Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 4: Verliefde Martha

En hier de volgende hoofdrolspeler in het Kattenburgdrama: Martha. Twintig jaar. Tot over d’r oren verliefd op een joodse jongen. Wie misgunt een twintigjarig meisje haar liefde? Niemand, toch? Martha Korthage uit Amsterdam-Noord. Ze woonde met haar ouders en broertjes en zusjes in de Sperwerlaan 11. We zijn Hollandia-Kattenburg genaderd, want de fabriek van de firma Hollandia-Kattenburg stond ook in de vogeltjesbuurt van Amsterdam-Noord; aan de Valkenweg en dus bij Martha om de hoek. Nog geen twee minuten lopen. Ze had er een blauwe maandag gewerkt. Wellicht dat ze in de fabriek, op de werkvloer haar vriendje had leren kennen, we weten het niet. Martha werd ontslagen wegens onzedig gedrag; waarschijnlijk had ze staan zoenen met haar joodse vriendje onder werktijd.

De vogeltjesbuurt in Amsterdam-Noord 1940

Er werkten veel joodse mensen bij Hollandia Kattenburg. De directeur, Jacques Kattenburg, was van joodse komaf. Of dat de reden was dat er zoveel joodse mensen werkten; het zou kunnen. Wat betekende het eigenlijk om joods te zijn in Amsterdam voordat de tweede wereldoorlog ook Nederland in haar klauwen kreeg? Niets, helemaal niets.

Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen…maar nauwelijks in Amsterdam. De Amsterdamse wethouder voor onderwijs en kunstzaken – maar ook statisticus – Emanuel Boekman, deed in de jaren dertig onderzoek naar de demografie van de joden in Nederland. Hij constateerde dat de meeste Nederlandse joden in Amsterdam woonde en dat ongeveer negen procent van de Amsterdammers een joodse achtergrond had. Bovendien maakte hij, met de volkstellingen vanaf 1905 als leidraad een lijstje dat liet zien hoe de Amsterdamse bevolking en het joodse deel steeds meer één geheel werden. Hij liet zien dat vanaf 1905 het aantal gemengde huwelijken tussen joden en niet-joden in rap tempo toenam; dat je partner al of niet joods was, werd steeds minder belangrijk. In 1930 trouwde één op de vijf joden met een niet-jood. Dat onze Martha verliefd werd op een jodenjongen en hij op haar is dus helemaal niet gek. En dat die jodenjongen plotseling verdwenen was, was ook niet zo heel gek in de tijd nadat de nazi’s Nederland hadden overgenomen. Van dat gemoedelijke Amsterdam zonder scheiding tussen joden en niet-joden was weinig overgebleven. Jonge joodse mannen waren vaak het doelwit van de nazi’s in de beginjaren van de oorlog. Die werden zomaar opgepakt en – toen nog – naar Mauthausen gebracht waar ze al snel overleden en de overlijdensberichten drongen toen nog door in Amsterdam. Mauthausen was een schrikbeeld. Met Mauthausen werd voortdurend gedreigd. De angst zat er goed in. Velen kozen voor onderduik. Zo ook het vriendje van onze Martha.

Het Joodsche Weekblad van 7 augustus 1942

Gedumpt door je grote liefde. Bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal is je eerste liefde ook je grote liefde. Ze moet wanhopig zijn geweest van liefdesverdriet. Zo sta je nog te zoenen en dan is hij, zonder boe af bah, verdwenen. Niemand die haar iets kon vertellen over haar vriendje. Toen moet ze gehoord hebben dat hij ondergedoken zat. Hoe kom je erachter waar iemand ondergedoken zit? Via het verzet. Ze zal links gevraagd hebben en rechts gesmeekt…niemand kan haar verwijten dat ze dat deed; je hoofd wordt erg schimmig als het bezeten is van liefde. Zo kwam de naam van Martha Korthagen terecht in een notitieboekje van verzetsstrijder Sally Dormits die ik in de vorige aflevering van dit vervolgverhaal een kogel door zijn hoofd heb laten schieten als gearresteerde tasjesdief op het politiebureau in Rotterdam. De naam van verliefde Martha in het notitieboekje van Sally Dormits, zou een akelige staart krijgen.

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 3: De tasjesdief.

Rauter kon in 1942 maar moeilijk aan zijn verplichtingen voldoen, de stakker. Hij had er moeite mee de treinen naar het oosten te vullen met joden. In de loop van 1942 had hij van hoger hand targets opgelegd gekregen en hoewel hij de joodse bevolking niets dan slechts toewenste en er joden genoeg voor handen waren, lukte het hem niet om die targets te halen. Iedereen had wel een reden om niet gedeporteerd te worden. Maar gelukkig voor hem, daar kwam verandering in…er ging iets gebeuren. Zelfs de Rüstungsjuden van Hollandia-Kattenburg zouden de dans niet ontspringen… Er was een aanleiding nodig. Die aanleiding zou niet lang op zich laten wachten in 1942 maar had wel een aanloopje nodig. Een klein aanloopje.

In oktober 1942 gebeurde er iets opmerkelijks in Rotterdam. Een ordinaire tasjesroof. Eigenlijk meer een diefstal. Bij de bakker zag ene  Sally Dormits een onbeheerd handtasje staan. Omdat hij verschrikkelijk omhoog zat om bepaalde spullen en hij vermoedde dat ze in dat tasje zaten, stopte hij het vergeten handtasje ongezien in de aktetas die hij bij zich had. Toen de bezitster van het tasje thuis ontdekte dat ze haar tasje met haar hele hebben en houden bij de bakker vergeten moest zijn, repte ze zich terug. Daar zag ze haar tas niet. Wel een slungelige jongeman met een brilletje en een uitpuilende aktentas.

De vrouw overzag het strijdperk; een bakkerszaak in Rotterdam; tasje weg; slungel met een uitpuilende aktetas. De verdachte was binnen enkele seconden gevonden. ‘Waar is mijn tas, ik ben hem vijf minuten geleden vergeten en toen stond hij hier,’ zal ze gezegd hebben. Op dat moment werd het Sally Dormits wat te heet onder zijn voeten. Ik denk dat hij ongezien de pleiterik wilde maken. ‘Hier blijven!’ zal de vrouw geroepen hebben. Anderen hielpen de vrouw door voor de uitgang van de bakkerij te gaan staan. Sally Dormits kon geen kant op. ‘Laat jij eens zien wat je in de uitpuilende tas hebt?’ Vroeg ze op een toon die echt niet vriendelijk was terwijl ze dreigend dichterbij kwam. Hij drukte zijn tas beschermend tegen zich aan. Maar de vrouw gaf zich niet zomaar gewonnen en rukte de aktetas uit zijn hand en opende hem en vond haar handtasje. Mocht hij nog gehoopt hebben dat dat dat het was, mooi niet. Voor een afloop met een sisser was het te laat, want welke vrouw laat haar tasje stelen? Er ontstond veel reuring. In ieder geval staat vast dat iemand Dormits stevig in de greep nam en dat viel een juist op dat moment langslopende diender op. Geen gewone diender  maar een lid van de Vrijwillige Hulppolitie die in 1942 door de nazi’s was opgericht. Lid werd je van deze hulppolitie als je het geen enkel probleem vond om wat joodse mensen – mannen, vrouwen, kinderen, oudjes – op te pakken om ze naar de hel te sturen. Zo iemand dus.

Sally Dormits

Sally Dormits werd naar het bureau aan de Rotterdamse Oostervantstraat gebracht. Professionals fouilleren bij arrestatie, maar die stap was door de hobby politieagent overgeslagen. Toen men dat alsnog wilde doen, trok Dormits een pistool uit zijn kleren en schoot zichzelf door het hoofd. Nog niet helemaal dood werd Dormits in allerijl naar het ziekenhuis aan de Coolsingel gebracht alwaar hij overleed.

So far so good. Ware het hier bij gebleven – een handtasjesdief schiet zich door zijn hoofd – dan was het verhaal hiermee afgelopen. Maar het mocht helaas niet zo zijn…

Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel 2: Rauter.

Als je een column een nummer meegeeft – deel 1, dus – dan verwacht je een vervolg. Heus, dat vervolg komt er wel, maar het gaat allemaal niet zo snel. Die tentoonstelling – je-weet-wel-over-wie – houdt mij vreselijk bezig. Eigenlijk is het een argument dat helemaal nergens op slaat; ga door met deel 2 van je Hollandia Kattenburg verhaal en hou op met zeuren!

Het verhaal. Hoe vervolg ik het? Moet ik verder gaan met de tasjesroof? Dat opstootje in 1942 dat de opmaat betekende voor alle ellende? Nee, eerst maar eens hoog over; ik heb niet voor niets dat onovertroffen boek van Theo Gerritse gekocht over Rauter[*]. Gerritse biedt een inkijkje in wat er voorafgaand aan 11 november 1942 allemaal speelde in Nazikringen. In januari 1942 was op de Wannsee conferentie besloten dat Europa Judenfrei zou worden, dat was stap één. De praktische uitvoering was stap twee. Met die stap twee was Hans Albin Rauter belast. Een veel moeilijkere taak dan zo op het eerste gezicht leek. Hoe vervoer je meer dan 100.000 mensen naar het oosten van Europa zonder noemenswaardig protest? Hoe voorkom je dat de andere Nederlanders tegen de deportaties in opstand komen?

De Februaristaking in 1941 had best voor wat beroering gezorgd in nazikringen. Die staking was een reactie op een razzia waarbij joden waren opgepakt. Kennelijk waren die Nederlanders lang niet zo racistisch als gehoopt was. Het moest dus slinks gaan, met list en bedrog. En nee, het kwam helemaal niet goed uit dat collega Schmidt in een toespraak van leer ging en beloofde dat hij al die joden zou gaan uitroeien; dat bracht maar onrust. Heus, Rauter en Schmidt waren het inhoudelijk helemaal met elkaar eens, maar hun tactiek was nogal verschillend. Rauter had targets gekregen van bovenbazen Himmler en Eichmann. In 1942 moest hij ervoor zorgen dat er duizenden joden gedeporteerd werden terwijl alles hem leek tegen te werken. Om te voorkomen dat er stakingen en opstanden zouden uitbreken, moest hij uitkijken met teveel openlijk geweld. Op de oproep om zich vrijwillig te melden, kwam maar de helft van de joden opdagen. Dan waren er nog duizenden joden die om de één of andere manier vrijstelling hadden om gedeporteerd te worden. Eigenlijk bijna iedereen met een baan of een studie. Daar werd geleidelijk wel wat paal en perk aan gesteld, maar voor de joden die werkten in fabrieken die aan het Duitse leger leverden, bleef onverminderd de ‘Sperr’ van kracht.

Bij Hollandia-Kattenburg werden grondzeilen en regenjassen gemaakt voor het Duitse leger; waterdichte grondzeilen en waterdichte regenjassen. Iedereen die in die fabriek in Amsterdam-Noord werkte, was hard nodig. Een derde van de werknemers en de directeuren (al waren ze uit hun functie, ze speelde op de achtergrond een grote rol) waren van joodse komaf.

Zo’n ‘Sperr’ lijkt wel fijn als je hem hebt, maar achteraf was dat ook dé gewiekste manier om mensen te misleiden. Door de angst om de Sperr te verliezen deed men angstvallig wat de nazi’s vroegen. Het verdeelde de slachtoffers in mensen met een Sperr en mensen zonder en hoewel men best medelijden had met degene zonder sperr – die rücksichtslos werden gedeporteerd – was de angst om de eigen positie te verliezen veel te groot om ook maar te denken aan in opstand komen. Heus, er was wel tegenstand, we gaan er nog van horen, maar die was niet groot.

De mensen met een Sperr waren een doorn in het oog van Hans Albin Rauter ook de zogenaamde Rüstungsjuden bij Hollandia Kattenburg. Hij moest zijn targets halen. Weg al die joden. Weg uit Nederland.

Natuurlijk kreeg hij uiteindelijk zijn zin, die Rauter.


[*] Gerritse, T. (2018). Rauter: Himmlers vuist in Nederland (Dutch Edition) (2de editie). Boom.