Alle berichten van Frits de Klerk

Informaticus? Kunsthistoricus?

Volgens mij heb ik er een speciaal talent voor; activiteiten op (bijna) professioneel niveau ontplooien terwijl ik er niet voor opgeleid ben. Dat brengt dus best veel stress met zich mee en het is best arrogant van mezelf want ik meng me in discussies terwijl ik er eigenlijk te weinig verstand van heb. Allerlei studies waar Nederlandse taal en letterkunde iets mee te maken heeft, ben ik begonnen maar heb ze nooit afgemaakt. Een beetje geschiedenis, maar in de marge. Daarna sociale academie. Die heb ik wel afgemaakt; was ook niet zo heel moeilijk, moet ik zeggen. Misschien dat ik er daarom wel nooit iets mee gedaan heb. Nooit ben ik maatschappelijk werker geworden. Ik hou eigenlijk van complexe problemen, denk ik…ik weet het eigenlijk niet. Nee, deze jongen ging de automatisering in. Ik had mezelf leren programmeren in wat populaire computertalen en ik kon aan de slag. Dat heeft een hoop stress opgeleverd zo werken tussen de informatici. Ik voelde me altijd de mindere en had altijd het idee dat ik er weinig van terecht bracht. Dat iedereen uitermate tevreden over me was kon mij er niet van overtuigen dat ik  het ook goed deed. Ik dacht dat het aan mijn persoonlijkheid lag. Ik ben een aimabel persoon. Niet echt iets om verschrikkelijk trots op te zijn. Iets heel anders dan een Casanova…eigenlijk meer het tegenovergestelde. Een persoon die makkelijk ‘aardig’ gevonden wordt. Pas nu, nu ik echt op alle vlakken goed functioneer in de automatisering ben ik ervan overtuigd dat ik best goed ben in het vak waar ik mezelf voor opgeleid heb. Hoewel…zelf opgeleid…in de loop van de tijd heb ik natuurlijk wel heel veel cursussen gedaan. Die stress van het verleden ligt gelukkig achter me.

Nu die stress achter me ligt, is het precies het goede moment om te kijken hoe ik opnieuw iets kan gaan doen waar ik helemaal niet voor opgeleid ben. Wat dacht je van kunsthistoricus spelen? Ik ben erg geïnteresseerd in kunst, dat heus wel, maar om nou te zeggen dat ik ook maar iets van een kunsthistoricus heb, nee dat niet. Toegegeven, sinds ik deze website heb, schrijf ik veel over kunsthistorische zaken, dus wellicht dat er nu mensen zijn die denken dat ik meer van kunst weet dan in werkelijkheid het geval is. Hoe dan ook, ik woon in het mooiste wooncomplex van Amsterdam. (Oké, het koninklijk paleis op de Dam is mooier, maar ga daar maar eens in wonen…) Ik woon in het arbeiderspaleis en ik voel me bevoorrecht. Een arbeiderspaleis waarin een museum gevestigd is gespecialiseerd in de kunststroming waaruit de architectuur van het wooncomplex voortkwam. De directie van het museum ken ik al jaren en ik heb het museum zien groeien van gerestaureerd postkantoortje tot een museum met een vaste collectie en wisselende tentoonstellingen. En omdat ik persoonlijke banden voel met een kunstenaar waarover in de toekomst een tentoonstelling wordt georganiseerd, ben ik gevraagd om in de werkgroep te stappen om de tentoonstelling vorm te geven…Moi…Ik dus. Dat voelt best als een verantwoordelijkheid. Wat weet ik van de onderzoeksmethoden en technieken van kunsthistorici? Niets dus. Stress. Veel lezen.

Ik ben nu onderweg naar het kunsthistorisch archief in Den Haag. Ik ga het daar opgeslagen archief van een bepaalde beeldhouwer bekijken die iets speciaals had met de kunstenaar waar ik naar op zoek ben. N. gaat me helpen.  Gelukkig!

De libris literatuurprijs 2020

Het is weer zover; een paar dagen geleden werd de shortlist voor de Libris literatuurprijs bekend gemaakt. Altijd weer een verassing, want deze jongen houdt de data niet goed bij. Altijd ook wel weer leuk en spannend, want ik heb iets met die prijs. Ik wil hem namelijk zelf graag uitreiken. Dat anderen – professionals – stellen de shortlist samen en dat is een mooi uitgangspunt; hoef ik niet alle boeken die in een jaar verschenen zijn te lezen. Hoewel ik dit jaar veel meer aan lezen toekom omdat ik negenennegentig procent meer in de trein zit dan vorig jaar. Desalniettemin is mijn reistijd bij lange na niet genoeg om alleen al de longlist te lezen. (Al helemaal niet als ik, zoals nu, kletsers naast me heb zitten) Dus…jury van de Libris literatuurlijst, bedankt voor al het leeswerk. Ik ga me beperken tot de shortlist en daaruit de winnaar kiezen van de Frits’ Libris literatuurprijs 2020. Dit jaar denk ik dat het me gaat lukken om de prijs uit te reiken voordat de jury het doet want van de zes boeken op de shortlist heb ik er al drie en een halve gelezen. Dus dat schiet op. Maar, de uitreiking en dus de keuze zal niet makkelijk zijn, want van de boeken die ik al gelezen heb vind ik van geen drieën dat het een verliezer is; ik vind ze alle drie bijzonder goed. Het boek dat ik nu aan het lezen ben, gaat het niet worden, kan ik nu al verklappen. Hoewel…ik heb nog een helft te gaan en wie weet hoe de roman zich verder ontwikkeld.

De boeken die op de lijst staan zijn:
– Zwarte Schuur van Oek de Jong. Uitgebreid beschreven op deze site. Vond het een heerlijk boek om te lezen hoewel ik best wat bedenkingen had.
– Liefde, als dat het is van Marijke Schermer. Heb ik ook al uit. Fantastische analyse van de liefde. Prachtige plot en bezorgde me een hoop kippenvel.
– Vallen is al vliegen van Manon Uphoff. Echt heel erg vernieuwend. In het begin van het boek moet je erg wennen aan haar stijl maar naarmate het boek vordert ga je zien hoe geweldig het boek is.
– De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo. Ben ik aan het lezen. Ik moet zeggen…best aardig tot nu toe. Nog even afwachten hoe alles zich ontwikkelt. Ik word niet echt heel erg warm van deze roman, maar ik kan pas oordelen als ik hem uit heb.
Dan nog twee boeken die ik nog helemaal niet heb gelezen:
– Nachtouders van Saskia de Coster. Ben erg benieuwd; nooit van de schrijfster gehoord, maar wat zegt dat. Niet veel want van de volgende schrijver en zijn boek heb ik ook nog nooit gehoord:
– Uit het leven van een hond van Sander Kollaard. Het zal mij benieuwen…

Helaas moet ik constateren dat de jury van de Libris literatuurprijs en ik het zelden met elkaar eens zijn over de winnaar. Vorig jaar, bijvoorbeeld, stond het winnende boek van de jury bij mij op de laagste plaats. Ware het niet dat ik mezelf opgelegd had om alle boeken te lezen, dan had ik het hoogstwaarschijnlijk bedroefd dichtgeslagen. Dat zegt meteen iets over de shortlist. Het is mijn uitgangspunt, maar ik geef geen enkele garantie dat dit de zes beste boeken zijn die in 2019 verschenen zijn; ook dat is de kennelijke mening van de jury. Bij de shortlist heb ik me neergelegd; bij de winnaar zeker niet. Neem van mij aan dat mijn keuze absoluut het beste boek is en vergeet de keuze van de jury… Oke, ik deel geen mooie geldprijs uit…ook geen oorkonde of kunstwerk; bij mij moet de auteur het met mijn oordeel doen en met verder helemaal niet. De shortlist; dat is mijn begin. Altijd toch weer spannend.

De Arbeiders Jeugd Centrale en oma

Het schijnt dat oma koppig bleef zitten toen de Internationale gezongen werd. Ik zie haar voor me. Net weer met mijn kleine meisjesmoeder herenigd en dan samen op de Paasheuvel op de natuurlijke tribune van het openluchttheater. Iedereen gaat staan aan het eind van de bijeenkomst om samen hét lied te brullen omdat er een nieuwe tijd is aangebroken. Mijn meisjesmoeder wilde ook gaan staan, maar oma pakte haar hand en trok haar weer op haar plaats. Met samengeknepen lippen moet mijn oma hebben gedacht aan de laatste jaren voor de oorlog toen de AJC nog haar leven was en haar leven nog heel was. Maar alles was weg en niemand had genoeg voor haar kunnen doen en iemand moest de schuld krijgen en dat werd de AJC. Als je zoveel liefde wordt afgenomen door een oorlog die speciaal voor jou extra wreed uitpakt, dan heb je het recht om schuldigen aan te wijzen, zelfs als dat niet helemaal terecht is. Haar AJC-vrienden hebben haar uiteindelijk wel geholpen, maar de organisatie niet, want die bestond na 1940 even niet meer. Via haar AJC-vrienden heeft ze een tijd verstopt gezeten en is haar kind, mijn moeder, bij onderduikouders terechtgekomen. Maar zijzelf werd verraden en naar Polen gebracht om daar hetzelfde lot te ondergaan als de liefde van haar leven – de vader van mijn moeder – en haar ouders en haar broer en diens volledige gezin. Maar het liep ietsje anders; ze kwam terug en ze gaf onder anderen de AJC de schuld van haar ellende.

Ik ben op zoek naar Fré Cohen. Haar leven loopt in zekere zin parallel aan het leven van mijn grootouders. Ze deelden dezelfde idealen, ze waren joods, waren jong voor de oorlog en vonden een soort van einde in de tweede wereldoorlog. Natuurlijk waren er ook grote verschillen: Mijn grootouders waren lieve mensen die hun steentje aan de maatschappij probeerden bij te dragen terwijl Fré Cohen een groot kunstenaar bleek waarover men nog jaren zou spreken. Mijn grootouders wilden nauwelijks wat met het jodendom te maken hebben omdat het internationaal socialisme alle arbeiders van alle volkeren – en dus ook het Joodse – ging verbroederen. Fré Cohen ging allengs toch meer de zionistische kant op; oma had Auschwitz nodig om diezelfde richting op te gaan.

Het AJC monument op de Paasheuvel in Vierhouten

Op de Paasheuvel staat een monument waarop alle namen worden genoemd van AJC-ers die slachtoffer zijn geworden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Fré Cohen staat daar uiteraard op. Zij was de vormgeefster van de AJC. De broer van mijn aangetrouwde – maar desalniettemin helemaal echte – opa staat er wel op: Jacques. Maar helaas konden we de naam van mijn biologische – dus ook echte – opa niet op het monument vinden. Ik wilde zo graag dat de namen van mijn opa en Fré Cohen op hetzelfde monument verenigd waren. Maar nee dus. Ik vroeg het mijn moeder en ze vertelde over de boosheid van oma op de AJC vlak na de oorlog. Ze heeft waarschijnlijk geen enkele moeite gedaan om Hijman’s naam op het monument te krijgen en, hoewel mijn beide grootouders tot aan de opheffing in 1940 zeer actieve leden waren, werd hij door de AJC vergeten. Voor mijn moeder is dat erg pijnlijk en voor mij erg jammer, maar het is nu eenmaal zo.

L’Orfeo, uitgevoerd door de Nederlandse Reisopera; GAAN als je nog kan!

Het komt gewoon niet ongeschonden boven. Veel is vervaagd. Zo kan ik me niet goed herinneren hoe oud ik was toen we als gezin naar het minikampje gingen van de Vereniging voor Huismuziek om L’Orfeo van Monteverdi te gaan instuderen. Alleen vage beelden drijven aan de oppervlakte en natuurlijk de klanken. Die muziek zal ik nooit meer vergeten. Ik speelde cello maar zong ook in het koor. Dat was goed want basvedels en cello’s waren er genoeg terwijl het koor qua mannen wat ondervertegenwoordigd was. Ik zong de baspartij en zat naast een baardige zeer geoefende man. De hoge noten waren te hoog terwijl ik diep in mijn baard moest brommen om de laagste noten eruit te persen. En dan die twee prachtige meiden. Vriendinnen waren het, maar ze leken op elkaar als zusjes. Ze wilden op elkaar lijken als zusjes. Als iemand opmerkte dat ze zo verschrikkelijk op elkaar leken dan begonnen ze te stralen. Ik had geen voorkeur; ze waren even knap, even muzikaal en even onbereikbaar. Ik denk dat ze me een lieve jongen vonden; erger kan je niet hebben…als would be Casanova. Het moet een mooi lenteweekend geweest zijn, want het was – en dat weet ik zeker – geen zomerkamp. Maar toch zie ik zonneschijn voor me. Of misschien was dat toch de muziek; het eerste bedrijf speelt zich in de lente af en we hadden uiteindelijk alleen tijd om het eerste bedrijf in te studeren. De nimfen dartelen, de meisjes dansen de jongens spelen in de lentezon op hun instrumenten. De liefde. Wat had ik hem graag willen smaken in het echt, maar de muziek was ook goed; een mooie tweede.

Gisteren werden de klanken die ik nooit meer vergeten zal, gespeeld door een echt orkest en gezongen door de echte zangers van de Nederlandse Reisopera. Of…zijn de zangers dansers…of zijn de dansers zangers. Behalve dat ik op de verkeerde plaats in Carre zat, gisterenavond, heb ik echt helemaal niets slechts kunnen vinden aan de uitvoering van L’Orfeo. In één woord fantastisch en een prestatie van formaat. Op het toneel stond een mannetje of twintig en alle twintig stonden ze er altijd, de hele voorstelling lang. Qua kostuum niet van elkaar te onderscheiden, op Orfeo na. Totaaltheater, een Gesamtkunstwerk als een Wagneropera, een balletopera als van Lully maar dan toch weer heel anders. Eigentijds. Elke typering gaat behoorlijk mank, maar de opera is een continu ballet. Zowel in dans als in zang leken er geen solisten te zijn; terwijl iedereen op het toneel solist is maar ook functioneert in een harmonieuze dans met elkaar. Niemand op het toneel heeft exact hetzelfde kostuum, maar toch zo in lijn met elkaar dat alleen het kostuum van Orfeo onderscheidend is. Heel apart. Ik heb van het schouwspel genoten. Voortdurend dynamisch en de handeling van de opera ondersteunend.

Gefascineerd heb ik ook naar het decor gekeken. Het decor bestaat uit een net dat in verschillende vormen getrokken kon worden. Als het licht erop schijnt, dan lijkt het licht uit het net te komen. Het net neemt tijdens de voorstelling moeiteloos de vorm van kamer, gevangenis, visnet, doodskist, sterrenhemel aan. Ongelooflijk knap bedacht; ik heb ademloos zitten kijken. Ik heb me ook steeds lopen afvragen wie er opgeleid was om te dansen en wie om te zingen. Een paar zangsolisten heb ik wel gezien, maar die dansten net zo goed mee als de rest. Ik zag ook strakke afgetrainde danslijven, maar even later zongen die weer de sterren van de hemel. Mooi, mooi en nog eens mooi. Ik heb niet opgezocht waar deze voorstelling nog uitgevoerd wordt, maar…als je nog een mogelijkheid hebt: GAAN!!! Als je niet geweest bent, heb je een hoop gemist.

Soms heb ik van de Nederlandse Reisopera wel eens iets gezien dat ietsje minder was, maar doorgaans is de kwaliteit ongelofelijk hoog. Ik neem het liegertje en opscheppertje Halbe Zijlstra verschrikkelijk kwalijk dat hij destijds alle subsidie voor dit voortreffelijk gezelschap introk. Dat was bedoeld om de Nederlandse Reisopera, en alle cultuur, te slopen. Juist de mensen die graag opsnijden over de Nederlandse cultuur en die graag afzetten tegen andere culturen (lees: Islam) slopen het Nederlandse erfgoed, zo ook Halbe Zijlstra. Maar ondanks dat bestaat de Reisopera nog steeds en mogen ze hopen dat het cultuurbeleid hersteld wordt en zij weer subsidie gaan krijgen; ze verdienen het. De kwaliteit is ongeëvenaard hoog en overstijgt makkelijk die van de Nationale Opera die alle subsidie hield ondanks Zijlstra’s wanbeleid.

Ten slotte, mijn plaats in de zaal. Dat was het enige waar ik niet echt tevreden over was. Vooraan zat ik. Meestal de plek vanwaar je juist heel goed zicht hebt op het toneel en alles extra goed kan horen. Maar helaas zat ik ook pal achter de koperblazers. Als zij speelde, kon ik weinig anders meer horen. Maar laat ik daar niet te lang bij stilstaan; ik heb een heerlijke avond gehad, gisteren.

Ondergang

De ondergang is op dit moment niet ver weg, bij mij. Niet mijn eigen ondergang. Nee, godzijdank niet. De ondergang als gevoel. Ik verdiep me in het leven en werk van de joodse kunstenaar Fre Cohen en dat brengt je vanzelf naar ondergangsgevoelens. De vrouw pleegde zelfmoord toen ze in 1943 werd gearresteerd. Ze voorvoelde kennelijk precies welk onheil eraan kwam. Achteraf gezien nam ze met haar eigen gekozen dood, denk ik, de minst slechte beslissing en voorkwam ze heel veel ellende en een even zekere aanstaande dood. Ik verdiepte me gisteren in de laatste jaren van haar leven. Ze werkte toen als docent aan de W.A. van Leer-school. Een joodse middelbare kunstnijverheidsschool. Die school bleek ietsje meer connectie met mij te hebben dan ik in eerste instantie dacht. Mijn te vroeg gestorven en – ik mis hem nog steeds – zeer geliefde opa, speelde zonder dat hij het wist een sleutelrol. Zijn broer Leo was, toen 23 jaar oud, een collega van Fre Cohen. Mijn opa’s oorlogsverhaal las ik in ‘Overleven een kunst’ van Ies Jacobs. Samen met Ies vluchtte mijn opa en dook hij onder op het Friese platteland. Ies Jabobs was leerling op de Joodse kunstnijverheidsschool en dus leerling van Fre Cohen en Leo. Mijn opa’s oorlogsverhaal kwam ik puur toevallig op het spoor want er zelf over vertellen deed hij niet. Ik liep in voormalig kamp Westerbork aan tegen het boek van Ies Jacobs en terwijl ik het doorbladerde zag ik tot mijn verbazing foto’s van mijn toen nog zo jonge opa. Al die geschiedenissen hebben een prominente ondergangscomponent. En omdat ik me gisteren naast alle ellende die ik las, ook nog wel wilde ontspannen en dus ging netflixen zette ik pardoes de film Sobibor op. Tsja, wat er allemaal niet onbewust en bewust op je afkomt op een sombere, bewolkte miezerige zondag. Je zou haast blij zijn dat het weekend weer voorbij is…

Maar ik overleefde het weekend en las vanochtend de krant met daarin een artikel van historicus Willem Melching. Gelooft het of niet; het gaat over de vernietiging van het Europese jodendom. Met name over Auschwitz. Hij stelt zichzelf de vraag of de moord op zoveel joden van tevoren bedacht was of dat er een vaag idee was dat per ongeluk eindigde in de genocide. Ik vraag me af in hoeverre er historisch bewijs is voor de dingen die hij beweert. De historicus schrijft over de gevoelens en de redeneertrant van mensen van toen. Beetje vaag. Hij beweert dat de Duitse leiders van toen de joden weg wilde hebben uit West-Europa en ze wilden verhuizen naar Siberië…heel ver weg in ieder geval. Maar omdat operatie Barbarossa minder gunstig en snel verliep dan gepland en Siberië een brug te ver was, maar ze aan de andere kant wel van de joden af wilden, vatte men het plan op om de joden dan maar te vernietigen. De vernietiging van de joden was dus, volgens Willem Melching, niet van tevoren uitgedacht, maar toevallig tot stand gekomen. Ik heb daar wat bedenkingen bij. Was de stap naar massale moord niet al veel eerder ingezet? Hadden ze destijds niet al geoefend op geestelijk gehandicapten? Kampcommandant Niemann van Sobibor had daar een rol in gespeeld. Maar goed, de redenering van Melching past beter in het beeld dat Rutger Bregman in zijn boek ‘De meeste mensen deugen’ schetst van de natuur van de mens; in beginsel was er niet de pure slechtheid die we er nu aan verbinden, maar was er echt het plan om de joden te verplaatsen. Alleen waarnaartoe? De plek waar de joden konden verblijven kon nog niet bereikt worden. Vermoorden was dan een goede tussenoplossing. Maar wacht eens even…mensen naar Siberië verplaatsen…is dat niet hetzelfde als genocide? Doet je dat niet een beetje denken aan het verplaatsen van de Armeniërs naar de woestijn en ze daar zonder iets achterlaten?

De ondergang. Laten we hopen dat de werkdag van vandaag me op andere gedachten brengt.

Deugen de meeste mensen?

Wat Rutger Bregman wil zeggen in zijn boek ‘De meeste mensen deugen’ is wel duidelijk en roept meteen al weerstand op bij zoon R. ‘De titel lijkt me getuigen van een nogal naïef mensbeeld’, vond hij. Dat is nou juist ook waar Bregman steeds naar verwijst; het is geen naïef mensbeeld, maar gewoon zoals het is; de meeste mensen gaan voor het goede en hebben een afkeer van geweld en het slechte. Het beeld dat we graag van onszelf schetsen, namelijk een wreed dier geleid door lage instincten waar een heel dun laagje beschaving omheen zit, klopt niet. De mens is niet zondig geboren. De mens is in wezen goed, maar sommige mensen hebben een weeffout en kunnen andere mensen ertoe brengen datgene in hen dat goed is te gebruiken voor het slechte. Omdat ik heilig geloofde in het idee dat de beestachtige mens omhuld wordt door een laagje beschaving en omdat dat mensbeeld goeddeels gebaseerd is op de tweede wereldoorlog en de jodenvervolging, ben ik in dit boek begonnen in Deel 2. Na Auschwitz. Mijn idee was dat er in ieder van ons een nazi schuilt die mensen zonder blikken of blozen de gaskamer injaagt. Dat in ieder van ons een beest schuilt die met plezier groepen mensen vermoordt, inclusief vrouwen en kinderen. Dat je van wat er in Auschwitz gebeurde overal om je heen voorbeelden ziet. Anders, dat wel, maar dezelfde wreedheid.

Maar stel je nou eens voor, zo betoogt Bregman, dat er heel veel mensen waren in Duitsland en in Polen en in Rusland maar zelfs ook in Nederland, die ervan overtuigd waren dat het jodendom een plaag was waarvan Europa en de wereld bevrijd moest worden? Nu, met onze belaste blik op de geschiedenis en de schaamte voor wat daar in Polen gebeurde, nauwelijks nog voor te stellen, maar er waren natuurlijk massa’s mensen die echt het idee hadden dat ze de mensheid hielpen door de joden uit te roeien. En…als je iets goeds doet, zijn veel mensen bereid om je te helpen bij het verrichten van de goede daad. Daarom werden er eerst massa’s joden doodgeschoten, maar dat bleek psychisch te belastend voor de schutters, daarom kwam men op vergassen en dwong men de gedoemden zelf om het vuile werk op te knappen. Interpreteer je het zo, dan is er in Auschwitz iets positiefs te herkennen, namelijk het vooruithelpen van de mensheid door het van de joden te bevrijden… En, kijk je naar andere genocide voorbeelden, dan zie je eigenlijk wel hetzelfde patroon. Zo moesten in Rwanda de Tutsi’s dood omdat het kakkerlakken waren die profiteerden in de ogen van opruiende Hutu’s waarvan het land bevrijd moest worden. Gevolg was een massaslachting. Natuurlijk zitten bij de oorlogshitsers mensen met een weeffout die gewetenloos zijn, maar de massa wil gewoon graag helpen bij het mooier maken van het land/wereld; zonder joden, Hutu’s, moslims, ongelovigen of wat voor andere groep dan ook.

Bregman komt in zijn boek vaak terug op de roman ‘Lord of the flies’ van William Golding. Een schrijver die de Nobelprijs voor literatuur kreeg voornamelijk voor deze roman. De roman bevestigd volgens Bregman datgene dat we graag willen geloven over hoe de mens is. ‘Lord of the flies’ vertelt het verhaal van een groep jongens die op een onbewoond eiland terecht komen. Eerst organiseren ze zich zo goed mogelijk om dit avontuur te overleven, maar al snel slaat het om en gaan de botte instincten, met alle wreedheden van dien, met hen op de loop. Uiteindelijk worden de jongens op hun eiland gevonden. Een paar zijn er vermoord (de goeden) en de anderen blijken slechteriken die in een soort van gewetenloze, gewelddadige chaos voor zichzelf gekozen hebben. Dat ‘Lord of the flies’-verhaal wordt ons dagelijks verteld; een heel filmgenre vertelt over de post apocalyptische wereld; de wereld is door een ramp getroffen en enkelingen hebben het overleefd. De overlevers staan elkaar naar het leven omdat ze in een concurrentiestrijd verwikkeld raken om te overleven. Allemaal verzonnen verhalen, betoogt Bregman. Vervolgens gaat hij op zoek – en vindt, uiteraard – het echte ‘Lord of the flies’. Een groep jongens wilde met elkaar naar een ander land varen om daar een nieuwe toekomst op te bouwen. Ze waren slecht voorbereid en er overkwam hen onderweg een ramp waardoor ze niet in het gewenste land kwamen, maar op een onbewoond eiland. Daar verbleven en overleefden ze anderhalf jaar. Wat de man die hun vond aantrof bleek diametraal te staan tegenover ‘The lord of the flies’; De jongens hadden zich georganiseerd en werkten samen. Als er ruzies waren dan werden die opgelost omdat ze wisten dat ze moesten samenwerken om te overleven; sterker nog ze wilden elkaar koste wat kost helpen om dit avontuur gezamenlijk te overleven. Er ontstond, in tegenstelling wat men verwacht had, een harmonische eenheid waar men alles voor elkaar overhad. Voor dit mooie verhaal bleek weinig belangstelling. Liever las men ‘Lord of the flies’.

Ik vond het boek in eerste instantie erg inspirerend. Het heeft mij op een andere manier laten kijken naar menselijk gedrag. Inderdaad vind ik nu ook dat de mens over het algemeen het goede wil. Dat moet ons niet minder kritisch maken; je moet op je hoede blijven. Er zijn altijd mensen met een weeffout die je erg kunnen schaden; je moet daar alert op blijven. Auschwitz en Rwanda tonen aan dat het, hoe erg de mens ook deugd, het gruwelijk mis kan gaan. Aan de andere kant denk ik dat je houding over hoe je denkt dat mensen in elkaar zitten wel degelijk invloed kan hebben op je omgeving en jezelf…

Een inspirerend boek, maar helaas wel ietsje te dik. Afentoe slaat Bregman de plank, in mijn ogen, erg mis. Het stuk over kinderen opvoeden had hij er, wat mij betreft zo uit kunnen laten. Hoewel hij alles van voetnoten voorziet, bekroop mij regelmatig het ‘wachttoren’ gevoel. Dat blaadje van de jehova’s getuigen waarin veelvuldig wordt vermeld dat ‘wetenschappers’ dit of dat hebben ontdekt of uitgevonden of whatever. Het wekt bij mij irritatie. Maar ondanks dat toch een aanrader.

Vriendin N. In Teheran

Ik was haar destijds op één van de social media tegen het lijf gelopen. Vriendin N. uit Teheran. We kenden elkaar nog maar nauwelijks en toen hadden we het al over eten. Koken is haar hobby. Voor de grap vroeg ze ons bij haar te komen eten. Toen we uitgelachen waren, dachten we: Waarom ook niet. Dus boekten we een hotel in Teheran en een vlucht en reden we een maandje later in de zeer vroege ochtend in een taxi door de nog slapende stad naar ons hotel in het zo verre Iran. Toch best een onderneming want hoewel de internationale verhoudingen al lang niet meer zo gespannen waren als ze ooit geweest waren, werd Iran in die dagen door de internationale gemeenschap nog steeds beschouwd als een schurkenstaat. Geen bankverhoudingen, bijvoorbeeld. Dus hadden we her en der in onze bagage briefjes van vijftig euro gestopt die we konden wisselen voor Iraans geld. Hoewel ik mijn eerste buitenlandse reizen niet anders wist dan dat ik naar de bank moest om mijn guldens te wisselen, is het in ons huidige tijdsgewricht met pinpassen en geldautomaten heel erg onwerkelijk om met pakjes euro’s rond te lopen die je dan moet wisselen. Maar het vreemdste was natuurlijk geliefde J. die in Teheran haar haar moest bedekken met een sluier. Het stond haar goed, trouwens.

Geliefde J. en vriendin N. in de grote Bazaar van Teheran

Vriendin N. bleek een stevige jonge knappe vrouw. Ze woonde samen met haar dochtertje M. in een kleine flat ergens in Teheran met uitzicht op een parkje. N. lag destijds in vechtscheiding met de vader van M. en omdat het familierecht anders georganiseerd is dan wij hier rechtvaardig vinden, vreesde N. voortdurend dat ze van dochter M. gescheiden zou worden omdat papa haar op zou eisen. Echt een rotsituatie voor onze vriendin. Vreemd genoeg maakten we in haar huis kennis met vriend (?) R. Een ontzettende aardige kerel, daar niet van, maar wat deed hij daar? Naar later bleek hadden vriendin N. en R. compleet, helemaal, absoluut niets met elkaar. Wie was R.? Toch geheime dienst die een oogje in het zeil hield? Dat weerhield N. helemaal niet om ons een fantastische heerlijke schransmaaltijd voor te zetten.

Een jaartje later schreef ze me dat ze wilde emigreren samen met dochterlief. We verkenden de mogelijkheden. Die zijn teleurstellend. Omdat ik haar wat dat betreft weinig kon bieden…verwaterde ons contact.

En toen werd er zomaar een Iraanse generaal geliquideerd op bevel van impulsieve president Trump en dus moest Iran wel terugslaan. En dus was er luchtdoelraket-operator die vreesde dat Teheran geraakt zou worden door een raket en toen meende hij zo’n raket te herkennen maar het was een passagiersvliegtuig en het vliegtuig schoot hij neer… en ondertussen moet vriendin N. zien te overleven. Ik heb zo met haar te doen. Wat zal ze in angst zitten. En onder die omstandigheden nam vriendin N. ineens weer contact met me op. Wat me wel duidelijk is, is dat ze bang is dat er iemand met ons gesprek meeluistert. Ze praat slechts over koetjes en kalfjes terwijl ze zo verschrikkelijk blij zei te zijn dat we weer contact hadden. Wat wil vriendin N.? Wil ze nog steeds emigreren? Hoe dan? Wil ze mij vragen van J. te scheiden en met haar te trouwen? (out-of-the-question!) Maar hoe zou het dan moeten gaan tussen ons? Zou ze dat ook met mij naar bed… Hoho De Klerk. Eventjes rustig blijven. Vriendin N. heeft niets gevraagd en ook niets voorgesteld. Over de plantjes in de tuin hebben we het gehad… Meer niet!

Manon Uphoff – Vallen is als vliegen; een complexe roman

Halverwege de jaren negentig kocht ik nauwelijks boeken. Ik had het veel te druk om veel te lezen en te krap bij kas om boeken te kopen. Ik had drie niet meer hele kleine jongetjes in een te kleine bovenwoning met een nauwelijks toereikend inkomen. Laat er geen misverstand over bestaan, ik klaag niet; we waren grenzeloos gelukkig. Maar op dat moment had ik wel wat anders te doen dan lezen. Maar toch kocht ik ‘Begeerte’ van Manon Uphoff vlak nadat het uitkwam in 1995. Men sprak er destijds over. Een opmerkelijk debuut. Dat is de reden denk ik dat ik het kocht. Misschien ook omdat ik de schrijfster op de foto een knappe vrouw vond. Wie weet. Het eerste verhaal – het titelverhaal – schokte me. Het trok me aan en het stootte me af. Tot op de dag van vandaag staat het verhaal me nog steeds bij. Alle andere verhalen in het boek zijn weggespoeld met de tijd. Geen idee meer wat er verder in dat boek stond, maar dat eerste verhaal was indringend. Nu, na het lezen van ‘Vallen is als vliegen’, vallen de stukjes van de puzzel ‘Begeerte’ op zijn plek. ‘Begeerte’ is het verhaal van een jong meisje dat zich laat ontmaagden in een pension voor gastarbeiders. Behoorlijk expliciet beschreven; indringend, agressief en zwart. Ik kon het niet plaatsen. Het refereerde aan stoere meisjesverhalen op de middelbare scholen. Zij ‘deden’ het veel eerder dan wij, timide jongetjes. Maar ‘Begeerte’ was geen stoer meisjesverhaal maar een zwart meisjesverhaal; ik raakte ervan in de war. Ik begreep het niet. Misschien dat het verhaal me daardoor zo bij gebleven is.

Na het lezen van ‘Vallen is als vliegen’ begrijp ik ‘Begeerte’. Na het lezen van ‘Vallen is als vliegen’ zoek ik. In mijn poging tot een verklaring vergeleek ik het met ‘Mijn ware verhaal’ van Karin Bloemen. Maar dat slaat nergens op want het zijn twee onvergelijkbare boeken. Karin Bloemen heeft in mijn ogen een soort van schoon schip gemaakt door haar incestverhaal te vertellen terwijl Manon Uphoff een bijna abstracte roman geschreven heeft waarin ze misbruik binnen het gezin in een literaire vorm giet. Ik vond het een fantastisch boek om te lezen terwijl de woordenstroom nauwelijks houvast geeft; het scheert als het ware langs gebeurtenissen waardoor je steeds niet weet of het dit is of dat wordt. Het boek boeit verschrikkelijk terwijl ik steeds niet wist wat ik eigenlijk aan het lezen was. Een boek in een nieuwe taal. Nederlands, dat wel, maar in een nieuwe vorm.

‘Vallen is als vliegen’ is een woordenstroom en uit die vloedgolf aan taal komt een zeer kinderrijk gezin naar voren. Beide ouders hebben ook nog kinderen uit een eerder huwelijk. Ze wonen in een bekende (achterstands) wijk van Utrecht. Moeder is een prachtige vrouw om te zien, maar haast afwezig. Ze bemoeit zich nauwelijks met haar kinderen. Vader daarentegen verzorgt het gezin. ’s Nachts is hij de Minotaurus terwijl hij overdag best voldoet aan het beeld van een liefdevolle vader aangeduid met zijn initialen HEHH wat staat voor Henri Elias Hendrikus Holbein. Wat we over hem te weten komen is dat hij een verdienstelijke amateur kunstschilder is en dat hij met Anna Alida voor de tweede keer een gezin sticht. Ook Anna Alida heeft al twee dochters uit een eerder huwelijk: Henne Vuur en Toddiewoddie. HEHH en Anne Alida krijgen samen nog zes kinderen. Het verhaal wordt verteld door de vierde op rij die zichzelf aanduidt met ‘Ondertekende’. ‘Ondergetekende’ denkt na over het lot van Henne Vuur waarmee de familie, inclusief de vertelster, geen contact meer heeft en die sterk vermagert en van de trap valt en eenzaam sterft.

Een reeks beelden en gebeurtenissen trekt voorbij waarbij er steeds iets ‘raars’ aan de hand is en waarbij HEHH een rol speelt. De gebeurtenissen lijken in volgorde van associatie te komen en niet in die van tijd. Maar vaak kan je moeilijk van gebeurtenissen praten en meer van impressies; sfeerbeelden. Eén van de beelden die ik moeilijk kan loslaten is het beeld van een klein meisje dat verzorgt moet worden om het één of ander. Verzorging van de kinderen wordt gedaan door HEHH. Ze zit met haar blote billetjes op zijn hand en één vinger gaat er tussenin. Een afgrijselijk pijnlijk en pervers beeld; jonge kinderen hebben het recht op verzorging van hun hele lichaam. Dat moet een volledig eenrichtingverkeer zijn van ouder naar kind met maar één doel; de verzorging van het kind. Dat beeld van dat kleine meisje dat tot lustobject wordt gemaakt staat op mijn netvlies gebrand en gaat er maar moeilijk van af.

Ik heb deze uitermate complexe roman geboeid gelezen en vaak bij mezelf afgevraagd ‘waar ik in het verhaal zat’. Maar dat verhaal is er niet echt, tenminste geen chronologisch verhaal.

De rechtsstaat is soms erg lastig

Ik vind het fijn om in Nederland te wonen. In West-Europa eigenlijk. We vieren hier vrijheid en democratie. Hier in West-Europa gaat de democratie verder dan dat de meerderheid het voor het zeggen heeft. De meerderheid beslist lijkt democratie, maar dat is het niet. In een democratie beslist de meerderheid weliswaar maar zorgen we ervoor dat de rechten van de minderheid worden beschermd. Er kan geen sprake zijn van een democratie als we niet ook in een rechtsstaat leven. Als de meerderheid van de volksvertegenwoordiging besluit dat mensen met rood haar hun haar blond moeten verven, dan kunnen roodharigen naar de rechter stappen en de beslissing van die meerderheid aanvechten. De rechter zal dan het meerderheidsbesluit toetsen aan de regels die we in het verleden hebben opgesteld en die de maatschappij – in dit geval – tegen discriminatie moeten beschermen.

Maar helaas, hoe ik ook van die rechtsstaat houd, hij werkt soms ook tegen. In onbewaakte momenten merk ik bij mezelf een opkomende wrevel en vraag ik me af wat voor soort rechters we hebben in Nederland. Dan voel ik dat ik best een eerste stap wil gaan zetten richting naar door de overheid aangestelde rechters die meerderheidsbesluiten respecteren. Dat is niet goed van mezelf, maar ik loop er wel tegenaan. Een rechtsstaat kan er alleen zijn als er een strikte scheiding van machten is en dat betekent dat de rechterlijke macht zichzelf in stand houdt, zonder overheidsbemoeienis.

Vandaag in de krant twee voorbeelden van een meerderheidsbesluit dat tot mijn ongenoegen wordt teruggedraaid door de rechter om een (foute) minderheid te beschermen.

Het eerste besluit: De rechter vindt dat AirBNB geen verhuurder is maar een informatieplatform. Daardoor hoeft AirBNB geen enkele verantwoording af te leggen over hoeveel dagen welke woning verhuurd wordt. Deze registratie is nodig om de verhuur van woningen in Amsterdam aan banden te leggen. Een meerderheid vindt in Amsterdam dat deze verhuur aan banden moet worden gelegd omdat woningen (zelfs de onbetaalbaar dure) heel erg schaars zijn in de stad en ze nu niet vrijkomen voor bewoners omdat verhuur via AirBNB veel lucratiever is. Bovendien is er erg veel overlast van vakantievierende toeristen die nu in gewone woonwijken hun onderkomen huren. (Vooral uit Engeland trouwens…in die zin sta ik niet onwelwillend tegenover de Brexit; ik hoop dat dat het aantal bezopen – hengstenbal vierende – Engelsen terugbrengt in Amsterdam!)

Het tweede besluit: De meerderheid in Rotterdam heeft besloten dat ze iets willen doen aan mensen die zich hufterig gedragen naar andere mensen. De Rotterdamse raad besloot dat het in het vervolg strafbaar zou zijn als je anderen lastigvalt door naar ze te schelden, te sissen, ongepaste gebaren te maken of ongepaste dingen te vragen. Het zogenaamde sisverbod moest (jonge) vrouwen beschermen tegen een (betrekkelijk klein) groepje mannen die slecht opgevoed is. Mannen die het nodig vinden om vrouwen hun gevoel van veiligheid en vrijheid af te nemen. Maar ook dit meerderheidsbesluit werd door de rechter teruggedraaid. De rechter vindt het een vorm van meningsuiting als een man uit het niets tegen een wildvreemde vrouw zegt dat ze een lekker geil ding is en haar sommeert om met hem mee te gaan. En ja, ik ben erg voor de vrijheid van meningsuiting…

Best lastig die rechtsstaat…

Martin Michael Driessen – De Heilige; De waarheid van een oplichter.

Ik leid een aangenaam leven. Ik heb genoeg inkomen, een lieve partner, heerlijke kinderen waarmee ik goed contact heb. Ik heb een lekker huis en een betrekkelijk uitdagende baan. Ik ben best tevreden. Maar toch…toch knaagt er soms iets. Dan moet ik denken aan wat mijn immer beschonken pa me vaak toevoegde. Dat hij dan misschien wel zoop, maar dat hij ook leefde. Dat hij feest vierde. Dat hij van alles meemaakte. En dan keek ik beschaamd in de spiegel, want inderdaad, wat maakte ik nou helemaal mee. Wat mijn pa destijds zei, heeft vandaag de dag nog steeds wel impact. Ergens heb ik een weggestopt verlangen naar een groots en meeslepend leven. Maar dat gevoel heb ik diep weggestopt; zo belangrijk is het niet. Bovendien is mijn tijd voorbij. Zo jong ben ik niet meer. Ik heb mijn pa al jaren overleefd. En hoe meeslepend was het leven van mijn pa dan wel niet? Zo ver is hij ook niet gekomen. Doorgaans eindigde een reis in de kroeg om de hoek waar hij brallend uiteindelijk de pleiterik moest maken. Achtervolgd door drinkschulden. Ach, ik ben best tevreden met mijn lekkere huis, mijn carrière mijn liefje en mijn leven. Heel gewoon allemaal. Ik heb weinig mensen kwaad gedaan en mijn steentje bijgedragen. Ik heb nog een fijne tijd te gaan zonder al te grote zorgen en ik kijk terug op een fijn verleden.

Martin Michael Driessen spreekt dat verborgen kleine beetje verlangen naar een groots en meeslepend leven in mij aan. Zijn romans lees je alsof je een film aan het kijken bent. Met decors die je wel herkent, maar dan toch zo vervormt dat het ook weer helemaal nieuw is. Met nieuwe perspectieven. Ook de personages zijn herkenbaar maar ook weer niet. Ze handelen herkenbaar maar gedragen zich alsof ze met een andere moraliteit zijn grootgebracht. Zijn romans voeren je weg uit je vertrouwde omgeving en zetten je in een tegelijkertijd bekende- en vreemde wereld. De tijd en ruimte van zijn romans komen bijna haarscherp overeen met de werkelijkheid. In die herschapen werkelijkheid dolen vreemde personages. Neem nou de roman ‘De Pelikaan’. Het decor en de historische tijd zijn haarscherp; het Joegoslavië van de jaren negentig van de vorige eeuw. Tegen dat decor speelt zich het verhaal af van de wederzijdse chantage van twee vrienden die het niet van elkaar weten.

Ook in de roman ‘De Heilige’ zijn tijd en ruimte heel precies aangegeven. Het grootste deel van de roman speelt zich af in Elzas-Lotharingen rond de steden Colmar en Metz. De historische tijd is ook precies beschreven: De hoofdpersoon vertelt dat hij geboren is in het jaar van de grote revolutie, 1789. Op 7 juni 1839 eindigt het verhaal…in Metz.

De hoofdpersoon, Donatien, vindt op het slagveld van Craonne de Duitse gewonde soldaat Ewald. Hij steelt van Ewald een medaillon met het portret van Ewalds verloofde, Lieselotte, en een brief van haar. Hij laat Ewald voor dood achter en vertrekt naar de stad waar de verloofde woont. Hij palmt haar in en ze krijgen samen een kind. Maar dan blijkt Ewald niet dood en moet Donatien vluchten. Vanaf dat moment komt Donatien in allerlei situaties terecht achtervolgt door Lieselotte en Ewald. Donatien komt terecht bij wetenschappers die willen meten hoe snel wolken gaan. Later bij iemand die onderzoekt wat elektrische schokken met het brein doen. Uiteindelijk wordt hij rover in de bossen bij Colmar. Voor zijn eigen gevoel een soort van Robin Hood. Als hij tegen de lamp dreigt te lopen weet hij aan te monsteren op een schip dat op weg gaat voor een wetenschappelijke missie. Ze gaan de Israëlische stam van Ruben zoeken in Chili. Maar dan, als het schip na vele avonturen teruggekeerd is naar Frankrijk, wordt Donatien gearresteerd. In de gevangenis ontpopt hij zich tot een heilige heremiet die mensen door handoplegging geneest.

Ook deze roman van Driessen leest als een trein. In geen enkele roman heb ik zoveel ‘opzoeken’ aantekeningen gemaakt. Er wordt zo vaak naar de ‘werkelijkheid’ verwezen en dan wil ik graag weten of het echt de werkelijkheid is of een bedachte. Zo zou er bijvoorbeeld in de kathedraal van Metz een altaarstuk hangen waar Donatien het zijne aan heeft bijgedragen. Hij zou geposeerd hebben als Christus en tijdens dat poseren zou hij de schilder aanwijzingen hebben gegeven over hoe het kruis stond toen Jezus van het kruis gehaald werd. Het kruis had namelijk nooit rechtop kunnen staan, want dan moet je het lichaam van Christus verminken.  Niet als het kruis op de grond ligt. Op het altaarstuk zou zodoende de kruisafname zijn geschilderd waarbij het kruis op de grond is neergelegd. Ik wil weten of er inderdaad zo’n schilderij hangt. Helaas geeft de website van de kathedraal daar geen uitsluitsel over; ik zal ernaartoe moeten.

Al met al een heerlijk boek om te lezen. Heel veel verwijzingen in het boek heb ik niet nagelopen; daarvoor ben ik gewoonweg te lui. Ik had het wel willen doen, als ik ook wat meer tijd had gehad (denk ik). Ik wil steeds weten over de waarheid en dat is best lastig als de hoofdpersoon – die ook de verteller van het verhaal is – een oplichter is.