezenlijken van gelijke kansen voor iedereen. Eén van de personen waarbij zowel de ellende, de cultuur en het idealisme samenkomen is Fré Cohen. Over Fré Cohen gaat een tentoonstelling komen in ‘ons’ museum. Fré Cohen zette mij op een speurtocht die me onverwacht heel erg dicht langs mijn eigen familie leidde…

Tekening van Fré Cohen – ‘Tevje der Milchman’ – aan de muur bij mijn moeder

Ik ging namelijk bij mijn moeder eten en vond deze tekening aan de muur. Een erfstuk van mijn oma. Mijn oma en Fré Cohen waren enthousiaste leden van de AJC; de Arbeiders Jeugd Centrale. Na de eerste wereldoorlog hoopten ze dat de wereld zou genezen van de verschrikkelijke wond die de oorlogsellende had veroorzaakt. Ze wisten niet wat hun, joden, nog te wachten stond. Hun onwetendheid is achteraf gezien een gelukkige omstandigheid want daardoor hebben ze nog wat jaren kunnen geloven in al het goeds dat het leven voor hen in petto had. Van Fre Cohen weet ik dat het grootste deel van haar werk in deze periode ontstond. Mijn oma had de tijd van haar leven. Ze was wat jaartjes jonger dan Fré Cohen maar minstens zo enthousiast voor de AJC. Mijn oma moet de tekening van Fré Cohen gekregen hebben en er totaal niet bij stil gestaan hebben wie of wat – anders dan een mede-AJC’er – Fré was. Mijn moeder vertelde dat ze de tekeningen na oma’s overlijden vond tussen heel veel andere papieren met punaisegaatjes en resten van plakband op de hoeken.

Die luwte in de wereld tussen de twee wereldoorlogen in fascineert me enorm. Dat geloven in de goedheid van de mensheid. Geloven in de mogelijkheid van het opvoeden van de mens tot een fantastisch wezen dat net als zij niets dan goeds voorheeft met de wereld. Weliswaar joods – en heus dat bleef altijd een zekere rol spelen – maar fel tegen religie omdat dat de mensen dom zou houden; opium voor het volk. Tussen de spulletjes van oma vond ik veel foto’s. Ook deze foto. Natuurlijk heb ik mijn oma zo nooit gekend. Zelfs van mijn moeder was nog in geen velden of wegen sprake toen deze foto gemaakt werd. Maar haar gezichtsuitdrukking…dat heb ik nooit meer zo gezien. Een gezichtsuitdrukking, ontspannen en vol verwachting, diep gelukkig en onbevreesd. Oma als naïeve lieve puber. Mijn oma hield iets van de dood in haar ogen nadat ze terugkeerde uit Auschwitz. Heus, ze heeft nog wel gelukkige momenten gehad, maar dood en verderf en algehele ondergang lagen altijd op de loer. Voor Fré Cohen eindigde de oorlog anders; ze pleegde zelfmoord voordat ze gedeporteerd kon worden.

Terugkijken is heerlijk

Natuurlijk heeft deze jongen weer alle mooie vrouwen lopen fotograferen die hij tegenkwam. Zo ben ik wel! Gisteren in de Alte Nationalgalerie hier in Berlijn. In dit museum op het Museum Insel aan de voormalige Oost-Duitse kant hangt veel negentiende-eeuwse schilderkunst van Duitse kunstenaars. Onder het geweld van de Franse schilderkunst een beetje door mij vergeten, maar ongeveer even mooi, constateerde ik gisteren. En dus met veel mooie jonge vrouwen die geportretteerd werden. Jonge vrouwen in lange ruisende rokken die met hun heldere ogen vragen om bevrijd te worden uit hun knellende korsetten. Vrouwen wiens adem afgeknepen wordt door een dwingende moraal die hun haast verbiedt om hun talenten te ontwikkelen en een zinvolle bijdrage te leveren aan de maatschappij. Voor wie de moraal voorschrijft dat ze er zijn ‘ten dienste van’ en voor wie de ziekte hysterie speciaal werd uitgevonden. Die vrouwen dus. En ik vind ze zo mooi dat ik het niet kan laten om van al die geportretteerden foto’s te maken en die te koesteren. Ik zou absoluut niet meer willen dat vrouwen zo machteloos en onmondig gehouden werden en ik ben blij met hoe de maatschappij zich ontwikkeld heeft ten opzichte van meisjes en vrouwen. Dat ze hun eigen weg mogen gaan en hun talenten ontplooien.

Adolph Menzel – Frederike Arnold (1845). Bekneld in het keurslijf van haar bestaan.

Deze knappe, mooie vrouwen waarvoor en waarover Freud van alles bedacht, vertegenwoordigen slechts de bovenklasse. De bovenklasse van vrouwen die getrouwd waren met industriëlen, kunstenaars en geleerden. Loop je wat verder het museum in, dan komen ook de mensen aan bod die zich niet onder de rijken kunnen scharen. De arbeiders en de loonwerkers.

Van de schilder Max Liebermann had ik nog nooit gehoord. Nu dus wel. Hij doet me aan vader en zoon Israels denken. Vader Jozef vanwege de keuze van zijn onderwerpen – namelijk de minder bedeelden en de hardwerkenden in de maatschappij – en aan zoon Isaak vanwege zijn manier van schilderen. Wat ik heel bijzonder vind is dat Liebermann naar Nederland trok om daar het licht en de sfeer te zien en te voelen van de zeventiende meesters. De meeste schilderijen van zijn hand die in de Alte Nationalgalerie hangen zijn geschilderd in Nederland en laten de Nederlandse armoede zien zo vlak voor en tijdens de industriële revolutie.

Max Lieberman – Vlas spinnen

Dit schilderij van Liebermann trof mij het sterkst, denk ik. Misschien omdat het contrast, maar tegelijkertijd ook de overeenkomst met de mooie vrouwen uit de eerste alinea van dit stukje zo duidelijk maakt. Meisjes staan in een bedompte, lage stoffige schuur vlas te spinnen. Hoe oud zouden de meisjes zijn? Vijftien, zestien zo te zien. Erg jong. Niets geleerd en nu gedwongen om geestdodend vies werk te doen totdat ze trouwen en kinderen krijgen. Maar nog erger dan de meisjes vind ik de jongetjes en het meisje die het spinnenwiel bedienen. Hoe oud zouden zij zijn? Ik kan de kinderen niet goed zien, maar laten we vaststellen dat ze jong zijn, heel erg jong. Kinderarbeid heeft Liebermann geschilderd in Nederland.

Wat ben ik blij met hoe de maatschappij zich ontwikkeld heeft. Vrouwen hoeven niet meer in keurslijfjes alleen maar mooi te wezen en kinderen mogen naar school en het mens worden dat eigenlijk al in hen zit. Maar terugkijken naar al dat moois en hoe dat allemaal destijds is vastgelegd in fantastische kunst, dat is toch heerlijk!!!

Malle Babbe is niet rond en ook niet blond…

We zijn weer in Berlijn. Na negen jaar zijn we er weer. Wat een prachtige stad! Heel erg nieuw maar tegelijkertijd verschrikkelijk oud. Een stad die zich, gemeten naar de geschiedenis, kortgeleden opnieuw heeft moeten uitvinden. Waren de sporen van de grote verdeling van de stad nog vers en tastbaar de vorige keer dat we hier waren, nu is de muur geconserveerd en worden we op een afstandje gehouden zodat we geen schade kunnen berokkenen. De stad van de nachtegalen ook. Ze lijken hier massaal te zijn gaan wonen. De vorige keer toen we hier waren dachten we dat we een unicum zagen; midden in de woonwijk waar wij verbleven in het struikgewas, een nachtegaal. Als de vogel zingt herken je hem meteen. Zo gevarieerd en zo stevig; het kan niet anders; het moet wel een nachtegaal zijn. Een merel in het kwadraat. Op het moment dat de merels zwijgen, begint de nachtegaal. Hier en nu horen we de nachtegalen tegen elkaar opbieden. Een fantastisch geluid!

Gisteren hebben we de Gemaldegalerie bezocht. Vorige keer dat we hier waren had ik het idee dat alle moois zich had geconcentreerd op het Museuminsel. Maar dat is dus niet zo; het museuminsel hoorde altijd bij Oost-Berlijn terwijl de Gemaldegalerie tot het kultuurgedeelte van West-Berlijn behoorde. Een museum waar je geweest moet zijn als je net als ik warm loopt voor de kunstgeschiedenis van middeleeuwen tot aan de pruikentijd. Wat betreft Hollandse Meesters lijkt het wel op een filiaal van het Rijksmuseum. Twee Vermeers en heel veel Rembrandts. Ik heb ze niet geteld, maar het waren er erg veel. Ook een paar schilderijen van Frans Hals. Malle Babbe onder anderen. Als je dit schilderij ziet weet je meteen dat Leonard Nijgh zich compleet vergist heeft toen hij het liedje schreef. Deze Malle Babbe is niet blond en deze malle Babbe is niet blond. Deze malle Babbe geef je niet zomaar een zoen op d’r mond en d’r kont is niet direct waar je aan denk. Leonard Nijgh had ongetwijfeld een heel ander schilderij voor ogen. Malle Babbe is, zo te zien, een vrouw met een beperking. Razend knap geschilderd want je ziet aan haar houding en haar oogopslag dat ze niet helemaal spoort. Waarom zit er een uil op haar schouder? Wijsheid niet in haar hoofd maar op haar schouder? Nee, dus. In de zestiende en zeventiende eeuw stond het symbool uil voor domheid en slechtheid…

Ik las al eerder over de vergissing van Leonard Nijgh; de schrijver van het artikeltje had ook de vermeende malle Babbe opgespoord. Ze hangt in het Louvre en heet De Zigeunerin. Hoewel ze volgens mij niet blond is, spat de verleiding van het doek. Haar gulle lach lijkt voor ons mannen bedoeld; om ons te verleiden. Haar ferme borsten bulken zachtjes naar ons toe uit haar laag uitgesneden bloesje. Ze wil ons… Ze is de verleiding zelve. Maar zeg nou zelf, bekt het lekker: De zigeunerin is blond, de zigeunerin is rond… Afgezien dat het wat racistische en onprettige associaties opwekt, is het geen gehoor. Maar malle Babbe is blond, malle babbe is rond… Daar wordt ook ik een beetje warm van. Maakt het dan nog wat uit dat malle Babbe eigenlijk een heel ander persoon is? Zowel malle Babbe als de Zigeunerin als Frans Hals zijn al verschrikkelijk lang dood. Dan maakt het helemaal niets meer uit wie wie is.

De Notre Dame in Parijs

Gisterenavond keek ik naar het eerste stukje van Pauw. Dat ging over de brand in de Notre Dame in Parijs. Eigenlijk wist niemand er iets over te zeggen. Wat kan je erover zeggen? Ik werd vanochtend wakker met het besef dat één van de grote cultuurmonumenten van West-Europa naar de kloten was. Ik voel me leeg. Dieptreurig. Zelfs de roman die ik nu lees speelt zich voor een klein stukje af in deze kathedraal. Geen woorden voor, dus. Waarom zou ik er dan tijd aan besteden? Misschien blij dat ik niet al te lang geleden nog door de kerk gelopen heb en al haar schoonheid het haar omvang bewonderd heb. Een soort van waardig afscheid. De Notre Dame kan weer herbouwd worden, las ik net. Maar ze zal nooit meer zijn wat ze was. Ze zag eruit, daar op dat kleine eilandje in de Seine, als een rots; als iets dat niet verdwijnen kon. Na gisteren blijkt ze fragiel en sterfelijk.

Kommt ihr Töchter helft mir klagen

Een meesterwerktentoonstelling zonder meesterwerk

Is slechts één schilderij niet een beetje mager? De Nieuwe Kerk in Amsterdam stelt jaarlijks een meesterwerk uit een bepaald museum ten toon. Eén schilderij. Dat moet dus haast wel een meesterwerk zijn want waarom zou je anders, zoals ik, weer en wind trotseren om het te zien? In dezelfde serie zag ik jaren geleden een schilderij van El Greco. Indrukwekkend. Alle schilderijen van El Greco zijn indrukwekkend. Ze doen heel modern aan maar zijn al eeuwen oud. Maar zelfs van dat schilderij heb ik me afgevraagd in hoeverre het een meesterwerk was. Nu dus het schilderij Aartsengel Michaël van Luca Giordano. Een meesterwerk. Ik zelf had eigenlijk nog nooit van Giordano gehoord. Op zich zegt dat nog niet zo heel veel, want ik ben geen kunsthistoricus. Maar wel kunstliefhebber. En ik ken heus een hele zwik schilders uit deze periode. Ook Italiaanse. Van Giordano had ik nog nooit gehoord. Volgens de website van de Nieuwe Kerk zou het schilderij de bezoeker imponeren door zijn enorme formaat, schoonheid, zeggingskracht en overweldigende dynamiek. Tsja… Verder staat er op diezelfde website, en daar wordt in de Nieuwe Kerk ook verder op ingegaan, bewonderde de schilder Dürer, Rafaël, Rubens, Titiaan en Rembrandt. In mijn ogen zijn dat nou juist de schilders die eigenlijk alleen maar meesterwerken afleverden. Giordano? Meesterwerken? Nou, nee.

Wat ik zie is een suikerzoet gevleugeld watje (een roze mantel…) die een satéprikker in een gillend duiveltje prikt. Ik zie geen gevecht. Ik zie geen strijd. Ik zie geen dynamiek. Meer een ballerina met zwanenvleugels…Tussen de strijdende partijen zie ik geen relatie. Dat kunnen schilders als Rembrandt of Rubens beter. Eerlijk gezegd vind ik één penseelstreek van één van die twee al veel boeiender dan dit hele schilderij. Bij Rembrandt zou Michaël een strijder zijn geweest die een gevecht op leven en dood leverde. Michaël zou de speer in het lichaam van de duivel hebben geramd. Je zou beseffen dat als Michaël de strijd zou verliezen, de wereld zou verliezen. De bloedspetters zou je haast op je gezicht voelen als Rembrandt dit tafereel had geschilderd. Bij Rubens zou de pijn van de binnendringende lans voelbaar zijn geweest en had de Aartsengel kracht uitgestraald. Bij Giordano, niets van dat alles. Ach, geen slecht schilderij, maar een meesterwerk; dat wil er bij mij niet in. Ik heb er met belangstelling naar gekeken en de uitleg op de audiotour gehoord. Interessant allemaal zonder dat ik daar nou echt warm of koud van werd.

Vond ik dan helemaal niets leuk aan deze tentoonstelling? Wel! Van de nazit heb ik genoten. De audiotour gaat op zoek naar de engelen in de Nieuwe Kerk. Steeds als er een Engel gevonden is een prachtig stuk muziek om dat te vieren. De kerk is ooit begonnen als katholieke kerk en werd al snel overgenomen door de protestanten. Daarom werden veel van de beelden en schilderijen die de katholieke geloofsbelevenis ondersteunden, weggehaald zodat de sobere protestantse ruimte ervoor in de plaats kwam. Maar gelukkig kon men niet alle schilderijen en beelden weghalen. Bijvoorbeeld op het koorhek. Rijk versiert met cherubijntjes. In de dakconstructie van de kerk, waar de dakbalken gedragen worden door engelen met van inspanning vertrokken gezichten. Ook engelen die nu weer zichtbaar zijn geworden na de restauratie. Op de toegang tot het sacristiehuis bijvoorbeeld mooie muurschilderingen. Na de restauratie weer tevoorschijn gehaald vanonder een dikke stuclaag. De makers van de audiotour hadden voor elke gevonden engel in de kerk een bijpassend engelenkoor uitgezocht; van Fauré tot Bach. Zo was het genieten van prachtige muziek terwijl je van de ene kerkengel naar de andere liep. Eén van de laatste stops – hoewel je vrij was om je eigen volgorde te kiezen – was bij de preekstoel. De stoel is zeer rijk versierd en wordt gedragen door engelen. Maar ook bovenop engelen. De stoel kan je het best bekijken vanuit de herenbanken; de plek waar vroeger de burgemeesters zaten tijdens de dienst. Die uitnodiging kon ik moeilijk aan mij voorbij laten gaan en dus vleide ik mijn kont op de bank die zeer waarschijnlijk ook Six en Bicker gedragen heeft en inderdaad, daarvandaan heb je het mooiste uitzicht op die fantastisch gedecoreerde preekstoel.

Wat mij betreft is het schilderij van Giordano geen meesterwerk, maar de engelenspeurtocht toch zo leuk en interessant dat ik de tocht naar de nieuwe kerk een aanrader vind. Een meesterwerktentoonstelling zonder meesterwerk! Maar…met een interessante nazit.

De piemelparade in het Archeologische museum

In het Nationaal Archeologisch Museum in Athene zitten archeologen klaar om je vragen te beantwoorden. Echt heel sympathiek, want loop je door de zalen van dit museum, dan komt de ene na de andere vraag bij je op. Er is zoveel moois te zien, maar van zo lang geleden dat je een grote culturele stap moet maken om te begrijpen wat je ziet. En natuurlijk zat ook deze jongen vol met vragen toen hij anderhalve week geleden door dat museum dwaalde. Er is veel vraag naar archeologische bijstand, dat was wel duidelijk, want het is mij niet gelukt om mijn vragen te stellen omdat de archeologe van dienst het heel erg druk had.

Als je in Athene bent en je houdt van antieke kunst, dan kan je echt niet om dit museum heen. Het enige bezwaar dat je in kunt brengen is dat ze er zo waanzinnig veel hebben. Je kijkt je ogen uit en na afloop ben je compleet uitgewoond en heb je nog geen kwart gezien. Ben je in het Rijksmuseum van Amsterdam – ook met een overweldigende en grote collectie – dan kan je makkelijk het advies van Wieteke van Zeil opvolgen: Neem je voor om maar een paar werken in een van tevoren bepaald hoekje van het museum te bekijken en neem daar dan rustig de tijd voor. Maar in het buitenland gaat dat gewoon niet lukken. Je kunt de volgende dag niet even teruggaan om een volgende stukje van het museum te bekijken. Dat betekent dus dat je als kunstliefhebber, doorgaat tot het gaatje. Na het Prado konden we ons uitsluitend nog schuifelend voortbewegen; het Louvre verlieten we met zware migraine en het Nationaal Archeologische museum van Athene liet ik depressief achter me. Zoveel moois niet gezien en datgene wat ik gezien had, had ik eigenlijk maar half gezien en mijn vragen voor de archeologen had ik niet kunnen stellen en ik was zo moe…zo verschrikkelijk moe. Met een dikke jas aan heb ik een tijdlang in het schrale winterzonnetje zitten bijkomen. Zo gaat dat.

Als je het museum inloopt, dan loop je direct aan tegen de meest beroemde opgravingen aller tijden aan; de opgraving bij de stad Troje. Van Schliemann. Het gouden masker van Agamemnon. De sieraden van de mooie Helena die de hele oorlog van destijds veroorzaakt heeft. Je ziet het allemaal voor je! Hoewel ik wel een beetje in verwarring was omdat ik de Ilias en Odysseus associeer met het klassieke Athene. Maar dat is uiteraard niet zo; alle gebeurtenissen uit die oorlog werden doorverteld en uiteindelijk door Homerus op schrift gesteld. De Trojaanse oorlog vond ver voor de grote tijd van Athene plaats, ver voor Plato en Aristoteles. En dat ligt daar zomaar! Dat gouden masker waarvan in elk geschiedenisboek wel een plaatje staat. Wat opvalt is hoe dun het is. Dat masker lijkt wel van papier.

Need for speed

Op de benedenverdieping voornamelijk beeldhouwwerken. Het viel mij op dat bronzen beelden de tijd beter hebben overleefd dan de marmeren beelden. Ik raakte helemaal van mijn stuk van het ruiterjongetje op dat voortsnellende paard. Alles straalt snelheid uit. Ook veel opgejaagde drang om te winnen. Het enige dat de tand des tijds, kennelijk, niet heeft overleefd, het rechterarmpje en de teugels. Voor de rest helemaal compleet. Zo’n slordige 2500 jaar oud! Die compleetheid gold ook voor het prachtige Zeus- of Poseidon beeld (waarom niet gewoon gekozen voor Poseidon als ze het niet zeker weten; het beeld werd per ongeluk door vissers uit zee opgevist; dan kan je toch alleen maar een zeegod zijn?). Bij het beeld van de schone jongeling (bordje vergeten te fotograferen…) ontbreken zelfs de ogen niet. Het beeld kijkt je met zijn strakblauwe ogen haast eng aan.

Maar waar ik veel van wilde zien, zo had ik me voorgenomen toen ik het museum betrad, was het prachtig beschilderde aardewerk. Ik wilde de afbeeldingen van de goden zien en van de verhalen van de Trojaanse oorlog en van het leven van alledag in het oude Athene. In eerste instantie kon ik ze niet vinden. Ja een paar, tussen de beeldhouwwerken op de begane grond. Maar toen ontdekte ik de eerste etage… My God, zoveel vazen en schotels had ik zelden van dichtbij gezien. Honderden. Uit alle periodes van de Griekse beschaving. Om moedeloos van te worden. En dat werd ik ook. Zoveel moois te zien terwijl het al eigenlijk nauwelijks meer lukt.

De vraag die ik had willen stellen aan de archeologe was waarom de Grieken zo verschrikkelijk van het mannelijk naakt hielden. Tot op de kleinste details precies. Piemeltjes absoluut realistisch. De balzak lekker groot (was zeker lekker warm voor het model in kwestie) waarin de ballen qua vorm realistisch zijn (geen zak met twee knikkers, dus). De spieren…ik hoef maar in de spiegel (veertig jaar geleden) te kijken en ik zie mijn eigen torso in de beelden weerspiegeld. Maar geen vrouwelijk naakt. Dat ontbreekt vrijwel geheel in het Archeologische museum. Een mooie blote vrouw met lekkere zachte maar toch stevige billen en borsten. Ze zijn er niet. Wel een piemelparade, maar niks geen tieten. Hoe zat dat nou in het oude Griekenland? Terwijl de beeldhouwers toch voor het overgrote deel mannen waren. Hielden die allemaal van mannen? Waren die niet even gek op vrouwen als…ik?

Jammer, ik heb het niet kunnen vragen. Maar…wat een museum!

Uit Schatkamers vol lekkers in de Hermitage Amsterdam

Een tentoonstelling waarin de tentoongestelde zaken niets anders met elkaar gemeen hebben, dan dat het topstukken zijn. Geen schilderijen van een bepaalde stroming, geen schatten uit een bepaalde streek, uit een bepaalde periode in de geschiedenis. Niets van dat alles. Gewoon bij elkaar genomen omdat het mooie werken zijn en allemaal uit de Hermitage in Sint-Petersburg komen. Ik hou er eigenlijk wel van. Je komt niet zozeer iets te weten over de stukken, maar meer over de collectie die kennelijk in de Hermitage is. Ook leuk.

Zo’n diverse tentoonstelling, maakt het niet makkelijk om er iets over te zeggen. Eigenlijk kan ik beter op papier (cyberspace, dus) door de tentoonstelling wandelen en laten zien wat ik zo mooi vond.

Misschien dat ik niet helemaal tevreden ben over de oren van het Christuskind en het ouwelijke koppie, maar voor de rest; Wat een schoonheid deze Granach!

De eerste zaal was wat mij betreft meteen fantastisch. Een madonna met kind van Granach. Prachtig qua kleur. En zo’n knappe madonna! Geen wijze, vrome of oudere vrouw, maar het meisje dat Maria moet zijn geweest, als je de bijbel serieus neemt. Een piepjonge moeder. Zo sereen. Het jezuskindje heeft wel een wat ouwelijk koppetje. Maar zo mooi. Directeur van de Hermitage Amsterdam Cathelijne Broers, leidt ons in de audiotour langs de kunstwerken. Naast de Granach eenzelfde tafereel van Italiaanse tijdgenoot Lorenzo Lotto. Veel meer drama, dan zie ik ook wel, maar jongens wat valt dat schilderij in het niet bij de Granach! Met heel subtiele krasjes heeft de Duitse meester een netje over haar hoofd gedrapeerd. Of zijn het toch penseelstreekjes?

Aan het eind van de eerste tentoonstellingszaal objecten van een heel andere orde maar waar je oog wel meteen op valt. Twee levensgrote paardmodellen. Op het ene paard zit een geharnaste man. Een Ottomaanse soldaat. De volledige wapenuitrusting weegt 450 kilo. Arm dier! Het paard kan moeilijk gewond raken want niet alleen de strijder is van top tot teen in ijzer gehuld, ook het paard. De lans wijst dreigend naar voren. Naast de Ottomaanse strijder een paard met een tuigage van heel veel oudere datering. Dit tuigage stamt uit de derde eeuw voor Christus en is uit het ijs naar boven gekomen. Het moet het rituele tuigage geweest zijn van een Scythisch stamhoofd. Het leer, hout en de wol waarvan het gemaakt is, is door het ijs goed geconserveerd. Het tuig maakt het paard tot een mythisch wezen met een gewei en een extra vogelkop. Op de tentoonstelling zijn de Scythen trouwens in meerdere objecten vertegenwoordigd.

Op zich had ik nog nooit van de steensoort malachiet gehoord. Dat is nu wel even anders. De eerste opstelling als je de trap opgelopen bent is een opstelling van een negentiende eeuws interieur. Wat je naast de ruisende baljurk opvalt is de harde kleur groen van de objecten. Een tafelblad, vazen, klokje, brievenbak. Allemaal gemaakt van een gemarmerd soort hardgroen gekleurd steen; malachiet. Schijnt heel kostbaar te zijn. Op het plaatje van de Hermitage in Sint-Petersburg zien we zuilen van malachiet. Ik vind het leuker om me een knappe dame in de negentiende-eeuwse baljurk te fantaseren. Hoe zou ze gelopen hebben en hoe gedanst…en waarop? De wals?

Sla ik weer van alles over. Ook aan een buste van de hand van Bernini loop ik voorbij. Kom ik bij de typische romantische Duitse schilder Caspar David Friedrich. Nooit van gehoord. Briljant door eenvoud. Twee achttiende-eeuwse heren, herkenbaar aan hun hoeden, staan te kijken naar de zonsondergang. Ik ben het met Cathelijne Broers eens, je kan jezelf makkelijk verliezen in de eindeloze diepte en de sobere kleuren. In mei naar Berlijn en dan hoop ik veel van Friedrichs schilderijen te zien.

Deze tentoonstelling is een ware dwaaltocht door de schatkamers van een museum met een heel erg diverse collectie. Niet alleen beeldende kunst, maar ook archeologische schatten en gebruiksvoorwerpen. Allemaal van een uitzonderlijke schoonheid. Hoewel…dat harnas is eigenlijk weer heel gewoon. Wel mateloos interessant, maar niet buitengewoon mooi.

Ik heb genoten van deze tentoonstelling!

Wat ik wat lastig vond was de manier van kaartjes kopen. Soms kan er voor de kassa van de Hermitage Amsterdam een lange rij staan. Om die rij te vermijden kocht ik kaartjes via de webshop. Dat haalde dus niets uit want ik moest toch in de rij gaan staan om mijn museumjaarkaart te laten scannen. Zonde. Wellicht dat je bij het kopen van je kaartje met museumjaarkaart, volgende keer je museumjaarkaartnummer kan opgeven zodat je meteen kunt doorlopen. Een tip.

Wat verbindt Giacometti met Chadwick?

Hond van Giacometti

Het is me dit jaar al eerder overkomen: Twee kunstenaars worden naast elkaar gezet omdat ze zoveel verwantschap zouden hebben, maar als ik ernaar kijk zie ik vooral de verschillen. Behalve misschien de tijd waarin ze leefden. Ik had dat gevoel bij de Gaudi tentoonstelling in Amsterdam, waar de grote Spaanse architect naast de architecten van de Amsterdamse School werd gelegd en gisteren liep ik daar weer tegenaan. Als je in de buurt van Zwolle van een korte vakantie geniet, als kunst- en cultuurliefhebber, dan moet je wel even naar het museum met de mooie bol op z’n kop. Het museum De Fundatie had zo’n beetje haar hele eigen collectie naar de kelder gebracht om een grote tentoonstelling te kunnen inrichten met een overzicht van de beeldhouwers Alberto Giacometti en Lynn Chadwick. ‘Facing Fear’ kreeg de tentoonstelling als naam mee omdat beide kunstenaars hun hoogtepunt kende tijdens de koude oorlog. Bovendien lieten beide beeldhouwers de figuratieve kunst nooit helemaal los. Het lijkt mij dat daarmee de overeenkomsten tussen de twee wel benoemd zijn.

Waar je bij Giacometti de zorgvuldig aangebrachte klompjes geboetseerde klei ziet zitten, zie je bij Chadwick aan elkaar gelast plaatstaal. Alleen dat al geeft een compleet tegengestelde sfeer. Dan is het natuurlijk bijzonder interessant om te kijken in hoeverre de tijd en de gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis invloed hebben gehad op het ontstaan en de thematiek van de kunstwerken. Kortom kan je aan kunstwerken die in een bepaalde periode gemaakt zijn zien hoe de geschiedenis zich ontwikkelde? Giacometti en Chadwick hadden hun artistieke hoogtepunt – voor zover je daarvan kunt spreken – grofweg gezegd in de periode 1950 – 1966. 1950 is het jaar waarin Chadwick zichzelf ging zien als beeldhouwer en in 1966 overleed Giacometti. 1950 – 1966 Zou je kunnen zien als de periode van de Koude Oorlog. Hoewel…ging die oorlog niet met ups and downs door tot aan de val van de muur in 1989 of de ineenstorting en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991? Laten we daar niet over soebatten. Maar als je beweert dat in het werk van beide kunstenaars het gevoel (Facing Fear) van de Koude Oorlog voelbaar is, dan wil ik graag zien wat de specifieke kenmerken zijn, behalve dan dat ze in een bepaalde tijd leefden en hun kunstwerken maakten. Ik zie dat gewoonweg niet. Ik zie geen angst voor de algehele ondergang van de Aarde. Ik zie een stijl van de ene kunstenaar en een stijl van de andere kunstenaar. Van de ene kunstenaar zie ik ietsje meer ontwikkeling dan van de andere. Hoe waarschijnlijk is het dat de ontwikkeling in het werk van een kunstenaar te maken heeft met de loop van de wereldgeschiedenis? Ik weet dat niet. Dat Chadwick ‘menselijker’ en ‘zachter’ is gaan beeldhouwen in een latere periode kan aan zoveel liggen. Van gebeurtenissen in zijn persoonlijke leven tot aan wendingen in de wereldgeschiedenis. Wie zal het zeggen. Ik ben niet overtuigd.

Lynn Chadwick – Model voor de Trigonen met kleine voetjes
De grote voeten van Giacometti

Maar laten we terugkeren naar de kunstwerken en kunstenaars zelf. Heb ik genoten van alles dat tentoongesteld werd? Er zaten zeker kunstwerken bij die mij aanspraken. In het werk van Giacometti zie ik weinig ontwikkeling; vanaf zijn eerste periode maakt hij dunne, uitgerekte mannetjes en vrouwtjes waarbij de vrouwelijke vormen net herkenbaar zijn. Ondanks het feit dat mensen teruggebracht zijn tot weinig meer dan een paar lijnen, zijn ze gevoelig en teder neergezet. In het begin van zijn carrière zie ik frêle figuren en aan het eind van zijn carrière ook; vrijwel geen ontwikkeling. Ontwikkeling zie ik in het werk van Chadwick wel. Hij lijkt in de loop van zijn carrière figuratiever te gaan werken en meer zachtere vormen aan te brengen hoewel zijn materiaal plaatstaal blijft. Vergelijk ik zijn vroege werken met zijn laatste werken dan is er een hemelsbreed verschil.

Hoewel ik best wat bezwaar heb tegen het onterecht bij elkaar zetten van kunstenaars (want dat vind ik) en daar dan van alles, vrij ongefundeerd, bij betrekken, vond ik het wel een leuke en interessante tentoonstelling. Er valt ook best veel te genieten. Velen met mij vonden het in ieder geval de moeite om de tocht naar het museum te maken; het was behoorlijk druk. Wat mj betreft kon het museum de toeloop maar nauwelijks aan. Toch ook leuk om weer eens in museum de Fundatie te zijn! 

80 Jaar Oorlog, De geboorte van Nederland

Tentoonstelling in het Rijksmuseum, gezien op 29 oktober 2018

In ons eigen Gouda zijn de mooiste gebrandschilderde ramen uit de zestiende en zeventiende eeuw van de wereld te bewonderen. Voor een groot deel gemaakt door de grootste glazenierbroers die Nederland ooit heeft gekend; de gebroeders Crabeth. Nog wel in een protestante kerk. Ik ontdekte ze toen ik in Gouda werkte en een collega me op de Goudse glazen in de Sint Janskerk wees.

Wat mij opviel in die ramen, was dat ze de tachtigjarige oorlog fantastisch weergaven. Dat kwam doordat de kerk als katholieke kerk gebouwd werd en later overging in protestante handen en dat precies in de tijd dat de ramen gemaakt werden. Sta je met je rug naar het koor, dan zie je aan de rechterkant de katholieke ramen en aan de linkerkant de protestante. Aan de rechterkant bijvoorbeeld het raam van de Crabeths over Judith die zojuist Holofernes onthoofd heeft, geschonken door de weduwe van Jean de Ligne nadat hij omgekomen was bij een veldslag tegen Willem van Oranje. Het Willem de Zwijgerraam zit aan de overkant van de kerk in de spo0nningen en werd geschonken door de stad Delft. Aanrader om een keer in Gouda te gaan kijken!

Gerard ter Borgh II – Soldaat te paard, op de rug gezien

Op de tentoonstelling ‘80 jaar oorlog, De geboorte van Nederland’ ontbreken de ramen van de kerk in Gouda niet. Al meteen staat er een deel van het zogenoemde koningsraam met de beeltenis van Philips de tweede. Omdat dat raam volgens mij gewoon in de sponningen van de kerk te Gouda zit, vroeg ik me af of dit een deel van het origineel is, of een kopie. Dat werd mij niet helemaal duidelijk. Verder ook nog één van de cartons; de op ware grootte getekende patronen voor de ramen in de kerk (die overigens allemaal bewaard gebleven zijn, en eigendom zijn van de kerk.) Deze beeldt het raam af dat Delft aan de kerk schonk. Maar naast deze herkeninning van de Goudse kerk, was er ongelofelijk veel meer te zien op de tentoonstelling die het Rijksmuseum ingericht heeft. Veel zaken waar je tijdens de geschiedenisles vroeger over hoorde maar hier zag je ze in het echt: Het plackaat van verlatinghe, de pacificatie van Gent, de documenten van de vrede bij Münster. Echt heel erg leuk om die belangrijke documenten eens in het echt te zien. Natuurlijk probeerde ik ze te ontcijferen, maar dat bleek een brug te ver.

Aan de hand van een aantal hoofdstukken werd de oorlog uit de doeken gedaan. Eén verrassend aspect was een ‘hoofdstuk’ over oorlogsvluchtelingen. Had ik nooit bij stilgestaan, maar bij een oorlog heb je altijd vluchtelingen en ontheemden. Zo ook bij de tachtigjarige oorlog. Verrassend, want het is een verhaal dat zelden terugkomt in de geschiedenislessen. Een ander aspect van de oorlog was de oorlog overzee. Daar had ik maar mondjesmaat over gehoord. Men probeerde elkaar op zee te raken en elkaars koloniën te veroveren. Over het tijdelijke bezit van de kolonie Brazilië en de schilderijen van Post, was vorig jaar al een tentoonstelling in het museum te zien geweest. Dat Hans Goedkoop vertelde dat er op één van de schilderijen ‘tot slaaf gemaakte’ mensen stonden, knauwde helaas wat ergerlijk politiek correct in mijn oren en juist daar werd de historische context weggelaten.

Wat ik een leuk aspect vond, waren de vernieuwingen die Prins Maurits doorvoerde in het leger waardoor hij zoveel successen kon behalen. Discipline was daar één van. Bovendien lag er een boek vol strategische aanwijzingen open waardoor we konden zien hoe Maurits de musketiers hun werk lieten doen. Acht rijen achter elkaar die na elkaar een schot loste en als de laatste rij het schot gelost had, had de eerste rij hun musket herlaadden en konden ze opnieuw schieten. Daardoor kreeg het vijandige leger een constant salvo over zich heen.

Al met al een leuke tentoonstelling over de ontstaansgeschiedenis van ons land. De audiotour die ik op mijn telefoon beluisterde was meer dan voortreffelijk. Dat lag zeker aan Hans Goedkoop die een geboren verteller is en ons voor een groot deel bij de hand nam.

Boeddha op een olifant?

Zoals de koe bij Nederland hoort en de stier bij Spanje, zo hoort de olifant bij Thailand. Toen we van Bangkok naar de grens van Birma reden om iets mee te kunnen krijgen van de echte tropische Aziatische jungle, kwamen we regelmatig langs de kant van de weg bordjes tegen die ons waarschuwde voor pardoes overstekende olifanten. We vroegen ons in de auto af wat dat precies betekent of wat je moet doen. Een overstekend hert op de Veluwe kan je een fikse deuk in je auto bezorgen en van de schrik kan je een beweging maken die je fataal kan worden. Maar wat kan je gebeuren bij een olifant? Een wilde olifant? Als je er tegenaan rijdt dan is je auto waarschijnlijk total loss. Het beest zal voornamelijk pijn hebben en dat op jouw auto verhalen…geen pretje. Maar we kwamen  gelukkig geen wilde olifanten tegen. Wel tamme. Olifanten zonder hek tussen ons en het beest. Olifantenoppassers en dat was alles.

We kwamen langs een dierentuin en schoondochterlief wilde onherroepelijk naar binnen. En daar stonden de twee olifanten die tegen betaling van een kleine som geld hun kunstjes vertoonden. De beesten gaven elkaar de slurf en vervolgens mocht de gelukkige gaan zitten op de verstrengelde slurven  en konden wij foto’s maken. Daarna krulden de dieren nog even bevallig hun slurven naar boven en klaar was de fotoshoot. Achteraf niet heel erg fraai allemaal vanuit ons door dierensentimentaliteiten verwrongen westerse mensenbrein, maar zo gaat dat nu eenmaal in Thailand.

Vandaag olifanten van een heel ander kaliber. Oorlogsolifanten. Natuurlijk ken ik Hannibal die met zijn Afrikaanse olifanten de Alpen overtrok om de Romeinen een lesje te leren dat hun nog lang zou heugen. Maar in Thailand, hét land van de olifant, werden ook oorlogen uitgevochten met olifanten. Ze zullen gefungeerd hebben als dé tank van het verleden.

Met olifanten ten strijde of…

Josien en ik bezochten de Wat Pho.  Eén van de beroemdste bezienswaardigheden van Bangkok. Het tempelcomplex is groot en erg indrukwekkend, maar de bezoekers komen vooral voor de reusachtige liggende boeddha. Vijfenveertig meter, meet hij. Puur verguld en erg mooi opgepoetst. Maar wat velen niet zagen was dat de muren van het gebouw waar de reus lag, volledig beschilderd waren. Als ik dat zie, mis ik enorm de kennis van de verhalen die hier in Thailand bestaan of de verhalen rond het leven van Boeddha. Je ziet dingen die je tegelijkertijd wel en niet begrijpt. Zie deze olifantenslag. Eén van de dieren heeft zijn slurf rond de voet van de bange man geslagen en dreigt hem door de kantelen te trekken. Een andere man houdt hem wanhopig vast terwijl nog weer een ander de olifant op zijn slurf slaat met een grote stok. Dat is de ene kant van de afbeelding…daarnaast nog meer olifanten en op één van de beesten zit een in het goud gekleed mens op een muziekinstrument te spelen. Zijn olifant offreert een twijgje aan een in het goud gekleed ander figuur op de kantelen. Hij maakt een afwerend gebaar. De tegenstelling tussen oorlogszuchtige olifanten en twijgjesolifanten binnen  dezelfde afbeelding verbaasd me. Geen idee wat het betekent. De geschiedenis van Boeddha heb ik gelezen. Ik vermoed dat het hier om een scène gaat uit het leven van Boeddha, maar welke, ik zou het niet weten, ik herken het niet.

Maar…fraai is het wel. Als je op je blote voeten in passende kleding langs de grote boeddha loopt, moet je soms naar rechts kijken in plaats van naar dat immense beeld. Dat grote beeld voegt weinig toe aan wat je bijna overal hier in Bangkok ziet; die beschilderde wanden…daar zou het om moeten  gaan, vind ik.