Categoriearchief: Beeldende kunst

Blogs over beeldende kunst

Looking for Lucien Freud part two; Stanley Spencer.

In het statige museum Gare d’Orsay liep ik argeloos te genieten van al het moois dat in de negentiende eeuw in Frankrijk bij elkaar was geschilderd, en toen keek ik recht in ‘l’Origine du Monde’ van Gustave Courbet. Nota bene geschilderd tijdens het meest preutse tijdperk dat men gekend heeft. Een bijna fotografisch geschilderde kut. Natuurlijk behaard, met door het schaamhaar heen piepende schaamlippen. Verder geen herkenbare kenmerken van de eigenaresse. Als je daar in een museum mee geconfronteerd wordt, geeft dat je een ongemakkelijk gevoel. Ga je er nou gewoon voor staan en bekijk je het op dezelfde manier als een zelfportret van Rembrandt? Of mijd je het schilderij en doe je net of het er niet hangt. Als man doe je het voor zo’n schilderij nooit goed; als je er niet naar kijkt, dan ben je een preutse lafaard (zeker voor je eigen gevoel), maar als je er uitgebreid naar gaat staan kijken dan voel je je een beetje vies; een gluurder. Zo’n soort spanning in mezelf vind ik erg interessanten ik ben er vaak naar op zoek.

Stanley Spencer (1891-1959) – Double nude partait: The artist and his second wife 1937

Om die reden wilde ik graag de schilderijen van Lucien Freud zien. Zijn ongepolijste naakten zijn erg beroemd en ik hoopte in de stad – Londen – waar hij zo’n beetje zijn hele leven heeft gewoond, werk van hem te zien. Gisteren was ik al naar Tate Modern geweest. Maar daar hing niets. Ik moest in Tate Brittain zijn, wilde ik enigszins kans maken. Maar al van te voren werd ik teleurgesteld. Wijs geworden na gisteren, had ik de website van het museum onderzocht en daar ontdekt dat het museum verschillende werken bezit, maar er geen enkel doek aan de muur hangt. Helaas.

In Tate Brittain trof ik tot mijn grote verbazing toch een Lucien Freud aan…dacht ik. Dezelfde verwarring en ontluistering. Maar het was geen Freud. In mijn onschuld concludeerde ik dat een zo’n groot schilder epigonen moet hebben; naäpers. Dit moest wel zo’n naäper zijn…Maar toen keek ik naar de jaartallen… De schilder stierf toen ik geboren werd. Het schilderij was zelfs precies gedateerd: 1937. Het beroemde werk van Lucien Freud stamt van heel veel later. Wellicht, bedacht ik, heeft Freud zijn stijl wel met behulp van dit werk van Stanley Spencer ontwikkeld.

Wat ik zie op dit schilderij zijn twee blote mensen op leeftijd. Geen strakke lijven meer; de schoonheid van de jeugd hebben ze achter zich gelaten. Het is een dubbelportret van de schilder met zijn vrouw. Een lamsbout op de voorgrond versterkt het gevoel van vlezigheid. Ook wel een beetje een versterking van het ontluisterende. De wat ingevallen, smalle borst van de schilder. De slappe borsten van zijn vrouw. Gek genoeg een heerlijk schilderij om naar te kijken. Eigenlijk, en misschien geldt dat ook voor de doeken van Freud die ik nog nooit in het echt heb gezien, is het getoonde beeld ontdaan van alle erotiek door de harde manier waarop de lichamen zijn tentoongesteld. Een schilderij dat ons vertelt dat we allemaal mensen zijn en het moeten doen met het vlees rond onze botten dat we hebben gekregen en dat het in de loop van de tijd verandert.

Geen Freud dus maar een Spencer; ik hou van dit schilderij!

Looking for Lucien Freud and Francis Bacon

Als je als liefhebber van de kunsten in Londen bent – zoals ik, op dit moment – en je hebt het over moderne Britse beeldende kunst, dan heb je het in mijn geval, vooral over twee schilders: Lucien Freud en Francis Bacon. Hoewel ze beiden al geruime tijd dood zijn, vertegenwoordigen zij voor mij de Britse moderne schilderkunst. Van hen heb ik te weinig werk in het echt gezien. Gisteren zou dus dé dag worden en dus reisde ik, samen met geliefde J., per dubbeldekker naar de Tate gallery voor moderne kunst.

De Tate gallery bleek een gigantisch gebouw. Als ik zeg gigantisch, dan bedoel ik dat ook. Twee flatgebouwen, dus. Vlak naast elkaar met een overdekte ruimte er tussenin. Een imposante ruimte. Vrijwel leeg. En hoog. Waar moet je in zo’n gebouw beginnen? Met het kopen van een plattegrond dus. Dat leverde, behalve wat papier, weinig op. De nietszeggende plattegrond stond weliswaar op de gekochte versie, maar verder ook op zo’n beetje elke muur. Meer dan dat er op een verdieping beeldende kunst hing, leverde die plattegrond niet op. Dus begonnen we maar lukraak ergens. Op zich liepen we langs mooie werken. Het feit dat bijna alle kunstenaars van de getoonde kunst dood waren, gaf ons het idee dat we zo ook tegen de kunst van het illustere duo aan zouden kunnen lopen. Maar nee dus. Geliefde J. vond dat een goede reden om het te gaan vragen. Op dezelfde verdieping maar precies in het andere gebouw… werd haar verteld.

Via roltrappen, gewone trappen en ook nog eens liften, kwamen we uiteindelijk op de aangewezen verdieping. Maar daar bleek een tentoonstelling van de Deens- IJslandse kunstenaar Olafur Eliasson. Nooit van de goede man gehoord, maar hij maakte indruk. Zeker, dat wel.

Een wand helemaal gevuld met rendiermos. En…spreek je over een wand in de Tate gallery, dan is dat ook echt een wand. Ik ben slecht in schatten, maar zal het tien bij twintig geweest zijn, het zou best kunnen. En ga je daar dan vlak voor staan, dan krijgt deze persoon een hallucinerend toendra gevoel in zijn hoofd. Al die aaneengesloten plukjes mos in dat enorme tapijt steken iets aan in je brein dat je niet helemaal onder controle hebt. Met dat verlies van controle over je brein, daar speelde de kunstenaar voortdurend mee. Zo was er een opstelling die hij ‘Beauty’ noemde. Een ruimte waar een superplantenspuit een voortdurende wolk produceerde waarop een bundel licht gericht was. De wolk veranderde steeds van richting en het licht speelde met die veranderingen. Inderdaad heel fraai. En best hypnotiserend; je kan uren kijken naar dat spel van water, lucht en licht.

Het hoogtepunt van de tentoonstelling was toch wel de tunnel. Hoewel, bij mij viel dat een beetje in het water. Als toeschouwer loop je door een veertig meter lange gang, gevuld met dichte mist. Je zicht is hooguit één meter. Met felle lampen krijgt de mist kleur. Als toeschouwer word je daardoor met kleur omgeven; één met kleur. Maar helaas, dat vertelde geliefde J. me achteraf. De mist had een andere invloed op mijn brein. Survival. Ik raakte volledig gefocust op J., die voor me liep en die ik niet uit het oog wilde verliezen en de muur die ik wilde blijven voelen. En zo had ik het idee dat ik slechts in een witte omgeving had gelopen…

Maar van Francis Bacon en Lucien Freud dus geen spoor. Later bleek dat er nog een Tate Gallery is in Londen. Wellicht hangt hun werk daar… Wie weet of we er deze vakantie nog tijd en zin in hebben; er valt in deze stad zo veel te beleven!!!

Gisteren ook nog een dansje gemaakt in de overblijfselen van het Shakespearetheater The Rose. (J. helemaal verguld, want zo makkelijk ben ik niet naar de dansvloer te krijgen…maar ik deed het…) De dans werd geleid door een mevrouw die ik, volgens mij, had zien figureren in The Lord of the Rings films.

Night Watching – Video-opstelling van Rineke Dijkstra in het Rijks

Ik heb al veel geschreven over fotografe Rineke Dijkstra. Niet zo gek, want wat ze ook maakt, het boeit. Ze weet in haar portretten van mensen de ziel van de gefotografeerde te vangen. Als je voor haar foto’s staat vraag je je af of het een bepaalde verborgen techniek is; je ziet het gezicht van een mens en op de een of andere manier geeft Dijkstra je het gevoel dat je dat mens al heel lang kent. Een heel bijzonder fenomeen dat je vooral bij grote kunstenaars tegenkomt, volgens mij – en vele anderen – is Rineke Dijkstra zo’n grote kunstenaar. In elk ander geval – namelijk – hebben veel musea het bij het verkeerde eind, want Rineke Dijkstra wordt ook door de museumwereld als een hele grote gezien en behandeld. Een grote overzichtstentoonstelling, om maar een voorbeeld te noemen, in het Stedelijk museum, nog niet zo lang geleden en waarvan ik hier op mijn eigen website verslag deed. Wat ik vrijwel onbesproken liet van die tentoonstelling waren haar video-opstellingen. Wat me daarover is bijgebleven is een groep kinderen die ze filmt terwijl ze naar een schilderij van Picasso kijken en met elkaar bespreken wat ze zien. Een bijzonder fascinerende video waar ik lang naar heb staan kijken.

Het Rijksmuseum heeft Dijkstra de opdracht gegeven om zo’n zelfde soort video-opstelling te maken over mensen die naar De Nachtwacht staan te kijken. Deze video-opstelling is te bekijken in de eregalerij van het Rijks vlak naast het glazen huis waarin de Nachtwacht wordt gerestaureerd. Deze video-opstelling is een absoluut hoogtepunt in het van hoogtepunten wemelende Rijks. In de video komt de ene groep mensen na de andere voorbij en je leest de karakters en moeiteloos weet je wat hun beweegredenen zijn; wat ze van de wereld vinden en hoe ze met de wereld om gaan en wat ze ervan verwachten. Je kijkt naar de mensen die samen met hun vrienden, klasgenoten, studiegenoten, collega’s of familieleden een schilderij bekijken en aan elkaar vertellen wat ze zien. Natuurlijk niet zomaar een schilderij, maar De Nachtwacht. Mensen van heel verschillend pluimage.

Twee Japanse jongens: Ze hebben geen idee waar ze naar staan te kijken. Complete verwarring. Kennelijk is het belangrijk om dit schilderij te bekijken, maar wat het is of wie erop staat…geen idee. Zeelieden?

Japanse zakenlieden: Voor hen gaat het al snel over de waarde en hoe je met behulp van zo’n schilderij enorme winsten kunt maken. Met elkaar bedenken ze hoe Japanners zo’n beroemd schilderij zouden vermarkten: een nachtwacht met gaten erin op de plek van de gezichten zodat je er, tegen betaling, met je eigen gezicht kan laten fotograferen. Ze zouden nachwacht cakejes verkopen.

Drie directeuren: Zij zien de macht en kracht en hadden best zichzelf door Rembrandt geportretteerd willen zien; macht en kracht voor de eeuwigheid. Eén van hen had voor zijn grote verdiensten voor de stad de Frans Banning Cocq-penning gekregen; hij vond eigenlijk wel dat hij ook het recht had om op het schilderij te staan. Vooraan. En heus niet daar ergens achter in de schaduw.

Prepuber jochies: Wat doet dat meisje daar op dat schilderij. Zo’n meid moet wel Frederique heten. Nou, zegt een ander: Eerder Monique. Nee Frederique. Waarom moet er altijd een meisje de jongens- en mannenorde verstoren? Onderzoekende pretogen!

Een groep meiden waarvan maar één een witte huid heeft: Ze weten het zeker; zo’n groep kerels moet geweldig gestonken hebben want ze waren zo onhygiënisch in die tijd. Of…waren het alleen de armen die zichzelf niet verzorgden? Waren dit niet de rijke stinkerds aan wie de enge ziektes voorbijging?

Een groep studenten van de kunstacademie: In hoeverre was Rembrandt bezig met de mogelijkheid dat hij eeuwige roem zou kunnen vergaren met zijn schilderij. In hoeverre moet je je als schilder bewust zijn dat je iets voor de eeuwigheid maakt. Hoe ga je om met de roem en hoe zuur is het als de roem je pas na je dood ten deel valt.

Een groep klasgenoten meisjes: Eentje heeft de hoed van een tovenaar op. Zo’n puntige. En…wat is dat voor ding linksonder? Is het een steen? Is het soms een knikker? Wie speelt er met die knikker?

Kortom iedereen projecteert zijn of haar wereld in het schilderij. Wordt er over een abstract schilderij vaak gezegd dat je erin mag zien wat je wilt; Rineke Dijkstra laat zien dat iedereen altijd – en dus ook in een beroemd schilderij uit de zeventiende eeuw – ziet wat men wil zien. Iedereen wil er een stukje van zichzelf in zien en door de film van Rineke Dijkstra leren we de ziel van een aantal geportretteerden zien en leren we wat hun beweegredenen zijn om te zijn wie ze zijn. Meteen leren we ook wat het belang van kunst is; kunst laat je namelijk op een hoger vlak over jezelf nadenken. Het leert je reflecteren op wie je bent en wat jouw plaats in de wereld is.

Na de video wilde ik meteen kijken naar wat al die mensen zo fascineerde in het schilderij, maar helaas, De Nachtwacht wordt op dit moment gerestaureerd en heus, je kan het schilderij steeds blijven zien…maar wel met een hele installatie ervoor en van een wat grotere afstand. Die video Van Dijkstra is echt fantastisch!

Hitte

Sinds ik onbewust een dikke jas aangetrokken heb, zo rond mijn veertigste, heb ik het moeilijk met mijn interne temperatuur. Die dikke jas kan ik helaas nooit uitdoen en is een deel van mij. Tot mijn vijfendertigste was ik een dunnertje. Af en toe loop ik tegen foto’s aan van mij met een van mijn kleine jongetjes op mijn arm. Dan zie ik de persoon die ik toen aan de buitenkant was en die qua vorm verdomd veel lijkt op een van mijn volwassen zonen van nu. Hoewel ik van binnen dezelfde ben gebleven en ik het gevoel van een klein zoontje op mijn arm nog best wel kan oproepen, ben ik aan de buitenkant gewoon niet meer wie ik was, destijds. Ik rolde in die dagen met veel plezier sjekkies en rookte ze met veel smaak op. Zelfs als er kleine jongetjes bij waren. Ik zag zelf ook wel in dat dat niet echt gezond was. Voor niemand niet in ons huis. Bovendien kreeg ik er een akelig hoestje van en omdat ik ervan overtuigd was dat niemand wilde vrijen met een oudere roggelend hoestende kerel, stopte ik met sjekkies rollen en roken. Als ik het me goed herinner werd ik op de dag dat ik het roken eraan gaf, meteen tien kilo zwaarder. Die gewichtstoename zette zich voort terwijl ik, volgens mij, niet speciaal slecht of heel veel meer at dan gewoon. Ik creëerde een solide isolerende vetlaag die er met geen dieet meer vanaf te krijgen is.

In de zomer breekt die vetlaag mij wel vaak op. Het lukt me niet om af te koelen en ik zweet me een ongeluk. Op vakantie hier in het zuidelijke Ravenna heb ik er extra veel last van. Vooral ’s avonds. Alles zindert boven de dertig graden. Mijn lijf werkt als het nooit gewerkt heeft om de temperatuur op peil te houden. Maar de temperatuur wil maar niet zakken. Het laken waarop ik lig in de tent is me eigenlijk al teveel. Ik wil weg. Weg naar koelere oorden. Ik denk dat het vandaag ons laatste dagje Ravenna wordt en dat we morgen koers naar het noorden zetten.

Maar vandaag nog even genieten van al het moois dat Italië, en dan vooral Ravenna te bieden heeft. Hebben we met Giotta in Padua de start van de (heel erg vroege) renaissance mogen zien, in Ravenna zien we de geboorte van de middeleeuwen. Eigenlijk zien we hier het uitdoven van het grote romeinse rijk. De laatste stuiptrekkingen, om het zo maar uit te drukken. Nee, geen stuiptrekkingen…daarvoor zijn de half tempels, half kerken met hun prachtige mozaïeken te mooi. Toch uitdoven…want die mozaïeken hebben in de beeldende kunst niet echt navolging gehad in West-Europa. Moeilijk. Laat ik ze bekijken zoals ze zijn; wonderschoon wat betreft de kleuren en fantastisch naïef als plaatje. Gisteren hebben we de basiliek die geweid is aan St. Apollinare in Classe bezocht. Vandaag gaan we naar het centrum van Ravenna.

Nu, op dit moment – om kwart over acht in de ochtend – is het nog heel goed uit te houden. Maar als ik naar de lucht kijk en de strakblauwe hemel zie, dan weet ik dat het weer puffen, hijgen en zweten wordt…helaas. Morgen weer naar het noorden waar de hitte al lang verdreven is!

Giotto in het echt

Hoewel ik diep doorgedrongen ben in de roman Grand-hotel Europa van Ilja Leonard Pfeiffer die over, onder anderen, de schade aangericht door massa-toerisme in Europa gaat, maar dan vooral in Italië, loop ik op dit moment rond, als toerist in Italie. Hoewel wij betrekkelijk dichtbij Venetië bivakkeerden op onze eerste stop, hebben we deze stad overgeslagen. De hitte en de drukte hielden ons tegen. We hadden een appartement in Vicenza. Vandaar is een prima treinverbinding naar Venetië. Maar nee, we deden het niet. We zaten wel in die trein, maar stapten eerder uit, in Padova. Ik weet gewoon niet goed of ik niet gewoon Padua moet schrijven, want de naam Padua is vervuld van romantiek dat Padova niet heeft. In Padua staat de Scrovegni kapel en die kapel is van boven tot onder volgeschilderd met fresco’s door Giotto. Dat heeft de goede man rond het jaar 1300 gedaan en, zo las ik bij Pfeiffer, met het beschilderen van deze kapel, laten kunsthistorici de renaissance beginnen. De schilderkunst van Giotto is dermate vernieuwend en briljant dat men daarmee een nieuw tijdperk laat starten.

Ergens in zijn roman schrijft Pfeiffer dat het niet veel zin heeft om zo’n artistiek hoogtepunt met eigen ogen te zien, want koop je een boek over dat werk of ga je op internet zoeken, dan krijg je het betreffende kunstwerk veel beter te zien. Foto’s zijn op de goede hoogte gemaakt en je hoeft je niet in allerlei bochten te wringen om alleen maar een glimp van het kunstwerk, over of langs andere toeristen, op te vangen. Ik had me voor mijn doen best goed voorbereid op de Scrovegni kapel. Internet en YouTube adept die ik ben, had ik naar filmpjes gekeken van de Khan academy waar de kunsthistorici Beth Harris en Steven Zucker in vier afleveringen de kapel bespreken. Ze bespreken in de filmpjes de historische achtergrond en de kunsthistorische waarde en ook wat je te zien krijgt; wat en waarom Giotto geschilderd heeft wat hij schilderde. Met mijn ervaring bij het bekijken van kerken, had ik daar inmiddels geen hulp meer bij nodig want op een enkele uitzondering na, kon ik elke afbeelding wel thuisbrengen.

Enkele dagen geleden dus de apotheose. Via internet had ik kaartjes gekocht om de kapel in te mogen. We stapten vanuit de trein in het bloedhete Padua. In Nederland werden toen heuse temperatuur records gebroken, maar Padua was ook niet mild. De Scrovegni kapel lag gelukkig betrekkelijk dicht bij het station. Wat me als eerste opviel in deze tijd van massatoerisme, was de leegte. Ik had rijen en rijen toeristen verwacht. Maar niets van dat alles. Toen ik mijn internet ticket omruilde voor het ‘echte’ museumkaartje, was ik meteen aan de beurt. Het systeem van tijdvakken en een beperkt aantal bezoekers per tijdvak werkte echt fantastisch.

En toen in de kapel zelf…Wauw…ik werd overdonderd. Wat een schoonheid! Wat fantastisch om dit werk van dichtbij te mogen bekijken. Elk ‘plaatje’ kende ik, maar om dat ‘plaatje’ in het echt te zien was een belevenis op zich. Ik had het voor geen goud willen missen!

En nu zijn we in Ravenna…Ik weet al waar we zo ongeveer naartoe gaan… Eigenlijk is Italië in z’n geheel een kunsthistorisch hoogtepunt. Jammer dat het er steeds zo verschrikkelijk heet is…Zelfs hier aan de kust.

Oma en Fré Cohen

We zitten nog net in de eerste helft van mei. Een periode waarin teruggekeken wordt naar de eerste helft van de twintigste eeuw. Vijftig jaar die ongekend bloederig zijn geweest. Er zijn altijd in de geschiedenis wel oorlogen geweest en er heeft altijd wel bloed gevloeid, maar de eerste vijftig jaar van de twintigste eeuw zijn ongekend geweest wat dat betreft. Toch is het ook een periode waar ik heel graag naar kijk omdat er tegelijkertijd een ongekende bloei was van kunst en cultuur. Soms tegelijkertijd met uitspattingen van wreedheid, maar vaker als er luwte was in het bloedvergieten. En dat er tussen alle ellendige periodes door mensen bleven geloven in de goedheid van de mensheid en hun ideaal probeerden te verwezenlijken van gelijke kansen voor iedereen. Eén van de personen waarbij zowel de ellende, de cultuur en het idealisme samenkomen is Fré Cohen. Over Fré Cohen gaat een tentoonstelling komen in ‘ons’ museum. Fré Cohen zette mij op een speurtocht die me onverwacht heel erg dicht langs mijn eigen familie leidde…

Tekening van Fré Cohen – ‘Tevje der Milchman’ – aan de muur bij mijn moeder

Ik ging namelijk bij mijn moeder eten en vond deze tekening aan de muur. Een erfstuk van mijn oma. Mijn oma en Fré Cohen waren enthousiaste leden van de AJC; de Arbeiders Jeugd Centrale. Na de eerste wereldoorlog hoopten ze dat de wereld zou genezen van de verschrikkelijke wond die de oorlogsellende had veroorzaakt. Ze wisten niet wat hun, joden, nog te wachten stond. Hun onwetendheid is achteraf gezien een gelukkige omstandigheid want daardoor hebben ze nog wat jaren kunnen geloven in al het goeds dat het leven voor hen in petto had. Van Fre Cohen weet ik dat het grootste deel van haar werk in deze periode ontstond. Mijn oma had de tijd van haar leven. Ze was wat jaartjes jonger dan Fré Cohen maar minstens zo enthousiast voor de AJC. Mijn oma moet de tekening van Fré Cohen gekregen hebben en er totaal niet bij stil gestaan hebben wie of wat – anders dan een mede-AJC’er – Fré was. Mijn moeder vertelde dat ze de tekeningen na oma’s overlijden vond tussen heel veel andere papieren met punaisegaatjes en resten van plakband op de hoeken.

Die luwte in de wereld tussen de twee wereldoorlogen in fascineert me enorm. Dat geloven in de goedheid van de mensheid. Geloven in de mogelijkheid van het opvoeden van de mens tot een fantastisch wezen dat net als zij niets dan goeds voorheeft met de wereld. Weliswaar joods – en heus dat bleef altijd een zekere rol spelen – maar fel tegen religie omdat dat de mensen dom zou houden; opium voor het volk. Tussen de spulletjes van oma vond ik veel foto’s. Ook deze foto. Natuurlijk heb ik mijn oma zo nooit gekend. Zelfs van mijn moeder was nog in geen velden of wegen sprake toen deze foto gemaakt werd. Maar haar gezichtsuitdrukking…dat heb ik nooit meer zo gezien. Een gezichtsuitdrukking, ontspannen en vol verwachting, diep gelukkig en onbevreesd. Oma als naïeve lieve puber. Mijn oma hield iets van de dood in haar ogen nadat ze terugkeerde uit Auschwitz. Heus, ze heeft nog wel gelukkige momenten gehad, maar dood en verderf en algehele ondergang lagen altijd op de loer. Voor Fré Cohen eindigde de oorlog anders; ze pleegde zelfmoord voordat ze gedeporteerd kon worden.

Terugkijken is heerlijk

Natuurlijk heeft deze jongen weer alle mooie vrouwen lopen fotograferen die hij tegenkwam. Zo ben ik wel! Gisteren in de Alte Nationalgalerie hier in Berlijn. In dit museum op het Museum Insel aan de voormalige Oost-Duitse kant hangt veel negentiende-eeuwse schilderkunst van Duitse kunstenaars. Onder het geweld van de Franse schilderkunst een beetje door mij vergeten, maar ongeveer even mooi, constateerde ik gisteren. En dus met veel mooie jonge vrouwen die geportretteerd werden. Jonge vrouwen in lange ruisende rokken die met hun heldere ogen vragen om bevrijd te worden uit hun knellende korsetten. Vrouwen wiens adem afgeknepen wordt door een dwingende moraal die hun haast verbiedt om hun talenten te ontwikkelen en een zinvolle bijdrage te leveren aan de maatschappij. Voor wie de moraal voorschrijft dat ze er zijn ‘ten dienste van’ en voor wie de ziekte hysterie speciaal werd uitgevonden. Die vrouwen dus. En ik vind ze zo mooi dat ik het niet kan laten om van al die geportretteerden foto’s te maken en die te koesteren. Ik zou absoluut niet meer willen dat vrouwen zo machteloos en onmondig gehouden werden en ik ben blij met hoe de maatschappij zich ontwikkeld heeft ten opzichte van meisjes en vrouwen. Dat ze hun eigen weg mogen gaan en hun talenten ontplooien.

Adolph Menzel – Frederike Arnold (1845). Bekneld in het keurslijf van haar bestaan.

Deze knappe, mooie vrouwen waarvoor en waarover Freud van alles bedacht, vertegenwoordigen slechts de bovenklasse. De bovenklasse van vrouwen die getrouwd waren met industriëlen, kunstenaars en geleerden. Loop je wat verder het museum in, dan komen ook de mensen aan bod die zich niet onder de rijken kunnen scharen. De arbeiders en de loonwerkers.

Van de schilder Max Liebermann had ik nog nooit gehoord. Nu dus wel. Hij doet me aan vader en zoon Israels denken. Vader Jozef vanwege de keuze van zijn onderwerpen – namelijk de minder bedeelden en de hardwerkenden in de maatschappij – en aan zoon Isaak vanwege zijn manier van schilderen. Wat ik heel bijzonder vind is dat Liebermann naar Nederland trok om daar het licht en de sfeer te zien en te voelen van de zeventiende meesters. De meeste schilderijen van zijn hand die in de Alte Nationalgalerie hangen zijn geschilderd in Nederland en laten de Nederlandse armoede zien zo vlak voor en tijdens de industriële revolutie.

Max Lieberman – Vlas spinnen

Dit schilderij van Liebermann trof mij het sterkst, denk ik. Misschien omdat het contrast, maar tegelijkertijd ook de overeenkomst met de mooie vrouwen uit de eerste alinea van dit stukje zo duidelijk maakt. Meisjes staan in een bedompte, lage stoffige schuur vlas te spinnen. Hoe oud zouden de meisjes zijn? Vijftien, zestien zo te zien. Erg jong. Niets geleerd en nu gedwongen om geestdodend vies werk te doen totdat ze trouwen en kinderen krijgen. Maar nog erger dan de meisjes vind ik de jongetjes en het meisje die het spinnenwiel bedienen. Hoe oud zouden zij zijn? Ik kan de kinderen niet goed zien, maar laten we vaststellen dat ze jong zijn, heel erg jong. Kinderarbeid heeft Liebermann geschilderd in Nederland.

Wat ben ik blij met hoe de maatschappij zich ontwikkeld heeft. Vrouwen hoeven niet meer in keurslijfjes alleen maar mooi te wezen en kinderen mogen naar school en het mens worden dat eigenlijk al in hen zit. Maar terugkijken naar al dat moois en hoe dat allemaal destijds is vastgelegd in fantastische kunst, dat is toch heerlijk!!!

Malle Babbe is niet rond en ook niet blond…

We zijn weer in Berlijn. Na negen jaar zijn we er weer. Wat een prachtige stad! Heel erg nieuw maar tegelijkertijd verschrikkelijk oud. Een stad die zich, gemeten naar de geschiedenis, kortgeleden opnieuw heeft moeten uitvinden. Waren de sporen van de grote verdeling van de stad nog vers en tastbaar de vorige keer dat we hier waren, nu is de muur geconserveerd en worden we op een afstandje gehouden zodat we geen schade kunnen berokkenen. De stad van de nachtegalen ook. Ze lijken hier massaal te zijn gaan wonen. De vorige keer toen we hier waren dachten we dat we een unicum zagen; midden in de woonwijk waar wij verbleven in het struikgewas, een nachtegaal. Als de vogel zingt herken je hem meteen. Zo gevarieerd en zo stevig; het kan niet anders; het moet wel een nachtegaal zijn. Een merel in het kwadraat. Op het moment dat de merels zwijgen, begint de nachtegaal. Hier en nu horen we de nachtegalen tegen elkaar opbieden. Een fantastisch geluid!

Gisteren hebben we de Gemaldegalerie bezocht. Vorige keer dat we hier waren had ik het idee dat alle moois zich had geconcentreerd op het Museuminsel. Maar dat is dus niet zo; het museuminsel hoorde altijd bij Oost-Berlijn terwijl de Gemaldegalerie tot het kultuurgedeelte van West-Berlijn behoorde. Een museum waar je geweest moet zijn als je net als ik warm loopt voor de kunstgeschiedenis van middeleeuwen tot aan de pruikentijd. Wat betreft Hollandse Meesters lijkt het wel op een filiaal van het Rijksmuseum. Twee Vermeers en heel veel Rembrandts. Ik heb ze niet geteld, maar het waren er erg veel. Ook een paar schilderijen van Frans Hals. Malle Babbe onder anderen. Als je dit schilderij ziet weet je meteen dat Leonard Nijgh zich compleet vergist heeft toen hij het liedje schreef. Deze Malle Babbe is niet blond en deze malle Babbe is niet blond. Deze malle Babbe geef je niet zomaar een zoen op d’r mond en d’r kont is niet direct waar je aan denk. Leonard Nijgh had ongetwijfeld een heel ander schilderij voor ogen. Malle Babbe is, zo te zien, een vrouw met een beperking. Razend knap geschilderd want je ziet aan haar houding en haar oogopslag dat ze niet helemaal spoort. Waarom zit er een uil op haar schouder? Wijsheid niet in haar hoofd maar op haar schouder? Nee, dus. In de zestiende en zeventiende eeuw stond het symbool uil voor domheid en slechtheid…

Ik las al eerder over de vergissing van Leonard Nijgh; de schrijver van het artikeltje had ook de vermeende malle Babbe opgespoord. Ze hangt in het Louvre en heet De Zigeunerin. Hoewel ze volgens mij niet blond is, spat de verleiding van het doek. Haar gulle lach lijkt voor ons mannen bedoeld; om ons te verleiden. Haar ferme borsten bulken zachtjes naar ons toe uit haar laag uitgesneden bloesje. Ze wil ons… Ze is de verleiding zelve. Maar zeg nou zelf, bekt het lekker: De zigeunerin is blond, de zigeunerin is rond… Afgezien dat het wat racistische en onprettige associaties opwekt, is het geen gehoor. Maar malle Babbe is blond, malle babbe is rond… Daar wordt ook ik een beetje warm van. Maakt het dan nog wat uit dat malle Babbe eigenlijk een heel ander persoon is? Zowel malle Babbe als de Zigeunerin als Frans Hals zijn al verschrikkelijk lang dood. Dan maakt het helemaal niets meer uit wie wie is.

De Notre Dame in Parijs

Gisterenavond keek ik naar het eerste stukje van Pauw. Dat ging over de brand in de Notre Dame in Parijs. Eigenlijk wist niemand er iets over te zeggen. Wat kan je erover zeggen? Ik werd vanochtend wakker met het besef dat één van de grote cultuurmonumenten van West-Europa naar de kloten was. Ik voel me leeg. Dieptreurig. Zelfs de roman die ik nu lees speelt zich voor een klein stukje af in deze kathedraal. Geen woorden voor, dus. Waarom zou ik er dan tijd aan besteden? Misschien blij dat ik niet al te lang geleden nog door de kerk gelopen heb en al haar schoonheid het haar omvang bewonderd heb. Een soort van waardig afscheid. De Notre Dame kan weer herbouwd worden, las ik net. Maar ze zal nooit meer zijn wat ze was. Ze zag eruit, daar op dat kleine eilandje in de Seine, als een rots; als iets dat niet verdwijnen kon. Na gisteren blijkt ze fragiel en sterfelijk.

Kommt ihr Töchter helft mir klagen

Een meesterwerktentoonstelling zonder meesterwerk

Is slechts één schilderij niet een beetje mager? De Nieuwe Kerk in Amsterdam stelt jaarlijks een meesterwerk uit een bepaald museum ten toon. Eén schilderij. Dat moet dus haast wel een meesterwerk zijn want waarom zou je anders, zoals ik, weer en wind trotseren om het te zien? In dezelfde serie zag ik jaren geleden een schilderij van El Greco. Indrukwekkend. Alle schilderijen van El Greco zijn indrukwekkend. Ze doen heel modern aan maar zijn al eeuwen oud. Maar zelfs van dat schilderij heb ik me afgevraagd in hoeverre het een meesterwerk was. Nu dus het schilderij Aartsengel Michaël van Luca Giordano. Een meesterwerk. Ik zelf had eigenlijk nog nooit van Giordano gehoord. Op zich zegt dat nog niet zo heel veel, want ik ben geen kunsthistoricus. Maar wel kunstliefhebber. En ik ken heus een hele zwik schilders uit deze periode. Ook Italiaanse. Van Giordano had ik nog nooit gehoord. Volgens de website van de Nieuwe Kerk zou het schilderij de bezoeker imponeren door zijn enorme formaat, schoonheid, zeggingskracht en overweldigende dynamiek. Tsja… Verder staat er op diezelfde website, en daar wordt in de Nieuwe Kerk ook verder op ingegaan, bewonderde de schilder Dürer, Rafaël, Rubens, Titiaan en Rembrandt. In mijn ogen zijn dat nou juist de schilders die eigenlijk alleen maar meesterwerken afleverden. Giordano? Meesterwerken? Nou, nee.

Wat ik zie is een suikerzoet gevleugeld watje (een roze mantel…) die een satéprikker in een gillend duiveltje prikt. Ik zie geen gevecht. Ik zie geen strijd. Ik zie geen dynamiek. Meer een ballerina met zwanenvleugels…Tussen de strijdende partijen zie ik geen relatie. Dat kunnen schilders als Rembrandt of Rubens beter. Eerlijk gezegd vind ik één penseelstreek van één van die twee al veel boeiender dan dit hele schilderij. Bij Rembrandt zou Michaël een strijder zijn geweest die een gevecht op leven en dood leverde. Michaël zou de speer in het lichaam van de duivel hebben geramd. Je zou beseffen dat als Michaël de strijd zou verliezen, de wereld zou verliezen. De bloedspetters zou je haast op je gezicht voelen als Rembrandt dit tafereel had geschilderd. Bij Rubens zou de pijn van de binnendringende lans voelbaar zijn geweest en had de Aartsengel kracht uitgestraald. Bij Giordano, niets van dat alles. Ach, geen slecht schilderij, maar een meesterwerk; dat wil er bij mij niet in. Ik heb er met belangstelling naar gekeken en de uitleg op de audiotour gehoord. Interessant allemaal zonder dat ik daar nou echt warm of koud van werd.

Vond ik dan helemaal niets leuk aan deze tentoonstelling? Wel! Van de nazit heb ik genoten. De audiotour gaat op zoek naar de engelen in de Nieuwe Kerk. Steeds als er een Engel gevonden is een prachtig stuk muziek om dat te vieren. De kerk is ooit begonnen als katholieke kerk en werd al snel overgenomen door de protestanten. Daarom werden veel van de beelden en schilderijen die de katholieke geloofsbelevenis ondersteunden, weggehaald zodat de sobere protestantse ruimte ervoor in de plaats kwam. Maar gelukkig kon men niet alle schilderijen en beelden weghalen. Bijvoorbeeld op het koorhek. Rijk versiert met cherubijntjes. In de dakconstructie van de kerk, waar de dakbalken gedragen worden door engelen met van inspanning vertrokken gezichten. Ook engelen die nu weer zichtbaar zijn geworden na de restauratie. Op de toegang tot het sacristiehuis bijvoorbeeld mooie muurschilderingen. Na de restauratie weer tevoorschijn gehaald vanonder een dikke stuclaag. De makers van de audiotour hadden voor elke gevonden engel in de kerk een bijpassend engelenkoor uitgezocht; van Fauré tot Bach. Zo was het genieten van prachtige muziek terwijl je van de ene kerkengel naar de andere liep. Eén van de laatste stops – hoewel je vrij was om je eigen volgorde te kiezen – was bij de preekstoel. De stoel is zeer rijk versierd en wordt gedragen door engelen. Maar ook bovenop engelen. De stoel kan je het best bekijken vanuit de herenbanken; de plek waar vroeger de burgemeesters zaten tijdens de dienst. Die uitnodiging kon ik moeilijk aan mij voorbij laten gaan en dus vleide ik mijn kont op de bank die zeer waarschijnlijk ook Six en Bicker gedragen heeft en inderdaad, daarvandaan heb je het mooiste uitzicht op die fantastisch gedecoreerde preekstoel.

Wat mij betreft is het schilderij van Giordano geen meesterwerk, maar de engelenspeurtocht toch zo leuk en interessant dat ik de tocht naar de nieuwe kerk een aanrader vind. Een meesterwerktentoonstelling zonder meesterwerk! Maar…met een interessante nazit.