De Wildeborch

Geliefde J. en ik zijn op de Wildeborchseweg in Vorden geland. De Wildeborchseweg is de Wildeborch en de Wildeborch is A.C.W. Staring en Staring is het verhaal van Jaromir dat mijn liefje voor een deel, met pretoogjes, kan reciteren:

Gisteren fietsten we de driehonderd meter naar kasteel De Wildenborch. Als je zo dichtbij een korte-vakantieadres hebt, dan kan je dat toch niet overslaan… Staring bewoonde het kasteel rond 1800. De romantiek. Een periode waarin de Nederlandse kunsten niet echt bloeiden. Hoewel…het lijkt dat er toch steeds meer aandacht voor komt met mooie tentoonstellingen in bijvoorbeeld het Teylersmuseum. Staring leefde ook in de tijd dat het ‘gewone’ volk arm was. Straatarm. De fantastische tentoonstelling in het Amsterdamse stadsarchief over de vondelingen, getuigt van die bittere armoede. Honderden kinderen werden in pure wanhoop te vondeling gelegd. Rond 1800, de tijd van A.C.W. Staring. Bij ons in Amsterdam is de dichter betrekkelijk in de vergetelheid geraakt, maar hier in Lochem en Vorden nog best aanwezig in straatnamen en beelden. En dus De Wildeborch. Het kasteel waar de Staringen eeuwen hebben gewoond, want de familie Staring was niet onbemiddeld. En nog steeds woont er een Staring. Jennine Staring. Tijdens ons bezoek aan het kasteeltje maakte J. nog een praatje met d’r.

De Wildenborch gezien vanuit de binnentuin

Staring was zoals gebruikelijk in die tijd, veel meer dan dichter alleen. Botanicus, landbouwkundige,  politicus, filantroop en vast nog veel meer. Ons bezoek aan het kasteeltje viel samen met ‘sneeuwklokjes dag’, en voor die gelegenheid was de kasteeltuin opengesteld. Dus gingen wij op zoek naar de sporen van de Jaromir dichter. Hij moet de man zijn geweest die de eerste sneeuwklokjes-bolletjes in de grond heeft gestopt en de eerste winter-akonietjes moet hebben geplant, want wat stonden er veel. De tuin is absoluut gigantisch en met heel veel smaak aangelegd, destijds. Wit van de sneeuwklokjes en geel van de akonietjes. Een lust voor het oog. Na de diepe vrieskou van anderhalve week geleden lijkt het begin van de lente uit de grond geëxplodeerd. Staring zou verschillende exotische bomen hebben geplant. Wat ik me tijdens de wandeling alleen kon herinneren was dat het onder anderen om een hele speciale cipres ging. We zagen een boel speciale cipressen, of in ieder geval bomen met naaldachtige bladeren. Soms heel dik, dus heel oud. Maar of dat nou die ene speciale cipres was die de dichter geplant heeft…geen idee. Aan het eind van onze wandeling had de huidige hovenier wat voorbeelden van prachtig hout, geoogst op de Wildenborch, tentoongesteld waaronder een plank…cipressenhout. Wellicht waren we te laat en lag de door de dichter geplante boom hier als gestorven hout op de tafel. Wie weet.

Cindy Hoetmer – Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar.

Ik denk op het ogenblik veel na over rouw. Na het overlijden van schoonzus M. waar liefje J. erg veel moeite mee heeft, natuurlijk, maar ook ik heb er last van. Nauwelijks met het overlijden van M. – hoewel ik erg met J. mee leef, maar wel met alles dat we dit jaar kwijtgeraakt zijn; ons vrije leven en de cultuur. Elke dag mis ik het zo verschrikkelijk terwijl ik het gevoel heb dat ik niet mag klagen. Rouw zie ik ook terug in de autobiografische schetsen, al of niet fictief, bij ‘Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar van Cindy Hoetmer. Ze presenteert zichzelf als ‘voormalig’ schrijver. Dat voelt behoorlijk pijnlijk; als iemand die ‘het’ niet gehaald heeft. En inderdaad; ik had nog nooit van d’r gehoord terwijl ze jaren geleden een paar romans heeft gepubliceerd… Ik vrees dat er zo velen rondlopen, helaas, mensen die veelbelovend waren maar toch niet datgene bereikt hebben wat ze graag hadden gewild; het leven is nou eenmaal onrechtvaardig. In het boekje loopt een vrouw rond die rouwt om datgene wat ze had willen bereiken, maar helaas…niet gehaald heeft.

Als liefhebber van romans had ik in het begin wel moeite om dit boekje te lezen. Het duurt namelijk wel even voordat je doorkrijgt wat er aan de hand is. In schijnbaar losse vegen schildert Cindy Hoetmer het leven van een vrouw die de vijftig is gepasseerd en die worstelend om gezond te blijven toch uiteindelijk steeds in de kroeg beland. Een vrouw waar, volgens eigen zeggen, geen man meer in geïnteresseerd is. Uitgerangeerd is. Op literaire avonden vol succesvollere auteurs rondhangt om uiteindelijk beschonken alleen in bed te belanden. Tijdens die avonden in de kroeg en literaire avonden wordt ze links en rechts afgezeken en beledigd en eigenlijk geeft ze iedereen nog gelijk ook; wie is ze nou helemaal? Een mislukte schrijver die haar geld verdiend met achterlijke baantjes. Het zit haar gewoon niet mee…

De schetsmatige gebeurtenissen die Cindy Hoetmer beschrijft, lijken in het begin onsamenhangende anekdotes. Vaak grappig. Je zoekt diepgang en dat lijkt compleet te ontbreken. Nou moet ik wel zeggen dat ik knap allergisch ben voor drank- en dronkenman verhalen. Daarom heb ik na zo’n bladzijde of veertig overwogen om het boekje dicht te slaan en nooit meer verder te lezen, maar ik ben toch verder gegaan en heb daar uiteindelijk geen spijt van. Het toont de allerminst oppervlakkige worsteling van een ouder wordende vrouw met het leven, nadat ze heeft moeten inzien dat de doelen die ze voor zichzelf had, onhaalbaar zijn gebleken. Ze wilde het leven van een succesvol schrijver, maar dat is niet gelukt. Ze wilde, net als haar ouders, oud worden in een liefdevolle relatie, ook niet gelukt. Wat overbleef was een, in haar eigen ogen, cynische, oudere, mislukte, aan de drank geraakte vrouw. In hoeverre de Cindy Hoetmer als schrijver van het boekje samenvalt met de hoofdpersoon met dezelfde naam, weet ik niet en zou me eigenlijk niet moeten interesseren. Maar dat doe ik toch… Leuk is dat de hoofdpersoon zo’n beetje door de buurt zwalkt waar ik woon. Het decor ken ik, om het zo maar te zeggen. Ik heb een paar keer verschrikkelijk moeten lachen om situaties die ze beschreef.

Achteraf vind ik het boekje meer geslaagd dan toen ik het nog aan het lezen was. Overigens, op de omslag een plaatje van een luiaard; dat dekt niet echt de lading; de hoofdpersoon is niet lui. Ik vind de hoofdpersoon ook geen treuzelaar, meer een worstelaar

DOORGAAN!

Ik ben op het punt gekomen dat ik in mijn fantasie de leden van het OMT, de virologen en de epidemiologen, met pek en veren besmeur en ze het land uitzet. In mijn fantasie, dus. Niet in het echt. In het echt blijf ik beleefd en zouden ze stuk voor stuk mijn vriend of vriendin kunnen zijn (behalve Jaap van Dissel; net even een té grote gelijkhebberd, denk ik). Dat OMT met al haar deskundigen staat voor mij symbool voor de ellende waarin we nu zitten. Terwijl ik natuurlijk dat virus de schuld moet geven in plaats van de mensen die aangeven hoe we het virus moeten bestrijden. Gisteren werd de avondklok door de rechter afgeschaft en meteen weer door een andere rechter ingesteld. Dat bleek een zware dobber voor mijn brein. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik even het gevoel had van ‘een nieuwe lente, een nieuw geluid’ toen ik las dat de avondklok was geschrapt. Niet dat ik vaak na negenen buiten kom, maar het gevoel… Dat vreselijke beklemmende gevoel dat je nergens heen kunt en nergens heen mag. Gisteren viel dat dus voor een paar uur van me af en ik kan het niet ontkennen…daarna hoopte ik met heel mijn hart dat de rechter de avondklok zou blijven verbieden. Maar nee, dus.

Een domper. Een zware domper op mijn toch al donkere gemoed. Hoewel ik altijd best positief ben, ervaar ik de overheid nu als een te kloppen tegenstander die oneigenlijke middelen in de strijd gooit en ik er helemaal geen verweer tegen heb. Ze komen nu met een avondklok spoedwet voor het geval ze de juridische strijd over de huidige maatregel mochten verliezen. Die avondklok is er en blijft er. En dat doet wat met me… Echt waar. Ik ben geen aansteller. Op de één of andere manier is het idee dat de avondklok afgeschaft wordt een lichtpuntje geworden, voor mij. Dat lichtpuntje lijkt nu gedoofd.

Er zijn een paar duizend mensen doodgegaan en velen zijn doodziek geworden. Mensen zijn werkeloos geraakt of dreigen failliet te gaan. Geen inkomsten meer, maar nog wel uitgaven. Wat loop ik toch te zeuren met mijn best wel redelijke inkomen dat gewoon blijft binnenkomen. Alles kan ik kopen wat ik wil. Dan nog zeuren, ook. Kom op zeg!

Oké, laten we ons weer opheffen en doorgaan. DOORGAAN. (En ophouden met zeuren; de vaccinatie komt er aan… en als iedereen ingeënt is…)

Lize Spit – Ik ben er niet; best boeiend

Op 2 februari 2018 stond er een interview in de Volkskrant met Marieke Lucas Rijneveld. Daarin schrijft Sara Berkeljon: ‘Maar vooral moest ze onverbiddelijk leren zijn, ten opzichte van zichzelf, maar ook ten opzichte van haar ouders en het geloof. “Dat advies kwam van Lize Spit (de Vlaamse schrijfster van Het smelt, red.), een goede vriendin van mij. Ik heb het toen heel groot op de muur geschreven, boven mijn bureau: ONVERBIDDELIJK. Tijdens het schrijven keek ik naar dat woord en het hielp.”’ Haar advies om ‘onverbiddelijk’ te zijn, illustreert Lize Spit in de roman ‘Ik ben er niet’, zo lijkt het. Onverbiddelijk zijn voor jezelf en de mensen van wie je houdt, is zonder meer de opgave die auteurs hebben; je kunt niet om jezelf en hen heen. Auteurs zullen vaak het gevoel hebben dat ze verraad plegen want zij die om hen heen leven hebben er niet om gevraagd om in een roman een rol te spelen; dat moet best heftig zijn. Zelfs als je jezelf niet als hoofdpersoon gebruikt in een roman, dan nog heb je het altijd over de mensen die je liefhebt, of, in ieder geval over je naasten. Is het romanpersonage boos op haar vader, dan is er maar één persoon aan wie de schrijver zijn of haar gevoelens kan ontlenen, dat is de fysieke vader van de auteur. Schrijf je als auteur iets over jezelf ten opzichte van een ander, dan komt die ander altijd in de buurt van een persoon in het kringetje rond de auteur. Veel emoties en gebeurtenissen  daar kan je van denken, ach wat maakt het uit. Maar intieme dingen maken natuurlijk wel degelijk uit. Dingen als liefde en seks, om maar een dwarsstraat te noemen. Lees je een roman, dan duik je, zonder dat schrijver of lezer dat wil, in het leven van de schrijver zelf en vorm je een mening over het leven van de auteur.  Als je schrijft pleeg je zonder meer verraad aan je geliefden. De roman van Lize Spit maakt dit expliciet.

Als de roman begint is de ik-figuur Leo net afgestudeerd als scenarioschrijver aan de filmacademie. Zomaar werk krijgt ze niet in haar vak en daarom gaat ze werken bij bedrijf Buik&Boek als verkoopster. De winkel is gespecialiseerd in kleding voor zwangere vrouwen en verkocht in beginsel ook boeken. Dat laatste lijkt in de loop de tijd vervaagd te zijn. In de winkel sluit ze een hechte vriendschap met Lotte. Ook zij zit niet helemaal op haar plek want ze is opgeleid tot actrice. Buik&Boek staat haast model voor de maatschappij waar het voor beginnende kunstenaars erg zoeken is naar werk in de richting waarvoor je ooit gekozen hebt en waar je talenten liggen. Leo woont samen met Simon Spruyt. Hij is een grafisch ontwerper in dienst van het bedrijf TOL. Hij wordt alom gewaardeerd. Wat de verteller wel opmerkt is dat Simon vaak plannen maakt over zijn toekomst die moeilijk uitvoerbaar zijn en die vaak sterven in schoonheid.

Simon laat een tattoo zetten en dat lijkt een breuk in te leiden met alles wat hij tot dan toe dacht en deed. Hij neemt ontslag omdat hij een eigen bedrijf in tattoo-ontwerpen wil starten. Het luidt een enorme gedragsverandering in die uiteindelijk in een psychose eindigt. Nadat Simon weer uit de psychiatrische kliniek komt is er weinig van de oude persoon over. Ondertussen lukt het Leo om in de Libelle een column te krijgen waarin ze in het geheim, onder pseudoniem, het ziekteproces van haar vriend en haar gevoelens daarover beschrijft. De ontluistering van haar psychotische vriend exposeert ze aan de rest van de wereld. Weliswaar onder pseudoniem, maar toch. Ze moet ‘onverbiddelijk’ zijn om het verhaal te schrijven…

Zoals ik al zei komen de personages in een roman nooit volledig los van de auteur en haar omgeving. Vorm je een oordeel over een romanpersonage over hoe hij of zij zich gedragen ten opzichte van de ander, dan houdt dat het gevaar in dat de lezer eigenlijk een oordeel over de auteur zelf geeft. Dat is niet zo. De lezer kan alleen maar uitgaan van wat er in het boek staat, en dat staat voor de lezer los van de auteur. Desalniettemin valt mij wel de wederzijdse afhankelijkheid op van Leo en Simon. Gek genoeg had ik een ander verwachtingspatroon en vind ik de beschreven liefde tussen die twee opvallend tam. Ik zie meer een wisselende ouder-kind relatie dan een gelijkwaardige vurige liefde liefdesrelatie. Ook de beschreven seks past meer in een ‘zorgen-voor-elkaar’ relatie dan een vurige liefde. Het stel voelt onder het lezen nimmer gelijkwaardig; vuur is er niet. Je zou het haast gezapig kunnen noemen. Dat er iets volledig uit de hand loopt, geeft de roman leven.

Leo vertelt dat ze tijdens haar studie leerde wat suspense was; verschil in informatie tussen de held en het publiek. Het publiek weet ietsje meer dan de hoofdpersoon. De roman lijkt gestructureerd met dit stijltype. Twee lijnen lopen door elkaar waarbij de ene lijn wat betreft spanning gevoed wordt door de andere lijn. Eigenlijk is dit dezelfde kunstgreep als die Lize Spit toepaste in haar vorige roman ‘Het smelt’. Op zich werkt het, moet ik zeggen; de laatste vijftig bladzijden waren daardoor buitengewoon spannend.

Als ik een oordeel moet geven over de hele roman, dan zeg ik: Hij was oké. Niet hemeltergend fantastisch, maar goed te lezen en best boeiend.